visitors on myspace
DE BIJBEL EN HET CHRISTENDOM | POSITIEF ATHEÏSME <>

DE BIJBEL EN HET CHRISTENDOM

SCOTT BIDSTRUP

image7313


De bijbel betekent veel dingen voor veel mensen, maar voor christenen in het bijzonder, is het een bron van inspiratie en een gids voor het dagelijkse leven. Voor anderen is de bijbel een historisch document en tegelijk een bron van controverse. Voor weer anderen is de bijbel een zichzelf tegen sprekende ratjetoe van archaïsche regels en verboden, waarvan de meeste betrekking hebben op al lang uitgestorven culturen in verre gebieden. Wat is de waarheid in dit alles?

   De realiteit is dat het allemaal waar is tot een zekere hoogte, en tegelijkertijd in dezelfde mate nonsens is. De bijbel heeft een betekenis voor al zijn lezers, maar het is belangrijk om in te zien dat de betekenis die het heeft, bepaald wordt door de vooroordelen die de lezer met zich mee brengt. Om werkelijk de bijbel te begrijpen, en wat die bedoelt te zeggen tot de huidige generaties, is het noodzakelijk te weten wie hem geschreven hebben en waarom, en de culturele context waarin hij geschreven werd. Dit is een interessant verhaal, vooral omdat deze ontstaansgeschiedenis zo veel rommeliger is dan zijn voorstanders ons willen doen geloven.

   Het overheersende thema van de bijbelse verhaallijnen is het thema van culturele overwinningen. Overwinningen door de Hebreeën over hun vijandelijke buren, culturele overwinning door de Joden over de Israëlieten (hier gebruikt in de zin van de leden van de tien verloren stammen), van de christenen over de Joden, van de katholieken over de Gnostici, Marcionieten, en andere pre-katholieke sekten, en zo verder. In sommige gevallen wordt de overwinning beschreven als een historische, vaak militaire gebeurtenis. In anderen, wordt die enkel beschreven als een ommekeer in betekenis en context, als een verandering van verhaallijn en gezichtspunt.

   En de geschiedenis van de vertaling en samenstelling van de uiteindelijke vorm van de bijbel in wat nu als Heilige Schrift wordt beschouwd, is een verhaal van niet alleen culturele strijd, maar ook van politieke intriges; niet slechts van elkaar bestrijdende bisschoppen, maar ook van strijd met de seculiere autoriteiten. Het is alsof regering of parlement zouden beslissen wat de christelijke doctrine en geschriften precies inhouden, en iedereen onder levensbedreiging daaraan zou moeten voldoen.

   Het gevolg van de oorsprong van de Bijbel uit geselecteerde delen van complete geschriften, geschreven door minstens honderdvijftig verschillende mensen in tientallen verscheidene plaatsen en tijden, onderling vele eeuwen apart, en om uiteenlopende redenen, is dat het gekleurd heeft wat de auteurs schreven. Toch wordt dat simpele feit grotendeels over het hoofd gezien, zowel door mensen die op naïeve wijze geloven dat wat zij er in lezen het onfeilbare woord van God is, als ook door de meer liberale, scholastische theologen. Zij bestuderen de bijbel in zijn historische context en ook als een stuk geschreven doctrine. Dit laatste volgen zij blindelings op, hoewel ook zij volledig bekend moeten zijn met zijn warrige oorsprong.


PREHISTORIE TOT 1850 v.o.j. (voor onze jaartelling)

BRONNEN VAN DE VROEGSTE GESCHRIFTEN   

   Scholastici hebben de wortels van veel van de Oudtestamentische verhalen terug kunnen traceren tot oude heidense mythen van de vroege Mesopotamische beschavingen. In de Halve Maansikkel, het vruchtbare gebied tussen de rivieren Tigris en Eufraat in het tegenwoordige Irak, ontstonden enige van de vroegste civilisaties ter wereld. In deze vroege ontluiking van beschaving circuleerden talloze religieuze mythen, die probeerden een verklaring te vinden voor het toen nog onverklaarbare. In deze context is ons het oudste nagenoeg complete literaire werk overgeleverd, waarvan we met zekerheid de leeftijd op minstens 5000 jaar kunnen stellen. Het Epos van Gilgamesh is een lange geschiedenis van heroïsche mythologie, waarin veel van de religieuze mythen van Mesopotamië zijn vervat. Het is het vroegste overlevende, en nagenoeg complete literaire werk.


gilenkidoe

              GILGAMESJ EN ENKIDOE, CILINDERZEGEL      UIT OER, 3DE MILLENNIUM v.o.j.


   Veel van de verhalen uit dit epos werden later ingevoegd in het boek Genesis. Uit het Epos van Gilgamesh werd het verhaal over de schepping van de mens in een wonderbaarlijke tuin ontleend, en de introductie van het Kwaad in een onschuldige wereld, en het verhaal van de grote vloed, veroorzaakt door de slechtheid van de mensheid, die de hele wereld overstroomde. In deze Mesopotamische beschaving, die tegenwoordig bekend staat als het Chaldeesche Keizerrijk, bleven stamverbanden bestaan en floreren zoals die al bestonden voor de inlijving in het gemeenschappelijke keizerrijk. Sommige stammen werden aanhangers van de centrale regering, terwijl anderen deze bleven bestrijden, maar allen behielden zij elementen uit de culturen van voor hun inlijving.

   De aartsvaderen verschijnen voor het eerst in ons verhaal met de reis van een van hen, Abraham, die, zoals het verhaal gaat, de leden van zijn stam vanuit de stad Ur westwaarts in de richting van het Mediterrane gebied leidde, naar het beloofde land Kanäan, ergens tussen de 19de en 18de eeuw v.o.j. Zo gaat het verhaal tenminste. Het probleem is echter dat we geen goed archeologisch bewijs hebben om het verhaal van Abraham te bevestigen, terwijl er juist zoveel archeologisch bewijs bestaat dat het tegenspreekt. Het land waar Abraham zich zou hebben gevestigd, de zuidelijke hooglanden van Palestina (vanuit Jeruzalem zuidelijk tot de Beërsheba vallei) levert weinig archeologisch bewijs op uit die periode. Het is echter duidelijk uit de archeologische literatuur dat de bevolking daar uitermate schaars was, niet meer dan een paar honderd mensen in de totale regio, en dat die bevolking bestond uit nomadische herders, min of meer zoals de huidige Bedoeïenen. 

   En we weten door duidelijk archeologisch bewijs ook dat het volk dat bekend stond als de Filistijnen, zelfs niet eerder het gebied binnenkwam dan in de 12de eeuw v.o.j., en dat de stad Gerar waarin Izaäk, de zoon van Abraham, zijn ontmoeting zou hebben gehad met Abimelech, de koning der Filistijnen (in Genesis 26:1), toen in werkelijkheid nog een klein, onbeduidend landelijk dorpje was tot aan de 8ste eeuw v.o.j. toe. Het kon dus onmogelijk de hoofdstad zijn geweest van de koning van een volk dat toen nog niet bestond!

   Dit is trouwens ook niet het enige probleem met de weergave van het tijdperk van de aartsvaderen. We hebben ook nog het probleem betreffende de kamelen. Uit archeologische vondsten weten we dat kamelen niet eerder gedomesticeerd werden dan tegen het einde van het tweede millennium v.o.j., en dat ze zelfs toen nog niet op grote schaal als lastdieren werden gebruikt tot aan ongeveer 1000 jaar v.o.j., dus lang na het tijdperk van de aartsvaderen. En dan is daar nog het probleem van de lading die door de kamelen gedragen zou zijn, gom, balsem en mirre, welke producten uit Arabië waren, en de handel met Arabië begon niet eerder dan in het tijdperk van de Assyrische hegemonie in het gebied, en die begon pas in de 8ste eeuw v.o.j. 

   Nog een ander probleem is het huwelijk van Jacob met Lea en Rachel, en zijn relatie met zijn oom Laban, welke allen omschreven worden als Arameeërs. Deze etnische groep komt in de archeologische literatuur niet eerder voor dan in 1100 v.o.j., en dan nog steeds niet als een beduidende groep tot aan de 9de eeuw v.o.j toe.

   Toch moeten er invloeden vanuit het oosten zijn geweest, omdat we bewijzen hebben van de verering van hun goden en godinnen. De hiërarchie van goden en godinnen zoals Baal, god van de stormen, die het land vruchtbaar maakte, en Lotan de zevenkoppige draak, die aan Oude Testament lezers bekend is als Leviathan. En er is Yam Nahar, god van de zeeën en rivieren, en nog andere pantheons en hiërarchieën van goden en godinnen. En over hen allen regeerde El, de koning der goden, heerser van het pantheon. Onthoud deze naam, we komen hem weer tegen.


ca. 1200 v.o.j.

HET PROBLEEM VAN HET EXODUS VERHAAL EN DE EERSTE GROTE HERZIENING VAN HET JUDAÏSME 

   Het is een feit dat ondanks alles wat er nu bekend is over de Egyptische geschiedenis van deze periode (bedenk wel dat scholastici tegenwoordig de annalen van de oude Egyptenaren met hetzelfde gemak kunnen lezen als een moderne krant), en het feit dat de geschiedenis van Egypte uit deze periode goed gedocumenteerd is, er in de annalen van Egypte zelf totaal geen bewijs te vinden is dat de gebeurtenissen uit het boek Exodus ooit hebben plaatsgevonden. Noch op archeologische, noch op documentaire gronden bestaat bewijs voor dit verhaal, tenminste niet op de manier waarop de bijbel deze gebeurtenissen beschrijft.

   De realiteit is dat wanneer Egypte werkelijk getroffen zou zijn geweest door een serie van plagen, en duizenden slaven zouden zijn ontsnapt in een massale vlucht, en bovendien het leger van de Farao zou zijn opgeslokt door de Rode Zee, deze gebeurtenissen ongetwijfeld vermeld zouden zijn in de Egyptische geschiedschrijving. Maar in werkelijkheid wordt er met geen enkel woord over deze gebeurtenissen gerept.

   In plaats daarvan, dit weten we wel uit Egyptische bronnen, bestaat er een sterk verschillend verhaal over de Exodus. Vanaf ongeveer het begin van het tweede millennium v.o.j., en tot aan ongeveer 1200 v.o.j. heerste Egypte over het gebied dat tegenwoordig bekend staat als Palestina.

   Hoe we dit weten? We weten het niet alleen uit de Egyptische annalen zelf, omdat die spreken over de heffingen opgelegd aan de verscheidene steden en stadjes in Kanäan, maar ook uit archeologische vondsten in de streek zelf, die een aantal nederzettingen hebben aangetoond die duidelijk Egyptische militaire buitenposten geweest moeten zijn.

   In deze periode was de regio die later het land van Israel zou worden, de noordelijke hooglanden tussen de laagvlakte van de kust en de vallei van de Jordaan rivier, dun bevolkt en dicht bebost met eikenwouden en terpentijnbomen. Dit land werd bevolkt door een van twee groepen (er bestaat geen zekerheid over welke), of het Apiru, of het Shoshu volk. Van de Apiru is bekend dat zij afstamden van vroegere nomaden die oorspronkelijk aan de randen van de laagland gemeenschappen geleefd hadden, en die nu hun toevlucht in de hooglanden hadden gezocht. De Shoshu waren een meer samenhangende, duidelijk afgebakende groep. De taalkundige associatie van Apiru (soms Habiru) met het woord Hebreeuws heeft voor lange tijd scholastici doen aannemen dat dit een goed bewijs was dat dit de groep zou zijn waaruit de Hebreeën ontstonden. Maar nu weten we dat de associatie toch niet zo simpel ligt. De naam mag misschien daaruit ontstaan zijn, maar het volk waarschijnlijk niet.

   In ieder geval hadden de hooglanden van noordelijk Palestina waarin het koninkrijk Israel was gevestigd, een zeer grillig klimaat. Landbouwproductie, en daarmee de mogelijkheid om handelsbetrekkingen te onderhouden met de laaglanden, was afhankelijk van deze wisselvallige klimatologische condities, met als resultaat dat hongersnood zich vaak voor deed. Wanneer de oogst weer eens mislukte, en als gevolg daarvan de handel instortte, was het niet ongewoon voor de bevolking om de regio te ontvluchten en naar een streek te gaan waar de oogsten betrouwbaarder waren. De meest aangewezen plaats hiervoor was de Nijl delta in Egypte.

   Dientengevolge vluchtten veel Hebreeërs (cultureel niet te onderscheiden van de Kanäanieten in deze periode) die dus Egyptische burgers waren, naar de Nijl delta. Telkens weer. Elke keer als er weer een hongersnood was in Judea, Kanäan of Israel, trokken vluchtelingen naar Egypte. Deze aanleiding kwam zo frequent voor, en de vluchtelingen waren telkens zo talrijk, dat zij ten slotte een substantiële minderheidsgroep zouden gaan vormen die invloed verwierf in Egypte, waar zij bekend stonden als de Hyksos. Dit gegeven blijkt nu zeer duidelijk uit archeologisch bewijsmateriaal.

   De geschiedenis van de verdrijving van de Hyksos is veruit de naaste parallel die we hebben aan het verhaal van Exodus, zoals blijkt uit zowel de Egyptische annalen als uit archeologische vondsten. Toch bestaan er ook hierbij problemen. Behalve de discrepantie met het Exodus verhaal vormen de data het grootste probleem: de bijbel plaatst de Exodus in ongeveer 1200 v.o.j., maar de geschiedenis van de Hyksos culmineert al in 1570 v.o.j. Toch is het hoogst waarschijnlijk dat de geschiedenis van de Hyksos het verhaal is dat uiteindelijk, door generaties van revisionistische hervertelling, de mythe van de Exodus werd, alweer een geval van geschiedenis die herschreven werd om de vertellers in een beter daglicht te stellen, in plaats van de onverbloemde waarheid vast te leggen.

   In elk geval groeiden de invloed van de Hyksos zover dat zij uiteindelijk de macht konden grijpen in Egypte, waar zij daarna met aanzienlijke wreedheid en tirannie regeerden gedurende de Vijftiende Dynastie, beginnende in 1670 v.o.j. Uiteindelijk kregen de Egyptenaren er toch genoeg van, en rebelleerden zij tegen het gezag van de Hyksos, en verdreven hen een eeuw later in 1570 v.o.j. 

   En zij werden niet slechts verdreven, maar de Egyptenaren joegen hen met aanzienlijk geweld terug naar Kanäan, waarbij ze zelfs achtervolgd werden tot aan de Syrische grens toe, en onderweg de steden in Kanäan geplunderd en platgebrand werden. Enige tijd later werd de hoofdplaats van de Hyksos in Egypte, Avaris in de oostelijke Nijldelta, met de grond gelijk gemaakt door Farao Ahmose, die de laatste resten van de Hyksos terug naar Kanäan verdreef.

   Daarbij werd de belangrijkste Kanäanitische citadel Sharuhen belegerd en vernietigd, waardoor ook daar de invloed van de Kanäanieten werd beëindigd. Minstens één historicus claimt (een millennium later) dat de Hyksos zich vestigden in Jeruzalem en daar een tempel bouwden, maar archeologisch onderzoek ondersteunt noch de bewering over een tempel noch die over een groot aantal refugees in Jeruzalem in deze periode.

   Uit archeologisch onderzoek blijkt ook overduidelijk dat er nooit een zwerven in de woestijn voor veertig jaar mogelijk geweest kan zijn. Uitvoerig archeologisch onderzoek in de Sinaï woestijn heeft nooit enige kampementen aangetoond uit de tijd van de Exodus, hetzij voor, gedurende of na de tijd van de Ramses Farao's. Ten minste twee plaatsen die met name genoemd worden in het Exodus verhaal zijn positief geïdentificeerd en zorgvuldig en uitvoerig opgegraven, maar in geen van beiden is bewijs gevonden van bewoning of kampementen in de late Bronstijd. Ten overvloede is bekend dat de Sinaï woestijn toen letterlijk bezaaid was met Egyptische militaire controleposten, en dat de Hebreeën nergens in de Sinaï meer dan een dagreis van een daarvan verwijderd konden zijn geweest. Het is dus onvoorstelbaar dat zij voor veertig jaar ongemerkt in de Sinaï konden verblijven. Het verhaal van de Exodus is duidelijke mythevorming, bedoeld om een gedwongen uitstoting voor te stellen als een vlucht van onschuldige slachtoffers.

   Tegen de 12de eeuw v.o.j. hadden de Hebreeën voor het eerst een identiteit verworven die uniek genoeg was om ze duidelijk van anderen te kunnen onderscheiden in archeologische vondsten. In de bergen en plateaus van de noordelijke hooglanden van Kanäan, vanaf Jeruzalem noordelijk tot aan de Jezreel vallei, begonnen de nederzettingen, armzalig voor die tijd, een duidelijk en uniek onderscheid te tonen van andere, gelijksoortige hoogland nederzettingen in de gebieden er omheen. Het is weinig om op te bouwen, maar de keramiek toont een armoedige levensstijl aan, met sobere decoratie en geen gebruik anders dan voor opslag en als kookgerei. Maar een ding is duidelijk, de botten van varkens beginnen te ontbreken in de archeologische vondsten. Het verbod op het eten van varkensvlees is daarom het oudste archeologisch ondersteunde bewijs van een Joodse cultuur. Het vertegenwoordigt ook het begin van de transformatie van de god El in El-ohim, de god der goden, tot de god van Israel.

   We kennen deze Mesopotamische god nu als El-ohim, en de auteur E, een van de vroegste schriftstellers schrijvende over deze periode, vertelt dat El zichzelf aan Abraham bekendmaakte als El Shaddai (El van de bergen). Tevens verschijnt hij als El Elyon, of El van Bethel in andere, niet canonieke geschriften, en zijn naam is ook bewaard gebleven in Hebreeuwse namen als Isra-El en Isma-El. Het woord Elohim was oorspronkelijk de meervoudsvorm van El.

   In het zuiden, vanaf Bethel tot aan de vallei van Beërsheba, vond een gelijksoortige transformatie plaats. In dit klimatologische en geologisch ruigere oord, waar een veel kleinere en meer mobiele bevolking leefde in een grotere geografische isolatie, wordt de god Jahweh van Kanäan getransformeerd door het cultureel gelijksoortige volk van het land van Judea.

   Een onbekende auteur, bij scholastici slechts bekend als 'J' vertelt over zijn god als een vertrouwde bekende van Abraham, en laat deze op terloopse wijze verschijnen aan Abraham in Genesis 18, waarin hij zichzelf voorstelt als Jahweh. Maar 'J's tijdgenoot, de auteur 'E' in het noorden wil niets weten van een zo informele God, en laat hem eerst verschijnen als een stem die Abraham beveelt zijn volk in Mesopotamië achter te laten en zich in Kanäan te vestigen.

   Jahweh, in zijn transformatie van een heidense Kanäanitische god tot god van de joden, wordt een wrede en wraakzuchtige god in de handen van auteur 'J'. Zo beveelt hij Abraham zijn eerstgeboren zoon te offeren, een niet geheel verrassende handeling, gegeven de aard van de toenmalige heidense religies. Veel van deze heidense religies (en vergeet niet dat Jahweh zijn dagen begon als een heidense Kanäanitische god) beschouwden de eerstgeborene als zaad van een god. Daarom werden zij vaak geofferd aan de god die verondersteld werd hen verwekt te hebben. 

   Toch blijft Elohim in het noorden een veel subtielere god, die menselijke aangelegenheden bestuurt door openbaring van zijn stem, verborgen voor het gezicht van gewone stervelingen. Er bestaan wel spanningen tussen deze volken, die zich ieder identificeren als culturele afstammelingen van Abraham, Izaäk en Jacob. Eén volk misschien, maar twee goden.

   Het volk van het noorden, met zijn gunstigere geografie en mildere klimaat, ontwikkelt zich tot grote welstand en knoopt handelsbetrekkingen aan met zijn buren. Na verloop van tijd overtreft hun welvaart die van zuiden, in die mate zelfs dat zij een zelfstandige natie gaan vormen, de natie van Israël. Israël ontwikkelt zich nu zover dat zij een belangrijke handelsnatie begint te worden, die hun armere buren in Judea volkomen in de schaduw stelt. Archeologische vondsten tonen Israël duidelijk aan als een grote regionale macht, een die zeker de aandacht trok van zijn buren.

   Tegen deze tijd begint de Egyptische hegemonie in de regio te tanen, en wordt het geopolitieke vacuüm opgevuld door Assyrië. Ten slotte beheersen de Assyriërs de regio met twee provinciale gebieden, Israël in het noorden en Judea in het zuiden. Israël, enorm veel welvarender en dichter bevolkt dan Judea, heeft zijn hoofdstad afwisselend in Megiddo, Samaria en Seschem, terwijl Judea zijn hoofdstad heeft in Bethel, aan zijn noordelijke grens, maar soms ook in Hebron in het zuiden. Tot aan deze tijd toe was Jeruzalem nog steeds een onbeduidend klein landbouwdorpje, en tot aan de Assyrische deportaties toe was het zeker nog niet een cultureel centrum.

   Tegen het einde van de achtste eeuw v.o.j. doet een Hebreeuws alfabet zijn intrede, en het alfabetisme verspreidt zich snel onder de rijkere Hebreeën. Eindelijk, na eeuwen van orale overdracht, wordt schrijven voor het eerst wijd verspreid en als gevolg daarvan verandert alles in cultureel opzicht. De mythen worden schriftelijk vastgelegd en met elkaar vergeleken. En dus komen de twee goden in openlijk conflict met elkaar.

   Het nu wijd verspreide alfabetisme en de geopolitieke gebeurtenissen van die tijd brachten grote veranderingen teweeg. Israëlische rebellie tegen de Assyriërs werd beantwoord met repressie in het noorden, en weer daardoor ontstonden golven van refugees naar het zuiden. Door de aankomst van zoveel vluchtelingen, wordt Jeruzalem al snel getransformeerd van een kleine landbouwgemeenschap tot een belangrijke stad met eigen religieuze invloed. De instromende Israëliërs met hun goden waarvan El aan het roer stond, en het volk van Judea met zijn enige god Jahweh, werden hierdoor gedwongen om hun religieuze opvattingen met elkaar in overeenstemming te brengen.

   In deze tijd worden ook de mythen van het Oude Testament in de definitieve vorm vastgelegd waarin zij aan ons zijn overgeleverd, zoals het verhaal van Abraham en zijn familie reizende en handelende in Arabische producten met behulp van kamelen, de mythe van de Exodus, zoals die getransformeerd was uit de geschiedenis van de uitdrijving van de Hyksos, het verhaal van de verovering van Kanäan met David die Goliath versloeg, een verhaal dat in werkelijkheid ook gebaseerd was op de door de Egyptische autoriteiten gedwongen landverhuizing, en van de enorme rijkdom van Salomo en zijn grote tempel in Jeruzalem; het waren allemaal mythes die aanzienlijk verschilden van de feiten zoals zij oorspronkelijk gebeurden. Maar doordat zij nu in schriftelijke vorm vastgelegd waren behielden zij hun definitieve vorm, en het is in deze vorm dat zij vrijwel ongewijzigd tot ons zijn gekomen. Pas daarna begint voor het eerst de bijbelse geschiedenis overeen te komen met archeologisch bewijs.


742 - 600 v.o.j.

DE DEUTERONOMIËR EN DE TWEEDE GROTE HERZIENING, HET ONTSTAAN VAN DE TEMPELSTAAT EN DE DERDE GROTE HERZIENING  

   Het is minstens een eeuw nadat de eerste boeken van de Pentateuch werden geschreven dat de goden van het Oude Testament geharmoniseerd werden tot een enkelvoudig wezen. Dit werd gepresteerd door de derde belangrijke schrijver van de oudtestamentische boeken, een schrijver (of meer waarschijnlijk, een groep van schrijvers), door scholastici aangeduid als 'D' of de Deuteronomiër. Indien men een monotheïstische godsdienst wilde creëren, kon men geen twee concurrerende goden dulden, dus daar moest iets aan gedaan worden. De stammen van Israël en Judea moesten een keus maken, en Jozua waarschuwde hen dat Jahweh een jaloerse god was. Welke god moest het worden? In essentie was het maken van een keuze niet zo moeilijk. Jahweh was de machtigste, die zijn macht al eens had gedemonstreerd door het voor hen op te nemen in Egypte, en in de Sinaï woestijn. De keuze was dus makkelijk. Het werd Jahweh.

   Op deze manier heeft de tweede grote herziening van de Judeesche religie plaatsgevonden. In de oorspronkelijke Pentateuch, geschreven in de 8ste eeuw v.o.j. kan geen enkele duidelijke monotheïstische verklaring worden gevonden, maar in de tijd dat Deuteronomium geschreven werd, ongeveer een eeuw later, laat de Deuteronomiër Jozua de Israëliërs bedreigen met vernietiging, als ze niet monotheïstisch zouden worden. De Deuteronomiër slaagt er zo op geniale wijze in de twee concurrerende goden te harmoniseren, door de Israëliërs er aan te herinneren dat hun voorvaderen beloofd hadden dat Jahweh hun god zou worden, en dus maakten zij van hem nu hun Elohim, hun hoogste God. Zodat nu Elohim, die oorspronkelijk koning der goden van de Vruchtbare Vallei in Mesopotamië was geweest, nu Jahweh, god van Israel was geworden. Als men twee conflicterende goden heeft is het een gouden greep om het conflict uit de weg te ruimen door te verklaren dat zij beiden hetzelfde wezen zijn.

   Een god moet een woonplaats hebben, en de god Jahweh woonde in de hemel. Maar zijn priesters op aarde hadden een plaats nodig voor de rituele offeranden zoals die overgeleverd waren als deel van het heidense ritueel van het El pantheon, maar ook van de oorspronkelijke Kanäanitische heidense god Jahweh, die men nu verankerd had in het Hebreeuwse monotheïsme. Deze plaats was vanzelfsprekend de tempel, waarvan de oprichting werd toegeschreven aan Salomo, een mythische koning. In werkelijkheid werd deze tempel minstens een eeuw later gebouwd dan de periode toegeschreven aan de regering van Salomo. Het hele verhaal van Salomo, zijn vader David en alle verrichtingen van deze dynastie is een creatie uit deze periode, om de vergane glorie van Jeruzalem te verklaren en om een centrale mythe te doen ontstaan, waaromheen allen zich konden verenigen in het proces van hun conversie tot het monotheïsme. Dit alles tegen de invloed van de Assyrische cultuur in, die toen politieke hegemonie over het gebied had.

   In het jaar 742 v.o.j., terwijl de Deuteronomische schrijvers nog steeds bezig waren om zich te ontdoen van Elohim, had een lid van de Judeese koninklijke familie een visioen. Hierin zag hij Jahweh op een troon zitten, precies boven de tempel van Jeruzalem. In dit visioen wordt Jesaja bevolen een nieuwe boodschap te brengen aan Israël. Jesaja voorzag onheil, en op goede gronden; koning Tigleth Pilesar die recentelijk de Assyrische troon bestegen had, had zijn zinnen op Israël gezet, en nu moest de god van Israël zijn plicht nakomen als verdediger van het volk onder zijn verbond. De boodschap die Jesaja door zijn god werd opgedragen over te brengen aan Israël was dat hij de enige god was die bestond; dit kwam als een groot probleem voor de Israëliërs die het concept van Jesaja zagen als zijnde juist die god, die de Assyriërs had bijgestaan in hun overwinningen over hen. De boodschap van Jesaja werd door de meerderheid afgewezen, en Jahweh werd daarna als een bedachtzame, in zichzelf gekeerde god voorgesteld, die zijn aanhangers tot dialoog met zichzelf uitnodigde. De tweede innovatie van Jesaja was de notie dat de geboden van de god geïntegreerd moesten worden in het dagelijkse leven van zijn volgelingen, en niet beperkt konden blijven tot de rituelen van de tempeldienst. Alleen door hieraan gevolg te geven kon Jahweh tevreden worden gesteld en Israël gered. Ook dit vond weinig weerklank in de levens van de doorsnee Hebreeër.

   Als straf voor het in de wind slaan van de boodschap van de profeet, stond Jahweh gemakshalve koning Sargon II toe het noordelijk deel van Palestina te bezetten en de bevolking te deporteren. Plotseling werden de waarschuwingen van Jesaja een beetje serieuzer genomen, toen de tien verloren stammen verdreven werden en tot assimilatie in Assyrië werden gedwongen, en Palestina het land van de Joden wordt.

   De werkelijkheid was natuurlijk dat Sargon Israël bestrafte voor zijn opstand en de weigering om opgelegde heffingen te betalen. Israël, met een vochtiger, meer productief klimaat en makkelijker toegankelijk terrein was een veel betere aanwinst dan het droge, steenachtige, dun bevolkte en verder weg gelegen Judea. Het lag dus voor de hand dat Sargon er voor koos om Israël te bezetten in plaats van Judea. Maar terzelfder tijd dat Sargon Israël bezette, begon zijn eigen keizerrijk uiteen te vallen. De Assyrische macht was tanende, terwijl de Babylonische toenam.

   Om zich ervan te verzekeren dat het volk van Judea in het zuiden zijn boodschap zou ontvangen, zond Jahweh hen een opeenvolging van profeten. Zij predikten vanuit de tempel en verbonden zich met de politieke macht van de joodse koningen. Op deze manier ontstond een alliantie van tempel en politieke macht in de strijd tegen de militaire macht van hun buren. Er bestond geen Elohim cultus meer, en de Israëlieten waren al lang verdwenen. De Hebreeuwse religie en cultuur werden nu de joodse religie en cultuur. Amos en Jeremias waren de vooraanstaande profeten van deze periode.


586 - 538 v.o.j.

DE ONJUISTE PROFETIE VAN JESAJA OVER DE BALLINGSCHAP IN BABYLON EN DE VIERDE GROTE HERZIENING 

   De boodschap van Jesaja was dat God afhankelijk was van de mensen om zijn wensen in de wereld uitgevoerd te krijgen, een zienswijze die sterk contrasteerde met die van de schrijvers van Exodus, die Jahweh beschreven hadden als een machtige, onafhankelijke en zelfs grillige god. En Jeremia waarschuwde dat alleen door het opvolgen van Gods dictaten de nieuw opkomende Babyloniërs in bedwang gehouden konden worden. Maar dat was niet genoeg. Hij voorspelde ook dat Babylon Palestina zou veroveren, en dat de bewoners van dat land zeventig jaar in gevangenschap zouden moeten doorbrengen bij de rivieren van Babylon. Die gevangenschap vond inderdaad plaats, maar duurde geen zeventig jaar. Uit seculiere bronnen blijkt dat dit in werkelijkheid slechts 48 jaar duurde, van 586 tot 538 v.o.j. 


babylon

DE TOREN VAN BABEL


   In ongeveer 600 v.o.j. veroverden de Babyloniërs delen van Palestina. En in 586 v.o.j. werd Jeruzalem zelf veroverd en de tempel vernietigd. Maar zoals veroveringen in die tijd gingen, was het niet een bittere overwinning, omdat slechts sommige Hebreeën gevangen werden genomen, en zelfs die gevangenen niet tot assimilatie werden gedwongen. Vele van hen werd toegestaan in Palestina te blijven. Archeologische overzichten geven aan dat hoogstens 10% van de bevolking in ballingschap werd gedreven, waarvan de meerderheid de meest politiek en economisch nuttigen waren.

   Onder de eerste groep gedeporteerden, in 597 v.o.j. was een jonge priester bekend als Ezekiël. Ezekiël beweerde een groot visioen te hebben gehad. Het was een typische Jahweh affaire, groots en verschrikkelijk, waarin hem een plan van aanpak werd geopenbaard. En in het geval van Ezekiël was het actieplan inderdaad uniek. Om te beginnen moest hij het woord van God opeten. Ja, hij moest het perkament met Gods woord opeten en doorslikken. Dit om het een deel van zichzelf te laten worden.

  Daarna stierf zijn vrouw, en het werd Ezekiël verboden te rouwen. In plaats daarvan moest hij eerst op een zijde blijven liggen voor 390 dagen, en daarna nog eens 40 dagen op zijn andere zijde. Bij weer een andere gelegenheid werd hij zelfs verplicht om uitwerpselen te eten. En gedurende vijf jaar sprak hij met niemand. Jahweh was niet alleen een gewelddadige en jaloerse god geworden, hij werd ook nog veeleisend en vaak onredelijk. Geen wonder dat Ezekiël klaagde over de lasten van het profeet zijn.

   Het schijnt dat Jahweh niet alleen kon toestaan dat zijn uitverkoren volk gevangen genomen werd, hij scheen zelfs circusartiesten van zijn profeten te kunnen maken. De onredelijkheid van dit alles was ook niet aan de Joden voorbij gegaan. Levend als bannelingen in Babylon, scheen hun hele wereld ondersteboven te zijn gekeerd, en ook de beleving van een godsdienst die gebaseerd was op een inmiddels vernielde tempel, was buiten hun vaderland onmogelijk. De weerzin tegen hun gevangenschap deed ze zelfs wensen om van iedere Babylonische baby de hersens in te kunnen slaan. 

   Maar een nieuwe profeet preekte kalmte.

   Scholastici noemen hem de tweede Jesaja, aangezien zijn ware naam in de geschiedenis verloren is geraakt, en zijn boodschap veel leek op die van de eerste Jesaja. Ook de tweede Jesaja verkondigde dat God ondoorgrondelijk was, en dat het daarom irrationeel was om te proberen hem te begrijpen, wat Ezekiël zo in moeilijkheden had gebracht. Maar deze nieuwe incarnatie van Jahweh was een kalmere god, die de kleingeestige menselijke politiek oversteeg, en die verkondigde dat hij de god was die te zijner tijd ook door Egypte en Assyrië aanbeden zou worden, naast Israël. Dus Jahweh's jurisdictie scheen nogmaals veranderd te zijn, van de god der Joden, daarna van heel Israël, dan van de hele wereld, en nu weer terug naar alleen Palestina, Egypte en Assyrië.

   De talrijke auteurs over dit tijdperk worden door scholastici de Priesterlijke schrijvers genoemd, of 'P'. Zij lieten ons de Oudtestamentische boeken Leviticus en Numeri na, en gaven ook hun interpretaties weer van de gebeurtenissen beschreven door 'J' en 'E', inclusief het scheppingsverhaal dat overgenomen was uit de Babylonische mythe Enuma Elish, die weer afgeleid was van het Epos van Gilgamesh. 'P' onderschrijft de visie van Ezechiël dat God ondoorgrondelijk en onzichtbaar is; het is vanuit deze visie dat Mozes zich afschermt van het gezicht op God door zich achter een rots te verbergen. Uit deze periode stammen ook de voorschriften van Leviticus, de reinheidsgeboden, die niet de zonde definiëren maar in plaats daarvan eenvoudig bepalen wat Hebreeuws is, als tegengesteld aan de gehate heidense (lees: Babylonische) religies. Het zouden pas eeuwen later de christenen zijn, die aannamen dat de voorschriften van Leviticus beschrijvingen van zonden zouden zijn. Al dit nieuwe materiaal werd ingevoegd in de Pentateuch ongeveer in de tijd dat Cyrus Babylon veroverde in 538 v.o.j. en hij de Joden toestond om naar Palestina terug te keren.

   De teruggekeerde Joden wilden de tempel opnieuw opbouwen en het koninkrijk in al zijn glorie opnieuw vestigen, maar daar hadden zij een probleem. Nog steeds geregeerd door buitenlanders, werd een koning hen niet toegestaan. Dit probleem losten zij op door eenvoudig te ontkennen dat een koning zelfs maar noodzakelijk zou zijn, en in plaats daarvan wijdden zij al hun verering aan de hogepriester van hun tempel, die hen wel werd toegestaan. Dit zou het patroon van hun religieuze praktijk worden dat zij bleven handhaven, zelfs in die perioden waarin zij aan buitenlandse dominantie ontkwamen en hun eigen koningen konden hebben, tot aan de vernieling van de Tweede Tempel, eeuwen later. Het was in deze periode, ongeveer 400 jaar v.o.j., dat de Thora tot Heilige Schrift werd verklaard.


323 v.o.j.- 45 

DE GRIEKSE INVLOED EN DE VIJFDE GROTE HERZIENING VAN HET JUDAÏSME  

   Het Hellenisme begon nu een belangrijke culturele invloed te worden in het gehele Midden-Oosten. Opeenvolgende golven van Griekse invloed, geïntroduceerd door Alexander de Grote, brachten kennis van de werken van de grote Griekse filosofen. Gedurende verscheidene eeuwen, tot aan en gedurende de veronderstelde tijd van Christus, was de overheersende culturele invloed in het gebied Grieks. Het Romeinse Keizerrijk was primair een politieke aangelegenheid, betrekkelijk zonder invloed op de cultuur.

   Het bracht de Romeinse vorm van regering, maar het waren de denkbeelden van de Grieken die met de Romeinen mee kwamen en door hen verspreid werden, die een systematische filosofie tot Palestina brachten zoals de Joden nog nooit eerder hadden meegemaakt. En de Griekse filosofie, sceptisch en werelds in veel opzichten, sprak hen aan. Nu werd de Hebreeuwse cultuur opnieuw voor een dilemma geplaatst.

   Want hoe kon de Joodse god, die intussen een grote mythologische en filosofische lading had gekregen, in overeenstemming worden gebracht met de onuitsprekelijke, onkenbare god(en) van de Griekse filosofen? De eersten die dit spanningsveld aanvoelden, waren de schrijvers van de Spreuken van Salomo en de overige Spreuken boeken. De auteur van Salomo, een in Alexandrië wonende Jood, waarschuwde de Joden trouw aan Jahweh te blijven, en dat het de vrees voor Jahweh was, niet de Griekse filosofie die de ware wijsheid inhield. Maar de logica en rede van de Griekse filosofie waren te groot om veronachtzaamd te worden.

   De eerste belangrijke poging om de denkbeelden tot overeenstemming te brengen was door Philo van Alexandrië (30 jaar v.o.j. tot 45). Philo was in hart en ziel een Helleen die in elegant Grieks schreef, en waarschijnlijk geen kennis had van Hebreeuws of Aramees, hetgeen nu de joodse lingua franca was geworden, maar die niettemin toch een gelovige jood was. In zijn eigen geest moet een microkosmos van de conflicten hebben bestaan die zo evident alom aanwezig waren.

   Aristoteles had geschiedenis beschouwd als onfilosofisch zijnde. Over de aard van God kon zij ons niets vertellen, zei hij. En voor Plato was God zo onkenbaar en onbereikbaar dat het uitsluitend door de gave van menselijke rede was, dat de mens hem kende. Hoe kon Philo nu de humanitaire aard van de interpretatie van Aristoteles van de geschiedenis in overeenstemming brengen met het grote epos van Exodus? En hoe kon de onkenbare, onbereikbare God van Plato zichzelf zo dramatisch gemanifesteerd hebben dat hij de Hebreeën van de Exodus angst aan kon jagen in de Sinaï? Philo lost het probleem op door de creatie van een onderscheid tussen de essentie van God (ouisa) en Gods activiteiten in de wereld (dinameis of energeiai). De essentie van God, zoals Plato had gezegd, was gehuld in een ondoordringbaar mysterie. Maar de macht, en het bewijs van het bestaan van God waren overal evident. 

   Volgens Philo waren de verhalen in de Pentateuch allegorisch, in overeenstemming met de seculiere aard van de geschiedenis, zoals Aristoteles had onderwezen. Dus de grote mythen in de Genesis en Exodus moesten niet letterlijk worden opgevat. Wat zij ons kenbaar maakten, lag verborgen in hun innerlijke betekenis; en de geest van intuïtieve aanvaarding was de manier om die betekenis te leren kennen.

   Het was een knappe theologische truc, maar de Semitische Joden begrepen hier niets van. Maar voor de Helleens toegewijde Romeinen van dat tijdperk, die een zeer moralistische levensfilosofie nastreefden, en die juist om die reden tot het Judaïsme aangetrokken werden, was dit goed aanvaardbaar. Zij hadden geen behoefte aan een letterlijk jaloerse, zich op de voorgrond dringende, donderende God, maar een van ondoorgrondelijke subtiliteit sprak hen veel beter aan. Geef ons slechts een code om naar te leven, schenen zij te zeggen, en spreek ons niet over donderende wrekers. En zo verschenen joodse filosofieën gebaseerd op de interpretatie van Philo van de heilige geschriften overal in het Mediterrane gebied. Deze tweedeling tussen de etnische joden en de bekeerlingen tot het idee van Philo over het Judaïsme zou nog belangrijke consequenties krijgen voor de ontwikkeling van het christendom in latere eeuwen.


CA.30 - CA.73 

HET CHRISTELIJK TIJDPERK EN DE LAATSTE GROTE HERZIENING VAN HET JUDAÏSME 

   Het conflict tussen het Hellenisme en de tradities van het etnische Judaïsme kwam nergens duidelijker tot uiting dan in het noordelijk deel van Palestina, dat al zo vaak veroverd was geweest en dat, liggend aan de belangrijkste handelsroute tussen Klein-Azie en Transjordanië, voortdurend blootstond aan buitenlandse invloeden. Deze noordelijke regio beschouwde zichzelf klaarblijkelijk niet als joods zijnde, maar eerder als een aparte natie die geannexeerd was, natuurlijk niet uit vrije wil, door de Maccabeeïsche koningen van Israël. Hier woonden dus gehelleniseerde Semieten, onder invloed en bestuur van joodse koningen, die elders om een filosofische leidraad zochten. Het was een ontvlambare situatie. 

   In deze dagen werd in een kleine regio, Gallilea genaamd, een koppige beeldenstormer geboren. Hij was tegen de Romeinse bezetting, maar aanvaardde haar regels. Hij was een intellectueel die op zijn minst de grondslagen van het Cynisme van de Griekse filosofie begreep, en de complexe theologie van de joden om hem heen. Hij groeide op in een voorstad van de hoofdplaats van Gallilea, een plaatsje genaamd Nazareth. Zijn naam was Jezus.

   Althans, dat is de mythologie die zich rond deze figuur heeft gevormd. Ondanks al zijn invloed in de wereld, bestaat er sterker bewijs dat hij nooit bestaan heeft, dan dat hij zelfs ooit bestaan zou hebben. We hebben absoluut geen betrouwbaar bewijs, van wereldse bronnen, dat Jezus ooit geleefd heeft, of dat enige van de gebeurtenissen uit zijn leven, als beschreven in de vier Evangeliën, ooit plaats hebben gevonden. Het is zelfs zo dat wanneer scholastici het Negatief Bewijs Principe toepassen, het er op begint te lijken dat de Jezus die we uit het Nieuwe Testament kennen het resultaat is van mythevorming uit pas het einde van de eerste eeuw.

   Het Negatief Bewijs Principe is natuurlijk niet waterdicht. Op zichzelf is het geen bewijs, maar eerder een richtlijn, een goede vuistregel. Hoe nuttig en betrouwbaar het is, blijft onderwerp van debat onder logici. Hier is hoe het Negatief Bewijs Principe werkt: het stelt dat men een goede reden heeft om niet te geloven in een stelling als aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan: ten eerste, al het bewijs dat de stelling moet ondersteunen kan als onbetrouwbaar aangetoond worden. Ten tweede, er is geen bewijs gevonden dat de stelling ondersteunt, op die plaatsen waar dat zou moeten zijn als de stelling waar was. Ten derde, een grondig en uitputtend onderzoek naar bevestigend bewijs moet gedaan zijn op die plaatsen waar het gevonden zou moeten worden.


josephus-1

FLAVIUS JOSEPHUS


   Voor wat betreft het eerste punt, het enige, enigszins betrouwbare, seculiere bewijs dat we voor het leven van Jezus hebben, komt uit twee zeer korte passages in de werken van Josephus, een eerste-eeuwse joodse historicus. En Josephus was een productieve schrijver, vaak schreef hij al verscheidene pagina s over de berechting en executie van individuele gewone dieven, maar over Jezus vermeldt hij niets behalve in twee paragrafen, waarvan er een bekend is als latere toevoeging, en de andere verdacht is. Andere referenties naar Jezus in seculiere geschriften zijn op hun best dubieus, of staan bekend als latere interpolaties, of beide. De vroegste verwijzingen naar Jezus in de rabbijnse literatuur stammen uit de tweede eeuw, terwijl zelfs aan minder bekende historische figuren als Johannes de Doper aanzienlijke discussie gewijd wordt, hoewel zijn betekenis voor het Judaïsme minimaal was. En er zijn geen verwijzingen naar Jezus in welke Romeinse geschiedschrijving dan ook gedurende zijn veronderstelde levensloop. Dat hij alom zo veronachtzaamd zou zijn is onwaarschijnlijk, gegeven de grote invloed die hij volgens de Evangelisten gehad zou hebben op de gebeurtenissen en de politiek van het joodse koninkrijk.

   Dus moeten we ons toch tot de christelijke literatuur wenden voor hulp. Op dit punt dient grote omzichtigheid in acht te worden genomen bij het onderzoeken van eerste-eeuwse christelijke literatuur. Die voorzorg wordt noodzakelijk door het feit dat gedurende dit tijdperk het niet als verkeerd werd beschouwd je eigen materiaal te componeren en het aan iemand anders toe te schrijven, aan iemand die je als je filosofische mentor kon beschouwen, in wiens naam en stijl je dan schreef. Het was niet alleen een gebruikelijke praktijk, het was zelfs een vaardigheid die op de toenmalige leerscholen onderwezen werd. Deze praktijk heeft het voor moderne scholastici uiterst moeilijk gemaakt om uit te vinden wie nu eigenlijk de boeken van het Nieuwe Testament geschreven hebben en wanneer. Het probleem, hoewel moeilijk, is niet onoplosbaar, en modern onderzoek heeft technieken ontwikkeld die toegepast kunnen worden op vroegchristelijke geschriften om te bepalen wie wat zei, wanneer en waarom. Wanneer deze technieken worden toegepast op deze vroegchristelijke geschriften, zijn de resultaten zeer verrassend.

   De teksten van Paulus die als echt de zijne worden geaccepteerd (Galaten I en II en Thessalonicen I en II, Corinthiërs, Romeinen, Filemon, Filippenzen en mogelijk Colossenzen) zijn veruit de meest oorspronkelijke teksten uit de vroegchristelijke literatuur die tot onze beschikking staan. Zij werden waarschijnlijk geschreven beginnend in de vijfde decade van de eerste eeuw, ver na de veronderstelde gebeurtenissen in het leven van Jezus. 

   Wanneer de brieven afzonderlijk worden onderzocht, blijkt duidelijk dat Paulus niet op de hoogte was van de doctrine van de maagdelijke geboorte, en dat hij nooit sprak alsof hij in de tijd van Jezus geleefd zou hebben. Noch vermeldt hij dat enige van zijn mentors tijdgenoten van Jezus zouden zijn geweest, noch dat Jezus ooit enige wonderen zou hebben verricht, en blijkbaar bracht hij de dood van Jezus niet in verband met een berechting door Pilatus.

   Alleen in Galaten 1:19 refereert hij aan een tijdgenoot van Jezus, en dan nog slechts in termen als Jacob zijnde de broeder van de Heer. Het gebruik van de term Heer maakt zelfs die enige verwijzing nogal dubieus voor scholastici, aangezien de naam Heer geen opgeld deed tot aan het eind van de tweede eeuw. Dus de brieven van Paulus, tenminste de betrouwbare brieven, zijn geen goede getuigenis voor het bestaan van een Jezus in de eerste helft van de eerste eeuw.

   Wat dit zo bijzonder interessant maakt, is dat ook andere niet-canonieke vroegchristelijke, voorevangelische geschriften dezelfde omissie vertonen.

   Latere christelijke geschriften werden geschreven lang na de veronderstelde gebeurtenissen, en geen een vroeger dan in de zevende decade op zijn vroegst. En van geen hiervan is bekend of zij geschreven werden door de personen aan wie zij worden toegedicht. De meesten zijn tweede- of zelfs derdehands verslagen. Er was dus tijd in overvloed voor mythevorming tegen de tijd dat zij geschreven werden, dus zij zijn duidelijk geen betrouwbare getuigenissen.

   Een volgende voorwaarde van het Negatief Bewijs Principe is dat er geen enkel solide bewijs is waar dat aanwezig zou moeten zijn, en ook aan deze voorwaarde wordt voldaan. Ten eerste is er geen enkele vermelding van welke aard dan ook, van het leven van Jezus, in de Romeinse administratie uit dat tijdperk. Dat is verrassend, aangezien hij zoveel onrust stookte, tenminste volgens de bijbelse weergave.

   Hier hoort toch minstens een aantekening over zijn arrestatie en berechting aanwezig te zijn, of iets over zijn politieke beruchtheid die de Evangelisten beschrijven. Toch zwijgt de Romeinse geschiedschrijving hierover, hoewel die zeer diepgaand kan zijn (Flavius Josephus alleen al schreef tientallen volumes, waarvan velen nog bestaan, en hij was lang niet de enige historicus van het Palestina uit die tijd waarvan de geschriften in enige vorm overleefden). Ten tweede, als eerder genoemd, bestaat er geen betrouwbaar verslag van de hand van Josephus. 

   Josephus was een historicus die zo uitvoerig was dat hij een verslag van drie bladzijden kon schrijven over de berechting en executie van een gewone dief, en hij schreef uitgebreid over Johannes de Doper, maar wat Jezus betreft wordt de authenticiteit van zijn twee summiere vermeldingen door scholastici ernstig betwijfeld. Ongelukkigerwijze zijn de geschriften van Josephus tot ons gekomen via christelijke kanalen, waarvan er geen ouder is dan uit de vierde eeuw, en is ervan bekend dat zij door de christenen gereviseerd zijn.

   Er zijn een aantal redenen waarom de twee referenties in Josephus twijfelachtig zijn: als samengevat door Louis Feldman, een vooraanstaand Josephus geleerde, zijn dit ten eerste het gebruik van de christelijke verwijzing naar Jezus als de Messias, wat onwaarschijnlijk is komende van een joodse historicus, speciaal van iemand die andere Messianistische aspiranten nogal hardvochtig behandelde; ten tweede, commentatoren die over Josephus schrijven vroeger dan Eusebius (vierde eeuw) noemen deze passages niet; ten derde, Origen vermeldt dat Josephus niet geloofde dat Jezus de Messias was. Er is een volledig verslag op Internet beschikbaar dat een heel lange lijst van problemen beschrijft met de Testimonium Flavium, zoals scholastici dit noemen.

   Het vroegste seculiere bewijs voor een religie gebaseerd op de man die we Jezus noemen komt vele decades na de veronderstelde dood van Jezus (vanaf ca. 70) Waarom, als hij dan zoveel invloed had, en zoveel ophef veroorzaakte als de bijbel zegt dat hij deed, kennen we hem helemaal niet uit betrouwbare, eigentijdse getuigenis?

   De derde voorwaarde van het Negatief Bewijs Principe houdt in dat we een volledig en diepgaand onderzoek naar bewijs moeten hebben uitgevoerd op plaatsen waar dat bewijs aanwezig zou moeten zijn. En inderdaad hebben duizenden scholastici, religieuzen, kruisvaarders, apologeten en sceptici allen naar zulk bewijs gezocht sinds de vroegste dagen van het christelijke tijdperk. Dat zij geen enkel betrouwbaar bewijs hebben gevonden waar dat er zou moeten zijn, betekent dat aan de derde voorwaarde ruimschoots is voldaan.

   Dus, gebaseerd op het Negatief Bewijs Principe, hebben we goede redenen om de historische juistheid van het bestaan van Jezus te betwijfelen, en dat gebrek aan betrouwbaar bewijs suggereert dus geen goede reden om het te accepteren.

   Hoe komt het dan dat de beweging begon? Hoe kon die zo groeien?

   Als hiervoor besproken, was er aanzienlijke intellectuele beroering in Palestina ten tijde van het ontstaan van de Jezus bewegingen. Veel seculiere scholastici en wetenschappers uit niet-joods-christelijke tradities hebben de stelling geponeerd, en ik neig tot overeenstemming, dat het waarschijnlijk is dat de Jezus mythe begonnen is als een sociale beweging om het Judaïsme in zijn oorspronkelijke staat te herstellen. Vergeet niet dat op dat moment de tempel door en door corrupt was, de hogepriester door de Romeinen aangesteld was, en veel joden voelden dat hun cultuur en religie bedreigd werden.

   Het meest prominent van de vele terug naar het Judaïsme stromingen was de Essene beweging. Ontstaan in de tweede eeuw v.o.j., waren de Essenes hetzij opgericht dan wel grotendeels beïnvloed door de Leraar van Rechtschapenheid waarnaar de Dode Zee rollen constant verwijzen zonder deze ooit bij naam te noemen. Een individu waarop het schaarse bewijs past is een Jezus of Jesua of Joshua ben Pantera, Pentera of Pandera, die waarschijnlijk enige invloed had op deze beweging, maar ook veel meer dan dat betekend kan hebben; we weten het eenvoudig niet. Klaarblijkelijk had hij genoeg invloed om een politieke bedreiging te worden; voldoende om door de tempelrechtbank veroordeeld te worden als ketter en tot de dood gestenigd te worden, waarna zijn lichaam aan een boom werd opgehangen aan de vooravond van het joodse paasfeest in 88 v.o.j. Naar mijn mening stierf zijn invloed niet met hem. Binnen enkele jaren begon de mythevorming rond deze Essene, waarin wonderen aan hem werden toegeschreven, en zelfs een wederopstanding. Er bestaan ook verscheidene christelijke verwijzingen uit de eerste eeuw naar deze wonderdoener.

   Als hij de Leraar van Rechtschapenheid was waarnaar in de Dode Zee rollen gerefereerd wordt, zoals sommigen hebben beweerd, dan was zijn uitwerking op de beweging naar joods herstel aanzienlijk. 

   En als hij de Leraar van Rechtschapenheid zou zijn, zou dit veel interessante vragen beantwoorden, zoals de her en der verspreide verwijzingen naar een wonderdoener genaamd Jezus ben Pantera in eerste-eeuwse christelijke en Talmoed literatuur. Waaronder een uitspraak van Origen, die zegt dat zijn aartsrivaal Celsus van een jood in Jeruzalem gehoord had dat Jezus ben Pantera geboren werd uit Maria als het resultaat van een verkrachting door een Romeinse soldaat genaamd Pantera, en dat de baby in het geheim geboren zou zijn. Er kan iets waars in dit gerucht zijn, wat zou verklaren waarom Markus zo duidelijk gegeneerd was over de afkomst van Jezus; Markus noemt nergens Jozef als de echtgenoot van Maria. We wijzen er ook op dat het zowel de Romeinse als de joodse gewoonte was om een patrinoom in iemands volledige naam op te nemen; toch verschijnt nergens in het Nieuwe Testament de achternaam van Jezus (of van Jozef, trouwens). Naar Jezus wordt verwezen als Jezus van Nazareth, een geografische achternaam die door joden meestal werd gebruikt voor onechte kinderen van onbekende vader. (Romeinen gebruikten de achternaam van de vader, of de geboorte nu legitiem was of niet).

   De Talmoed verwijst naar Jeshu als de onwettige zoon van een overspelige vrouw genaamd Maria Magdalena. Er bestaan talrijke rabbijnse bronnen uit de vroege christelijke tijd die verwijzen naar de Jezus van christelijke faam als Jesus ben Pantera. En er zijn verscheidene interessante verwijzingen naar een Jeshu ben Pandera uit Nazareth die rondtrok en tovenarij uitoefende gedurende de regering van Alexander Janneus, welke laatste over Palestina heerste van 104 tot 78 v.o.j. Aangezien al deze verwijzingen staan in de Talmoed, en daarom als antichristelijk mogen worden verondersteld, hebben wetenschappers deze eenvoudig afgewezen als referenties naar iemand anders of als voorgekookte propaganda. Maar als deze werkelijk verwijzen naar de Jezus waar de christenen van spreken, voegen zij bewijs toe aan de claim dat Jezus van Nazareth in werkelijkheid Jesus ben Pantera is, mogelijk de Essene Leraar van Rechtschapenheid, die in 88 v.o.j. gestorven was.

   De Essene beweging was gebaseerd op een zeer strikt ascetisme. Van de volgelingen werd verwacht dat zij in kloosterlijk isolement leefden, op een ruw dieet van rauw, primitief voedsel, en in zeer eenvoudige accommodatie. Aangezien niet veel mensen trek hadden in dit soort onaangename, streng gereguleerde leven, was het niet bepaald een erg populaire beweging, maar haar sociale idealen spraken wel veel mensen aan. Het resultaat was dat velen wel de sociale idealen, maar niet het religieuze ascetisme adopteerden, en contact met elkaar zochten, net zoals de moderne Hippie beweging zwaar steunde op het Oosters mysticisme en een sociale beweging veroorzaakte in onze eigen tijd. Velen organiseerden zich in kleine groepen tot een sociale gemeenschap en voor discussies.

   De Jezus bewegingen, zoals scholastici deze groepen noemen, ontstonden als geïsoleerde groepen in wijd verspreide steden en dorpen door de gehele regio. Wat zij in gemeen hadden was dat zij allen een sociale hervormingsbeweging waren, ogenschijnlijk losjes gebaseerd op de Essene idealen, en dat zij vaak een Jezus noemden als hun inspiratie, maar van eigentijdse beschrijvingen weten we dat zij geen duidelijke religie vormden, hoewel zij veel religieuze waarden aanhingen.

   Elk van deze Jezus Beweging groepen had zijn eigen ideeën, vaak netwerkende met gelijkgestemde groepen, en vaak in dispuut met weer anderen met conflicterende ideeën. Hoewel we geen direct van hen afkomstige geschriften bezitten, hebben we vele uitspraken over ze van toenmalige historici, zodat we wel enig idee hebben van wat zij geloofden en deden, zij het dat deze informatie door anderen gefilterd is. In de tijd van Paulus waren de Jezus bewegingen buitengewoon divers geworden. Sommige bestonden uit groepen rondtrekkende predikers, anderen vormden gilden van gevestigde ambachtslieden. Sommige waren eenvoudige studiegroepen, anderen waren formele scholen voor wetenschappelijk onderzoek. Als eerder vermeld, heerste er grote filosofische beroering in het Palestina van de eerste eeuw, en de Jezus bewegingen waren hier niet immuun voor. Integendeel, zij speelden een grote rol hierin. Hoewel niets van wat zij schreven intact overgeleverd is, zijn scholastici redelijk zeker van een Spreuken Evangelie 'Q' (later nog minstens drie maal gereviseerd), welk verloren is gegaan behalve waar Markus er veel later uit citeert in zijn evangelie. En een evangelie van Thomas, dat wel overgeleverd is gebleven in ten minste twee versies, bevat dan wel niet de oorspronkelijke geschriften van de Jezus bewegingen, maar toch wel citaten daaruit.


twtempel

EEN MAQUETTE VAN DE TWEEDE TEMPEL IN JERUZALEM, DIE IN 515 v.o.j. IN GEBRUIK WERD GENOMEN.


   Ook de vernietiging van de Tweede Tempel gedurende de Romeins-Joodse oorlog van 66-73 v.o.j. had grote invloed op het Judaïsme. De vernietiging van het op de tempel gecentreerde priesterdom maakte een centraal gezag over doctrine en ritueel onmogelijk, als ook van de mogelijkheid om in de tempel rituelen uit te voeren. Dus nu stond iedere plaatselijke rabbijn op zichzelf. En ieder had zijn eigen antwoord op de groei van het christendom en de diaspora waarin het Judaïsme gedwongen was. Op bepaalde plaatsen en in bepaalde tijden, stichtten verscheidene rabbinaten plaatselijke scholen en beïnvloedden zij de plaatselijke bewegingen, maar over het geheel genomen splitste het Judaïsme zich tot plaatselijke splintergroeperingen, ieder worstelend om de tradities zo goed mogelijk te onderhouden. In hoofdzaak was het onderhouden van een joodse identiteit en de elementaire culturele tradities nog wel mogelijk, maar het rigide vasthouden aan een vaststaande leerstellige beschouwing was dat niet, aangezien er geen centrale autoriteit meer was waaraan de plaatselijke denkbeelden getoetst konden worden.

   Dus is het niet verwonderlijk dat er bijna net zoveel stromingen in het Judaïsme in de diaspora ontstonden, als er anderhalf millennium later zouden voorkomen in het Protestantisme.

   De uitwerking van de vernietiging van de tempel op de Jezus bewegingen was dat het hen aanspoorde tot activisme, in een poging het Judaïsme te hervormen om het te redden van gedwongen Romanisering en toenemende diaspora. De meeste Jezus bewegingen deden minder moeite om de religie te hervormen dan om de cultuur in stand te houden, maar zoals we zullen zien, lag dit voor een bepaalde Jezus beweging geheel anders.


CA. 50 – 140 

DE WEG NAAR DAMASCUS EN DE BRONNEN VAN HET CHRISTENDOM  

   In ca. 50 vond een opmerkelijke gebeurtenis plaats, welke uiteindelijk het verloop van de menselijke geschiedenis zou gaan veranderen. In Antiochië transformeerde de plaatselijke Jezus beweging zichzelf ineens vanuit een sociale en politieke hervormingsbeweging tot een heuse religie. Tegelijkertijd vond een opmerkelijke bekering plaats — of misschien vond de transformatie wel plaats omdat Saulus van Tarsus zich bekeerd had en aan de groep het evangelie ging verkondigen onder zijn nieuwe naam als Paulus de Apostel. Wat de werkelijke volgorde was, zullen we waarschijnlijk nooit te weten komen. Maar seculiere wetenschappers zijn het er wel over eens dat deze groep de eerste ware christenen omvatte, en dat Paulus een van de eerste, zo niet de allereerste bekeerling was. En zo werd de Jezus beweging van Antiochië de eerste van wat scholastici tegenwoordig de Christus culten noemen.

   Hun geschriften zijn de vroegste christelijke geschriften die intact zijn overgeleverd. Ze dateren van binnen twee decades na de veronderstelde datum van kruisiging. Van de boeken in het Nieuwe Testament die aan Paulus worden toegeschreven, zijn er slechts een paar waarover de scholastici het eens zijn als het product van zijn pen. Hiertoe behoren Galaten I en II en Thessalonicen I en II, Corinthiërs, Romeinen, Filemon, Filippenzen, en mogelijk Colossenzen. De rest van de aan hem toegeschreven Nieuwe Testament boeken zijn geschreven door latere auteurs die op zijn geloofwaardigheid willen meeliften.

   Het opmerkelijke aan deze geschriften is dat zij een interessant beeld van Paulus schilderen en van het zeer vroege christendom, als groep genomen. Een van de veronderstelde mogelijkheden die dit zou kunnen verklaren is dat Paulus onbekend moet zijn geweest met veel belangrijke details uit het leven van Jezus, waarschijnlijk omdat deze details mythen waren die pas later werden toegevoegd aan het christendom, dus nadat Paulus deze brieven had geschreven.

   De redenen voor de bekering van Paulus is een kwestie die hier besproken dient te worden. Saulus, die voor zijn bekering een Romeinse jood was, het feit dat hij ongetrouwd bleef en anderen in zijn conditie, welke dat ook mocht zijn, aanraadde dat ook te doen, en de veelvuldige besprekingen over hoe de leden van zijn lichaam niet meewerkten met zijn spirituele doelstellingen, en zijn wanhoop over zijn onvermogen om de veranderingen teweeg te brengen die hij zo graag wilde. Al deze bewijzen zijn in overeenstemming met de theorie van verdrongen homoseksualiteit; maar weinig andere theorieën kunnen al deze verschijnselen verklaren.

   Hieraan moet ik direct toevoegen dat er geen feitelijk bewijs bestaat voor de homoseksualiteit van Paulus. Het bewijs is indirect, zoals trouwens veel algemeen geaccepteerd bewijs in de bijbelse scholastiek dat is. Ik ben er van beschuldigd met het opnemen van deze theorie de christenen te willen ergeren. Dit is gewoon niet waar. Ik voeg die in omdat, in de eerste plaats, dit beter op alle aanwijzingen past dan alle andere theorieën die ik gezien heb, en in de tweede plaats omdat de geschriften van Paulus in dit verband veel overeenstemming vinden met deze theorie. Ze passen, als het ware. Ze zijn logisch in dit verband. Op een persoonlijke noot hier, kan het me niet schelen of Paulus homo was of niet; ik probeer alleen maar een betere bij het bewijs passende theorie te formuleren dan al de anderen, en tot dusver heb ik nog geen betere gevonden. Indien de lezer deze kan brengen, zou ik die met plezier willen overnemen. Het onderzoek naar waarheid is een zoektocht naar de best bij het bewijs passende stelling, niet een zoektocht naar comfort, dus of de christenen dit ergerlijk vinden, en of de auteur van dit essay homo is, heeft hier geen enkele relevantie.

   Als deze theorie klopt, is het zeer goed mogelijk dat het gehele christelijke bouwwerk gebouwd is op de fundaties van de zelfverachting van een verdrongen homoseksueel, niet in staat zichzelf te veranderen of gemoedsrust binnen zichzelf te vinden, maar die alleen verlossing kon vinden in de genade van God. Nogmaals, als deze theorie klopt, probeer u eens voor te stellen hoe anders de wereldgeschiedenis zou zijn als Saulus niet homoseksueel geboren zou zijn en geleden had onder de zelfverachting die het resultaat was van die aangeboren gril van de natuur.

   Paulus spreekt dus vanuit het perspectief van een zichzelf verachtende, pre-gemythologiseerde christen. Hij geeft uiting aan die doctrines die grotendeels de vorm van het christendom in de komende eeuwen zouden gaan bepalen, maar vertelt geen geloofsbevorderende wonderverhalen of details uit het leven van Jezus die men zou verwachten van een evangelist die de mensheid tracht te bekeren. Dit komt natuurlijk overeen met het feit dat deze verhalen toen nog niet bestonden. Die zouden pas later ontstaan bij de Evangelisten.


65 – 120

DE EVANGELIËN: DE MYTHEVORMING BEGINT NU SERIEUS  

   De Evangelisten waren bekeerlingen tot de nieuwe Jezus culten. Of enigen van hen door Paulus bekeerd werden is niet bekend, maar het is dan 20 jaar na de bekering van Paulus, en de nieuwe religie verspreidt zich razendsnel onder de Jezus bewegingen van de oostelijke mediterrane wereld.

   We weten dat Paulus naar Jeruzalem reisde om met Petrus de doctrines van de kerk te bespreken, en hoe die zowel op joden als niet-joden van toepassing zouden kunnen zijn. We kunnen slechts speculeren over de details van het tijdens deze ontmoeting besprokene, maar een ding is duidelijk: Petrus en Paulus hadden een verhitte discussie over hoe dit nieuwe evangelie precies verkondigd moest gaan worden, en of niet-joden hierin samen met de joden betrokken moesten worden. Overtuigd dat hij Petrus en Jacob overtuigd had van zijn gezichtspunt, keerde Paulus naar Antiochië terug.

   Ook is volkomen duidelijk dat deze ontmoeting er een van meerdere was (er was ten minste een ontmoeting waarbij Petrus in het openbaar door Paulus vernederd werd) tussen deze eerste verlichte geesten, die bespraken hoe in grote lijnen aan de bekeringsdrift vorm gegeven moest worden, hoe de kerk opgezet en welke doctrines verkondigd moesten worden om zo veel mogelijk mensen aan te spreken, en of dat zowel niet-joden als joden zou moeten betreffen. De reden hiervoor was dat er een serieus probleem bestond: het Judaïsme stond onder directe bedreiging van Romeinse vervolging van de priesterstand (die gezien werd als een politieke risicofactor na de opstand tegen de Romeinse overheersing) en een nieuwe versie van Judaïsme moest bedacht worden die zodanig aantrekkelijk zou zijn dat mensen die zouden willen aanhangen, en zo boeiend dat mensen die niet meer zouden willen opgeven, zelfs niet onder het risico van vervolging.

   Het moest ook de verering in de tempel opgeven, aangezien er geen tempel meer bestond, en het moest in staat zijn het effect van de alom aanwezige overvloed aan buitenlandse denkbeelden uit Romeinse, Hellenistische en Oriëntaalse bronnen te weerstaan. Het resultaat was dat de nieuwe religie alle kenmerken had van wat in onze dagen een meme wordt genoemd, een idee dat zich feitelijk gedraagt als een virus, het infecteert, reproduceert en verspreidt zichzelf, en bezit de mogelijkheid te evolueren om zich te kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden.

   Als antwoord op de Romeinse vervolging die het gevolg was van de mislukte opstand tegen het bewind van Rome, gingen Paulus en de overige stichters van het christendom weloverwogen te werk in het scheppen van een religie die zich op deze wijze zou gedragen, om zodoende tenminste toch nog een vorm van Judaïsme in stand te kunnen houden onder de Romeinse vervolging, en in afwezigheid van een hoog georganiseerd priesterdom. Hierin slaagden zij zelfs beter dan zij in hun wildste dromen hadden kunnen verwachten, zij gaven vorm aan een cultus die niet alleen de Romeinse vervolging en de diaspora zou overleven, maar die zou blijven, evolueren, en tot een van de grootste wereldreligies uit zou groeien.

   De denkbeelden van Paulus, met bijdragen van Petrus, Jacobus en andere vroege bekeerlingen vonden kennelijk hun weg terug naar andere lokale Jezus bewegingen die zich ook bekeerd hadden tot de nieuwe Christus cultus. Tot deze plaatselijke bekeerlingen behoorden ook de Evangelisten.

   De mythen die het leven van Jezus omgaven werden door de Evangelisten overgenomen uit de heidense religies die hen omringden. Overal konden religies gevonden worden die als belangrijkste kenmerk op een of meer van de mythen steunden die later geassocieerd zouden worden met Jezus. Feitelijk is ieder verhaal betreffende Jezus, of het nu de maagdelijke geboorte, de verhalen over de wonderen, of het verraad en de kruisiging is, deel van een of meerdere heidense religies van die tijd. Onder de religies van die periode waarin een kruisiging voorkwam, waren bij voorbeeld de mysterieuze religies van Attis, Adonis, Dionysus en anderen. Dionysus werd bij voorbeeld een kroon van klimop gegeven, omhangen met een purperen mantel, en kreeg gal te drinken voor zijn kruisiging.

   De weergave hiervan op een Griekse vaas uit de vijfde eeuw v.o.j. toont zelfs de bereiding van een laatste avondmaal. Het feit dat deze verhalen tegenwoordig haast exclusief geassocieerd worden met de mythe van Jezus van Nazareth, toont hoe geschiedenis door de overwinnaars altijd herschreven wordt, op hun manier.

   Er bestaan letterlijk tientallen evangeliën, waarvan de meeste verloren zijn geraakt, maar toch zijn er een beduidend aantal bewaard gebleven, en niet alleen die, die nu in de kerkleer zijn opgenomen. De meeste niet-canonieke evangeliën zijn polemieken en kunnen verwaarloosd worden. Maar omdat de evangeliën van Mattheüs, Marcus, Lukas en Johannes zo belangrijk zijn voor de ontwikkeling van het christendom, zullen we ze ieder apart onderzoeken en het effect bespreken dat zij op de christelijke kerk hebben.

   Het eerste van de canonieke evangeliën was dat van Marcus. Veel weten we niet van de auteur van het Evangelie volgens Marcus, maar we weten wel dat de auteur een eenvoudig mens was, niet buitengewoon geletterd in het Grieks (voor hem was het misschien een tweede taal), en niet bijzonder geschoold, maar wel een man die grondig bekend was met joodse mythologie en religie. Weinig ontwikkeld zijnde, bestond zijn wereldbeeld nog uit bijgeloof, demonen, bezetenheid, wonderen en de goden van de Romeinse wereld, en dit alles vond zijn weerslag in hoe hij zijn evangelie schreef. Ook is duidelijk dat zijn evangelie in grote mate beïnvloed werd door de verhalen die toen de ronde deden in de christelijke gemeenschap, over wie deze Jezus nu werkelijk geweest was.

   Ook als Jezus bestaan zou hebben, had Markus hem nooit gekend, maar hij beweerde in plaats daarvan een volgeling van Petrus te zijn geweest. Dit ging zo ver zelfs dat zijn evangelie voor een tijd bekend stond als het Evangelie van Petrus. Markus schreef zijn evangelie in Syrië (waarschijnlijk in de vroege zeventiger jaren van de eerste eeuw) voor een publiek van Romeinse christenen. In die tijd leden zij onder intense vervolging door Nero, die hen de rol van zondebok had toebedeeld voor de brand in Rome en andere problemen. En dus schreef Markus een evangelie waarvan hij hoopte dat het de christelijke gemeenschap zou sterken en hoop kon geven in benarde tijden. En zodoende vertelde hij uitgebreid over het lijden van Jezus en diegenen die hem volgden, en was kort over wereldse verlossing.

   Jezus werd gemythologiseerd niet als een timmerman, maar eerder als de zoon van een timmerman, een nogal opzichtige poging tot toekenning van sociale status, door hem niet de status van eenvoudig handwerkman, maar van iemand die zijn afkomst oversteeg toe te kennen. Jozef wordt in het geheel niet genoemd in het verhaal over de geboorte van Jezus, maar naar Jezus wordt verwezen als de zoon van Maria, een term die gewoonlijk gebruikt werd voor een niet-legitiem kind, dus is het duidelijk dat Markus zijn best doet om te vertellen wat hij als waarheid beschouwt, zelfs als hij halve waarheden moet vertellen om dat doel te bereiken. Markus verklaart de omstandigheden van de geboorte van Jezus niet, maar zegt enkel dat Jezus van Nazareth kwam. Hij schrijft niets over maagden of wijze mannen of geboren worden in een voederbak, of over engelen die met herders spraken. Dit komt omdat toen Markus dit schreef, deze mythen over de geboorte van Jezus nog in de christelijke mythologie ingebed moesten worden, en Markus dit niet zelf gedaan heeft. Veel andere mythen uit de christelijke gemeenschap, waaronder verscheidene van de wonderen verhalen, werden echter wel door Markus opgenomen in zijn evangelie. Dit kon omdat Markus een eenvoudig mens was, geneigd tot het accepteren van overleveringen op hun gezichtswaarde, en met het doel Jezus te verheffen in de geesten van zijn lezers. 

   Het volgende van de canonieke evangeliën was van de hand van Mattheüs. De auteur van het Evangelie van Mattheüs was een hoog opgeleide conservatieve jood, goed ingevoerd in de nuances van de Levitische traditie, die besloten had aan de Hebreeuwse wereld te tonen wat Jezus hen te bieden had. Enige decades na de vernietiging van de Tweede Tempel na de mislukte joodse opstand schrijvende, was Mattheüs vastbesloten aan de joodse wereld uit te leggen wie Jezus nu precies was, en aan het Judaïsme te tonen dat er een alternatief bestond voor de zich ontwikkelende rabbijnse tradities; in dit geval, dat verlossing van zonden door Jezus mogelijk was.

   Het conservatisme van Mattheüs is de bron van het hellevuur en de verdoemenis in het fundamentalistische christelijke conservatisme. Het is zelfs zo dat zonder Mattheüs in de kerkleer, er maar weinig andere bijbelse verwijzingen hiernaar zouden bestaan. Mattheüs bezat een vuur en een passie die zijn kwalificaties als onderzoeker van de joodse wetten verre oversteeg. Ofschoon hij hierin goed opgeleid was, bleek zijn poging om zijn stelling te bewijzen door naar de joodse wetten te verwijzen, armzalig slecht gedaan.

   Mattheüs gebruikte als zijn primaire bron het evangelie van Marcus. En zodoende nam hij veel van de mythen van Markus over, en voegde er een aantal van zichzelf aan toe, hier en daar een beetje in de verhaallijn wijzigende teneinde bepaalde zaken meer nadruk te geven voor een joods gehoor. Om bijvoorbeeld zijn stelling dat Jezus de beloofde Messias was meer overtuigend te maken, vergrootte hij de wonderen en wijzigde hij sommige details zelfs zover dat de fout overduidelijk werd. Een duidelijk voorbeeld hiervan is de genealogie waarmee hij zijn verhaal begint: weloverwogen slaat hij details over om zeven generaties elk te krijgen tussen Abraham en David, tussen David en de verbanning, en tussen de verbanning en Jezus. Dit heeft sommigen op het idee gebracht dat Mattheüs niet erg goed kon tellen, omdat zijn genealogie niet in overeenstemming is met andere genealogieën in het Oude Testament. Maar mocht hij zich bewust geweest zijn van deze afwijkingen, dan liet hij toch zijn pogingen om Jezus te vergoddelijken voor een joods gehoor zeker prevaleren.

   Wat Mattheüs was voor de joden, was Lukas voor de niet-joden. Lukas, in tegenstelling tot Mattheüs, was de volleerde scholasticus. Vloeiend in Grieks, haast zeker zelf een niet-jood, onderkende Lukas de noodzaak om een evangelie te schrijven dat de nieuwe religie kon uitleggen aan de niet-joodse gemeenschap, en dus schreef hij die. Zoals Mattheüs voor hem, bezat hij een kopie van Markus en gebruikte hij deze naar willekeur, hieruit lange delen citerend en delen verdraaiend om zijn eigen doel te dienen.

   Lukas was bovenal een zendeling. Zijn missie was van deze joodse sekte een ter zake doende religie te maken voor niet-joden die zich nergens anders toe konden wenden in hun zoektocht naar een strikte morele code om naar te leven. Het Judaïsme vereiste besnijding, een duidelijk nadeel, en bovendien was het de religie van een stam waarvan de leden er toe neigden bekeerlingen met scepsis te beschouwen, zo niet met uitgesproken racistische discriminatie te bejegenen.

   Met de bestijging van de Romeinse troon door Domitianus in 81 werd het vuur van de vervolging opnieuw opgestookt, en zag Lukas de noodzaak om Romeinse ongerustheid te bezweren door aan te tonen dat het christendom een natuurlijk en ongevaarlijk uitgroeisel was van de gerespecteerde joodse traditie. Vandaar dat hij zijn geschrift opdroeg aan 'De meest excellente Theophilus'.

   Omdat Lukas schreef voor zowel een Romeins gehoor als voor een kring van potentiële niet-joodse bekeerlingen, nam hij zorg Rome in een zo goed mogelijk daglicht te stellen. Als een voorbeeld, liet Lukas Jezus door de soldaten van Herodus geselen, en niet door de soldaten van Rome, zoals Markus gesteld had. Het koninkrijk van Christus wordt uitgeroepen als zijnde: niet van deze wereld, een doorzichtige poging de Romeinse verdenkingen te bezweren over een onderhanden zijnde samenzwering. Er zijn veel meer voorbeelden zoals het voorgaande te vinden, die dit evangelie in conflict brengen met de overige evangeliën, veelal door de pogingen van Lukas om het verhaal op smaak te brengen voor een Romeins gehoor.

   Het laatste van de vier evangeliën is natuurlijk het Evangelie van Johannes. Hoewel het een favoriet is van hen die aan alles een letterlijke uitleg willen geven, is het ironisch dat juist dit evangelie deze scherpslijperij bespot. De hoofdstukken 3, 4, 6 en 8 vertellen allen verhalen waarin de spot wordt gedreven met degenen die alles letterlijk hebben genomen. Het Evangelie van Johannes is vakkundig opgezet, een werk van de ware scholasticus, een diep religieuze man, die goed begreep dat mythe en betekenis de ware substantie van de bijbel vormen, en niet de letterlijke betekenis van de woorden op zich. We weten niet zeker wie deze Johannes was, maar het lijkt alsof hij een discipel was van een van de beide Johannessen van Ephesus. Een daarvan was Johannes Zebedeüs, waar Markus over sprak, de ander was de zoon van Johannes Zebedeüs. Johannes schreef zijn evangelie in de vroege jaren van de tweede eeuw, bijna een eeuw nadat de door hem beschreven gebeurtenissen zouden hebben plaatsgevonden.

   Het Evangelie van Johannes werd geschreven met het oog op de groeiende vete tussen Judaïsme en christendom, en probeerde deze te helen door de twee nader tot elkaar te brengen. Hij probeerde dit te doen door vorm te geven aan een mythologie die voor beiden aanvaardbaar zou zijn: overvloedig citerend uit gerespecteerde en gewaardeerde joodse literatuur, en door het invoegen van een mythologie van Jezus die zou voldoen aan de joodse wetten en profetieën. Door dit te doen had Johannes een evangelie gecreëerd dat zo ver van de voorgaande evangeliën afweek dat het onmiddellijk die joden aansprak die zich ongemakkelijk hadden gevoeld onder het steeds strakkere keurslijf van de joodse orthodoxie die het resultaat was van de vernietiging van de Tweede Tempel. De apocalyptische visie van het verhaal was bedoeld te appelleren aan het joodse noodlotsbesef, terwijl ze trouw bleef aan het christelijke ideaal. We hebben hier een profetische visie in een christelijke zetting, die de grondslagen voltooide voor het latere christelijke fundamentalisme. Het resultaat, samen met het boek Handelingen, verondersteld geschreven te zijn door de auteur van het evangelie van Lukas, ditmaal schrijvende voor een christelijk gehoor, gaf ons de complete verzameling mythes die zo centraal staan in het geloof van christenen. In tegenstelling tot Marcus, wiens missie om Jezus als de Messias voor te stellen slechts op het einde van zijn verhaal wordt verwoord, verschijnt hier een Jezus wiens hele wezen lijkt uit te schreeuwen 'Ik ben de vervulling van de Wet en de Profeten'. Zowel de toehoorders als de resulterende mythologie zouden niet meer kunnen verschillen, en vanzelfsprekend waren veel feitelijke en contextuele conflicten het resultaat.


140 – 312 

DE GROTE KETTERIJEN VAN HET GNOSTICISME EN DE HERZIENING DOOR MARCION 

   De filosofische beroering van die tijd, ontstaan door de kosmopolitische aard van het Romeinse keizerrijk, betekende dat er altijd overal wel een filosoof of prediker opstond, en er overal nieuwe en tot dusver onbekende denkbeelden ontstonden. Deze beroering, in gang gezet door de Grieken en verspreid door de Romeinen, welke ook het zaad voor de Jezus bewegingen geproduceerd had, zette zich onverminderd voort toen een deel van de Jezus bewegingen zich transformeerden tot de Christus culten. Al sinds de tijd van Paulus waren de Christus culten onderling twistziek geworden, en verspreidden nieuwe denkbeelden en ketterijen zich als een plaag, aangezien iedere lokale bisschop zo zijn eigen denkbeelden kreeg en die geaccepteerd trachtte te krijgen. De cultus verbrokkelde tot culten als de 'ketterijen' zich verspreidden.

   Tegen het einde van de eerste eeuw begonnen Romeinen die snakten naar een werkbare morele code, te kijken naar de zich transformerende Jezus bewegingen en Christus culten voor een spirituele leidraad. Het Judaïsme had ook nog zekere aantrekkingskracht, maar vereiste besnijdenis, een duidelijk nadeel. De Christus culten stelden deze eis niet. Integendeel, het behoren tot een Christus cultus was een plezierige affaire, die weinig eisen stelde op het gebied van genante rituelen en veel interessante discussies en gemoedelijke vriendschap boden, vooral tijdens het ritueel van de tafel gemeenschap (de waarschijnlijke oorsprong van de Laatste Avondmaal mythe).

   Al spoedig verspreidden congregaties van de Christus cultus zich door het hele Mediterrane gebied. Zij boden, op berekenende wijze, een uitweg aan de joden in de diaspora, die het gehelleniseerde Judaïsme van Philo en zijn Hellenistische voorgangers niet konden aanvaarden, maar te ver van Jeruzalem verwijderd waren om aan rabbijnse studie deel te kunnen nemen, of die niet genegen waren de rabbijnse autoriteit te accepteren. Hier was een religie waaraan iedereen deel kon nemen, onverschillig etnische afkomst, sociale status of woonplaats.

   Maar, bij welke van de vele culten zou men zich dan aansluiten? Iedere plaatselijke groep, had onder invloed van de lokale bisschop, zijn eigen tradities en doctrines voortgebracht. Desondanks was het christendom nu een aanzienlijke sociale kracht geworden, hoewel de Romeinen poogden hier een eind aan te maken; in Klein-Azië was het bespreken van de twisten tussen de volgelingen van de verscheidene Christus culten een net zo normaal tijdverdrijf geworden als discussies over voetbal in onze tijd zijn.

   Tegen het einde van de eerste eeuw zou de zelfingenomenheid van de plaatselijke bisschoppen met hun eigen denkbeelden totaal tenietgedaan worden. De verschillen in leerstelling tussen de groepen die zichzelf christenen noemden, werden te groot om nog langer veronachtzaamd te kunnen worden. Dus toen er intellectuelen onder deze groepen begonnen te verschijnen, werd de noodzaak steeds duidelijker dat er iets uitgewerkt moest gaan worden. Toen ten slotte Valentinus van Alexandrië, Justinus van Samaria, Iraneüs uit Klein-Azië (maar schrijvende vanuit Lyon, en een door en door loyale Romein), Marcion van Sinope (een kleine stad in Klein-Azië), Clement van Alexandrië en verscheidene anderen in vergadering samenkwamen in Rome in 140, met ideeën over wat het christendom nu precies moest inhouden, konden die denkbeelden geen grotere onderlinge verschillen vertonen. De kerk zou daarna nooit meer dezelfde worden.

   De stokebrand intellectuelen wuifden de verwaterde denkbeelden van de plaatselijke bisschoppen terzijde en keken naar de fundaties van de kerk, waarbij ze ontdekten dat de stenen van die fundatie niet solide waren. Dus stelden zij zich ten doel de gehele doctrinaire basis van de kerk opnieuw vorm te geven.

   Een van de problemen zoals Marcion die zag was dat christenen verondersteld werden loyaal te zijn aan de Joodse god, hoewel zij zich niet aan zijn wetten hoefden te houden. In de visie van Marcion was God zoals onderwezen werd door Paulus, zijn grote voorbeeld. Volgens hem was God een god van genade en mededogen, een god voor de gehele mensheid, en behoorde die niet toe aan een uitverkoren volk.

   De joodse god was volgens Marcion niet waardig om aanbeden te worden. Hij moest vervangen worden door Christus, die de wetten geopenbaard had waaraan christenen moesten voldoen, zoal die door Paulus geïnterpreteerd waren. Hij was een god van rechtvaardigheid en zaligmaking, zo geheel anders dan het joodse concept van Jahweh.

   Bij deze tijd, waren de evangeliën van Mattheüs, Marcus, Lukas en Johannes, en vele anderen geschreven door de volgelingen van de nieuwe Christus culten, al lang verschenen, en Marcion voegde een ingekorte versie van Lukas toe aan tien brieven van Paulus om samen de eerste canon van het Nieuwe Testament te gaan vormen. Het werd de eerste christelijke bijbel.


Marcion_teaching

MARCION

De overige intellectuelen verwierpen de denkbeelden van Marcion, vooral omdat hij de apostolische mythen absoluut afwees en omdat hij wees op sommige onopgeloste problemen die hen door de bisschoppen waren nagelaten. Maar nog radicaler was zijn volkomen afwijzing van de vroege apostolische geschriften waarvan het duidelijk was dat de schrijver de dan opgeld doende visie op de missie van Jezus als de redder der mensheid niet deelde. Een van de intellectuelen, Polycarpus, noemde Marcion 'de eerstgeborene van Satan' en anderen, vooral Tertullianus en Justinus schreven uitvoerig tegen zijn opvattingen.

    Maar die oppositie kon Marcion niet weerhouden. Hij ging op een predikende rondreis die spectaculair succesvol was. Congregaties van Marcion christenen werden georganiseerd in Efese, Rome en Pontus in Klein-Azië. Al spoedig werden hele dorpen tegelijk bekeerd. De aantrekkingskracht van Marcions leer lag in het feit dat de doctrine simpel en begrijpelijk was, maar bovenal dat die uitvoerbaar was. Hoewel deze ook nog zijn deel aan tegenstrijdigheden bevatte, vond hij duidelijke weerklank bij de massa, en de overige bisschoppen zagen dat ook in.

    Ongeveer in deze tijd, raakte een merkwaardig introverte groep van de Jezus beweging in Alexandrië betrokken bij de joodse mystiek, en als resultaat daarvan ontwikkelde deze zich tot een Jezus cultus die bekend werd als het Gnosticisme (het weten). Het was een religie die Jezus voorstelde als een goddelijke leraar, maar die de wederopstanding en de doctrine van boetedoening stellig afwees. Bijna net zo erg was de totale afwijzing van de apostolische mythen, en de doctrines over de missie van Jezus zoals die aangehangen werden door de hoofdstroom van het christendom. Nog erger was zijn idee dat het goddelijke in wezen de bron van misère en schande was. Maar helemaal het ergste was de basis van de naam: het idee dat persoonlijke kennis en ervaring de sleutel tot het begrijpen van de boodschap van Jezus waren. Hier werd de autoriteit van de bisschoppen geheel afgewezen. Het Gnosticisme kreeg al snel voet aan de grond in Egypte, en begon zich te verspreiden naar de andere Romeinse provincies. De bisschoppen waren ontzet.

    Bij het aanbreken van de vierde eeuw konden de bisschoppen niet langer meer op hun verwaterde doctrines vertrouwen, en de bedreiging van het Gnosticisme aanvoelende, begonnen ze een onderlinge concurrentiestrijd over doctrine. De bisschoppen van de voornaamste sekten, met hun hoofdkwartieren in Rome, Constantinopel, Antiochië, Ceasarea, Jeruzalem, Alexandrië en Carthago bleven constant met elkaar ruziën

    De poging door de conferentie van Rome om dit probleem aan te pakken anderhalve eeuw eerder, was op een faliekante mislukking uitgelopen. Erger nog, het had het zaad gelegd voor de ontwikkeling van de Marcion kerk, een beweging die alom als ketters werd beschouwd, maar die wel een met grote aantrekkingskracht was geworden.

    En nu was er ook nog de snel om zich heen grijpende ketterse plaag van het Gnosticisme waar iets aan gedaan moest worden. Er ontstond een zodanig felle, onhandelbare beroering over doctrine binnen de kerk, dat het leek alsof de kerk tot ondergang gedoemd was. Hoe kon de kerk nu nog overleven, met bovendien nog de aanhoudende Romeinse onderdrukking?


313 - 430

EEN ONWAARSCHIJNLIJKE REDDER REDT DE KERK, EN VEROORZAAKT DE GROOTSTE HERZIENING OOIT  

    In 313 stuurden keizer Constantijn en zijn medekeizer Lucinus een serie brieven in nogal bloemrijke taal aan hun gouverneurs waarin zij stelden dat het 'zegenrijk en zeer correct zou zijn om volledige tolerantie te verlenen aan iedereen die zijn geest op de cultus van de christenen gesteld had, of op enige andere cultus die hij persoonlijk als het beste voelt voor zichzelf.'

    Het Edict van Milaan, zoals deze serie brieven genoemd werden, had het effect van legalisatie van het christendom door het gehele Romeinse rijk. De vraag die geschiedenisonderzoek nooit afdoende heeft kunnen beantwoorden, is waarom het Edict van Milaan eigenlijk werd uitgevaardigd, maar waarschijnlijk was het een gevolg van de groeiende politieke macht van de christenen van diverse pluimage. Keizer Constantijn was een zeer bijgelovig mens, maar ook een bekwame politicus. Hij hing diverse godsdiensten aan, om aan alle eventualiteiten het hoofd te kunnen bieden, zelfs na zijn zogenaamde bekering. Hij was willekeurig en grillig. Hij zond krijgsgevangenen voor de leeuwen, pleegde op grote schaal genocide in zijn campagnes in noord Afrika, en stond bekend om zijn aanmatigend, zelfzuchtig, meedogenloos en eigengerechtig optreden.

   Zijn neef Julianus zei dat zijn verschijning vreemd was, met stijve kledingstukken naar oostelijke mode, met juwelen aan zijn armen, en het geheel bekroond met een tiara op een geverfde pruik. Constantijn beschouwde het christendom waarschijnlijk als slechts een van de vele culten in zijn rijk, en hij scheen ze allen aan te hangen, schijnbaar met ongeveer gelijke mate van overtuiging. Hij werd zelfs niet eerder gedoopt dan op zijn doodsbed.

   Ondanks zijn vreemdheid, was keizer Constantijn een goede politicus. Hij begreep volkomen dat het aantal christenen zo groot werd dat zij een aanzienlijke politieke dreiging konden gaan vormen als zij het eenmaal onderling eens zouden kunnen worden en zich organiseerden. Het teken aan de politieke wand ziende, overkwam hem zeer opportuun een wonder dat tot zijn bekering leidde, zodat hij hun bondgenoot kon gaan worden. In 312, een jaar voor het Edict van Milaan, vocht hij in de slag om de Ponte Milvio, tegen een rivaal die de keizerskroon opeiste. Onder zijn soldaten waren al veel christenen en op hun zwaarden en schilden voerden zij het christelijke Chi-Rho teken. Wel, volgens de verhalen opende zich toen de hemel, en had de keizer een visioen. En aan hem werd de overwinning in de slag gegund. Althans, dat is het verhaal dat de christelijke apologeten vertellen.

   Ongelukkigerwijze weten we niet precies wat er gebeurde bij de Ponte Milvio, omdat de goede keizer zijn verhaal steeds bleef veranderen, en verschillende versies van het gebeurde vertelde aan verschillende mensen. Minstens zes verschillende, tegenstrijdige versies zijn ons nagelaten door verschillende personen die beweren het van de keizer zelf gehoord te hebben. Terwijl hij deze tegenstrijdige verhalen bleef vertellen, bleek hij zelf nog steeds een aanhanger van de Mithras zonnecultus te zijn die toen populair was in het keizerrijk. Als monument voor zijn overwinning bij Milvio liet hij een paar jaar later een triomfboog oprichten die nog steeds bestaat. Deze draagt een getuigenis aan de 'Onoverwonnen Zon' (een verwijzing naar Mithras) en verwijst naar Jezus Christus die de triomfwagen van de zonnegod langs de hemel stuurt. Ook gebood hij de christenen hun diensten voortaan op Zondag te houden.

   Constantijn de Grote werd de enige Romeinse keizer in 324 en riep het Eerste Concilie van Nicea bijeen in het volgende jaar. Zijn opdracht aan de bisschoppen luidde: 'Wordt het eens over wat jullie willen, en hou op met de ruzies. Kom nu eens met een consistente doctrine dat universeel toepasbaar is, dat wil zeggen katholiek (van het Griekse katholicos = algemeen) en die door iedereen begrepen en uitgevoerd kan worden'.


Constantijn

CONSTANTIJN DE GROTE (280-337)


   Natuurlijk voldeden de bisschoppen hieraan. Bang om de keizerlijke gunst te verliezen, kwamen zij in vergadering bijeen in Nicea, ruzieden, en ruzieden nog meer, en kwamen tenslotte tot een paar gemeenschappelijke doctrines (hoofdzakelijk met betrekking tot de schepping en de aard van het universum, en de eerste versie van de Apostolische Geloofsbelijdenis), verklaarden zich hiermee in overeenstemming, en vertrokken totaal onovertuigd van elkaars standpunten.

   De keizer die zelf totaal onwetend was over de strijdvragen in kwestie, hoorde dat de bisschoppen het samen eens waren geworden, en was tevreden. En de bisschoppen waren zeker tevreden te horen dat de keizer tevreden was. En zij gingen door met het preken van dezelfde oude doctrines, die nog even controversieel waren als tevoren.

   De ruzies en tweedracht continueerden voor de volgende zes decades, met verscheidene facties die zichzelf in verschillende tijden beurtelings in en uit de keizerlijke gratie vonden. Athanatheüs, de feitelijke auteur van de oorspronkelijke versie van de Apostolische Geloofsbelijdenis, werd zelfs zes maal verbannen en weer gerehabiliteerd. Uiteindelijk waren het de keizerlijke politiek en de rijkdom van de Romeinse kerk, welke het deelde met kleinere congregaties onder voorwaarden voor het gebruik, meer dan de theologie, die de uiteindelijke vorm van de christelijke doctrine bepaalden, terwijl de verscheidene bisschoppen soms wel, en soms niet in de gratie van de keizer kwamen. In 430 was het Concilie van Nicea een permanente instelling geworden, er op gericht de 'ketterijen' (lees: afwijking van het keizerlijke standpunt) te onderdrukken en om een formele, universele dus katholieke kerk op te richten, georganiseerd op dezelfde wijze als de politieke structuur van het Romeinse rijk zelf.

   In essentie werd het Concilie van Nicea de handhaver van het keizerlijke standpunt over hoe de dingen hoorden te zijn. Dit is de reden waarom de huidige Katholieke Kerk nog op dezelfde wijze regeert zoals het Romeinse rijk regeerde in die dagen. Het hoofdkwartier van de kerk werd later opgezet in Rome, en het hoofd van de kerk werd bekend als de Paus. Nieuwe basilieken verschenen overal in het landschap, allemaal gebouwd met de zegen van de keizer, en allemaal onderworpen aan het nieuwe, keizerlijk gezegende, hoofdkwartier van de kerk in Rome. Constantijn zond expedities naar Palestina om basilieken te vinden en te bouwen op de heilige plaatsen van de vroege kerkgeschiedenis, en om terug te keren met geloofsbevorderende relikwieën welke zij naarstig zochten, of om meer accuraat te zijn, produceerden. Het nieuw opgezette hoofdkwartier in Rome zette zich in voor de vervolging van de Gnostici (waarvan velen werden gekruisigd, en veel anderen voor de leeuwen geworpen) en het onderdrukken van de ketterij van Marcion.

   Om de kerk voor de menigten populair te maken, werd de nadruk op doctrine beduidend gewijzigd. Deze wijzigingen vonden hun weerslag in de kunst van de christelijke kerk. Toen de vroegere pre-Constantijn Romeinse christenen in het geheim bijeen kwamen in Rome, reflecteerde de kunst die zij voortbrachten de herderlijke natuur van de leer van Jezus. Taferelen van Jezus die de menigte voedde, kinderen zegende en de zieken genas waren de thema's in de kunst uit die periode. Na de bekering van Constantijn, veranderde de aard van de kunst plotseling en dramatisch om de wijziging in de nadruk op doctrine weer te geven. De lieflijke, herderlijke scènes van een bescheiden Jezus die geduldig voor zijn volgelingen preekte waren voorbij. In plaats daarvan werden beelden van de kruisiging en kastijding van Jezus aan het hof van Pilatus algemeen. Dit diende om de lijdende massa te helpen zich te vereenzelvigen met Jezus waarvan gezegd werd dat hij namens hen leed. De kerk was een politiek instrument geworden, wees geduldig met uw lijden onder Romeinse overheersing, werd de mensen voorgehouden, en een beter leven wacht je als je gelooft in Jezus de Heiland. De keizer kon dan wel geen goed leven garanderen in dit leven, maar Jezus wel in het volgende.

   Het was in deze tijd dat de Chi-Rho en het symbool van de vis, die de wonderlijke aard van de boodschap van Jezus weergaven (tenminste, zoals geformuleerd door de evangelisten), vervangen werden door het kruis, toentertijd een symbool van dood en lijden, als het belangrijkste embleem van het christendom. De politieke implicaties van het nieuwe symbool konden niet duidelijker zijn in die tijd. Wordt lid, en Jezus zal je lijden verlichten in de volgende wereld zelfs als de keizer het niet doet in deze. Verzuim lid te worden, en je staat op jezelf, zowel politiek als spiritueel.


320 - 1330

DE CREATIE VAN DE BIJBEL ZOALS WIJ DIE KENNEN EN NOG EEN HERZIENING  

   Te midden van al deze intellectuele verwarring, gaf Constantijn aan Eusebius, de bisschop van Ceasarea (een Romeinse haven aan de kust van modern Israel), een kleine opdracht. Stel voor de keizer wat geschriften samen zodat hij die kan aanbieden aan de nieuwe kerken die hij laat bouwen in zijn nieuwe hoofdstad Constantinopel, op tijd voor zijn nieuwe feest van de wederopstanding, dat Pasen genoemd gaat worden. Vijftig kopieën, alsjeblieft.

   Eusebius, een van de meest beruchte historische vervalsers van die tijd, voldeed bedachtzaam aan dit verzoek. We weten niet welke van de honderden beschikbare boeken hij aan de keizer leverde, noch hoeveel hiervan hij reviseerde (aangezien vele daarvan niet bekend zijn uit teksten vroeger dan die van Eusebius), maar we weten wel dat Eusebius zich gerealiseerd moet hebben dat het niet lang kon duren voordat de geïnspireerde orakels zoals hij ze noemde, samengevoegd zouden moeten worden voor gemeenschappelijke studie door christenen wereldwijd, in de vorm van een bijbel. We weten ook dat Eusebius zich ernstig zorgen maakte over al de tegenstrijdigheden die zij bevatten en het politieke dynamiet dat dit zou gaan vormen als deze tegenstrijdigheden onderwerp van dispuut onder de massa zouden worden, of, nog erger, in het hoofd van de keizer. We weten voor een feit dat Eusebius sommige modificaties uitvoerde aan de werken waarover hij zich zorgen maakte, aangezien we beschikken over enige vroegere teksten waarmee zijn werk vergeleken kan worden. Aangezien correlatie en standaardisatie dagelijkse praktijk waren geworden (onder het strenge gezag van het Concilie van Nicea), kon Eusebius een zeer keizerlijk probleem zien aankomen, en nam hij maatregelen om dit te voorkomen.

   Iedereen had zijn lijst van favorieten; de diverse facties met hoofdkwartieren in Rome, Constantinopel, Antiochië, Ceasarea, Jeruzalem, Alexandrië en Carthago hadden allemaal hun eigen ideeën over wat al bijbel was of moest worden. En zij waren het geenszins met elkaar eens, ondanks de harde hand van het Concilie van Nicea. In het eind, na de breuk met Rome, werd de compilatie van Eusebius de standaard voor de oostelijke kerk.

   We weten niet zeker hoe de taak van compilatie en vertaling van een bijbel voor de Romeinse, of westelijke kerk enige decades later toeviel aan bisschop Jerôme van Dalmatië (340-420 n.C.), hoewel imperiale politiek hierbij zeer waarschijnlijk een rol heeft gespeeld. Jerôme was zeer ontwikkeld en had zijn leven gewijd aan de studie en vertaling van de heilige geschriften. Hij was een zeer gelovige aanhanger van de Romeinse factie, en het feit dat de Romeinse kerk rijk en invloedrijk was, had er waarschijnlijk ook toe geleid dat de keuze op hem was gevallen. Ook had hij op verzoek van Damasus, de bisschop van Rome, al vele jaren besteed aan het vertalen van de heilige geschriften in het Latijn en het standaardiseren van teksten van wat nu het Nieuwe Testament is, voor de Romeinse kerk. We mogen aannemen dat het politieke klimaat zijn keuzes hiervoor beïnvloed heeft.

   Melito van Sardis, een van de redetwisters van de beruchte vergadering in Rome van 140 n.C. welke aanleiding tot de geboorte van de Marcionitische kerk had gegeven, had een lijst samengesteld van Hebreeuwse geschriften waarvan bekend is dat deze door Jerôme zeer bewonderd werden. Maar Augustinus, zelf een uiterst onplezierig karakter (de vroegst bekende voorstander van onder andere gedwongen bekering en gedwongen celibaat) kwam tussenbeide en overtuigde Jerôme ervan om een aantal werken van een door hem (Augustinus) opgestelde lijst op te nemen. Deze lijst was gelijk aan die van Athanatheüs, de auteur van de eerste Apostolische Belijdenis. We kennen al de intriges niet die er toe moeten hebben geleid dat Jerôme hierin toegaf, maar sommigen hiervan moeten haast zeker van politieke aard geweest zijn, met die van Eusebius en zijn vroegere keizerlijke aanstelling daarbij. De keuze die Jerôme maakte voor de werken die in het Nieuwe Testament opgenomen moesten worden, werd bepaald door werken die hij al eerder had vertaald en gestandaardiseerd voor Damasus in Rome.

   Die samenstelling en vertaling in het Latijn door Jerôme werd bekend als de Vulgata (populaire taal) bijbel. Het zou de standaard bijbel van de Rooms-katholieke kerk worden tot aan de zestiende eeuw toe. Hij is nog steeds verkrijgbaar, gepubliceerd door de katholieke kerk in het oorspronkelijke Latijn, en ook als de Douai versie, een van de vele Engelse vertalingen van de Vulgata die in de zestiende eeuw verschenen, als hierna vermeld.

   Het gordijn valt. Eeuwen gaan voorbij, waarin het christendom zich langzaam over Europa verspreidt. Het gordijn opent zich weer in de achtste eeuw.

   Hoewel de Latijnse bijbel alom beschikbaar was, was het Latijn als gesproken en verstane taal gaandeweg uitgestorven onder de volken van wat eens het Romeinse rijk was geweest. Dus met het uitsterven van de taal, stierf ook de toegang tot de bijbel voor de gewone man, want de beschikbare bijbels in het Latijn werden niet vertaald in de uiteenlopende plaatselijke talen.

   Dit gegeven verhoogde de macht van de plaatselijke clerus en kerkelijke hiërarchie aanzienlijk. Zij hadden nu niet alleen de politieke macht van Constantijn's erfgoed achter zich, maar hadden nu ook de sleutels tot de kerk in handen, zowel figuurlijk als letterlijk. Ze konden niet gelukkiger zijn met deze situatie. Zo konden zij zich vaak bezighouden met hun wrede daden en corruptie en niet ter verantwoording worden geroepen door een onwetende en vaak bijgelovige congregatie. Niettemin werden er nu en dan pogingen ondernomen om op zijn minst kleine delen van de bijbel in handen van de massa te krijgen.

   De eerste poging tot een Oud-Engelse vertaling was van Aldhelmus, die in 709 een Angelsaksische vertaling van de Psalmen publiceerde, en de Eerbiedwaardige Bede, van wie gezegd wordt dat hij een vertaling van het Evangelie van Johannes 26 jaar later op zijn sterfbed voltooide. Ongelukkigerwijs is deze laatste vertaling niet bewaard gebleven.


1330 - 1611

DE PROTESTANTSE HERZIENING EN DE ENGELSE BIJBELS  

   In de dertiende en veertiende eeuw verschenen vertalingen van de Psalmen door William van Shoreham en Richard Rolle, in Middle English. Hun populaire vertalingen zouden het zaad planten voor een strijd tegen de politieke invloed van de clerus en de bijbel in handen van het volk plaatsen.

   John Wycliffe (1330-1384) verafschuwde de pauselijke corruptie en zijn eisen voor geld van de Engelsen. Als een ware man van het volk besloot hij dat de beste manier om de Paus de loef af te steken het publiceren van een bijbel in het Engels zou zijn. Voor zijn dood kwam de vertaling van de Vulgata geheel klaar, en John Purvey, waarmee hij nauw betrokken was, reviseerde en corrigeerde deze vertaling nog eens, om deze te publiceren. Het werd de eerste en enige Engelstalige bijbel tot aan de zestiende eeuw.

   In 1516 publiceerde een monnik en scholasticus met de naam Erasmus in Oxford de eerste Griekse vertaling van het Nieuwe Testament. Wat zijn bron documenten waren is niet bekend, maar waarschijnlijk was het de Vulgata.

   William Tyndale had de ambitie om de gehele bijbel in het Engels te vertalen, niet vanuit de Vulgata, maar uit de originele Griekse en Hebreeuwse bronnen. Dit werd zijn levenswerk. Tyndale leerde zijn Grieks van Erasmus. Zijn studie van het Griekse Nieuwe Testament beïnvloedde waarschijnlijk zijn latere werk.

   Omdat de katholieke kerk tegenstander was van zijn vertaling van de bijbel in het Engels, was Tyndale gedwongen naar Duitsland uit te wijken in 1524. Gedurende de volgende twee jaren, steeds de pauselijke vervolging een stap voor blijvende, slaagde hij erin zijn eerste vertaling van het Nieuwe Testament te voltooien, die daarna gedrukt werd en Engeland binnen gesmokkeld, en daar door een gretig publiek onthaald werd.

   Tyndale werkte voor jaren aan zijn Hebreeuwse vertaling van het Oude Testament, en voltooide die in 1534, en reviseerde zijn Nieuwe Testament in 1535. Hoewel deze werken niet meer zo gewelddadig bestreden werden als zijn eerdere werk, werd hij toch nog verraden door aanhangers van Rome, en vervolgens gewurgd en op de brandstapel verbrand, na maanden van gevangenschap in 1536. Volgens overlevering waren zijn laatste woorden: 'Heer, open alstublieft de ogen van de koning van Engeland!'

   Miles Coverdale, een bondgenoot van Tyndale, was de eerste die een officieel goedgekeurde bijbel in het Engels publiceerde. Coverdale was geen scholasticus, maar had veel van zijn werk op dat van Tyndale gebaseerd die dat wel was. Een vloed van vertalingen en herzieningen volgde, waarvan de meest opmerkelijke die van Rogers was die in 1537 verscheen, en de Taverners bijbel in 1539.

   Koning Hendrik VIII was de eerste Engelse koning die vroeg de bijbel in handen van de gewone man te stellen. De gekozen bijbel was de Grote Bijbel, een werk dat samengesteld was door de niet zo scholastische Coverdale. Weer een andere bijbel zou de familiebijbel worden. Deze werd de Geneve bijbel genoemd, omdat het een in Geneve, Zwitserland goedkoop geproduceerd massaproduct was. Het was een beslist eenzijdige vertaling die voorkeur gaf aan de standpunten van een berucht religieuze tiran in die stad, Johannes Calvijn. Het enige pluspunt hieraan was dat het goedkoop was, zodat de massa zich dit kon permitteren. Het werd populair bekend als de broek-bijbel vanwege Genesis 3:7, waarin Adam en Eva vijgenbladeren samen naaiden en broeken voor zichzelf maakten.


1604 – HEDEN

DE KING JAMES VERSIE 

   In 1604 riep koning James van Engeland een conferentie bijeen te Hampton Court, die werd bezocht door 47 scholastici en geestelijken. Het doel was om tot een bijbel te komen die in ieders behoeften zou voorzien, die van de geestelijkheid, van de koning zelf en van de gewone man. Een ambitieus doel, gezien de wijd uiteenlopende politieke standpunten van alle betrokkenen.

   De King James versie verscheen voor het eerst in 1611. Hoewel de conferentie op de titelplaat verklaarde dat het een nieuwe vertaling was, was dat niet het geval. In werkelijkheid was het een herziening van de Bisschop Bijbel van 1602, die zelf weer een herziening was van de Bisschop Bijbel van 1568, die op zijn beurt weer een herziening was van de minder wetenschappelijke Coverdale Grote Bijbel, welke laatste een herschreven versie was van de Tyndale en Wycliffe bijbels die op de vlucht vertaald waren.


vc006471

KING JAMES VERSION


   De King James versie vond geen onmiddellijke acceptatie. Het nam een halve eeuw om de bijbels te verdringen die er aan vooraf waren gegaan, vooral de Grote Bijbel waar het vanaf stamde, en de beruchte Geneve bijbel van de massa, waardoor het beïnvloed was.

   Toch heeft het veel van het mooie Engelse proza behouden van de Tyndale en Wycliffe bijbels, en vandaar zijn blijvende populariteit. De spectaculaire schoonheid van zijn proza, niet de accuratesse van de vertaling, verklaart zijn overleving. Kijk eens naar de volgende vertalingen van dezelfde passage uit Mattheüs 6:28-29, eerst die van de King James versie, dan die van de populaire Good News Bible, en ten slotte van wat ik als de meest aan het originele Grieks getrouwe vertaling beschouw, de Richmond Lattimore vertaling:

(Noot van de vertaler: Om geen afbreuk aan de intenties van de auteur te doen, worden deze teksten in de originele taal overgenomen).

   King James versie van 1611: 'Consider de lilies of the field how they grow; they do not toil, neither do they spin, yet I say unto you that even Solomon, in all his glory, was never arrayed like one of these'.

   Good News Bible (American Bible Society, 1978): 'And why worry about clothes? Look how the wild flowers grow, they do not work or make clothes for themselves. But I tell you that not even King Solomon, with all his wealth had not clothes as beautiful as one of these flowers'.

   Richmond Lattimore Translation (Farrar Straus and Giroux, 1996): 'And why do you take thought about clothing? Study the lilies of the field, how they grow. They do not toil or spin, yet I tell you, not even Solomon in all his glory was clothed like one of these'.

   Welke is de meest accurate vertaling? De scholastici zullen dit moeten bepalen, maar de schoonheid in de King James versie, van de taal, en de kracht van zijn proza worden zelden geëvenaard in de Engelse literatuur. De kracht van het proza van Tyndale en Wycliffe wordt wel als beste genoemd in de Engelse literatuur.

   Daarom is dit een van de belangrijkste redenen dat, ondanks al zijn fouten, de King James versie nog steeds met ons is. Het klinkt als heilige schrift. Het klinkt werkelijk alsof dit het woord van God zou kunnen zijn, of dit nu zo is of niet. Zoals we gezien hebben is, het proza terzijde, alleen al de ontstaanswijze van de bijbel al genoeg om zijn autoriteit als heilige schrift in twijfel te trekken. Maar toch klinkt het zo goed!


HOE OBJECTIEF ZIJN DE VERTALINGEN EIGENLIJK?

   Niet zo erg, is het antwoord. De Geneve bijbel, die alleen al door zijn grote populariteit van grote invloed was op alles dat we nu hebben, was een uitgesproken stuk propaganda, opgedrongen door de religieuze tiran Johannes Calvijn. Andere bijbels, die ook van invloed zijn geweest op wat nu als heilige schrift beschouwd wordt, werden geschreven met een duidelijk doel voor ogen, net zoals de moderne vertalingen die nu uitgevoerd worden door theologen die ook hun gelijk willen halen. 

   Uiteindelijk heb ik een vertaling van het Nieuwe Testament gevonden, die scholastisch objectief en compleet is. Ik kan het aanbevelen aan iedereen die nu eens graag wil weten wat de Evangeliën werkelijk te zeggen hebben. Het is de Richard Lattimore vertaling.

   Het punt waarop bijna alle christelijke theologen zich beroepen, is dat zij menen dat de bijbel, onverschillig over welke versie ze spreken, op betrouwbare wijze vertaald is. Toch weten we van onze ervaringen hier dat de schrijvers van de oorspronkelijke documenten die later het bronmateriaal zouden vormen van de bijbel, dit vaak over namen van ander materiaal en dit reviseerden, en dat op zijn beurt, hun werk gereviseerd zou worden, vaak meerdere malen. Daarna werden de vertalingen uitgevoerd, en meer herzieningen gemaakt, altijd weer met het doel om een religieus of politiek gelijk te halen.

   Welnu dan, als de bijbels die de theologen gebruiken betrouwbaar vertaald zijn, dan moeten er fouten zijn met de brondocumenten. De bijbel is letterlijk bezaaid met fouten en tegenstrijdigheden, en dit zijn niet allemaal foute vertalingen, opzettelijk of niet. Daarom heb ik, in antwoord op de fundamentalisten die dit document gelezen en bekritiseerd hebben, met de bewering dat het boek door bovengenoemde processen gegaan en nog steeds perfect is, een analyse geschreven van de meest opvallende fouten en tegenstrijdigheden van de bijbel. 

   Er staan fouten en tegenstrijdigheden in die eenvoudig niet op enige redelijke wijze opgelost kunnen worden, zelfs niet als we tovenarij en wonderen te hulp roepen. Ze zijn gewoonweg onmogelijkheden. Als altijd, verwelkom ik het antwoord van fundamentalisten, en heb ik ruimte gelaten in dat document voor redelijke en logische alternatieve argumenten die voor seculiere lezers aannemelijk kunnen zijn. Het zal u niet verbazen hoe weinig ik er heb ontvangen.


HOE BETROUWBAAR IS DE BIJBEL ALS GIDS VOOR HET LEVEN? 

   Indien niet fatsoenlijk vertaald en geredigeerd, en vol van in het oog springende fouten en onlogische tegenspraak, hoe betrouwbaar kan de bijbel dan nog zijn leidraad?

   De bijbel gaat gebukt onder vier problemen in dit verband. In de eerste plaats kunnen we niet weten dat wat we lezen de woorden zijn die de betekenis overbrengen die de oorspronkelijke schrijvers bedoelden, aangezien die oorspronkelijke teksten al lang verloren zijn geraakt, en het beste dat we nu nog hebben vele generaties van die originelen verwijderd is. Dit probleem is onderwerp van dit essay, en het behoort nu overduidelijk te zijn dat na de veelvoudige herzieningen, vertalingen en redactie door de ten minste 150 personen die de huidige bijbel geproduceerd hebben, er veel te veel ruimte voor fouten is ontstaan om nog te verwachten dat deze hier vrij van zou kunnen zijn.

   Het tweede probleem waar de bijbel aan lijdt, is de hierin vervatte doctrine. Zoals Shakespeare al opmerkte, kan men met de bijbel in de hand alles rechtvaardigen wat men maar wenst. Wilt u een schreeuwerige, toornige, wraakzuchtige god hebben die alles en iedereen vernietigt die hem niet uit de weg gaat, en volkerenmoord, kindermoord en slavernij eist? Dan is Exodus het boek voor u. Wilt u een hardvochtige, strenge, kwade, gemene gids voor het leven?

   Dan kunt u niet beter doen dan met Leviticus. Wilt u een rustige, subtiele, onkenbare god die zelden ingrijpt, die men kan leren kennen door oprechte gebeden en zielverheffende smeekbedes, die vriendelijk, barmhartig en vergevend is? Indien dat zo is, dan heeft Paulus de geschriften geleverd die u wenst. Het staat allemaal in hetzelfde boek.

   Het derde probleem is dat de bijbel zoveel tegenstrijdigheden en fouten bevat, niet alleen feitelijk, maar ook van doctrine. Dit is een reden waarom Shakespeare zo gelijk had. Als men rechtvaardiging zoekt voor het de hersenen inslaan van een baby, dan kan men die vinden in de aansporingen van God in de bijbel. Of tegengesteld, in geval u een rechtvaardiging zoekt voor een ban op abortie, dan kunt u die hier ook in vinden. Dus wat is het nu? Natuurlijk moet dit een zaak van persoonlijke interpretatie zijn, en iedere fundamentalist die van het tegendeel overtuigd is leest eenvoudig zijn bijbel niet goed. Men moet gewoon zaken van doctrine zelf wel interpreteren, omdat de bijbel zichzelf hierin zo vaak tegenspreekt.

   Een vierde probleem relateert aan de bijbel maar is daar niet van. Dat is het probleem van de interpretatie. Dezelfde passage uit hetzelfde boek in dezelfde vertaling van de bijbel kan totaal verschillende dingen betekenen voor mensen met verschillende religieuze achtergronden. Dit kan geheel onverwante dingen menen voor de Mormonen, de Doopsgezinden uit het zuiden van de VS, de Zevende Dag Adventisten, den Guatemalteekse katholieken of de Afrikaanse Pentacosten. Wie heeft dan gelijk? Heeft iemand gelijk? Hoe kan men zulke conflicten oplossen?


DE BIJBEL EN HET CHRISTENDOM IN DE MODERNE WERELD

   Dit brengt ons op het vraagstuk van de relevantie van de bijbel en het christendom op de moderne wereld. Voor diegenen die de moeite daartoe nemen is het makkelijk te zien, dat het christendom en geloof in de bijbel het meest succesvol zijn in de meer verarmde regio s van de wereld, of waar het onderwijs faalt of niet in staat is geweest de levensstandaard te verhogen en in een gevoel van zelfbewustzijn te voorzien.

   In Amerika is het christendom altijd een minderheidsreligie geweest. Vanaf zijn dieptepunt tijdens de Amerikaanse Revolutie (19 %) tot aan zijn huidige hoogtepunt (49 %), wordt het christendom vaak genoemd als de basis van de Amerikaanse beschaving en cultuur. Toch wordt dit weersproken door het feit dat hoewel het aantal bekeerlingen groeiende is, grotendeels als resultaat van het verval van het openbaar onderwijs, de culturele invloed van het christendom voortdurend afneemt. Mensen blijven voor zichzelf denken, en het is het wijdverbreid contact met een variëteit aan denkbeelden en waarden die verantwoordelijk zijn voor deze tendens in Amerika.

   In Europa, het terrein van zoveel christelijk geïnspireerd bloedvergieten en vervolging, is de christelijke invloed zover afgenomen dat scholastici daar de tegenwoordige tijd al aanduiden als het postchristelijk tijdperk. In de meeste landen van Europa is het wekelijkse kerkbezoek gedaald tot minder dan 10 %. Alleen in Rusland, waar men lijdt onder de instorting van economie en onderwijssysteem, veroorzaakt door de slecht geplande structurele aanpassingen die gepaard gingen met de overgang vanuit het communisme, beleeft het christendom een vooruitgang, samen met New Age bewegingen en culten die gebaseerd zijn op oosterse filosofie en religie.

   De belangrijkste terreinen waar het christendom serieus grond wint zijn in de verarmde naties van Zuid-Azie en Afrika, waar moderne transportmiddelen en communicatiemogelijkheden het nu mogelijk hebben gemaakt de financiële kosten van het evangelische missiewerk te verminderen. De achtergebleven dorpen van India en Afrika zijn de plaatsen waar het christendom het meeste succes met zijn expansie pogingen bereikt. Waar de waarden van de 19de eeuw nog gelden, bloeit het christendom nog.


CONCLUSIES

   Om iemands religie te baseren op zo zeer verdachte geschriften als de bijbel, en die als absoluut onfeilbaar en betrouwbaar te verklaren, is zijn religie te bouwen op wat duidelijk een fundering van drijfzand is.

   Als de lessen van recent scholastisch bijbelonderzoek iets hebben opgeleverd, is het wel dat de geschiedenis van het christendom en de bijbel die het voortgebracht heeft, een zeer wanordelijke is die serieuze vragen oproept over goddelijkheid en de geldigheid van deze boodschap. Het ontkennen van dit feit betekent eenvoudig de ontkenning van de werkelijkheid. Toch blijven veel mensen precies dat doen, tegen de overvloed van bewijs in dat zij en de religie die zij uitdragen het duidelijk bij het verkeerde eind hebben in hun bewering dat de oorsprong van het christendom goddelijk is en onbesmet door menselijke politiek, hebzucht en arrogantie.

   Er kan slechts van gezegd worden dat door dit te doen een vorm van onwetendheid getoond wordt. Wat te denken van de fundamentalistische groeperingen die dit doen, luidkeels en met volharding? Het is duidelijk dat zij geloven wat zij geloven, niet omdat het de waarheid is, maar om andere minder goede redenen, waaronder die dat de waarheid een pijnlijke erkenning van vergissing moet inhouden.

   In verwante essays heb ik geschreven over de vele basale fouten in het fundamentalisme, en de kwaadaardigheid van het christendom als een meme complex. Het is duidelijk dat in het geloven omdat ze geloven willen, niet omdat het de waarheid is, christenen over de hele wereld dezelfde fundamentele fouten maken. Het is een goed recept voor onwetendheid, maar niet voor wijsheid.

   Wat ik in dit essay beschreven heb is een samenvatting van authentieke feiten. Deze feiten zijn niet verzameld door diegenen die daarmee bewijs voor een stelling zoeken, zoals streng godsdienstige ijveraars vaak doen, maar eerder zoals wetenschappers het doen, door bewijs te vergaren en samenvoegen, en dan te zien welke theorie hierdoor gesuggereerd wordt.

   Het is dat laatste proces, die toewijding aan de waarheid, die de menselijke vooruitgang mogelijk maakt. Dit is omdat nederigheid de basis is van intellectuele vooruitgang, hetzij spiritueel of wetenschappelijk. De gave om toe te kunnen geven dat je het verkeerd hebt is een absolute vereiste om kennis te kunnen vergaren. De aanname dat een antwoord geopenbaard wordt, en dan ondersteund moet worden door er bewijs bij te zoeken, is een gegarandeerde methode om de beschaving een blinde steeg van arrogante zelfzucht in te leiden, zoals de institutionele fout die de katholieke kerk drie eeuwen lang ervan weerhield om toe te geven dat Gallilei gelijk had dat de zon het centrum van ons solaire systeem is, hoewel de kerk duidelijk mis was en iedereen dit wist.

   Daarom roep ik de fundamentalisten die dit lezen op die basale, fundamenteel vereiste instelling voor werkelijke studie en vergaren van wetenschap te adopteren, de nederigheid toe te kunnen geven dat men het verkeerd heeft, en bewijs te onderzoeken op zijn kwaliteit, en niet of het past bij een vooringenomen stelling. De bijbel in niet noodzakelijk vrij van fouten. Het is niet het exclusieve woord van God, maar eerder het product van meer dan honderd schrijvers, redacteuren en vertalers, waaronder velen die intellectueel ondermaats waren voor het werk dat ze uitvoerden, velen tegenstrijdige belangen hadden, en ieder zijn eigen politieke of religieuze doel serieus nastreefde. De kerk waarvan u deel bent dankt zijn ontstaan grotendeels aan het fiat van een Romeinse keizer die er weinig over wist en het weinig kon schelen welk soort religie dankzij zijn edicten gevormd werd. En de god Jehova (of in de originele vorm, Jahweh) die door u aanbeden wordt is een directe afstammeling van Filistijnse en Babylonische heidense goden die door uw eigen bijbel verworpen worden. Iets anders voor te wenden is het maken van dezelfde vergissing die de katholieke kerk maakte met Gallilei. 

   Daarmee riskeert u als net zo dwaas beschouwd te worden.

_____


 Bron: http://www.bidstrup.com/bible.htm


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort