visitors on myspace
DE KUDDE VERLATEN - DEEL 2 | POSITIEF ATHEÏSME <>

DE KUDDE VERLATEN - DEEL 2

image7313

MARLENE WINELL







MIJN VERHAAL

Ik was een echt serieus kind. Ondanks mijn gezond gevoel voor humor, maakte ik me veel zorgen over de ‘Grote Vragen’. Als ik op bed lag met een ernstige verkoudheid, piekerde ik over mijn dood. Vooral toen ik eenmaal de puberteit bereikte, moest ik alles door-en-door begrijpen. Alles moest ik begrijpen en mij eigen maken. Geen tweedehands religie. Ik moest het mij eigen maken en het ook intellectueel uitzoeken. Op zestienjarige leeftijd besloot ik mijn spirituele leven vast te leggen. Een uittreksel: 


   “Ik weet niet wanneer ik werkelijk gered werd. Ik denk dat ik voor het grootste deel van mijn leven in Jezus heb geloofd. Mijn moeder zegt dat toen ik ongeveer vijf was, ze me ergens voor bestraft had en me naar mijn kamer gestuurd. Even later zag ze me springen op mijn bed, zeggend dat Jezus me vergeven had en in mijn hart was gekomen.” 


   Ieder kind vindt manieren om aan zijn fundamentele behoeften te voldoen, en al vanaf een vroege leeftijd koos ik een religieus pad om de bevrediging te vinden waarnaar ik zo verlangde. Ik groeide op als het middelste kind in een missionarissen-gezin van zeven. Allebei mijn ouders hadden het druk met het oprichten van kerken en Bijbelscholen in de Oriënt. De christelijke levensovertuiging was de enige die ik kende. Dus terwijl mijn familie worstelde met doorlopende conflicten, verdiepte ik mijn betrokkenheid met geloof en kerk. Het semi-tropisch klimaat uit mijn jeugd betekende zonnejurkjes en blote voeten, chicada’s en hagedissen, en ons eigen kleine buitenzwembad om de zomer te overleven. Mijn ouders hadden een Chinees echtpaar in dienst om met het huishouden te helpen, en ze woonden achttien jaar bij ons in. De vrouw was mijn kinderjuf. Ze leerde me Kantonnees te spreken voordat ik Engels leerde.

   Mijn zuster en ik speelden spelletjes met onze poppen. Onze favoriete spelletjes waren “ziekenhuis” en “weeshuis”. Met het verbinden van de poppen verbonden we misschien ook wel onze eigen psychische wonden. Als kinderen vochten we veel. Onze ouders hadden zo hun eigen problemen, en daar ze zelf kinderen van missionarissen waren, wisten ze weinig anders te geven dan bestraffing en gebed. Ik heb echter ook warme herinneringen aan het gezinsleven. Papa maakte houten stelten voor ons. Mama zong met ons bij bedtijd uit een prachtig zelfgemaakt plakboek met christelijke liederen. Eén daarvan ging zo: “Mama spreekt tot God, Papa spreekt tot God, en dat doe ik ook, dat doe ik ook.” We vermaakten ons met het invullen van namen van andere mensen die we kenden. Die slaapliedjes gaven ons de heerlijke geruststelling dat God van ons hield en ons beschermde. Een klassieke afbeelding van een beschermengel die kinderen in slecht weer over een brug hielp, hing aan de muur van onze slaapkamer.

Ons gezin was in een vreemd, heidens land met als doel te onderwijzen, niet om te leren

   Ik begon school op een Chinese kleuterschool, waar ik populair was om mijn blonde haar en mijn origami vaardigheid. Mijn zuster en ik werden naar school gebracht in een fietstaxi, langs bedelaars in de straten, en omringd en voortgestuwd door een menigte fietsers. Na de kleuterschool echter, werden we grotendeels ingekapseld in de Amerikaanse subcultuur in Taiwan, en hadden we weinig contact meer met de Aziatische cultuur om ons heen. Ons gezin was in een vreemd, heidens land met als doel te onderwijzen, niet om te leren. Jammer genoeg herinner ik me de beelden, geluiden en geuren in de Boeddhistische tempels, alleen maar geassocieerd met medelijden en afschuw.

   Ondanks de inconsistentie tussen ons openbare en privé gezinsleven, sprak de kernboodschap van het christendom me wel aan. Het was mijn persoonlijke relatie tot God die telde. Ik begon te dwepen met Jezus, werd verliefd op hem. Het deed er niet aan toe hoe een ander daarover dacht. Ik was vastbesloten op te groeien tot een ideale christen. Met hart en ziel wilde ik deel uitmaken van Gods familie. Het was pas veel later dat ik begreep dat ik toen om erkenning zocht.

   Tijdens een verlof terug in de States maakte ik kennis met de charismatische stijl van verering in de ‘Assemblies of God’. Ik was idolaat. Aangezien ik zelf altijd al zo exuberant was geweest, voelde die emotionele expressiviteit zo warm en echt aan. Het was pas later dat ik mijn “doopsel” ontving, maar ook toen al raakte ik nog sterker betrokken in mijn geloof.

   Ons gezin trok naar talloze sympathiserende kerken in California, om daar verslag te doen van de missionaire vorderingen. Wij kinderen hielpen dan mee, door ons te verkleden in traditionele Chinesche klederdracht, een paar woorden Chinees te zeggen, of een liedje te zingen. Ik voelde me niet echt op mijn gemak, maar wilde alles doen wat ik kon voor het “werk voor de Heer”. Toen we weer naar ons zendingsterrein terugkeerden, deelde ik de doelgerichtheid van mijn ouders.

“IN DE HEILIGE GEEST”

   Voor basisschool werd ik naar een privé christelijke kostschool gestuurd die bedoeld was om kinderen van missionarissen een goede opleiding in een christelijke omgeving te bieden. Daar waren iedere dag bijbellessen, iedere week een dienst in de kapel, en op zondagen moesten we twee maal naar de kerk. Ik werd intens religieus en was daar nogal onomwonden over. Ik schreef  een opstel met de titel “Mijn overtuigingen”, en maakte er een groot project van. Geheel zelfstandig schreef ik verhandelingen over onderwerpen als “Waarom dansen verkeerd is”.

   Christus’ wederkomst op aarde was één van mijn grootste interesses. Ik schreef een opstel waarin al het bijbelse bewijs voor de “beproeving” werd besproken, alsmede de vraag of de christenen voordien ten hemel zouden worden opgenomen. Ik studeerde en schreef over voorbestemming en “eeuwige zekerstelling”, en ploos de Bijbel door voor aanwijzingen over het theologische probleem van of een christen “eens gered, altijd gered” was, of er aan moest blijven werken om in een staat van genade te blijven verkeren.

   Ik stak veel energie in al deze onderzoeken, maar bleef emotionele behoeftes houden die onvervuld bleven. De energie en tijd die ik aan mijn geloof besteedde, waren achteraf gezien werkelijk verbazingwekkend. Het is droevig om nu terug te kijken en de spanning te begrijpen tussen mijn normale behoefte als tiener om tot een groep van gelijkgezinden te horen, en mijn verlangen naar spirituele aanvaardbaarheid. Mijn geloof hield me voor, me te verheugen over het idee anders te zijn, wat psychologisch een gevoel van vervreemding voedde dat ik in mijn schrijven weer probeerde te rechtvaardigen. Soms scheen ik ook seksuele interesses af te weren. Met het ontwaken van de hormonen groef ik me dus nog dieper in in mijn christelijke geloof.

   Ik bleef me ontmoedigd voelen, en worstelde met de zorgen van het opgroeien. Uiteindelijk, tijdens een weekend in de achtste klas, ontving ik het “Doopsel van de Heilige Geest” – het gevoel dat Pinkstergelovigen ondervinden nadat ze “gered” zijn. Het betekent dat je vervuld bent van de Heilige Geest, en vaak “in andere tongen spreekt” als bewijs daarvan.

   Mijn “baptisme” ervaring bestond uit een extatische periode van vijf-en-veertig minuten van “spreken in andere tongen”, die aanvoelde als tien minuten. Zelfs nu nog geloof ik dat het een heel bijzondere mystieke ervaring was, waarvan ik niet zeker weet hoe ik die moet duiden. Het was in ieder geval een veranderde staat, met een overweldigend gevoel van totale liefde en aanvaarding, vergelijkbaar met de spirituele transcendentie die mensen in een verscheidenheid van spirituele tradities beleven.

   Ik keerde naar school terug met nieuw vertrouwen en tevredenheid. Mijn gebedspraktijk omvatte spreken en zingen “in de Heilige Geest” (het “spreken in andere tongen”). Ik voelde me gelukkig en geliefd. Ik betekende iets en hoorde ergens bij. Voor de rest van mijn adolescente jaren stond het geloof centraal in mijn gevoel van welzijn en tevredenheid.

   Op school deelde ik mijn enthousiasme voor het “van de Geest vervulde” leven met anderen. Sommige vriendinnen gingen met me naar de bijeenkomsten van de Pinkstergemeente, en twee van hen ontvingen “het Baptisme” ook terwijl we in de slaapzaal baden.

   Voor een tijd vastte ik op woensdagen. Ik kreeg speciale toestemming om de maaltijden over te slaan, zodat ik naar het dak boven de slaapzaal kon gaan om te bidden. Ik was er van overtuigd dat de Wederkomst spoedig zou plaatsvinden. Dit werd vaak gepreekt in kringen van de Pinkstergemeente, samen met allerlei onheilspellende waarschuwingen over “de wereld”.

   Ik was me sterk bewust van het aanstaande einde en de urgentie om het woord te verspreiden. Dit bracht grote ernstigheid teweeg in mijn communicaties met anderen, en tegelijkertijd opwinding in mijn eigen verlangen om met Jezus te zijn.


TIENER JAREN

   Maar ook de overige aspecten van tienerleven gingen gewoon door. Ik raakte geïnteresseerd in sporten, rapportcijfers, piano en de samenleving van de slaapzaal, en beleefde veel van het gezonde plezier dat samengaat met de kampeer-atmosfeer van een kostschool. Ik maakte me zorgen over acne en kwelde mijzelf samen met mijn beste vriendinnen over mijn laatste hevige verliefdheid. Flirten was altijd nogal een mysterie.

   Dansen werd een verwarrende kwestie voor me. Van school mochten we niet dansen, maar in de weekeinden ging ik naar huis. Mijn vriendin Laura nodigde me uit voor een disco-avond in het tienercentrum van de Amerikaanse militairen. Ik hield het voor mijn ouders verborgen – en voelde me schuldig voor wat ik verwachtte een zondig, zinnelijk tegen elkaar schuiven van lichamen te zijn, dat de lusten in vuur en vlam zou zetten en regelrecht tot seks zou leiden. Dus was ik verrast te ontdekken dat het vooral erg leuk was. Rock-and-roll leek helemaal niet op muziek van de duivel, en een beetje aandacht van jongens krijgen voelde ook wel goed. Daarna wisselde ik af tussen stiekem naar disco-avonden te gaan, en tegenover Laura te verklaren dat ik niet op dansen betrapt wilde worden wanneer de Heer terug kwam. Ze was nogal tolerant. Hoewel ook zij christen was, daar ik haar “tot de Heer geleid” had, voelde ze zich weinig schuldig voor het plezier beleven. Op een pyama-feestje bij haar niet-christelijke vriendinnen, bleven we eens de hele nacht wakker met kaartspelen. Er begonnen zich kleine scheurtjes te ontwikkelen in mijn harnas tegen “de wereld”.

   Maar ik bleef me onzeker voelen over gewone menselijke tekortkomingen. Mijn eigen zwakheden waren heel verontrustend. Ik verlangde wanhopig naar de “vruchten van de Heilige Geest” (liefde, vreugde, vrede) en niet alleen maar de “gaven van de Heilige Geest” (spreken in andere tongen, genezen, voorspellen). Het spreken in andere tongen was wonderbaarlijk, maar voor mij was het echte wonder van Christendom een  getransformeerd hart. Ik had meer ontzag voor ware liefde dan voor enig helen of een vervulde voorspelling. En ongeacht hoezeer ik mijn best deed, droeg ik mijn deel bij aan het verdriet en conflict binnen ons gezin. Ik voelde me schuldig over mijn aandeel daarin, en gaf anderen de schuld voor het hunne. Wat zou het fijn geweest zijn iets te leren over communicatie, en hoe gevoelens uit te drukken! Maar er was niets in ons hele geloofssysteem dat enige hulp bood om aan dit soort dingen te werken – alleen de hoop dat God wonderen zou verrichten. Verstoorde relaties betekenden alleen maar een gebrek aan geloof of onderwerping aan God. Ik herinner me de droefheid en het nimmer aflatend gevoel van schuld voor het teleurstellen van God, die zijn immers eigen zoon had gestuurd om te sterven. Ik schreef in mijn dagboek:


   “Ik wil perfect zijn. Ik wil dat Jezus Christus mij volkomen beheerst – mijn gedachten, woorden, en daden. Ik wil dat mensen Hem in mij zien zodat ze kunnen zien wat hij voor iemand kan betekenen. Ik heb nog een lange weg te gaan, maar met de hulp van Jezus kan ik een zegen zijn. Mijn grootste probleem is thuis. Oh, God, het spijt me. Vergeef me alstublieft. Dank u voor uw helende kracht. Ik heb u zo vaak nodig om mij te verbeteren.”

   

   Bij het eind van de tiende klas, toen ik zestien was, verhuisden we naar zuid-Californië. Ik dacht dat het een verlof van een jaar was, maar het bleek permanent te zijn en dat veroorzaakte later veel verdriet. Het afscheid nemen van mijn vriendinnen op zomerkamp was verdrietig. Vier jaar lang had ik met ze samengewoond, ondeugende dingen gedaan en gebeden opgezegd, psalmen gezongen en voor examens geblokt, gejoeld bij de balspelen, en geheimen gefluisterd. In mijn jaarboek schreven ze:

 

   “Bedankt Marlene, voor het de spiegel te zijn waarin Jezus zichzelf reflecteerde om me tot Hem terug te brengen. Jouw getuigenis heeft veel voor me betekend.”


   “Jij bent zo ongeveer de beste christen die ik ken.”


   “Je bent zo’n geweldige vriendin voor me geweest dit jaar. Het was door jouw betrokkenheid dat ik van Heilige Geest vervuld werd. Looft den Heer!”


   In deze periode van mijn leven vervulde religie mijn vele behoeften volkomen. Onmiddellijk na in een vreemd land te arriveren, was ik in staat me in te passen bij de jeugdgroep in de kerk. We begrepen elkaar door ons gemeenschappelijke geloofssysteem. Mijn geloof gaf ook een voortdurende betekenis aan mijn leven. Mijn enorm grote middelbare school was vol met potentiële bekeerlingen, en het op straat getuigen was een aangrijpende toevoeging aan mijn christelijke beleving.

   Om alles te completeren, had ik al snel een christelijk vriendje in de kerk. Hij liet me zien hoe je over Christus sprak met “hippies”, benadrukkend hoe je op natuurlijke wijze “high” kon worden van Jezus. Het meest van onze relatie verliep via de telefoon. Hij leerde me om gelijktijdig christen en “cool” te zijn. Hier was ik erg dankbaar voor. Uit het buitenland afkomstig waren mijn kleren verkeerd, en moest ik nog heel veel slang leren. De aanpassing was niet altijd gemakkelijk; wisseling van stemmingen en een laag zelfrespect vormden een probleem voor me, zoals dat voor veel tieners geldt.

   Ik zocht altijd naar een spirituele oplossing, dus God paste daarin. Mijn liefdesrelatie met Jezus maakte de scherpe kantjes van deze jaren minder scherp. Ik had maar zelden vaste verkering, maar ik had altijd Jezus. Ik herinner me een serene kalmte binnen mij te voelen, tenminste één persoon kennend die mij altijd totaal acceptabel vond.


ER MEE BREKEN

   Mijn geloof achter mij laten was een heel langzaam proces. Op veel manieren was het een onwillige scheiding, en het is moeilijk te zeggen hoeveel jaren het nam. Sommige veranderingen begonnen al toen ik zestien was, maar het duurde nog zeker tien jaar voordat ik mezelf geen christen meer noemde.


NIEUWE IDEEËN

   In het buitenland werd ons voorgehouden ons gelukkig te voelen om Amerikaan te zijn, patriotisch en anti-communistisch, en dat onze cultuur superieur was aan die om ons heen. Er was weinig discussie over de oorlog in Vietnam, hoewel die heel nabij was. We ontmoetten GI’s die met verlof waren, maar zij spraken niet over de oorlog. Ik besteedde er weinig aandacht aan, behalve dan dat het jammer was, maar dat toch iemand die communisten moest tegenhouden. Vanuit ons christelijk oogpunt was het strijdgewoel gewoon nog een teken van het einde der tijden. Het was onvermijdbaar. Wij vonden dat demonstranten met God in het reine moesten komen, in plaats van trachten de geschiedenis te veranderen.

   Ondanks mijn wereldreizen was mijn leven beschut geweest. De middelbare school in Californië was voor mij het begin van provocerende nieuwe informatie: existentialisme, Oosterse filosofie, zwarte literatuur en moderne poëzie. Kennis  maken met Shakespeare leerde me dat diepere gedachten niet tot christenen beperkt bleven. Ik las ‘Siddharta’, ‘The Stranger’, ’Catcher in the Rye’, en ‘Stranger in a Strange Land’. Ik raakte zowel geīntrigeerd als verward, onwillig om simpel de ogen te sluiten voor wat ik leerde. Het vergde steeds grotere inspanning om in mijn geloof te volharden.

   De “Jezus Beweging” kwam ongeveer in deze tijd op volle gang, in zuidelijk Californië. Wij hadden de christelijke versie van de Flower People: naar Calvary Chapel gaan in spijkerbroek en op blote voeten, dopingen in de branding, christelijke rock-and-roll, en anders zijn dan onze ouders. Er waren honderden bekeerlingen, en ik was uitgelaten. We hadden een gevoel van kosmische doelgerichtheid.

   Een gedenkwaardig hoogtepunt was een week van georganiseerd getuigen in San Francisco met “Youth with a Mission”. De groep kreeg een voortgezette opleiding in het evangeliseren en over verwante kwesties. Kennismaken met deze hippe subcultuur was voor mij zoals het was voor Dorothy in het Land van Oz – “Drugs en het occulte en seks, oh, oh!” Ik zocht behoedzaam mijn weg door Satans terrein. Te getuigen tegenover een langharige man in Golden Gate Park die zei dat hij Jezus was, maakte me sprakeloos! Iedere avond telden we de bekeringen op, en vergeleken we de uitdagingen waarvoor we die dag hadden gestaan. We leerden meer bijbelteksten uit het hoofd en verfijnden onze argumenten om ook de moeilijkere gevallen aan te kunnen. Natuurlijk interpreteerden we bezwaren tegen de Heilige Schrift als “duisternis” in plaats van als eerlijke redenen die mensen hadden om geen christen te zijn. We baden voor de zielen waarmee we iedere dag hadden gesproken en vroegen God hun zonden uit te drijven en ze naar het licht te leiden.

   In juni 1970 slaagde ik op de tweede plaats bij mijn eindexamen voor de middelbare school, en maakte een evangelistische speech bij de officiële plechtigheid. Voor een in wezen verlegen meisje, voor een stadion vol mensen, was dat nogal een opgave. Klaarblijkelijk had ik me nog dieper ingegraven in mijn geloof, als manier om met de nieuwe, botsende informatie om te gaan. De schoolleiding had verzuimd mijn toespraak van te voren te lezen, hetgeen ik als een daad van God beschouwde. Ik herinner me mijn rede met onbevreesd enthousiasme gepresenteerd te hebben, omdat God mij “gebruikte”.


   “Dat wij als geslaagden nu een verwarde, verbitterde en gewelddadige wereld binnentreden is een feit dat niemand kan ontkennen. Onze doelen moeten verheven liggen boven alle te gebruikelijke en ietwat gladde retorica van graduatie speeches in het verleden. Onze doelen moeten zijn te werken aan de oprechte broederschap van het mensdom – ware vrede – gebaseerd op liefde en wederzijds respect voor onze medemens. Dit kan alleen bewerkstelligd worden door de transformatie van het individu door de kracht van Jezus.”


INTELLECTUELE UITDAGING

   Ik aarzelde tussen Oral Roberts University en de University of California in Irvine en koos de laatste – zodat ik daar een getuige kon zijn! De christelijke studenten daar namen het evangeliseren serieus. We kwamen samen voor bijbelstudie in het park op de campus. Voor een tijdje woonde ik zelfs samen met ze in een christelijke commune, en kreeg daar de warmte van een familieleven waar ik altijd naar verlangd had.

   Ik genoot van de colleges vanwege de intellectuele stimulans en uitdaging. Mijn blootstelling aan nieuwe ideeën ging door. In een multidisciplinaire cursus leerde ik over de geschiedenis van de westerse cultuur vanaf de tijd van Plato en Aristoteles tot aan het heden, waarin belangrijke stromingen in de filosofie, politieke wetenschap, literatuur en kunst behandeld werden. We lazen Augustinus, Descartes, Mill, Marx, Freud, Beckett, en vele anderen. Het was interessant religieuze aannamen te ontdekken die betwist werden door de astronomie van Copernicus, het opkomen van de empirische wetenschap, en het Darwinisme. Ik was verrast hoeveel filosofen hadden geprobeerd het bestaan van God te bewijzen.

   Het meest raakte ik geïntrigeerd door analyses van existentiële kern-dilemma’s. Ik schreef een verhandeling over Dostojewsky’s ‘Aantekeningen uit het ondergrondse’ en ‘De groot-inquisiteur’, waarin ik eindigde met “De tragische grandeur van de mensheid is de worsteling om vrij te zijn in de constante vrees voor vrijheid.” Voor mij was de notie van een vrije wil altijd al problematisch geweest in de context van een alwetende en almachtige God. Hoe zouden we ooit ons leven kunnen bepalen of verlossing verkiezen als God alles al weet en alles bestuurt? Ik voelde me in toenemende mate aangetrokken tot de notie van persoonlijke vrijheid.

   In psychologie leerde ik over gedragspsychologie, dat in een destijds geest verbijsterende stelling beweert dat alles aangeleerd is. Dit betekent dat in theorie alle menselijk gedrag voorspelbaar is. In reactie op B.F.Skinner’s boek ‘Beyond Freedom and Dignity’ (‘Voorbij vrijheid en waardigheid’), schreef ik een essay waarin ik de vrije keuze verdedigde. Maar het idee dat gedrag aangeleerd is was ook bevrijdend. Voor mij was het revolutionair om te denken dat persoonlijke problemen of “slechte gewoontes’ het gevolg kunnen zijn van omgevingsinvloeden in plaats van door zonde. Ik voelde een groeiende mildheid in mijn beoordeling van menselijke wezens. We zaten allemaal in het zelfde schuitje, worstelend om aan onze behoeften te voldoen.

   Uit het oosterse gedachtengoed en het existentialisme absorbeerde ik ideeën over bewustzijn en verantwoordelijkheid. Ik omarmde de notie van volledig aanwezig zijn in ieder moment en daarmee het eigen leven te scheppen. Dit was persoonlijk en krachtig. Het individu was het belangrijkste, in plaats van “het mensdom”. Keuzes waren niet alleen beschikbaar, maar waren bepalend voor identiteit en bestaan. Ik schreef over het aandacht besteden aan kleine pleziertjes, en deelname aan de dans van het leven:

   “De tijd gaat door, in ritmische stappen, meedogenloos maar niet onplezierig. We kunnen op haar maat dansen, in- en uitvoegen, soms vooruit, soms achteruit, haar stadige vooruitgang heen en weer doorkruisend. Echter altijd begrijpend dat we in beweging moeten blijven. We kunnen niet gaan zitten om uit te rusten. Dus geniet van de dans, liefje. Soms kan het wondermooi zijn, soms ook verschrikkelijk. We moeten deze segmenten van schoonheid savoureren.”


   Voor een Nieuwjaars voornemen schreef ik, “Geniet van de dans”, maar later, “Ik ween om de strijd, ik wil vrijgelaten worden maar mijn boeien behouden.” Ik las Ram Dass’s ‘Be Here Now’ (‘Wees hier nu’) en probeerde mezelf er van te overtuigen om verlangen en gebondenheid op te geven. Ik wilde voldoening en innerlijke rust. “Ontwar uit het verlangen,” las ik, “het vuur van interne strijd.”


COMPASSIE ONTDEKKEN

   Met Sociale Ecologie als mijn hoofdvak, betekende dit een voortzetting van mijn interesse in de multi-disciplinaire benadering van sociale kwesties. Zes kwartalen van studie in het veld brachten me in contact met de gemeenschap, en leerden me vaardigheid in onderwijs. De kinderen in mijn stageplekken in kleuterschool waren fantastisch – natuurlijk, nieuwsgierig, creatief, hartelijk, levendig – wat mij er toe leidde sommige christelijke grondregels bebaseerd op de erfzonde die ik voorheen geaccepteerd had, in twijfel te trekken. De ontwikkeling van het kind leren kennen opende  mijn ogen helemaal. Zo is bijvoorbeeld kinderlijk gedrag dat egoïstisch schijnt vaak deel van de vorming van identiteit en zelfwaardering. 

   In mijn verlangen mensen te helpen, volgde ik cursussen in counseling. Al vroeg realiseerde ik me dat seculiere counseling christenen iets te bieden had, in het bijzonder de vaardigheid om goed te luisteren. Christenen neigen er niet naar zich daar zorgen over te maken. En terwijl ik de kunst leerde om iemands persoonlijke verandering te vergemakkelijken, kon ik het niet helpen respect te ontwikkelen voor natuurlijke, intuïtieve groeiprocessen. De meeste mensen hebben goede bedoelingen, realiseerde ik me. Een goede therapeut voorziet in een lovende ondersteuning, op dezelfde wijze als een tuinman voor zijn planten zorgt. Een humanistische kijk op mensen sprak mij aan. Op practische wijze scheen het te werken, en emotioneel voelde het goed voor mij.

   Desalniettemin heb ik nog lang geprobeerd mijn nieuwe bewustzijn en vaardigheden te integreren met mijn geloof. Voor een van mijn veldstudies werkte ik samen met een andere vrouw om een 24-uurs hotline en christelijk counseling inloop-spreekuur te beginnen. Die ervaring bracht mijn groeiende frustratie met het kerkelijk patriarchaat scherper in beeld. Tot mijn verrassing werd ons verteld dat we alleen ondersteuning van Calvary Chapel konden krijgen als we een mannelijke leiding hadden. Dus baden we voor een mannelijke directeur! De eerste die we door Calvary aangeboden kregen veroorzaakte al gauw problemen – hij hief onze telefoonservice op en verliet de stad. We lieten de telefoondienst opnieuw installeren en gingen verder. Tenslotte stapte een van onze mannelijke counselers, een pas bekeerde christen in de positie van directeur, zeggend dat God hem daar geleid had. Dat was toen genoeg voor me. Ik was goed genoeg opgevoed om mijn woede te onderdrukken. Persoonlijke gevoelens en individuele verdienste zijn onbelangrijk vergeleken met het werk van de Heer gedaan te krijgen, geloofde ik. Uiteindelijk heeft het het Eén-richtings Hulpcentrum (aanmatigende naam!) het vier jaar uitgehouden.

   Net toen ik teleurgesteld werd in seksistische en hypocriete christenen, kwam ik al snel onder de invloed van niet-christenen die indruk op mij maakten Toen ik bevriend werd met twee mensen die een oosters geloof aanhingen, ontdekte ik dat zij net zo enthousiast over hun religie waren als ik was over het mijne. Ze waren gelukkig en liefdevol, en gelukkig in hun huwelijk. Ik zag meer “vruchten van de Geest” in hen dan in de meeste christenen.

   Deze perceptie kon ik niet eenvoudig afdoen zoals me vroeger geleerd was, door die toe te schrijven aan “Satan vermomd als een engel van licht”. Deze mensen waren echt. Ik was het zat om alles te moeten verdraaien totdat het paste. Maar ik probeerde me vast te klampen. Jezus was me nog steeds erg dierbaar. Voor een antropologie klas schreef ik een uitvoerig essay over de culturele context van seksisme in de Bijbel. Ik hield vol dat de opmerkingen over vrouwen in de Heilige Schrift begrijpelijk waren door ze in het licht van die tijd te zien. Ik zei dat ze beschrijvend, niet voorschrijvend voor ons waren. Ik wilde denken dat ons geloof relevant kon zijn, dat het christendom kon veranderen in lijn met de moderne wereld en nog steeds een levensvatbare waarheid kon zijn. Maar ondanks mijn inspanningen, werden preken over “de plaats van de vrouw” steeds meer onuitstaanbaar.

   Gedurende mijn hele studie werkte ik als serveerster, ontmoette mensen en overwon ik mijn verlegenheid. Dit hielp me ook om uit mijn religieuze cocon te komen. De vereisten van mijn werk leerden me voor het eerst om meer competent in de wereld te functioneren. Daarna, terwijl ik leerde meer openlijk met een verscheidenheid aan mensen (aangezien iedereen moet eten) te communiceren, begon ik de menselijke diversiteit meer te accepteren en appreciëren. Geleidelijk aan hield ik op met het filteren en verdraaien van informatie. Ik leerde meer en meer en voelde me beter en beter. Ik wilde mensen niet meer alleen maar zien als potentiële bekeerlingen. Ik wilde van ze houden voor wat ze waren, en ik wilde hier en nu van het leven houden. Tenslotte stopte ik met het indelen van mensen als schapen en geiten, geredden en verdoemden. Ik was op weg naar de uitgang.


EEN WIJDERE WERELD

   Toen ik kunstlessen volgde op college, vond ik de dada en surrealistische bewegingen fascinerend omdat zij rebelleerde tegen de gevestigde orde, het irrationele onderbewuste verheerlijkten, en het absurde eerden. Misschien wel door mijn mystieke ervaringen, voelde ik me aangetrokken tot de interesse die surrealisten toonden voor dromen. Moe van mijn pogingen om alles te begrijpen, begon ik mijn eigen dromen meer te accepteren, mijn visuele waardering, en mijn genieten van het ongebruikelijke.

   Een les over filmgeschiedenis introduceerde me tot Throughout, Bunuel, en Bergman en de prachtige onschuld van kinderen in ‘Small Change’, de kwelling van de persoonlijke keus in ‘The exterminating Angel’, de verschrikkelijke vreemdheid van de mensheid in ‘Un Chien Andalou’, de immense diepzinnigheid en broosheid van het bestaan in ‘Cries and Whispers’. Op een nacht droomde ik dat ik in de ruimte was in een ruimtestation dat voor hulp contact zocht met de aarde. Het gevaar bestond dat we ieder moment opgeblazen konden worden, en we keken toe hoe een technicus wanhopig in een telefoon riep. Hij wist niet dat het andere eind nergens mee verbonden was. Ik herinner me de shock van de realizatie dat er niemand luisterde. De volgende dag wist ik dat de droom over God was geweest. Maar in plaats van me doodsbang te voelen – of behalve me doodsbang te voelen – voelde ik een ongelooflijke gewaarwording van levend zijn. De droom had echt gevoeld; ik had voor een onafwendbare naderende dood gestaan. De volgende dag nog in leven te zijn voelde als een wonder aan, alsof ik wakker was geworden. Ik liep langzaam die dag en liet mezelf werkelijk mijn voetstappen voelen. Nog kan ik me de klare lucht en de duidelijke randen van de bladeren aan de bomen herinneren. De dag was lang en vol en ik voelde dat ik iets geleerd had op een zeer diep niveau – iets belangrijks dat ik me altijd wilde blijven herinneren – namelijk bewust van mijn leven te zijn.


LAATSTE VERBINDINGEN

   Dagboek aantekeningen en brieven uit mijn studiejaren laten schommelingen zien tussen gekwelde frustratie en hernieuwd geloof. Ik stapelde altijd de schuld voor problemen op mezelf, keek naar God voor hulp, en dankte hem voor verbeteringen in mijn leven. Terugkijkend zie ik dat zelfwaardering haast een onmogelijkheid was.


   “Er is een geheim over het christen zijn dat ik nog niet heb doorgrond. Alle keren dat alles goed schijnt te gaan, verlies ik op een of andere wijze mijn zelfbeheersing. Dan haat ik mezelf, voel vervreemd van God, en begin te wanhopen. Het frustreert me enorm dat ik de wil van God niet kan kennen. Of dat wanneer ik die ken, ik daaraan geen gevolg kan geven. Maar mijn hoop kan niet onderdrukt worden. Ik zal nooit ophouden te proberen.”


   “Ik denk dat God in een zeer zachte stem spreekt. Ik denk dat ik het gehoord heb, maar weet het niet zeker. De Heer wordt erg reëel voor me, en ik ontdek  hoe lang het mij neemt om dingen te begrijpen.”


   Ik kwam ook erg in de war over seks. Mijn vriend op de universiteit was niet opgevoed zoals ik, hoewel mijn eerste succes geweest was dat ik hem mee naar de kerk had genomen en hem daar bekeerd had zien worden. Onze hormonen waren tot het uiterste geprikkeld, en ik had moeite met de verantwoordelijkheid van het gebruikelijke vrouwelijke poortwachterschap. Op een of andere wijze slaagden we er in te voorkomen tot het uiterste te gaan, maar dat was meer een formeel punt. Mijn seksualiteit was een wonderbare ontdekking, maar het schuldgevoel was ook enorm. Verscheidene malen verbrak ik de relatie, en voelde me dan weer net zo schuldig omdat ik hem daarmee pijn deed. Meer dan eens was ik ervan overtuigd dat God wilde dat ik hem losliet. De inspanning om Gods wil te ontdekken was uitputtend.

   Tenslotte trouwden we na drie jaar. Op dat moment voelden we ons door God geleid. Ik stond mezelf toe nog dieper verliefd te worden. Ik stopte met discussies en begon te genieten van het geluk en de verbondenheid met een ander menselijk wezen. Geheel onbedoeld bad ik en las ik de Bijbel steeds minder. Geleidelijk aan realiseerde ik me dat ik me niet meer de hele tijd emotioneel afhankelijk voelde. Het was heerlijk alle dagen bemind en vastgehouden te worden. De verbondenheid met een echt levend wezen had een diepgaand effect op me: het doorbrak mijn verslaving aan God.


BUITEN DE KUDDE

   Ik vervolgde mijn opleiding op post-doctoraal niveau, verheugd nu te leren over die domeinen van menselijke interactie waar we aan konden werken – uiteindelijk was toch niet alles spiritueel. Mijn hulpeloosheid en schaamte en afhankelijkheid van God werden vervangen door echte vaardigheden.

   Ik leerde counseling en trainings vaardigheden, huwelijks- en gezinstherapie, en gedragsverbetering technieken voor kinderen. Mijn echtgenoot en ik exploiteerden een tehuis voor emotioneel- en gedragsgestoorde jongens. Toen kregen we federale subsidie en werkten we samen met de lokale overheid om een tehuis voor gestoorde tieners op te zetten. Op de universiteit hielp ik bij programma’s voor man-vrouw relaties, assertiviteit, seksualiteit en empathie.

   Als aan een instituut verbonden counseler werkte ik met individuelen, paren en groepen. Verscheidene jaren werkte ik aan intermenselijke relaties met tieners en gezinnen in een verscheidenheid van achtergronden, inclusief de selectie en training van pleegouders. Ik was vooral geïnteresseerd in het voorkomen van psychologische schade en het bevorderen van geestelijke gezondheid. Met meer kennis en vaardigheid in menselijke relaties, voelde ik me verrijkt en mondig.

   Voortbordurend op mijn existentialistische ontzag voor de kracht van keuze en verantwoording, ging mijn doctoraal-scriptie over zelfrichting. Na post-graduate school doceerde ik voor korte tijd op universitair niveau en begon daarna een privè praktijk als psycholoog. Bij het vorderen van mijn werk en persoonlijke groei, begon ik mij te interesseren in de langdurige invloed van religieuze betrokkenheid.

   Terwijl mijn therapeutische vaardigheden zich ontwikkelden, ontdekte ik dat non-rationele en non-verbale methoden een belangrijke rol speelden. Ik werd hierin getraind en leerde daarna andere therapeuten om aan de innerlijke staat te werken, een methode die een geleide voorstellingswereld, hypnose en lichaamswerk samen mengt. Bewegings-, kunst- en groepsdynamiek zijn ook in mijn praktijk belangrijk geweest. In het algemeen ligt het accent van mijn benadering op het helpen van cliënten om hun eigen innerlijke bronnen voor genezing en groei aan te boren.

   Mijn persoonlijke groei heeft enorme sprongen voorwaarts gemaakt door de ervaringen van het ouderschap. Bij mijn eerste echtgenoot kreeg ik een zoon die me onmetelijk veel geleerd heeft – over het leven, over mijzelf. Ik ben er van overtuigd dat we allen naar de wijsheid van onze kinderen moeten luisteren. Mijn scheiding en een verhuizing naar Colorado was een heel belastende periode. Alleenstaand met een kind, en full-time te werken, dwong me om diep in mezelf te graven om de innerlijke kracht te vinden die ik nodig had. Ik moest ook veel leren over eigenliefde en zelfzorg.

   Een tweede huwelijk, een stiefdochter en een dochter hebben me nog meer te waarderen gegeven in het leven. Ik ben nog steeds onder de indruk van de mogelijkheden die we hebben om het soort leven te scheppen dat we willen leven. Mijn gezin stelt me in staat om mezelf te zijn, binnen een koesterende omgeving. Ware liefde is heel goed mogelijk, en gezinnen hoeven niet altijd disfunctioneel te zijn.

   Mijn meest recente werk, opnieuw in Californië, is het doceren op universitair niveau, dit keer gericht op kwesties van menselijke verscheidenheid, en de vaardigheden om communicatie te verbeteren. De noodzaak voor tolerantie en samenwerking in de wereld van vandaag ligt voor de hand; het is bevredigend hier op enige wijze naar toe te werken en te observeren hoe studenten ontdekken dat ze communicatieve vaardigheden kunnen leren die passen bij de idealen van hun retorica. Ik verheug me op meer werk in het domein van intercultureel en persoonlijk begrip. 

    Al doende was het ook fascinerend de functie te ontdekken van kunst in de menselijke expressie en sociale uitdrukking. Recentelijk was ik beheerder van een tentoonstelling met zestien kunstenaars en een groep kunsttherapie cliënten, en ook van eigen werk. De show, getiteld “Gij zult niet”, toonde een verscheidenheid aan media waarmee gevoelens over religieuze indoctrinatie en spiritualiteit uitgedrukt kunnen worden, en die zowel protest als hoop weergeven.


EEN LEVENSLANG PROCES

   Ik liet het geloof van mijn kinderjaren achter me omdat oude beloften niet werden vervuld en nieuwe beloftes dat wel deden. De dagboeken die ik bijhield maakten me later duidelijk dat christen zijn mijn persoonlijke, of interpersoonlijke problemen niet oploste. Ik heb mystieke ervaringen gehad die me een glimp van het goddelijke gaven, en ik had de hoop op een toekomstige vereniging met God. Daar ben ik nog steeds dankbaar voor. Maar in mijn dagelijkse leven leefde ik met een enorm schuldgevoel en frustratie omdat ik niet de persoon was die ik dacht dat ik hoorde te zijn. Goede dingen waren altijd aan God te danken, en mislukkingen aan mezelf.

   Het in aanraking komen met andere ideeën gaf me nieuwe opties. Toen ik gewapend werd met alternatieven, was ik meer bereid de problemen in mijn eigen religie onder ogen te zien, zoals het seksisme, het idee van de erfzonde, de tweedeling in geredden en verdoemden. Mezelf een bepaalde mate van intellectuele integriteit toe te kunnen staan was een enorme opluchting. Daarna stond ik mezelf toe in de wereld te zijn. Door veroordeling los te laten, kon ik deelnemen in de vreugden en iets aan problemen doen, in plaats van alle aandacht op het hiernamaals te richten. Ik kon intiem met mensen worden om de warmte van menselijke liefde te voelen. En, heel belangrijk, ik ontwikkelde een denkraam voor mezelf waarin ruimte was voor eigenwaarde. Met al deze ontwikkelingen kon er geen terugkeer zijn. De mentale en emotionele deuren naar de toekomst waren voor me geopend. De eerlijkheid en directe confrontatie met mijn mens zijn – het goede, het slechte en het lelijke – was heerlijk.

   Dit wil niet zeggen dat ik niet veel pijn en strijd heb gekend. Het verliezen van een allesomvattend geloofssysteem heeft diepgaande consequenties, inclusief ambiguïteit en verantwoordelijkheid. In de loop der jaren heb ik te maken gehad met al de kwesties die in dit boek behandeld gaan worden. Familierelaties zijn voorgoed veranderd. Als een verdwaald kind, moest ik de werkelijkheid reconstrueren. Ik moest een groot aantal aannames onderzoeken en herscheppen – over de zin van het leven, de wereld, mijzelf, anderen, het verleden, het heden en de toekomst. Automatische gedachten en gedrag zijn moeilijk te veranderen, en ik blijf worstelen met met oude geloven die krachtig zijn en vaak onbewust.

_____


Bron:  http://www.marlenewinell.net/node/16


•   Hoofdstuk 1

•   Hoofdstuk 3

•   Hoofdstuk 4

•   Hoofdstuk 5

•   Hoofdstuk 6

•   Hoofdstuk 7


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort