visitors on myspace
JEZUS CHRISTUS IN TEGENLICHT | POSITIEF ATHEÏSME <>

JEZUS CHRISTUS IN TEGENLICHT

WILLY DEZUTTER

image7313

EEN KRITISCH ONDERZOEK




JEZUS VAN NAZARETH WERD DOOR ZIJN CHRISTELIJKE VOLGELINGEN JEZUS CHRISTUS GENOEMD. HIJ WAS EEN JOODS RELIGIEUS LERAAR WAARVAN IN HET NIEUWE TESTAMENT WORDT VERTELD DAT HIJ OMSTREEKS HET JAAR 30 NA HET BEGIN VAN DE JAARTELLING ACTIEF ZOU GEWEEST ZIJN IN HET TOENMALIGE GALILEA EN JUDEA. HIJ IS DE CENTRALE FIGUUR IN HET CHRISTENDOM EN WORDT DOOR GELOVIGE CHRISTENEN BESCHOUWD ALS DE ZOON VAN GOD.




EEN KRITISCHE BENADERING

   Wanneer men alles gelooft wat er in de Bijbel staat of wanneer men slaafs de uitspraken van het Vaticaan en de protestantse synodes aanvaardt, is er geen enkel probleem. Wanneer men geloofswaarheden laat samenvallen met historische feiten lijkt verder onderzoek overbodig.

   Voor het tegendeel verwijzen we naar het boek van Prof. Johan Braeckman, 'DARWINS MOORDBEKENTENIS. DE ONTWIKKELING VAN HET DENKEN VAN CHARLES DARWIN'. (Nieuwezijds, 2001, 2008). Wanneer men blind is voor de historisch wetenschappelijke feiten kan men er de bovennatuurlijke verschijnselen zoals wonderen gemakkelijk op de koop toe bij nemen. Subjectiviteit houdt altijd een persoonlijk oordeel of zienswijze in. Ook wanneer een aantal mensen iets heeft waargenomen of heeft ervaren wat niet door andere mensen kan worden aangenomen, zoals verschijningen van Maria in een grot, wordt dit als een subjectieve ervaring beschouwd. Die psychologische ervaringen - of is het een psychiatrische aandoening? - bestaan dus echt, maar wij hebben ze persoonlijk nog nooit ondervonden. Het mooiste citaat halen wij uit 'GOD ALS MISVATTING' (Amsterdam, 2006, tweede druk, blz. 14) van de onvolprezen Richard Dawkins: “Als één persoon lijdt aan waanvoorstellingen, dan heet dat ‘krankzinnigheid’. Als veel mensen tegelijk lijden aan waanvoorstellingen, dan noemt men dat ‘religie’”. Wij zien vooral lijden en kwaad in deze wereld. Een oneindig goede en almachtige god kan zoiets toch maar moeilijk dulden in zijn schepping. En een persoonlijke ontmoeting met een god of één van zijn boodschappers is ons nog nooit overkomen en het verlangen ernaar was nochtans groot. Daarom rest ons enkel de wetenschappelijke methode als uitgangspunt voor ons onderzoek.


DE EERSTE CRITICI

   De historische betrouwbaarheid van de evangeliën was het centrale punt in de beginfase van de historisch-kritische school. In de 18de eeuw, tijdens de Verlichting, ontstond in Duitsland onder Lutherse kerkhistorici het historisch-kritisch onderzoek naar de Bijbel.


th

  Over de authenticiteit van de evangeliën bestaan verschillende opvattingen. De moderne Bijbelexegese hangt vooral de twee-bronnentheorie aan. Die theorie zegt dat Mattheüs en Lucas later zijn toegevoegd en dat beiden onafhankelijk van elkaar gebaseerd zijn op het evangelie van Marcus. Het evangelie van Johannes zou volgens deze theorie veeleer een theologische constructie zijn en is volgens de meeste onderzoekers niet door Johannes geschreven. Het dateert van latere datum (90-110). De genealogieën van Jezus in Mattheüs en Lucas komen niet overeen en wijzen beiden naar de band van Jezus met David uit het Oude Testament (O.T.). De vier evangeliën zijn het ook niet eens over de geboorte en dood van Jezus. Ook over de twaalf apostelen, de discipelen van Jezus, zijn nauwelijks historisch-biografische gegevens te vinden.

   Het opzet van het eerste historisch-kritische onderzoek was aanvankelijk om het gelijk van Luther te bewijzen tegenover Rome. Maarten Luther (1483-1546) was een Duitse protestantse theoloog en reformator. Hij deed zijn werk zo goed dat zijn boeken in 1520 in Leuven op de brandstapel gingen! In 1522 verscheen zijn vertaling van het NieuweTestament (N.T.) in het Duits. Hij gebruikte daarvoor de recente kritische uitgave van Erasmus. Desiderius Erasmus (ca. 1466-1536) publiceerde een Griekse versie van het N.T. met duidelijke verbeteringen op de Vulgaat van de rooms-katholieke kerk. In Luthers vertaling van het O.T. uit 1534 werden de apocriefen weggelaten. Apocrief is de term waarmee bepaalde boeken worden aangeduid die aanspraak maakten om als onderdeel van de Bijbel te worden beschouwd, maar niet in de canon van de Bijbel zijn opgenomen. Zo behoren aparte evangeliën zoals het ‘Evangelie van Thomas’ en het ‘Evangelie van Judas’ tot de apocriefen.

   Maar ook binnen het N.T. bestaan apocriefe boeken die door de rooms-katholieke kerk en de protestantse kerken om uiteenlopende redenen zijn afgekeurd. De stelling van Luther “Elke gelovige heeft het recht de Bijbel op zijn manier uit te leggen” tastte natuurlijk het leergezag van Rome aan.

   De stichter van de ‘historisch-kritischen Schriftforschung’ was Johann Salomo Semler (1725-1791). Zijn hoofdwerk was de 'ABHANDLUNG VON FREIER UNTERSUCHUNG DES CANON', 4 dln, 1771-1775. Daarin kwam hij tot de conclusie dat de selectie van de canon toevallig zou zijn geweest. Het Woord van God en de Bijbel zijn bij hem twee verschillende dingen. Semler houdt wel nog vast aan Jezus als openbaring van God.

   De Duitse deïst Hermann Samuel Reimarus (1694-1768) ging nog een stap verder. Als voorvechter van de ‘natürliche Religion’ meende hij dat de werkelijke boodschap niet kon verkondigd worden in de tijd van zijn ontstaan en daarom door het christendom was vervalst. Hij geraakte postuum bekend door de uitgave van zijn 'APOLOGIE' door de Duitse filosoof Gotthold Ephraim Lessing (1729-1781). Wonderen en andere bovennatuurlijke elementen werden door Reimarus en Lessing afgewezen. Zij stelden bovendien dat de mens geen openbaring nodig zou hebben. Zij verwezen naar het ethisch karakter van de religie, in plaats van naar het openbaringsgeloof. In Jezus zou deze ethisch religieuze betekenis vorm gekregen hebben. Ook David Hume (1711-1776), de Schotse filosoof uit de tijd van de Verlichting, kwam tot de slotsom dat de buitennatuurlijke gebeurtenissen over Jezus niet waar konden zijn. Net als Hume vond ook Reimarus dat de goddelijkheid van Jezus een ideologische projectie van de kerk was.


DE 'LEBEN JESU FORSCHUNG' 

   De belangrijkste onderzoeker uit de 19de eeuw was David Friedrich Strauss (1808-1874). In 1835-1836 gaf hij zijn 'LEBEN JESU KRITISCH BEARBEITET' uit. Daarin noemde hij de levensloop van Jezus een mythologisch opgesmukt leven van een joods rabbijn. Hij verwierp alle bovennatuurlijke en Messiaanse elementen uit de evangeliën.Wel verklaarde hij de goddelijkheid van Jezus als gevolg van een historisch mythologiserings-proces en niet als bewuste manipulatie. Het onderzoek dat in de lijn van Strauss in de I9de eeuw werd gedaan, wordt de 'Leben Jesu Forschung' genoemd. In één adem met David Strauss dient ook Bruno Bauer (1809-1882) vernoemd. Deze Duitse theoloog, filosoof en historicus onderzocht eveneens de bronnen van het N.T. en kwam tot de conclusie dat het vroege Christendom meer verschuldigd is aan de Griekse filosofie (het stoïcisme) dan aan het Jodendom. Volgens hem was Jezus een mythe, gecreëerd in de tweede eeuw door een ontlening aan de Joodse, Griekse en Romeinse theologie. Dat wordt uiteengezet in zijn hoofdwerk 'CHRISTUS UND DIE CÄSAREN' (1877). De meest invloedrijke figuur blijft Ludwig Feuerbach (1804-1872) voor wie God een projectie is van de mens. Hij beschouwde religie als een compensatie voor de beperktheid en de eindigheid van het leven. Volgens hem is godsdienst niets meer dan een illusie. Zijn schitterende definitie over het godsbegrip willen wij u niet onthouden. 

“God is een door de mens gemaakt wezen, waarop de mens omwille van eigen geluk en genotverhoging zijn menselijke idealen, noden en wensen projecteert”. 

  De Franse filosoof en schrijver Ernest Renan (1823-1892) geraakte vooral bekend door zijn 'VIE DE JÉSUS' (1863). Daarin betoogde hij dat het leven van Jezus op dezelfde wijze geschreven en onderzocht zou moeten worden als van om het even ieder ander mens. We bevinden ons dus in goed gezelschap. Heel de 'Leben Jesu Forschung' herinnert aan Albert Schweizer (1875-1965) en zijn boek 'GESCHICHTE DER LEBEN-JESU-FORSCHUNG' (1906). Het is een studie van eerdere levensbeschrijvingen van Jezus Christus. Hij schaart zich grotendeels aan de zijde van Johannes Weiss (1863-1914) en diens werk 'DIE PREDIGT JESU VOM REICHE GOTTES' (1892). Schweizer kwam tot de slotsom dat Jezus niet zozeer om zijn leer dan wel om zijn wilskracht het navolgen waard is. In de 20ste eeuw zette de Duitse filosoof en theoloog Rudolf Bultmann (1884-1976) die ontmythologisering verder. Hij beweerde dat bepaalde heilshandelingen van Christus, zoals de kruisdood, verrijzenis en hemelvaart niet rationeel te funderen zijn. Ook de maagdelijke geboorte was volgens hem een mythe, die net zo goed diende ontmythologiseerd te worden als de gehele eschatologie (‘Dag des oordeels’) van het christendom.


DE HISTORISCHE JEZUS

   Voor de kennis van Jezus zijn we vooral aangewezen op de vier canonieke evangeliën (Mattheüs, Marcus, Lucas, Johannes); verder de Handelingen der Apostelen. Het boek ‘Handelingen’ is geschreven door dezelfde auteur als het ‘Evangelie volgens Lucas’ en moet worden gelezen als het vervolg ervan. Het gaat over het ontstaan van de eerste gemeenschap. En dan zijn er ook nog de dertien onderwijzende brieven van Paulus (Tarsus, ca.3 - Rome, 64 of 67), zijn grootste propagandist en de eigenlijke stichter van het christendom.

   De gegevens zijn zeer gering en betreffen hoofdzakelijk de interpretatie van de dood van Jezus en de verschijningen van de verrezen Christus. Maar dat laatste rekenen we tot de apostolische verkondiging en niet meer tot de geschiedenis. De Vlaamse theoloog Edward Schillebeeckx schreef daar een standaardwerk over: 'JEZUS, HET VERHAAL VAN EEN LEVENDE' (1974). Deze publicatie leidde tot onderzoek vanuit Rome naar zijn rechtzinnigheid omdat Schillebeeckx als officieel katholiek theoloog de opstanding als objectieve gebeurtenis had ontkend. Het misstaat niet om hier ook even te wijzen op het belang van de Zwitserse theoloog Hans Küng die dogmatiek doceerde in Tübingen. Vooral zijn boek over de pauselijke onfeilbaarheid bracht hem in aanvaring met het Vaticaan.

   Buiten het N.T. zijn de gegevens uiterst schaars. In de 'OUDE GESCHIEDENIS VAN DE JODEN' van de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus (Jeruzalem 17 - Rome ca. 100) komen twee passages voor over Jezus. De historiciteit van deze twee teksten wordt echter door zowel historici als taalkundigen betwist. Er zijn ook nog een aantal korte vermeldingen. Tacitus, de grote geschiedschrijver van het Romeinse Rijk beschrijft ca. 115 van onze jaartelling in zijn 'ANNALEN' hoe de christenen door keizer Nero verantwoordelijk werden gesteld voor de grote brand van het jaar 64. “Ze heten naar Christus die onder Tiberius door landvoogd Pontius Pilatus ter dood werd gebracht”. Plinius de Jongere vermeldt de christenen in zijn 'BRIEVEN AAN DE KEIZER'. De Romeinse historicus Suetonius heeft het in zijn Claudius-biografie over de agitator Chrestus. Maar aangezien die Chrestus optrad in Rome is het helemaal niet zeker dat het wel degelijk over de jood Jezus Christus gaat. De satiricus Lucianus van Samosata noemde in de 2de eeuw Jezus “de gekruisigde sofist”.

   Dit zijn de voornaamste buitenbijbelse bronnen. Al die historici waren geen ooggetuigen en maken ook geen melding van wonderen, een herrijzenis of een hemelvaart.Voor de rest moeten we ons vooral baseren op de vier Evangeliën. En Paulus is ook al geen erg betrouwbare getuige want hij ontmoette enkel de verrezen Christus! Ook de apocriefe evangeliën brengen ons geen historische informatie. Zo min als de rollen van de Dode Zee. (Tussen 1947 en 1956 ontdekt in een aantal grotten in het Judese bergland aan de westzijde van de Dode Zee).

   Die apocriefe geschriften handelen vooral over de kinderjaren van Jezus en zijn heel fantasierijk. Alleen het Thomas-evangelie (4de eeuw) vertoont raakpunten met de synoptische traditie. Dit in 1945 ontdekte gnostisch geschrift gaat terug op een Grieks origineel uit de tweede eeuw. Hierin wordt niet gesproken over de geboorte, het leven, noch de kruisdood of de opstanding van Jezus. Dit koptisch geschrift bestaat uit losse uitspraken van Jezus en heeft niet de vorm van een evangelieverhaal. Ook het Evangelie naar Judas is zo’n gnostisch geschrift en dateert pas uit de tweede helft van de 4de eeuw.


url

DE NAAM VAN JEZUS WORDT VOORGESTELD ALS EEN MONOGRAM VAN DRIE BEGINLETTERS IHS, IN HET MIDDEN VAN EEN STRALENKRANS


VERKLARING VAN DE NAAM

  De naam JEZUS is een vernederlandsing van het Latijnse Iesus dat weer een gelatiniseerde vorm is van het Griekse Iesoûs (uitspraak: Jèsous). Dit is op zijn beurt weer een Griekse versie van het Hebreeuwse Jesjoea, een latere vorm van Jehosjoea, waarvan de directe vernederlandsing Jozua is. De naam Jezus/Jehosjoea betekent “God redt” en was rond het begin van de jaartelling een algemene Joodse naam. Hij werd ook wel Jezus van Nazareth of Jezus de Nazarener genoemd onder verwijzing naar het dorp in Galilea waar hij vandaan zou komen. (tegenwoordig Al-Nasira, een Arabische stad in Israël). Zijn originele aanspreeknaam volgens de Joodse gebruiken was wellicht Jezus, zoon van Jozef/Jesjoea ben Josef (Hebreeuws). De islamitische naam voor Jezus, die in de Koran genoemd wordt als een belangrijk profeet en boodschapper, luidt Jezus, zoon van Maria/Isa bin Maryam (Arabisch). De moslims beschouwen Isa niet als de Zoon van God zoals de christenen dat doen. Men gaat namelijk in de Islam, net als in het O.T. overigens, uit van de eenheid van God.

   De titel Christus komt van het Griekse woord Christos dat in het Hebreeuws “Messiah” betekent, in het Nederlands vertaald messias of gezalfde. Het woord gezalfde wordt in de joodse traditie gebruikt voor koningen, priesters en profeten. Men verwachtte trouwens de komst van “Gods gezalfde” die het joodse volk zou verlossen van de Romeinse overheersing. Het volk verlangde hevig naar die verlosser. Dit kadert in de algemene messiaanse verwachting. Voor de christenen was Jezus de gezalfde van God. Christus werd zo de eigennaam voor Jezus.


DE MOEDERTAAL VAN JEZUS

   Op basis van de tekstkritiek van de bronnen gaan we uit van de veronderstelling dat hij werkelijk heeft bestaan. We laten daarbij in het midden of hij nu een vrome jood was, een rebel tegen de Romeinen, een radicale godsdienstvernieuwer of wat dan ook.

   Zo heeft iedereen een beetje zijn eigen beeld gevormd. Door zijn atypisch gedrag kunnen we hem ook beschouwen als een “hippie van de oudheid”. Misschien rookte hij wel wiet? In de oliezalf die Jezus gebruikte om wonderbaarlijke genezingen te doen zou immers een cannabisextract gezeten hebben. Wat was zijn moedertaal? In het N.T. worden verschillende instanties genoemd waarin hij Hebreeuws sprak, maar geen enkele waarin hij Aramees sprak. Uit het feit dat bepaalde citaten van hem in de Griekse manuscripten in het Aramees zijn, wordt geconcludeerd dat het Aramees zijn moedertaal moest zijn. Het is ook mogelijk dat Aramese originelen aan de grondslag liggen van die Griekse manuscripten. Het oorspronkelijke Aramese alfabet is gebaseerd op het Fenicisch alfabet. Het Hebreeuws alfabet is daar rechtstreeks van afgeleid. Verondersteld wordt dat de meeste Joden in Palestina in het begin van onze jaartelling een vorm van West-Aramees spraken als dagelijkse omgangstaal. Dat Joods-Palestijns Aramees zou dan de taal van Jezus geweest zijn.

   In zijn tijd was het Grieks de universele taal van het oostelijke Middellandse Zeegebied en de westelijke grote steden van het Romeinse Rijk. Het valt dus niet uit te sluiten dat hij een basiskennis had van het Grieks hoewel er niets op wijst dat hij een hoge opleiding heeft genoten. Het valt ook niet uit te sluiten dat hij Latijn moet gesproken hebben toen hij voorgeleid werd aan Pontius Pilatus, van 26-36 na Chr. de 5de praefectus van Judea. Het Latijn was de juridische en ambtstaal voor de Romeinse provinciën.

   Algemeen wordt aangenomen dat Aramees de moedertaal van Jezus geweest is, dat hij Hebreeuws kon lezen en dat hij een basiskennis van het Grieks beheerste.

  Maar kon Jezus ook schrijven? De Schriftgeleerden en Farizeeën stelden Jezus moeilijke vragen. Hij schreef met zijn vinger in het zand van de tempelvloer maar er wordt niet verteld wat hij schreef. Hij zocht gewoon wat bedenktijd!

imgres


FRA ANGELICO [1387 – 1455] ANNUNCIATIE; FRESCO (230 X 321 CM) - 1438-1445 MUSEO DI SAN MARCO, FLORENCE






ZIJN LEVENSLOOP

 

GEBOORTE 

    De precieze dag en maand en zelfs het jaar van de geboorte van Jezus kon tot nu toe niet definitief bepaald worden. De Engelse schrijver A.N. Wilson gaat er van uit dat Jezus vermoedelijk in het jaar 4 van onze jaartelling is geboren en dat hij omstreeks het jaar 30 stierf. Hij haalt ook het voorbeeld aan van een docent theologie volgens wie het voor het christendom helemaal niets uitmaakt of Jezus nu bestaan heeft of niet. Een verklaring voor de geringe interesse in de geschiedenis is volgens Wilson dat theologen door historische gegevens in gewetensnood komen:

“Als theologen beginnen te twijfelen tussen het geloof en hun verstand, kiezen zij meestal voor het geloof. Ze zijn veel te veel aan hun positie gehecht. De helft van onze bisschoppen is eigenlijk atheïst”.

 in een interview in NRC Handelsblad 11 september 1992. 


   De Jezus van het geloof en de Jezus als historische figuur zijn twee verschillende mensen. Als centraal figuur binnen het christendom heeft Jezus slechts een symbolische functie. Het heeft dan ook geen zin om de geboorte van Christus te willen vaststellen aan de hand van historische gebeurtenissen. In dit verband wordt dikwijls verwezen naar het verschijnen van de komeet van Halley. Deze komeet wordt dan beschouwd als de ster van Bethlehem. Daarenboven zou dit betekenen dat Jezus geboren werd in de zomer en niet in de winter. Voor de geboorteherdenking is gewoon gekozen voor 25 december, het Romeinse feest van Sol Invictus, de winterzonnewende. Het is niet moeilijker dan dat zoals ook Bethlehem willekeurig werd uitgekozen als de stad van David. Mattheüs en Lucas wilden na de dood van Jezus gewoon aantonen dat hij de Zoon van David was. Het doet er dan ook niet toe of Jezus nu in een stal of in een grot geboren werd. Deze voorstellingen zijn tot ons gekomen via de Oosterse en de Westerse schilderkunst met Italië als bemiddelaar. De maagdelijke geboorte van Jezus uit de Maagd Maria vertoont overeenkomsten met het verhaal van de geboorte van Horus uit de Maagd Isis. Horus en Isis horen thuis in de Egyptische mythologie van lang voor Christus. Zo bestond ook lang voor Christus al het verhaal van de maagdelijke geboorte in een grot van de zonnegod Mithras, eveneens gedateerd op 25 december.

   Het was de vroege kerk een doorn in het oog dat de Mithrascultus maar bleef voortduren. Om de zonnedienst te kunnen beëindigen besloot Paus Julius I (337-352) in het jaar 340 dat de christenen voortaan op de “dies natalis solis invincti” het geboortefeest van Jezus Christus moesten vieren. Christus moest aanbeden worden als het Licht dat de duisternis voorgoed wegjaagt en eeuwig leven schenkt. Maar de zonnecultus bleef hardnekkig. Paus Leo de Grote (440-461) beklaagde er zich nog over dat sommige christenen bij het betreden van de basiliek in het voorhof nog altijd plechtig de zon groetten.


url

   Vanuit het Westen vond Kerstmis (Kerstmis is katholiek, de protestanten spreken liever over het kerstfeest of gewoon kerst) en de datum 25 december in de loop van de vierde eeuw ook ingang in het Oosten. De Oosterse Kerk hecht echter meer aan het Paasfeest dan aan het Kerstfeest. (Epifanie 6 januari). Dat is zeer scherpzinnig gezien: hoe goddelijk kan iemand zijn waarvan de fysieke geboorte wordt erkent? Het “jaar 0” zou eigenlijk het geboortejaar van Jezus moeten zijn. Dat is niet het geval. De Romeinse abt Dionysius Exiguus kreeg in 533 van Paus Johannes I de opdracht om het geboortejaar van Jezus vast te stellen. Maar omdat hij een aantal fouten in zijn berekening maakte is de christelijke jaartelling eigenlijk niet correct.


   De midwinter zonnewende heeft altijd plaats op 21 of 22 december maar men diende toch wel drie dagen te wachten om zeker te zijn of de verschijning van de zon een feit was. Voor ons is dit nu een verklaarbare astronomische verschijning maar vele eeuwen lang hebben verschillende volkeren bang afgewacht of de geboorte van de zon ook nu weer de garantie zou vormen voor de groei van nieuwe gewassen. Bij de RAFAELLE SANZIO - MADONNA MET KIND                       Germanen was het joelfeest eveneens een midwinterfeest waarbij de winterzonnewende gevierd werd. Het midwinterfeest was de belangrijkste feestdag overal in Europa en het is dan ook gemakkelijk te verklaren waarom de rooms-katholieke kerk in haar expansiedrift dit feest geïntroduceerd heeft als de fictieve geboortedag van Jezus Christus. De rijzende zon als universeel symbool bestond al duizenden jaren. De kerk was altijd zeer gekant tegen zogezegde heidense gebruiken maar het van oorsprong heidense feest van 25 december hebben zij geadopteerd om zo iedereen geruisloos aan zich te binden. De Romeinse legerofficier Sextus Julius Africanius (160-240) verwees er voor het eerst naar in 221 en de kerk canoniseerde het in 354 door middel van een decreet van Paus Liberius. De bekering van Constantijn de Grote tot het christendom in 312 was daaraan al vooraf gegaan.Vanaf toen vormden kerk en staat één front.

   Paus Johannes Paulus II heeft zelf in 1994 verklaard dat Jezus niet echt geboren was op 25 december maar dat deze datum gekozen was omdat het al de datum van een heidens midwinterfeest was. Dat veroorzaakte een grote schok want voor veel gewone christenen was dat iets geheel nieuws. Dat bewijst dat we niet genoeg kunnen blijven herhalen dat dit hele kerstverhaal een mythe is. Maar de kerstboom (gebruik sinds tweede helft 19de eeuw) en de wijn op kerstavond mag blijven!


url

GUIDO RENI [1575 – 1642] DOOP VAN CHRISTUS IN DE JORDAAN OLIE OP CANVAS (263,5 X 186,5 CM) - C. 1623 KUNSTHISTORISCHES MUSEUM, WENEN


ZIJN OPENBARE LEVEN - JOHANNES DE DOPER

    Omstreeks het jaar 30 vond de doop van Jezus plaats door Johannes de Doper. (ca. 7 v. de jaartelling-ca. 29). Dat is het moment waarop Jezus in de openbaarheid trad.  Net als Jezus kan men Johannes beschouwen als een religieuze leraar. Ze waren tijdgenoten en neven van elkaar. In het christendom beschouwt men Johannes als een profeet, een goddelijke boodschapper. Als nieuwtestamentische profeet wordt hij natuurlijk niet erkend door het jodendom.  De islam erkent uit het N.T. als profeet Jezus van Nazareth, Zacharias en Johannes de Doper (Jahja). De verwekking van Johannes verliep al even merkwaardig als de maagdelijke geboorte van Jezus uit de maagd Maria. Volgens de evangeliën was Johannes de enige zoon van de hogepriester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth. Zij was onvruchtbaar, dus kinderloos, tot de aartsengel Gabriël hun de geboorte van hun zoon aankondigde. Zij waren toen beiden al op hoge leeftijd. Dat een held (een wegbereider, profeet) uit een maagd wordt geboren is reeds in de hellenistische cultuur, en ook daarbuiten, geen onbekende verhaalvorm. Mattheüs en Lucas nemen in hun openingsverhaal over Jezus’ geboorte dit beeld over als uitdrukking van hun geloof dat hij een godsgeschenk was. Daarmee sluiten zij tevens aan bij de verhaaltraditie van het O.T. waarin Israëls aartsmoeders, aanvankelijk onvruchtbaar, door ingrijpen van God zonen baren. (nooit dochters!).

   Volgens de christelijke theologie is Jezus in de schoot van Maria ontvangen door de kracht van de heilige geest. Tot op de dag van vandaag wordt deze leerstelling door de rooms-katholieke kerk behouden: Maria behield haar maagdelijkheid voor, tijdens en na de geboorte van Christus. Op de concilies van Nicea (325) en Constantinopel (381) kreeg het dogma van de maagdelijke geboorte haar definitieve plaats in de katholieke geloofsbelijdenis. Onnodig te zeggen dat dit door het historisch-kritisch bijbelonderzoek totaal wordt verworpen. Het is ook altijd nuttig om eens na te gaan wat de reformatie (de protestanten) daarvan denkt. Sommige protestantse theologen verwerpen de maagdelijke geboorte en allen wijzen er op dat Maria na de geboorte van Jezus geen maagd meer kon zijn want er is sprake over latere kinderen, de broers van Jezus (Mattheüs 13:55). Trouwens, alle moderne theologen verwerpen dit dogma en ook de traditionele gelovigen hebben dit allang verwezen naar het domein van “blind religieus fanatisme”. Het is dan ook niet verwonderlijk dat al deze verhaaltjes niet meer aan bod komen in de godsdienstles op de roomskatholieke scholen. Jongvolwassen leerlingen zouden voor minder, samen met Jozef, vluchten naar Egypte. Alleen heel jonge kinderen (communicanten, vormelingen) kan men in hun kinderlijke onschuld nog verhaaltjes vertellen over “het heilig kindje Jezus” maar deze sprookjes worden wel opgespaard voor de speciale voorbereidingslessen. In tegenstelling tot het geloof in het bestaan van Sinterklaas worden die Jezus-verhaaltjes wel nooit meer door de ouders herroepen. De kinderen moeten het zelf maar uitzoeken op latere leeftijd. Ook dat is voer voor psychologen. De maagdelijke geboorte wordt dikwijls verward met het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. Dit is een in 1854 door paus Pius IX uitgevaardigd dogma waarin geleerd wordt dat Maria als enig menselijk wezen vrij is van de erfzonde, die Adam en Eva over de mensheid hebben afgeroepen. Maria zou al van eeuwen te voren door God zijn uitverkoren om de moeder van zijn zoon te worden.

   Het dogma van de lichamelijke tenhemelopneming (Feestdag 15 augustus) van Maria vormde het sluitstuk van de mariale devotie. Maria steeg niet zelf ten hemel maar werd door God “met lichaam en ziel” in de hemel opgenomen. In 1950 kon- digde paus Pius XII dit dogma van Maria-Tenhemelopneming (ook bekend als “Maria-Hemelvaart”) officieel af. Uiteraard worden die dogma’s door de protestanten verworpen maar ook door alle nadenkende mensen.

   In veel zogezegd katholieke landen, waaronder België, wordt dat gevierd als een hoogfeest (15 augustus) en is het meteen ook een wettelijke feestdag. Dat strookt niet met het principe van scheiding van kerk en staat en wellicht wordt het hoog tijd om ook hierin verandering te brengen. Dit halfoogstfeest (een reeds ingeburgerde en bestaande naam) willen wij natuurlijk niet afschaffen. Het mag een mooie doorbetaalde dag blijven om de barbecue nog eens op te poken. Een feest voor ouders en grootouders (Moederdag in Antwerpen!), kinderen en kleinkinderen. De solidariteit van het gezin. Profiteer er van, het is dan nog schoolvakantie!

   Het is ook overduidelijk dat de Mariacultus door inculturatie een voortzetting is van voorchristelijke rituelen die verwijzen naar de cultus van de Moedergodin. Door de reformatie (de hervorming) werd de Mariaverering afgedaan als een vorm van afgodendienst.

   Johannes de Doper verkondigde een boodschap van bekering en verlossing van alle zonden door het doopsel. Hij had al veel volgelingen en veel mensen lieten zich in de Jordaan door hem dopen. Ook Jezus liet zich door hem dopen en bij deze gebeurtenis zou de Heilige Geest als een duif op het hoofd van Jezus zijn nedergedaald. Er is zelfs nog een goddelijke stem uit de hemel (!) die zegt: “Gij zijt mijn zoon, de welbeminde, in wie ik mijn behagen heb gesteld”. Die Johannesdoop komt in alle vier de evangeliën voor. (Marcus 1,10:11; Mattheüs 3, 16:17; Lucas 3, 21:22; Johannes 1,32). Het is normaal dat de omstanders en later ook de theologen zich afvroegen waarom Jezus zich moest laten dopen. Was hij dan een zondaar en ondergeschikt aan Johannes de Doper? Nergens in het N.T. noemt Jezus zichzelf de zoon van God. De door God gesproken woorden komen uit de bijbel ondermeer uit Psalm 2,7 en Jesaja 42,1. Op basis van een oud psalmvers theologie bedrijven lijkt veel op het werk van de waarzegger. Het boek van de profeet Jesaja dateert uit de tweede helft van de achtste eeuw voor onze jaartelling, dus 750 jaar voordat Christus geboren werd! Het is dan ook onbegrijpelijk dat een ernstige theoloog zoals Edward Schillebeeckx (1914-2009) verwijst naar Jesaja 11,2; 42, 1:2; 61,1 en Psalm 2,7 om Jezus af te schilderen als de nieuwe Messias en voltooier van alle beloften van Israël en dat omdat hij zich liet dopen door Johannes. Een zwaktebod! (E. Schillebeeckx, 'JEZUS, HET VERHAAL VAN EEN LEVENDE'. Baarn, 2000, 10de druk, p. 452). Zelfs de “maagdelijke geboorte” brengt hij terug tot dit psalmvers 2,7 “Gij zijt mijn zoon; heden heb ik u verwekt” (Schillebeeckx ibidem). Met alleen openbaringswaarheden die terugkoppelen naar oude profeten schieten we niet veel op. Een God die spreekt vanuit wolken en een braambos blijft een verborgen tovenaar. Het is begrijpelijk dat in het christendom veel waarde wordt gehecht aan het bijbelboek Jesaja want het staat vol met zogezegde verwijzingen naar de komst van Jezus als de Messias. Hele hoofdstukken zijn daar van belang en werden als nieuwtestamentische passages opnieuw opgevoerd. Het spreekt ook voor zichzelf dat het bijbelboek (oorspronkelijk geschreven op rollen, pas veel later een boek) Jesaja niet door één persoon kon geschreven zijn. Al die profetieën werden achteraf in het N.T. opgewarmd. Op die manier is het niet moeilijk om iets te voorspellen. Het is onbegrijpelijk dat moderne theologen zo onkritisch blijven wanneer het gaat om het redden van de “geloofswaarheden”. Het is duidelijk dat het niet gaat over de kwaliteit van de bedienaars van die godsdienst (wel pedofiel, niet pedofiel) maar dat de boodschap zelf flinterdun is en gewoon te herleiden valt tot het humanistische “heb je naaste lief”. Daarenboven spreekt Jezus in het N.T. Grieks en citeert hij uit de Septuagint, de Griekse joodse bijbel.


WONDEREN

   De Nederlandse filosoof Baruch Spinoza (1632-1677) publiceerde omstreeks 1670 (anoniem) zijn 'TRACTATUS THEOLOGICO-POLITICUS'. Daarin geeft hij een van de eerste logische analyses van de Bijbel. Spinoza was de eerste die het bestaan van wonderen en het bovennatuurlijke ter discussie stelde. Dat was in die tijd nog een gevaarlijk standpunt. De rationalistische Baruch Spinoza stelt onomwonden dat wonderen niet bestaan omdat uitzonderingen op de natuurwetten onmogelijk zijn.

   Een wonder of mirakel is een zeer indrukwekkende maar rationeel onverklaarbare gebeurtenis. Dat men in de tijd van de prediker Jezus Christus nog in wonderen geloofde valt nog enigszins te begrijpen maar ook in de 21ste eeuw beschouwen het christendom en de islam een wonder als een ingreep van God in het universum. Zoveel debiliteit kan slechts in stand gehouden worden door een kerkinstituut dat baat heeft bij het floreren van een bepaalde toeristen-industrie (bijvoorbeeld Lourdes). Het doet denken aan de praktijk die toelaat dat de paus ook nu nog altijd een gestorven persoon heilig kan verklaren. Zo zitten wij zelf sinds 2009 opgescheept met een Sint-Damiaan.

   Pater Damiaan (1840-1889) begon pas wonderen te verrichten in 1998. In 1998 genas op onverklaarbare wijze een vrouw van een longkanker nadat ze gebeden had op het graf van Damiaan. Eerder was een Franse zuster al miraculeus genezen van darmkanker na een gebed tot Damiaan. De beide wonderen samen lieten de heiligverklaring toe. Natuurlijk brengen we hulde aan Damiaan voor zijn zorg voor de melaatsen op Molokai. Maar dat staat volkomen los van het feit dat hij ook ‘een waarachtig dienaar Gods’ was. Het is voor de Almachtige nog altijd eenvoudiger om psychosomatische aandoeningen te genezen dan afgeschoten benen te laten aangroeien. Er zijn ons geen gevallen bekend uit de eerste Wereldoorlog; ook niet in de vrome Westhoek. Sint-Damiaan is eveneens de universele patroon-heilige van de aidspatiënten. Sinds kort weten we hoe de conservatieve aartsbisschop André-Joseph Léonard de ziekte aids beschouwde als “een soort van gerechtigheid”. Maar tijdens een persconferentie benadrukte hij dat hij verkeerd is begrepen. We laten een kaars voor hem branden.

   Binnen het protestantisme wordt er terecht niet aan heiligverklaring of heiligenverering gedaan omdat dit wordt gezien als afgoderij.


DE WONDEREN VAN JEZUS

   Jezus beschouwde zichzelf niet als de Messias. Het woord ‘Messias’ is afkomstig uit het Hebreeuws en betekent ‘gezalfde’, in het Grieks ‘Christos’. Hij wilde zelf geen Messias zijn en zeker geen krijgszuchtige Messias. Het is vooral Paulus geweest die die titel in het N.T. tot een eigennaam voor Jezus liet evolueren. Wel maakt Paulus in zijn brieven geen melding van de wonderdaden van Jezus. En de evangelisten en latere theologen waren natuurlijk zeer sterk in het aanpassen van allerlei oudtestamentische profetieën. Het zijn ook de evangeliën geweest die Jezus hebben vergoddelijkt. Maar een Messias beschikt nu eenmaal over de macht om wonderen te doen en wanneer een Messias geen wonderen doet zal niemand hem volgen. Jezus stond zelf afwijzend tegenover wonderen omdat dit afbreuk zou kunnen doen aan de waarheid van zijn boodschap. “Indien gij geen tekenen en wonderen ziet, zult gij niet geloven” (Johannes 4:48). Maar dat neemt niet weg dat Jezus toch toegaf aan de mirakelzucht.

   De meest sympathieke wonderen voor ons zijn natuurlijk de wonderbare genezingen. Niemand ziet zieken graag lijden. Maar het eerste wonder dat Jezus heeft verricht was het wijnwonder. Water in wijn veranderen, wie van ons zou dat toverkunstje niet willen leren. Dat is het wonder op de bruiloft van Kana. Bij Johannes is dat het eerste wonder (2:11 “Dit heeft Jezus gedaan als begin van zijn tekenen”).


kn 734761 veronese  paolo the marriage at cana

PAOLO VERONESE [1528 – 1588] DE BRUILOFT VAN KANA OLIE OP CANVAS 

(660 X 1990 CM) - C. 1562 MUSÉE DU LOUVRE, PARIJS


   Het betreft hier een wonder dat de andere evangelisten niet vermelden. Het is ook het enige wonder bij Johannes dat geen betrekking heeft op genezing en dus niet direct past in dat rijtje. Het ging trouwens niet om zo maar een eenvoudige tafelwijn maar om een wijn van grote kwaliteit wat het des te verbazingwekkender maakt. Dit wonderverhaal werd onderzocht door Prof. Rudolf Bultmann in zijn boek 'DAS EVANGELIUM DES JOHANNES' (1962). De herdenking van de bruiloft van Kana wordt gevierd op 6 januari, het feest van de epifanie of het feest van ‘de openbaring des Heren’. Op 6 januari vierde men in de heidense oudheid de openbaring van de goddelijke macht van de Griekse wijngod Dionysos die ook wijnwonderen verrichtte. 

“Het motief van het verhaal, de verandering van water in wijn, is inderdaad een typerend motief van de Dionysoslegende, waarin dit wonder het wonder van de epifanie van de god is, en daarom wordt het gedateerd in de nacht van 5 op 6 januari, de datum van het Dionysos feest. In de oude Kerk heeft men deze verwantschap nog begrepen toen men de 6de januari aanzag voor de dag van de bruiloft te Kana.” 

(Bultmann, a.w. 1962, p. 83).

   Met andere woorden Jezus openbaart zijn goddelijke macht op de bruiloft van Kana op dezelfde manier als men voorheen vertelde over de Griekse god Dionysos. Bultmann zegt trouwens: “Ongetwijfeld is het verhaal van de bruiloft van Kana overgenomen uit een heidense legende en overgedragen op Jezus”. Het ware wonder zou dus niet de verandering van water in wijn zijn, maar de verandering van Jezus in een soort christelijke wijngod. Mythen en wonderbaarlijke verhalen, die we ook uit andere culturen kennen, zijn de evangeliën binnengeslopen. Jezus was ook niet de eerste ‘heiland’ (helen = iemand die mensen geneest). Asklepios (lat. Aesculapius) die eveneens ‘verlosser der wereld’ werd genoemd, deed als Griekse god van de geneeskunde al wonderen in zijn beroemde heiligdom Epidaurus in de zesde eeuw voor Christus. De christenen hebben in hun roes der overwinning heidense beelden veranderd in Christusbeelden en tempels veranderd in kerken, of ze hebben ze gewoon verwoest. De Romeinse keizer Constantijn (ca. 280-337 na Chr. ) was de eerste Romeinse keizer die zich uitsprak voor het christendom. (Edict van Milaan 313). Constantijn liet de Asklepiostempel in Aegae, een beroemd bouwwerk, door zijn soldaten met de grond gelijk maken. Jezus was ook een genezer van zieken, een soort dokter. Hij trad daarbij in het voetspoor van anderen uit de antieke wereld. De antieken zagen ziekte echter als een ‘straf van god’ maar Jezus verzette zich tegen dit bijgelovige oorzakelijke verband van straf en ziekte. Hij heeft het verschijnsel ziekte gehumaniseerd. “Rabbi, wie heeft gezondigd dat hij blind geboren is”, vraagt men hem bij de genezing van een blinde, “hij of zijn ouders” (Johannes, 9:2). En Jezus antwoordde: “Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders” (Johannes, 9:3). Hij ziet dus niet iemand die gestraft wordt maar alleen iemand die geholpen moet worden. Schuld als oorzaak van ziekte werd door hem losgekoppeld. Dat inzicht is op zich reeds heel vernieuwend. Zijn tweede wonder was een genezingswonder. R. Bultmann heeft aangetoond dat de genezing van de zoon van de hoveling in Kapernaüm eveneens uit dezelfde wonderbundel komt als die waarin het wijnwonder op nummer één staat. Ook Johannes duidt het aan als tweede: “En dit deed Jezus als tweede teken”.


4DE EEUW V CHRISTUS; ASKLEPIOS VERGEZELD DOOR HYGEIA MARMER; ARCHEOLOGISCH MUSEUM VAN PIREAS, ATHENE

images


   We kunnen hier natuurlijk niet alle 30 wonderen beginnen analyseren die Jezus zou verricht hebben. Ze zijn te verdelen in genezingswonderen (de meerderheid), vervolgens de uitdrijving van demonen, de opwekking van doden en de natuurwonderen. Tot die natuurwonderen rekenen we de macht over zee en storm (waarover José Saramago (1922-2010) zo prachtig schreef) en Jezus die op het water loopt. Allen wonderen (eerder fabeltjes) die ook al aan anderen werden toegeschreven. De meeste wonderen die over Jezus worden verteld zijn niet afkomstig uit de joodse traditie maar uit de hellenistische wereld. Zonder volledig te zijn zullen we hier proberen om nog een paar wonderen te verduidelijken aan de hand van kenmerken die werden onderzocht door Prof. Uta Ranke-Heinemann. Volgens de stand van de medische wetenschap werd er toen nog geen onderscheid gemaakt tussen bezetenheid en ziekte. Zieken worden bezetenen genoemd en bezetenen heten zieken. In het N.T. beschouwt men als bezeten vooral epileptici, doofstommen, gehandicapten die zowel blind als doofstom waren en gebochelden.

   Er zijn drie wezenlijke voorwaarden om een wonderbaarlijke genezing terug te vinden.

1. Niet de bovennatuurlijke wonderbare kracht van de wondergenezer brengt de genezing tot stand, maar de verwachting van de zieke. Niet omdat Jezus veel mensen genas kwamen veel mensen naar hem toe, maar omdat velen naar hem toekwamen, genas hij velen.

2. Menselijke verwachtingen worden in het bijzonder gericht op vorsten en andere opvallende personen.Tot in de 19de eeuw verwachtte men genezingen van de Franse koningen, de opvolgers van de Romeinse keizers (vgl. de wonderen van keizer Vespasianus, beschreven door Tacitus). De aanraking is zeer belangrijk. En wanneer de wonderen niet lukken wordt dat uitgelegd als een gebrek aan geloof van de mensen.

3. Er zijn ook altijd ooggetuigen. Die getuigen kunnen ook geloven dat ze dingen gezien hebben. Wel blijven die getuigen volhouden dat ze dingen gezien hebben ook al is dat veel later en op een moment dat het hun geen voordeel meer kan brengen. Ooggetuigen maken het geloofwaardiger.


DE OPWEKKING UIT DE DODEN

   Zeer belangrijk bij al die verhalen is ook de neiging tot verheviging van het wonderbaarlijke. Dit kunnen we illustreren aan de hand van het meest spectaculaire, namelijk de opwekking uit de doden. In het N.T. staan drie opwekkingen uit de doden: de 12-jarige dochter van de overste van de synagoge, Jaïrus (vermeld bij Marcus, Mattheüs en Lucas), verder een jongeman uit Naïn (alleen bij Lucas 7:11-17) en ten slotte Lazarus (enkel bij Johannes 11:39). Hier stellen we de neiging tot verheviging pertinent vast.

   Marcus zegt bij het dochtertje van Jaïrus dat Jezus zegt: ”Het kind is niet gestorven, het slaapt”. Lucas, die later schrijft dan Marcus, verklaart de jongeling van Naïn echt dood. Dit wonderverhaal herinnert duidelijk aan Koningen 1:17 waar Elia de zoon van een weduwe uit de doden opwekt. Maar bij Lazarus maakt Johannes de zaak extra ernstig. Lazarus is niet alleen dood maar heeft zelfs al vier dagen in zijn graf gelegen en er is een stank van ontbinding van het lijk. Gezien dit verhaal enkel voorkomt bij Johannes en niet bij de andere evangelisten wordt het door moderne theologen verwezen naar het land der fabelen. De neiging tot nauwkeurigheid gaat vrijwel steeds gepaard met de neiging tot verheviging. In het N.T. is dat fantasie-proces de regel. Het oudste evangelie, dat van Marcus, wist de namen niet meer, maar de jongere evangeliën kennen ze precies. Ook hiernaar werd onderzoek verricht door Rudolf Bultmann. Een kleine illustratie. Marcus deelt mee dat in de hof van Gethsemane bij een slaaf een oor was afgeslagen maar Lucas weet meer: het was het rechteroor. Maar Johannes, de vierde en laatste evangelist weet inmiddels ook de naam van de discipel die het oor heeft afgehouwen: het was Petrus. Maar hij weet ook hoe de slaaf heette: Malchus (Joh. 18:10). De evangelisten hebben Jezus door hun wonderverhalen willen belangrijker maken. Ze wilden hem groot en indrukwekkend maken.

DELFTSE TEGEL DE OPSTANDING VAN LAZARUS

PARABELS

   De evangelisten hebben door hun wonderverhalen Jezus groter en geloofwaardiger willen maken. Een Messias die geen wonderen kon verrichten mocht nog zoveel preken als hij wilde, daar kwam op den duur niemand nog naar luisteren. Hij moest ook de “eenvoudigen van geest” zien te bereiken en theologische vraagstukken verklaren deed men best door simpele vergelijkingen te maken. Deze techniek werd ook subliem toegepast door kardinaal G. Danneels. Hij ontpopte zich op die manier tot een sympathieke volksherder omdat hij de goedgelovige massa niet bestookte met theologische termen zoals “immanente rechtvaardigheid” (aartsbisschop André - J. Léonard). Wanneer kardinaal Danneels het niet meer goed wist zei hij altijd “en zo” en kwam daarmee weg.

   De prediking van Jezus ging dikwijls gepaard met het vertellen van parabels. Deze gelijkenissen zijn gewone verhalen, bijvoorbeeld de gelijkenis van de zaaier, de gelijkenis van de talenten, enz. In feite zijn het vermakelijke vertellingen, een retorisch middel om bepaalde argumenten te ondersteunen. Die vertel-traditie vindt men ook terug in het O.T. Men moest dus vooral goede oren hebben. De parabels van Jezus in het N.T. werden niet altijd direct begrepen (zie Mat. 13:13-15). Dat valt gemakkelijk te verklaren. Het was dikwijls omfloerst taalgebruik waarbij men op zoek moest naar de zogezegde diepere betekenis. Ook huidige kerkvorsten bedienen zich nog steeds van dit onduidelijk taaltje om zo beter over te komen in de media. Beeldende taal als misleiding.

url

   In het evangelie volgens Lucas treft men 27 parabels aan, bij Mattheüs 23 en bij Marcus, het oudste evangelie, slechts 9. Het evangelie van Johannes bevat geen parabels. Het zeer bekende verhaal over de “Barmhartige Samaritaan” en dat van de “Farizeeër en de tollenaar” treft men enkel aan bij Lucas. Jezus vertelde zijn parabels in het Aramees maar aangezien het N.T. in het Grieks werd geschreven moesten er ook keuzes gemaakt worden bij het vertalen. In ieder geval dienden al die parabels om iets te vertellen over de vestiging op aarde van het Koninkrijk Gods. Dat was toen een sterke joodse verwachting.

   Maar het bidden van “Uw koninkrijk kome” duurt nog steeds voort! Niemand weet tegenwoordig nog wat dat betekent. Het doel van de prediking van Jezus vinden we terug bij Mattheüs 4:17-19 “Van toen aan is Jezus beginnen met prediken en te zeggen: bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen”. Dat prediken in synagogen, bij mensen thuis en in de openlucht deed Jezus niet alleen. Hij had ook de twaalf discipelen.


DE ERFZONDE

   Jezus werd natuurlijk niet omwille van verhullend taalgebruik, zoals toepasselijk in de parabels, aan het kruis genageld. We zijn er van in het begin van uitgegaan dat Jezus een historische figuur was; dat het christendom tegenwoordig wereldwijd meer dan 1,5 miljard aanhangers telt valt al even moeilijk te ontkennen. Vroeger werden veel bevolkingsgroepen met geweld tot het christelijke geloof gedwongen maar ook nu zullen we er maar vanuit gaan dat de kwantiteit geen garantie vormt voor de kwaliteit. Het zijn natuurlijk ook niet allemaal actieve christenen in de zin van bewuste volgelingen maar eerder sociologische kerkleden (katholiek, protestant, orthodox). De macht van het getal maakt de geloofsleer nog niet waar! Maar volgens kardinaal Danneels vragen we ons af “hoe mooi het geloof is en niet enkel hoe waar”. (G. Danneels, 'DE VREUGDE VAN HET GELOVEN'. Mechelen, 2007, p. 4). De kruisiging van Christus gaat dan ook terug op de leer van de erfzonde en minder op het feit dat hij verdacht werd van een samenzwering tegen de Romeinen.

   De erfzonde is volgens de christelijke leer de zondigheid die ieder mens door zijn geboorte meekreeg als gevolg van de zondeval van het eerste mensenpaar Adam en Eva. De leer van de erfzonde is een centrale leerstelling in de christelijke dogmatiek. De erfzonde veroorzaakt de sterfelijkheid en het lijden van de mens waardoor de zondige mens verlossing nodig heeft. Deze verlossing en verzoening tussen mens en god is er gekomen door de kruisdood en opstanding van Jezus Christus. Zoals iedereen wel weet wast (volgens de rooms-katholieke leer) het doopsel de erfzonde af. Eén mens, Jezus Christus, zou dus door zijn lijden en dood de verlossing gebracht hebben voor die ene zonde van Adam. Dit steunt op Paulus Rom. 5,12 maar die heeft dat gewoon gelezen in Genesis (O.T.) 2-3, een oud volksverhaal! Op basis van de apostel Paulus heeft Augustinus (354-430) de katholieke leer van de erfzonde theologisch uitgewerkt en het Concilie van Trente (1545-1563) heeft het als onfeilbaar leergezag bevestigd. De leer van de erfzonde staat tegenwoordig ook binnen de kerk erg ter discussie. Dat is ook wel begrijpelijk wanneer men dit nuchter bekijkt in het licht van de evolutieleer.

   Maar daar heeft de kerk een kapitale fout begaan: indien ze dit herroepen zijn ze niet langer de onbetwiste autoriteit in geloofszaken, de hoeder van de geopenbaarde waarheid. Er is helaas voor hen geen weg terug dus kunnen we gerust stellen dat Christus voor niets gestorven is. Lijden en sterven zijn dan ook geen straf die we moeten uitzitten. We worden geboren met het lichaam dat we hebben en lijden moeten we zoveel mogelijk trachten te vermijden. Het lijden bestaat nu eenmaal maar het valt natuurlijk niet te rechtvaardigen. De traditionele leer van de erfzonde is onjuist maar de kerk houdt er aan vast.

   Voor vrijzinnig-humanisten is er echter totaal geen probleem want wij verwerpen het idee dat god aan het begin staat van de schepping. Wij zaten niet te wachten op een bovennatuurlijk ingrijpen van een god die het lijden in de wereld bracht. De leer van de erfzonde is bijgevolg zinloos. Toen de kolonisators met de indianen in aanraking kwamen betwijfelden ze of die wel een besef hadden van een aangeboren erfzonde en of zij dus wel een ziel hadden die kon gered worden. Sprekend over het christendom:

“moet men zonder enige twijfel tot de overtuiging komen dat geen enkele godsdienst door de geschiedenis heen een vergelijkbaar spoor van bloed, ellende en onschuldig lijden achter zich gelaten heeft.”

(E.Vermeersch, 'KORT VERTOOG', 1997, p.122).


DE KRUISIGING

  De evangeliën verhalen over de drie jaar dat Jezus door Palestina trok. We heten dat zijn “openbare leven”. De passie-verhalen beslaan ongeveer een derde van elk evangelie. We willen de kruisdood van Jezus niet nodeloos ingewikkeld maken en gaan er dan ook van uit dat die werkelijk heeft plaatsgevonden niet tegenstaande de vier evangelisten geen ooggetuigen waren. Natuurlijk zien we het niet als een verzoenende dood, een dogma van het christendom. Trouwens de stichters van het christendom zien niet zozeer de kruis-dood als wel de opstanding als de kern van het geloof. Hierbij denken we in het geheel niet aan de mogelijkheid dat Jezus van het kruis gehaald werd nog vóór hij gestorven zou zijn. We hebben geen behoefte aan een weerlegging van de opstanding door middel van een medisch hocus pocus. Of hij nu stierf door pijn of verstikking vinden we ook irrelevant. De spijkerbak, de doornenkroon en alle martelingen bergen we op.

   Gelovigen en niet-christenen zijn het ongeveer eens over het volgend verloop. Jezus reist naar Jeruzalem en wordt door het volk toegejuicht. Daar geraakt hij weer in debat met de religieuze leiders. Het “Sanhedrin” (het Joodse gerechtshof) neemt hem gevangen en levert hem uit aan de Romeinse praefectus Pontius Pilatus (praefectus van Judea van 26-36).

   De Joden hadden reeds de doodstraf geëist (maar mochten die niet uitvoeren) en uiteindelijk werd hij tot de kruisdood veroordeeld door Pontius Pilatus wegens godslastering. Hij deed dat uit angst voor een opstand van het Joodse volk. Een veroordeling tot de dood op een houten kruis was in die tijd gebruikelijk voor oproerkraaiers. Volgens de Bijbel zou die dag een zonsverduistering en een aardbeving (alleen vermeld door Mattheüs) hebben plaatsgevonden maar dat wordt beschouwd als legendarisch.

   De sterfdatum kan niet precies worden bepaald maar aangezien Pasen (Pesach) vlak na de kruisiging viel was dit wellicht in het jaar 30 na Christus. Men kan zich trouwens afvragen of die vele afbeeldingen van een lijdende Christus in de Westerse schilderkunst van de 13de-15de eeuw wel zo’n goede reclame waren voor de beeldvorming van die godsdienst. Japanse collega’s die door mij werden rondgeleid in het Groeningemuseum (Brugge) of in de O.L.V. kerk (beschilderde grafkelders in het hoogkoor) keken altijd vol afschuw naar die verlosser aan het kruis. Voor een god die zich aan het kruis liet slaan (een machteloze god) hadden ze niet zoveel bewondering. Voor hen mocht het wat serener zijn zoals de uitstraling van de Boeddha.

   Onder invloed van Franciscus van Assisi (1182-1226) en enkele andere grote figuren uit die tijd, wordt Christus voorgesteld als het slachtoffer dat zichzelf vrijwillig offeren wil voor de verlossing van alle mensen. De gestalte aan het kruis werd steeds meer voorgesteld als lijdende mens. Het gereserveerde en majestueuze Byzantijnse type, de zogenaamde “Christus triumphans”, werd reeds in het midden van de elfde eeuw vermenselijkt. Onder invloed van het franciscanisme, maar ook de Duitse mystiek, kwam er verandering die leidde tot de verwerkelijking van de uiterste grenzen van menselijk lijden. Christus wordt nu stervende of dood afgebeeld, de gestalte wordt ontbloot en draagt slechts een lage lendendoek. De armen zakken door onder het gewicht van het lichaam, het hoofd hangt naar één kant, de ogen zijn gesloten en het bloed loopt langs het kruis naar beneden. De zijwonde spuit als een fontein. Het ineengezakte en verwrongen lichaam wordt nu afgebeeld met gekruiste benen en de voeten worden met een nagel aan het hout van het kruis bevestigd. De middeleeuwse kunst wordt een gevoelskunst: Maria valt in zwijm onder het kruis, houdt het dode lichaam van Jezus op de schoot. Christus wordt op de Calvarieberg voorgesteld terwijl de beulskechten de voorbereiding treffen voor de kruisiging. In de kunst wordt nu vooral het medelijden opgewekt. De christelijke mystiek bedacht nieuwe thema’s zoals “De bewening” (Lamentatio) en de graflegging van Christus komt sinds de 14de eeuw in toenemende mate voor. De beeldende kunst werd gevoed door de eigentijdse literatuur. De volksdevotie werd geboren. Onze stelling is dan ook dat de kennis en het aanvoelen van het christendom bij ons werd veroorzaakt door de gemakkelijk toegankelijke beeldende kunst en niet door het lezen van het verboden boek bij uitstek: de Bijbel!


Pieter Paul Rubens De oprichtin van het kruis detail middenpaneel

PIETER PAUL RUBENS [1577 – 1640] OPRICHTING VAN HET KRUIS, OLIE OP PANEEL (460 X 340 CM) - 1610 O.L.VROUWEKATHEDRAAL, ANTWERPEN


   Nu wordt het evangelie ook verspreid via film. Jezus als acteur! We denken hier aan de (horror)film 'The Passion of the Christ' (2004) van Mel Gibson. Deze film over het leven van Christus, volgens de rooms-katholieke traditie, vertoont een zeer gewelddadige kruisiging. Heel wat scènes komen overigens niet voor in het N.T.. Dat heet dan de “artistieke vrijheid”. Maar deze film is nu wel de historische werkelijkheid geworden voor een breed filmpubliek.  Het witte doek met zijn lagen schmink is het nieuwe evangelie geworden. Het kan nieuwe bekeerlingen alleen maar afschrikken of in verwarring brengen. Niet alleen de bioscoopfilm van Gibson werd gebruikt als evangelisatiemateriaal ook als  televisie-uitzending werd de film de dienstmaagd van “Onze Lieve Heer”. Op paaszaterdag 2006 werd de film uitgezonden door de Nederlandse omroep RTL5 en op paaszaterdag 2007 door het Vlaamse Kanaal2. Beide zenders, die tot de commerciële omroep behoren, zonden de film uit zonder reclame-onderbrekingen! De iconografie is de baas, niet de theologie. Gedaan met het zitten turen naar oude schoolplaten.


DE VERRIJZENIS OF OPSTANDING

   Volgens het dogma van het christendom werd Jezus gekruisigd als zoenoffer voor onze zonden. Voor de Neanderthalers kwam hij te laat; die waren al uitgestorven en voor de Azteken kwam hij te vroeg. Pas in 1492 werd Amerika ontdekt door Christoffel Columbus en Hernando Cortés; op zoek naar goud verwoestte deze laatste het Aztekenrijk in 1511. Het was kennelijk Gods wil. De kerk geeft altijd pasklare antwoorden op de vragen die zij zich zelf stelt. Ook deze ‘zielen’ werden gered. In de tweede helft van de vierde eeuw voegde men gewoon een artikel toe aan de apostolische geloofsbelijdenis (De twaalf artikelen van het geloof): “nedergedaald ter helle”. In de tijd tussen zijn sterven en zijn opstanding is Christus namelijk tussentijds afgedaald in het dodenrijk (niet de hel). Hier kon men niet zeggen “er staat geschreven” (dus punt uit) want daarover bestaat geen enkele Bijbeltekst. En dan is men verbaasd dat de mensen niet kunnen geloven dat de theologie oprecht zoekt naar de waarheid. Om het christendom (en zij die er in geloven) een eerlijke kans te geven zijn we er steeds van uit gegaan dat zijn levensloop niet een mythisch gebeuren was maar een historisch mensenleven. In het recente boek van Dirk Verhofstadt over Etienne Vermeersch zegt deze laatste nochtans: ”De persoon zoals die beschreven is in de evangeliën heeft zeker niet bestaan”. ('DIRK VERHOFSTADT IN GESPREK MET ETIENNE VERMEERSCH. EEN ZOEKTOCHT NAAR WAARHEID'. Antwerpen/Utrecht, 2011, p.185). Maar nu wordt het moeilijk. De gekruisigde Jezus is verrezen! Prof. Geert Lernout (a.w. p. 159) staat niet lang stil bij de verrijzenis (meer gebruikt door katholieken) of opstanding (meer gebruikt door de protestanten) van Jezus. Hij bestudeert de Bijbel op een wetenschappelijke manier en aangezien de moderne wetenschap in principe mirakelen uitsluit gaat hij er niet dieper op in. Een kritische benadering, zoals wij die voorstaan, laat al evenmin ruimte voor een beschrijving van de werkelijkheid gebaseerd op miraculeuze gebeurtenissen.

   “Geleden onder Pontius Pilatus, gekruisigd, gestorven en begraven” dat zijn constateerbare feiten die ook nog over andere mensen kunnen gezegd worden. Maar “Ten derde dage opgestaan uit de doden” dat klinkt toch al wat minder gewoon. Hier vertoeven we dan ook niet langer in de wereld van de wetenschap maar komen we in de sfeer van het geloof. Zeg maar het onwaarschijnlijke en het onmogelijke. De Jezus van het geloof en de Jezus als historische figuur zijn twee verschillende mensen. Onlangs vroeg men aan de Japanse schrijver Haruki Murakami waarom zoveel mensen van oudsher geloven in bovennatuurlijke fenomenen en occulte zaken: “Omdat de overgrote meerderheid van de mensen niet gelooft in de feiten zoals ze zijn, maar in de feiten zoals ze graag zouden hebben dat ze waren”. Ook de bevreesde en radeloze discipelen van Jezus, die wellicht in Jeruzalem vergaderden, kozen voor een constructie achteraf. Ze kozen resoluut voor het zelfbedrog.

   Het christendom staat of valt met de verrijzenis (ook herrijzenis, opstanding, wederopstanding) van Jezus uit de doden. De kruisiging mocht niet het einde betekenen. Bekend is het woord van Paulus aan de gemeente in Korinthe: “Indien Christus niet is opgewekt, dan is immers onze prediking zonder inhoud, en zonder inhoud is ook uw geloof” (1 Kor. 15:14). Paulus schreef dat in 56 of 57 na Christus toen de evangeliën nog moesten geschreven worden. Hij heeft Christus overigens nooit gekend en ontmoette alleen de verrezen Heer! Toen werd hij de apostel van de heidenen en de feitelijke stichter van het christendom. Jezus verscheen aan Paulus als een “geestelijk lichaam”. Lang voor het optreden van Jezus geloofden de joden (behalve de Sadduceeën) in de opstanding zodat het opportuun was om dat Farizees gedachtegoed over te nemen. Paulus was trouwens voor zijn bekering een Farizeeër (Fil. 3:5). De dood, het verblijf van drie dagen in de onderwereld, en de opstanding daarna van een god, was in de Oudheid al lang bekend. Denken we slechts aan de god Attis die herrees. Zijn mysterie-cultus verspreidde zich over het oude Griekenland en het Romeinse rijk.

   Ook in de vier evangeliën komt men de opstandingsverhalen tegen. Denken we maar aan al die voorspellingen “Op de derde dag zal hij verrijzen” bij Mattheüs 16, 21; Marcus 8, 31; Lucas 9, 22. Die evangeliën schijnen maar één doel te hebben, namelijk dat Jezus de voorspellingen uit de joodse Bijbel (Oude Testament) moet vervullen.

   Die evangelisten (Marcus 69-70) en Mattheüs en Lucas (rond 80-90) brachten ook allerlei versieringen aan. Zij moesten vooral bewijzen dat de leerlingen zelf het lichaam niet hadden gestolen. Het verhaal over het “lege graf” komt in alle vier de evangeliën (dus ook Johannes 11, 25 en Jo. 20, 9) voor maar niet bij de grote verkondiger Paulus. Die weet niets af van die legende zoals hij ook geen weet heeft van een maagdelijke geboorte (Eerste Brief aan de Korinthiërs, 15, 8). In de apocriefe evangeliën wordt alles natuurlijk aangedikt: daar was het graf al zevenvoudig verzegeld!

   De evangeliën bevatten niet alleen mooie legendes (zoals het verhaal over de Emmaüsgangers, Lucas 24:13-35) maar ook een schitterend liefdesverhaal dat zich afspeelde aan het lege graf. Het sprookje uit Johannes 19,25 waar de huilende Maria Magdalena de tuinman ontmoette. We kunnen niet genoeg benadrukken dat dit atypische evangelie pas dateert uit de tweede eeuw (Lernout, a.w. p. 170) maar dat het nu nog altijd verteld wordt alsof Johannes ooggetuige was. De nieuwtestamentische opstandingsverhalen bevatten veel legendes, tegenstrijdigheden, verschillen en ongerijmdheden.


OPSTANDING VAN JEZUS

   Een betrouwbare reconstructie is bijna onmogelijk en veel theologen beschouwen het dan ook als een hopeloze onderneming. Het opstandingsgeloof is van in het begin verkeerd gebracht. Wellicht heeft men er nooit bij stilgestaan dat er grenzen zouden komen aan de goedgelovigheid van de mensen. Men heeft het theologisch voorgesteld als de reanimatie van een dode maar dat was (om het modern te zeggen) slechte marketing. Een fantasie of wensdroom bleek uiteindelijk toch te werken bij de volgzame gelovigen en dat tot op de dag van vandaag. Of men het nu fysiek of psychologisch verklaart het blijft buiten de werkelijkheid. We hebben hier niet te maken met historische mededelingen maar met geloofsgetuigenissen. Het christendom werd op die manier gereduceerd tot het geloof van de overleveringen. De absolute noodgreep bestaat er in om te verklaren dat god zelf Jezus uit de dood heeft opgewekt. Jezus is dan het waarachtige teken van gods werkelijkheid in de wereld. In Jezus van Nazareth heeft god zichzelf geopenbaard. Christus werd op die manier de Zoon van God. God (die niet bestaat) inroepen als de genezer van alle kwalen is natuurlijk een adequate oplossing. Het christendom als inspiratiebron voor sociaal engagement willen we natuurlijk niet bestrijden maar een vrijzinnig humanist heeft geen god nodig om tot hetzelfde inzicht te komen.

   Het zou toch echt wel moeten lukken dat werkelijk gebeurt wat we diep van binnen verlangen: voortbestaan na de dood en de mensen van wie wij houden terugzien. Een god die dat belooft kan niet bestaan.


DE BLIJDE BOODSCHAP WORDT VERDERGEZET

   Het geloof in de verrijzenis van Jezus (of van wie dan ook) kunnen we volledig verwerpen. De discipelen van Jezus hadden zoveel met hem opgetrokken en nu was hij er plots niet meer. Voor hen was hij niet dood, ze voelden nog zijn aanwezigheid. Paulus had de onweerstaanbare overtuiging dat Jezus levend was in hem. Hij had daarvoor geen leeg graf nodig.Wanneer je gelooft in Jezus kun je er de ‘verrijzenis’ wel bijnemen. Men hoeft zich geen vragen te stellen over wat er precies gebeurd is met dat lichaam. Het N.T. zwijgt er over en wij sluiten ons daarbij aan. Gelovigen (maar ook ongelovigen!) zijn niet geïnteresseerd in zijn DNA. Het volstaat om te denken dat Jezus aanwezig is. Zo’n verschijning (hallucinatie) leidt zelden tot permanente psychiatrische observatie.

   In tegendeel, men kan altijd nog heilig verklaard worden. Het breken en het delen van het brood kon door de volgende generaties verdergezet worden. De herinnering werd terug werkelijkheid. De dood van Jezus heeft inderdaad niet verhinderd dat zijn leer werd vervormd en ingebed in het machtigste kerkinstituut sinds eeuwen. De opstanding is dus volledig geslaagd.

   Theologisch is dat voor velen wellicht te minimalistisch maar het is niet meer dan dat. De discipelen waren zo sterk onder de indruk gekomen van de persoonlijkheid van hun charismatische profeet dat ze eenvoudig niet konden geloven dat hij dood was. De eerste christenen hielden geen rekening met historische feiten maar ze geloofden in de persoon van Jezus. Voor hen was hij waarlijk opgestaan. Hun zending werd hun waarheid. Jezus zelf was er niet meer dus schakelden zij maar over naar de kerkelijke verkondiging van Christus. De overgang van Jezus zelf naar de kerkelijke verkondiging. Zo kon men de meubels redden. De historische Jezus werd de gepreekte Christus. Het christendom is ontstaan als een gerucht: “er zou een Messias geboren zijn”, maar je moet nu eens kijken met hoeveel ze zijn! Men kan ook veel verklaren vanuit de “theorie van de cognitieve dissonantie” van de Amerikaanse sociaal psycholoog Leon Festinger. Dat werd met vrucht op Christus toegepast door Prof. Etienne Vermeersch. Volgens hem maakten de volgelingen van Christus van de kruisdood geen toeval of ongeluk maar een bewuste keuze. Jezus is dus op aarde gekomen om door zijn dood en zijn voortleven daarna, de verlossing te brengen (zie Dirk Verhofstadt, a.w. p. 188-189 en ook 190 e.v.).

   Maar als het al waar is dat de verrijzenis de essentie is van het christelijk geloof dan is het al even waar dat god zijn eigen zoon heeft terechtgesteld.

   Als het over religie gaat raakt men snel in een discussie waar geloven belangrijker is dan weten. Na de kruisdood kwam de verrijzenis of opstanding. De verrijzenis vergt al een hele krachttoer maar om het nog gecompliceerder te maken ging men in de eerste eeuwen van het christendom ook nog eens over tot een uitbreiding van geloofsartikelen of geloofsbelijdenis (het credo) ook bekend als “De twaalf artikelen van het geloof”. Het geloof in de heilige geest, het geloof in de kerk en het geloof in de gemeenschap van de heiligen slaan we graag over. Er blijven er dan nog drie over: de hemelvaart, de wederkomst en de “Dag des Oordeels”. Wat die drie begrippen betreft zijn wij geneigd te zeggen: “Onze vader die in de hemel zijt, blijf daar”. Er zijn wel meer waanzinnige ideeën waarmee men beroemd en rijk kan worden.


DE HEMELVAART

   Hemelvaartsdag is voor iedereen, gelovig en ongelovig, zeer interessant wegens het lange weekend, ook wel “verlengd weekend” geheten (donderdag, vrijdag brugdag, zaterdag, zondag). In het christendom herdenkt men op die dag dat Jezus Christus is opgevaren naar god, zijn vader in de hemel. Dat gebeurde op de veertigste dag van zijn opstanding. Deze gebeurtenis staat beschreven in Marcus 16:19, Lucas 24:51 (die maakte de feitelijke constructie van dit gebeuren) en Handelingen 1:1-12. Zijn discipelen waren bij de hemelvaart aanwezig en Jezus beloofde hen om binnen korte tijd de “Heilige Geest” te sturen om hen te ondersteunen. Dat zou dan tien dagen later gebeuren (Pentékosté, vijftig). Dit pinkstergebeuren van de “uitstorting van de heilige geest” was in feite een vorm van opwekking, een poging tot nieuw leven inblazen van het geloof om de moed niet te verliezen. In de “Hemel” zit Jezus aan de rechterhand van “God de Vader” om mee te regeren. Bij de “Wederkomst” zal hij terugkeren op aarde om het “Laatste oordeel” uit te voeren. Daar kan een modern mens niets mee aanvangen; dat is antieke kosmologie.

   Om geloofsafval tegen te gaan hebben moderne theologen in de 20ste eeuw al vlug beweerd dat we hier niet moeten denken aan een beweging in de ruimte. Het is natuurlijk een goedkoop grapje “Jezus, de eerste astronaut”. Het heeft niets met ruimtevaart te maken maar met het erkennen dat Christus rechtstreeks naar de hemel “opsteeg” (los van tijd en ruimte) om terug te keren naar waar hij vandaan kwam: bij zijn vader. Het is een hemelvaartverhaal, een fantasieverhaal dat dingen symbolisch moet verklaren hoewel woorden te kort schieten. E. Schillebeeckx (a.w. p. 436) spreekt niet over hemelvaart maar over “verhoging”. Pasen is bij hem de verrijzenis en hemelvaart is de verhoging. De lutherse predikant en theoloog (en verzetsstrijder tegen het nazisme) Dietrich Bonhoeffer (1906-1945) gaf goed aan wanneer het moment werd bereikt dat het sprookje niet meer dient verklaard te worden: “Mij dunkt dat het beter is te zwijgen bij de grenzen van ons weten”.


VOORHUID, LIJKWADE en HEILIG BLOED

   Tot op de dag van vandaag bestaan er priesters en gelovigen die de hemelvaart blijven beschouwen als een letterlijk gebeurd feit. Dat wijst op een gebrek aan intelligentie. Relieken die te maken hebben met Jezus zelf zijn zeldzaam want zijn lichaam verrees en later steeg hij op ten hemel. Toch zijn er primaire relieken bewaard. We sommen ze kort op: de navelstreng van na zijn geboorte, de melktanden, de voorhuid na de besnijdenis, haren uit zijn baard, tranen die hij plengde en natuurlijk het bloed vergoten aan het kruis. En dan zijn er nog de secundaire relieken zoals de doornenkroon, spijkers en uiteraard houtsplinters van het kruis. Er zijn zoveel splinters bewaard, genoeg om er honderden kruisen mee samen te stellen! Een doorn van de doornenkroon van Jezus is aanleiding geweest voor de bouw van vele kathedralen, bijvoorbeeld la Sainte-Chapelle in Parijs. Die relieken dienden om de betekenis van Jezus aanschouwelijker te maken en van een historische basis te voorzien. Tegelijk waren het bronnen van inkomsten (maar ook prestige) voor de bezitters als trekkers van bedevaartgangers. Onnodig te zeggen dat al die relikwieën na objectief onderzoek niet authentiek bleken te zijn en dat er ook nooit een tastbaar spoor gevonden werd dat leidt naar het bewijs van de historiciteit van Jezus. De Reformatie verwierp in de 16de eeuw die religieuze economie. In het Rooms-Katholicisme bestaat die volksdevotie tot op vandaag. Maar het beperkt zich niet tot de kaarsenindustrie. Ook het trappistenbier doet nu zijn intrede. Slimme marketing van paters die zich broeders laten noemen, Westvleteren, ik zie de Madonna alweer wenen.


DE VOORHUID

   Dit is een wat onsmakelijk onderwerp. Jezus werd volgens de joodse traditie acht dagen na zijn geboorte besneden.

   Zijn voorhuid (Preputium Domini) zou volgens de redenering van de theologen als enig lichaamsdeel zijn achtergebleven toen hij veertig dagen na Pasen opsteeg naar de hemel. Er zijn in Europa 18 kerken die de heilige voorhuid, of een deel van de voorhuid, als relikwie bewaren. Christus werd pas bekend in het jaar 33 maar dat stukje weggesneden huid had nog niets van zijn versheid verloren. Ook de O.L.V. Kathedraal van Antwerpen bezat zo’n relikwie, dat door Godfried van Bouillon (1060-1100) van de kruistocht was meegebracht. Kruistochten (de bloedige “Heilige Oorlog” van het Europese christendom tegen moslims èn joden) en redding van relieken klinkt ons bekend in de oren; het is zo dat men in Brugge aan het Heilig Bloed geraakte. De inwoners van Calacata (Calcata), een dorpje ten noorden van Rome, hebben altijd beweerd dat hun voorhuid de enig echte was.

   Een engel (!) overhandigde op het eind van de 8ste eeuw de voorhuid aan Karel de Grote die in de H. Grafkapel aan het bidden was. Hij gaf het tijdens zijn kroning tot keizer in 800 cadeau aan paus Leo III die het onderbracht in de kerk van Sint Jan van Lateranen in Rome. In de 16de eeuw werd Rome geplunderd door Duitse huursoldaten. Eén van die soldaten vestigde zich in Calcata en bracht de gestolen relikwie mee. Jaarlijks organiseerden de inwoners een processie op 1 januari. De relikwie werd bewaard in een bronzen kistje onder het altaar maar werd in 1984 gestolen. Sindsdien is de “Voorhuid van de Verlosser” nog altijd spoorloos en trekt de processie niet meer door de straten. Terloops wijzen we er op dat het Karel de Grote was, de Karel I van het Heilige Roomse Rijk, die de Saksen onder dwang tot het christendom liet bekeren. Hij voerde de doodstraf in tegen het blijven uitoefenen van hun traditionele Germaanse godsdienst. In de 12de eeuw werd Karel zalig verklaard!


                                               DE LIJKWADE VAN TURIJN 

LIJKWADE VAN TURIJN

   Het is natuurlijk goedkoop om een beetje te spotten met die voorhuid maar anderszins zijn er believers die bij hoog en laag en tegen beter weten in, blijven beweren dat de Lijkwade vanTurijn een echte afbeelding is van de gestorven Jezus. Het betreft hier zogezegd een waarheidsgetrouwe weergave van zijn uiterlijk ontstaan door een doek waarin na zijn dood Jezus gewikkeld zou zijn en die een negatief van het lichaam zou weergeven.

   Laten we direct duidelijk zijn. Het is een vervalsing. Dat weet men al heel lang en daarvoor was geen natuurkundig onderzoek nodig. In 1357 schreef de bisschop van Troyes (Frankrijk), Henri de Poitiers (bisschop van 1354-1370), een brief aan de paus waarin hij meedeelde dat in de kerk van het dorpje Lirey zich een beschilderd doek bevindt dat valselijk getoond wordt als de lijkwade van Jezus met het doel er geld uit te winnen. Volgens de bisschop had de “kunstenaar die het geschilderd had” dat al eerder toegegeven. Uit de context van de brief valt af te leiden dat het doek rond 1355 geschilderd werd. Bisschop Pierre d’Arcis bevestigde in 1389 de stelling van zijn voorganger. De lijkwade belandde in 1578 uiteindelijk in Turijn waar hij nog altijd aanwezig is in de Dom. Sinds 1983 is het Vaticaan eigenaar van de lijkwade. De rooms-katholieke kerk heeft de lijkwade altijd als een vervalsing beschouwd. In 1988 gaven ze zelfs de toelating om monsters van het linnen wetenschappelijk te onderzoeken in drie onafhankelijke laboratoria in Oxford (GB), Zürich (Zwitserland) en Tucson (VS).

   Via de koolstof 14-methode waren ze alle drie formeel over de datering: ca. 1260-1390. Dit komt nota bene overeen met de archiefbronnen. De devotie hield niettemin stand.


AFBEELDINGEN VAN CHRISTUS

   In de vier evangeliën worden geen mededelingen gedaan over het uiterlijk van Christus. Alle pogingen om Jezus te visualiseren (ook via computeranimatie) zijn gedoemd te mislukken.

   We weten dus niet hoe de stichter van deze wereldgodsdienst èn zoon van god er uit zag! Er is een iconografische traditie die teruggaat tot de vierde eeuw en via de Byzantijnse kunst in de 11de-12de eeuw werd gerecipieerd in het Westen. In Italië vroeger dan in Frankrijk en Vlaanderen. Al de afbeeldingen van Jezus in de schilderkunst en de prentkunst zijn stereotiepe interpretaties van een type of model. De “Zweetdoek van Veronica” is zo’n type voorbeeld. Die Veronica-legende werd ook bij ons zeer populair in de 13de eeuw en kreeg in de schilderkunst van de gotiek de eerst voldragen uitingen (zie bibliografie, Dezutter,1982).

Tegenwoordig verschijnt Jezus regelmatig in voedsel. Zo verscheen er in Ontario een portret van Jezus in een fishstick en in Florida in een aardappel. In het rooms-katholiek kerkje van Saint-André op het eiland Réunion verscheen de afbeelding van Christus in de plooien van het zetelkussen van de pastoor. Er gaat bijna geen maand voorbij of er verschijnt in de krant wel zo’n fait divers. Dergelijke tekenen van god worden doorgaans alleen waargenomen door katholieken en nooit door nuchtere protestanten die niet zoveel ophebben met visioenen en afbeeldingen van de H. Maagd Maria op een tosti.


DE RELIKWIE VAN HET HEILIG BLOED

Unknown

RELIKWIE VAN HET HEILIG BLOED TE BRUGGE


   Sinds de zaligverklaring van paus Johannes Paulus II op 1 mei 2011 worden de kort voor zijn dood afgenomen vijf buisjes bloed als relikwieën vereerd. Nu wil de bisschoppenconferentie van Mexico met één ervan het hele land doorkruisen in de hoop dat dit een eind maakt aan de drugsoorlog en vrede brengt. Om die reden heeft het Vaticaan een ampul bloed naar Mexico gestuurd. De inwoners van Brugge en iedereen die op pelgrimage wil komen kunnen elke vrijdag gezegend worden met de relikwie van de grote baas zelf: het bloed van Jezus Christus. Volgens de overlevering kwam die relikwie in 1150 in Brugge terecht door toedoen van graaf Diederik van den Elzas die omwille van zijn heldhaftigheid tijdens de Tweede Kruistocht de relikwie kreeg met toestemming van de Patriarch van Jeruzalem. Meer dan acht eeuwen lang werd dit verhaal in stand gehouden niettegenstaande dat Dom Nicolas Huyghebaert O.S.B. er in 1963 al op gewezen heeft dat de relikwie pas ten vroegste in het begin van de 13de eeuw in Brugge terecht kwam, na de Vierde Kruistocht (1203-1204). De Kruisvaarders plunderden toen Constantinopel onder leiding van graaf Boudewijn IX. Niet zo fraai om in een processie te etaleren. De taferelen van de Bloedprocessie, die elk jaar georganiseerd wordt op Hemelvaartsdag, werden nooit aangepast. In 2009 vond Dr. Noël Geirnaert, hoofdarchivaris van het Stadsarchief van Brugge, de bul van paus Clemens V uit 1 juni 1310 (uitgevaardigd in Avignon) waarin sprake is van een processie rond de stad met het Heilig Bloed. Dat vond voor het eerst plaats op 3 mei 1304. In 2011 heeft de Edele Confrérie van het H. Bloed het opportuun geacht om een praalwagen te wijden aan Clemens V. Maar dat is natuurlijk maar franje. De essentiële vraag blijft: is dit echt mensenbloed? Dat werd nooit onderzocht. Wel is de ouderdom bekend van de flacon in bergkristal; die dateert uit de 11de eeuw.

   De meest bekende farao van Egypte Toetanchamon is geboren uit incest. Dat blijkt uit DNA-onderzoek. Dit fossiel DNA werd afgenomen in 2008. Zijn vader en moeder waren broer en zus. Wetenschappers hebben in 2010 ook zijn doodsoorzaak gevonden. De farao stierf aan malaria, in 1324 voor onze tijd-rekening. Hij werd 19 jaar.

   De techniek van het oud DNA-onderzoek lijkt op de methoden van de forensische specialisten. In de casus van het Heilig Bloed in Brugge zou de onderzoeksvraag moeten zijn: is het echt mensenbloed? In Nederland wordt dergelijk fysisch antropologisch en DNA-onderzoek voor archeologische doeleinden gedaan in het Leids Universitair Medisch Centrum (Moleculaire archeologie). Ook aan de KUL/Faculteit Geneeskunde, Departement Menselijke Erfelijkheid kan men dergelijk onderzoek uitvoeren. Hetzelfde geldt voor het UZ Leuven waar het “Activiteitencentrum Forensische Genetica en Moleculaire Archeologie” gevestigd is. Waarom geen onafhankelijk onderzoek in Leiden en in Leuven? Ongeacht de uitslag zal dat niet leiden tot ontluistering van de bestaande devotie. We beweren dat in alle ernst. Het gaat niet om het doorbreken van een taboe: het ontrafelen van het DNA van Jezus, de zoon van god. Om een mythe te verbrijzelen heeft men geen DNA-onderzoek nodig. Het is zoals Noël Geirnaert schreef: “In de H. Bloedprocessie en de aanwezigheid van de relikwie in Brugge vloeien religie, geschiedenis, overlevering en legende samen in één stedelijke traditie”.


DE WEDERKOMST

   De Wederkomst (Parousie) is de belofte van Jezus dat hij na zijn verrijzenis zal terugkomen op de Dag des Oordeels. In het N.T. werd de wederkomst nog tijdens het leven van de schrijvers verwacht. In het christendom wordt de wederkomst gezien als de definitieve openbaring van god aan de mensheid. Volgens Handelingen 1:11 zal de manier van wederkomst dezelfde zijn als de manier waarop Jezus in de hemel werd opgenomen. In de Openbaring van Johannes 1:7 heeft men het over de zichtbare wederkomst van Jezus Christus op de wolken. De apostel Paulus sprak in zijn brieven de verwachting uit dat Jezus spoedig en tijdens zijn leven zou wederkeren (Romeinen 16:20-1, Corinthiërs 1:7-8, 10-11 en 15:51). Ook in het N.T. staat op verschillende plaatsen dat Jezus tijdens het leven van zijn toehoorders zou terugkeren bij het spoedige einde der tijden. In Mattheüs 24:4-44 vertelt Jezus op de Olijfberg wat de voortekenen zijn voor zijn wederkomst: opkomst van vele valse profeten, oorlogen, vervolging van de christenen. Maar Jezus komt volgens de bijbel pas terug als het evangelie over de hele wereld is verspreid en iedereen dus de kans heeft gekregen zich te bekeren. Er lijkt ons nog veel werk te doen in China, vraag het maar eens aan de Missionarissen van Scheut. Deze congregatie werd in 1862 speciaal gesticht voor de evangelisatie in China. De wereldbevolking bestaat nu uit 7 miljard bewoners en dat stijgt naar 9 miljard of meer, een race tegen de klok die niet kan gewonnen worden. Maar er is ook nog een taak weggelegd voor Christus na de wederkomst. Hij zal namelijk over een leger beschikken en ten strijde trekken tegen de antichrist met zijn leger op Armageddon. En dan is er nog een lastig karwei: Satan zal voor een periode van duizend jaar moeten opgesloten worden. We staan hier ver af van de “Bergrede” en de acht zaligsprekingen waar Jezus het opneemt voor de armen en zwakkeren.

 In Mattheüs 24:10 staat bij de voortekenen dat er een grote afval van gelovigen zal zijn. Wij beseffen nu waarom.

laatsteoordeel grt

MICHELANGELO BUONARROTI [1475 – 1564] LAATSTE OORDEEL; FRESCO (1.370 X 1.200 CM) - SIXTIJNSE KAPEL, VATICAANSTAD 

  

DE DAG DES OORDEELS

   Zowel in joodse, christelijke en islamitische religieuze boeken wordt die dag genoemd waarop over alle mensen een oordeel zal geveld worden door god. Zowel in het O.T. als het N.T. is er sprake van een eindtijd, waarin levenden en doden geoordeeld zullen worden. Volgens het Boek der Openbaring zal dat plaatsvinden na het duizendjarig vredesrijk (Openbaring 20:11). Dan zullen alle doden uit hun graven herrijzen om samen met de dan levenden het loon van hun levenswandel te ontvangen. Naast de duivel en zijn gevallen engelen, worden de mensen die de genade van god hebben afgewezen verbannen naar de “buitenste duisternis”, waar het “geween is en het tandengeknars”, en zij zijn voor altijd afgesneden van gods tegenwoordigheid. Zij die de genade van god hebben aangenomen door Jezus Christus als verlosser van zonden en bemiddelaar tussen god en de mensen, zullen gerechtvaardigd zijn in gods ogen en eeuwig leven beërven onder een nieuwe hemel, op een nieuwe aarde. En god zal in hun midden wonen. Dit gaat terug op typische apocalyptische geschriften die barsten van de fantastische beeldspraak. Moderne christelijke theologen beschouwen deze teksten als niet meer toepasselijk voor onze tijd. Het leverde wel mooie kunstwerken op zoals Het Laatste Oordeel van Michelangelo in de Sixtijnse Kapel in Rome. Deze fresco’s werden uitgevoerd tussen 1508 en 1512.

   Verstandige mensen hebben geen behoefte meer aan gewelddadige orakels over de eindtijd.


EEN BESLUIT OVER HET ONNUT VAN JEZUS EN DE AFWEZIGHEID VAN ZIJN VADER

   Bij een persoonlijke god die duizenden ondervoede kinderen laat sterven in de Hoorn van Afrika kunnen we de hoop op onsterfelijkheid gemakkelijk laten varen. Er is geen enkele goede reden te vinden voor geloof. Niet god schiep de mens, maar de mens schiep god. Het valt misschien niet te bewijzen dat god niet bestaat maar hem kunnen ervaren is al even onmogelijk zonder een trance op te wekken. Er bestaat nochtans goede recente en gemakkelijk toegankelijke Nederlandstalige literatuur waarin kritisch geargumenteerd wordt over dit onderwerp. (Anne Provoost, 'BEMINDE ONGELOVIGEN. ATHEÏSTISCH SERMOEN'. Querido, Amsterdam, 2008; E. Vermeersch, 'ATHEÏSME'. Luster, Antwerpen, 2010). Heel de Westerse cultuur is weliswaar doordrenkt met de naam “god” maar het verlichtingsdenken blijft het beste antidotum tegen een opgedrongen “genade” tegen beter weten in. We hebben gods genade niet nodig om over ons eigen lot te beslissen en al helemaal niet om de “volmaakte hemelse heiligheid” te bereiken. Dat laatste willen we gewoonweg niet. We wensen geen slachtoffer te worden van de onweerstaanbare genade. Liever verworpen dan uitverkoren. 

Het atheïsme kan men niet “belijden” maar de aanhangers zijn zeker geen mensen die zich zedeloos of wetteloos gedragen.

   Zonder god wil niet zeggen zonder gebod. We hebben geen nood aan zo’n postmoderne uitweg die beweert dat we god kunnen ervaren door er ons voor open te stellen. We hebben als humanisten god niet nodig om onszelf en de andere te aanvaarden. Er is dan ook geen twijfel mogelijk: een wereld zonder god is ook een wereldvisie. Ongelovigen, agnosten, buitenkerkelijken en atheïsten geloven ook; zij geloven in zichzelf en de medemens zonder het aanvaarden van illusies zoals beloning in het hiernamaals. Mensen die “het goede doen om het goede” zijn geen minderwaardige burgers. Het gaat niet om het gebed maar om daden van solidariteit van concrete mensen. Het is beter iets te doen dan heel zijn leven lang op zoek te zijn naar een onbereikbare god. Ook Jezus Christus, de vermeende zoon van god, heeft in de wereld van het geloof geen monopolie. Het hedendaagse culturele atheïsme is evenwaardig aan het Westerse en Oosterse christelijke theïsme, de joodse godsdienst, de islam en de Indische wereldvisie (hindoeïsme, boeddhisme). Er is dus op z’n minst altijd meer dan één god. Degenen die roepen dat er maar één god bestaat zijn gevaarlijke lieden want zij bestrijden de god van iemand anders. Degene die steun zoekt bij het geloof is overtuigd van de zekerheid en het bewijs van de dingen die men niet ziet. Zij moeten geloven zonder te begrijpen. Er is geen enkele gelovige neokapitalist die op die manier durft zaken te doen! Ook de bankiers van het Vaticaan doen niet aan islamitisch bankieren.

   Het mededogen van Boeddha moet niet onder doen voor de (zelden betoonde) barmhartigheid van de christenen. De interreligieuze samenwerking laten we graag over aan diegenen die zich onledig blijven houden met “heiliging”. God willen ontmoeten is een onvruchtbaar (maar soms toch lucratief) tijdverdrijf. Denk aan paters die bidden en bier brouwen. Zingeving (met altijd de dood voor ogen) vullen vrijzinnig-humanisten veel bedaarder in: zij vergeven anderen zonder de hulp van hogere machten in te roepen.

   Zoek niet naar het “ongrijpbare”, naar sprekende wolken en andere tekenen, maar onderhoud wel de geboden. Daar komt voor een mens alles op aan. (boek Prediker 12:13)

   Je hoeft “de Heer” niet te vrezen. De zaligheid ligt niet in het verschiet. De Almachtige slaapt een vredige slaap en kan dus niet in u komen. Ook hier: wees niet bang. Het zou wel heel erg zijn indien je enkel gelukkig kon worden door ontzag voor de Heer. (Psalmen,128:1-4)

   Tijdens het Eerste Concilie van Nicea, in 325 samengeroepen door Keizer Constantijn, werd de officiële leer van de toenmalige kerk vastgelegd. De goddelijkheid van Jezus werd toen gedefinieerd, bijna drie eeuwen na zijn dood dus.

   Tijdens het Concilie van Constantinopel, gehouden in 381, werd de leer van de Triniteit vastgelegd. (de Vader, de Zoon en de H. Geest). Op die twee concilies werd de geloofsbelijdenis vastgelegd als een theologisch dictaat dat geldt tot op de dag van vandaag. Het christendom als kerkinstituut heeft niets meer te maken met de Jezus uit de Schrift.

_____


BIBLIOGRAFIE

• KAREN ARMSTRONG, EEN GESCHIEDENIS VAN GOD. VIERDUIZEND JAAR JODENDOM, CHRISTENDOM EN ISLAM. AMSTERDAM, 2006

• JOHAN BRAECKMAN, DARWINS MOORDBEKENTENIS. DE ONTWIKKELING VAN HET DENKEN VAN CHARLES DARWIN. AMSTERDAM, 2001
• RUDOLF BULTMANN,  JEZUS CHRISTUS EN DE MYTHE. AMSTERDAM, 1967
• RICHARD DAWKINS, GOD ALS MISVATTING. NIEUW AMSTERDAM, 2006
• W.P. DEZUTTER, GRAFSCHILDERINGEN. ICONOGRAFIE EN RELIGIEUZE SPIRITUALITEIT. IN: H. DE WITTE E.A., MARIA VAN BOURGONDIË, BRUGGE. BRUGGE, 1982, BLZ. 180-199
• TIMOTHY FREKE EN PETER GANDI, DE MYSTERIEUZE JEZUS. WAS JEZUS EEN HEIDENSE GOD? DEN HAAG, 2004
• MICHAEL GOUGH, DE EERSTE CHRISTENEN. ZEIST-ANTWERPEN, 1963
• G. HARINCK E.A. (RED.), CHRISTELIJKE ENCYCLOPEDIE. KAMPEN, 2005
• MAARTEN ’T HART, WIE GOD VERLAAT HEEFT NIETS TE VREZEN. DE SCHRIFT BETWIST. AMSTERDAM-ANTWERPEN,1997
• CHRISTOPFER HITCHENS, GOD IS NIET GROOT. HOE RELIGIE ALLES VERGIFTIGT. AMSTERDAM, 2008
• HANS KÜNG, DAS CHRISTENTUM. WESEN UND GESCHICHTE. DIE RELIGIÖSE SITUATION DER ZEIT. 1994.

WIJ RAADPLEEGDEN DE TASCHENBUCHAUSGABE, TWEEDE OPLAGE, FEBRUARI 2003
• GEERT LERNOUT, ALS GOD SPREEKT. DE BIJBEL, DE KORAN EN HET BOEK VAN MORMON. LEUVEN, 2005
• MICHEL ONFRAY, ATHEOLOGIE. DE HOOFDZONDEN VAN JODENDOM, CHRISTENDOM EN ISLAM. AMSTERDAM, 2005
• UTA RANKE-HEINEMANN, NEE EN AMEN. HANDLEIDING TOT GELOOFSTWIJFEL, BAARN, 1992
• E. SCHILLEBEECKX, JEZUS, HET VERHAAL VAN EEN LEVENDE. BLOEMENDAAL, 1974
• PETER SCHMIDT, IN DE HANDEN VAN MENSEN. 2000 JAAR CHRISTUS IN KUNST EN CULTUUR. DAVIDSFONDS LEUVEN, 2000
• MARCEL SIMON, DE EERSTE CHRISTENEN. AMSTERDAM, 1968
• SKEPP (STUDIEKRING VOOR KRITISCHE EVALUATIE VAN PSEUDO-WETENSCHAP EN HET PARANORMALE). WONDER EN IS GHEEN WONDER. TIJDSCHRIFT VOOR WETENSCHAP EN REDE. 2006, NR. 2 OVER SKEPP EN RELIGIE. STERK AANBEVOLEN WWW.SKEPP.BE
• VICTOR J. STENGER, GOD, EEN ONHOUDBARE HYPOTHESE. DIEMEN, 
• GÜNTHER SCHWARZ, JEZUS “DER MENSCHENSOHN”: ARAMAISTISCHE UNTERSUCHUNGEN ZU DEN SYNOPTISCHEN MENSCHENSOHN WORTEN JESU. STUTTGART,1986
• J.J.M. TIMMERS, SYMBOLIEK EN ICONOGRAFIE DER CHRISTELIJKE KUNST. ROERMOND-MAASEIK, 1947
• TIM TRACHET, DE ANDERE LIJKWADE. IN: WONDER EN IS GHEEN WONDER, JG. 8, 2008, 1, BLZ. 4-7
• E.VERMEERSCH, KORT VERTOOG OVER DE GOD VAN HET CHRISTENDOM. IN:ETIENNE VERMEERSCH, VAN ANTIGONE TOT DOLLY. ANTWERPEN-BAARN, 1997, BLZ. 105-128
• ETIENNE VERMEERSCH EN JOHAN BRAECKMAN, DE RIVIER VAN HERAKLEITOS. EEN EIGENZINNIGE VISIE OP DE WIJSBEGEERTE. ANTWERPEN 2008, TWEEDE DRUK
• A.N. WILSON, JEZUS, EEN BIOGRAFIE. AMSTERDAM, 1992
• IAN WILSON, JESUS: THE EVIDENCE. THE LATEST RESEARCH AND DISCOVERIES INVESTIGATED. LONDON, 1996
• IAN WILSON,  JEZUS, EEN GESCHIEDENIS. BAARN, 1997

_____


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP



Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort