visitors on myspace
DE EVOLUTIE VAN GOD | POSITIEF ATHEÏSME <>

DE EVOLUTIE VAN GOD

ROSA RUBICONDIOR



images (1)

Iedere keer wanneer we ons afvragen hoe iets  in de menselijke evolutie of cultuur kon zijn ontstaan, moeten we ons ons vroege leven op de Oost-Afrikaanse vlakten voorstellen. Deze gebieden waren de plaats waar we tot bijna al onze huidige karakteristieken evolueerden. Het was daar dat we het rechtop lopen ontwikkelden, onze volledig opponeerbare duimen en, misschien wel het allerbelangrijkste, onze hersens.


   Terwijl onze hersens evolueerden leerden we patronen te herkennen, waarschijnlijk eerst voor gezichtsherkenning, hetgeen ons later zou aansporen tot de ontwikkeling van onder meer het lezen en schrijven. Maar al eerder hielp dit ons om dieren op te sporen, door de voetsporen te herkennen van de verscheidene prooi- en roofdieren. Waarschijnlijk waren wij de enige soort die naar een stel voetsporen kon kijken en daaruit informatie aflezen. We konden de soort bepalen, of in ieder geval de familie – grote kat, hond, antiloop, struisvogel etc. – en we konden zeggen waar het dier vandaan kwam en waar het heen ging. En, met enige ervaring, hoe lang geleden het voorbij was gekomen. Dit was allemaal waardevolle informatie voor het vangen van een maaltijd, of om te voorkomen dat we zelf een maaltijd werden. De erfgenamen van deze vaardigheden, toegerust met ontwikkelde hersens, hadden daarmee een enorm voordeel, dus de genetische variaties die ze daartoe in staat stelden, zouden zich snel door de genenvoorraad verspreiden. 


   Die ontwikkelde hersens stelden ons niet alleen in staat deze vaardigheden aan te leren, maar ook om deze door te geven aan een volgende generatie. Ons vermogen om te onderwijzen en te leren maakte het ook mogelijk om bepaalde culturen te ontwikkelen. Deze culturen werden bepaald door het vaststellen van normen, en van een ethiek die voor de hele groep moest gelden. Ook deze ontwikkelingen werden aan volgende generaties doorgegeven. Mede door deze culturele normen werd de ondelinge samenhang in de groep, en vooral haar identiteit, bevorderd. Ze werden iedereen vanaf de geboorte ingeprent, en door de gehele groep als juist beschouwd. Van die normen af te wijken betekende uitstoting uit de groep – een niet bijster aanlokkelijk vooruitzicht voor een soort die als individueel betrekkelijk zwak is, maar als lid van een gecoördineerde groep immens sterk.


   Terzijde, de mens is niet de enige soort die culturen ontwikkelt en doorgeeft aan volgende generaties. De andere Afrikaanse apen hebben allen waarneembare culturele verschillen tussen de groepen onderling, evenals de wat verder verwante aapachtigen, zoals makaken en bavianen. Dolfijnen en orca’s vormen ook duidelijk aparte culturele groepen, en zelfs sommige vogelsoorten hebben plaatselijke (dat wil zeggen culturele) roep en zang.


   Maar, we dwalen af.


   Deze vroege mens erfde op deze manier twee verschillende soorten replicatoren. Hij erfde de biologische genen die zijn fysieke vorm bepaalden, en de culturele of “herinnerings-genen”, meer correct bekend als memen, die zijn cultuur, groepsnormen en ethiek bepaalden.


   Net zoals dit het geval was bij de andere Afrikaanse apensoorten, leefde die vroege mens waarschijnlijk in kleine groepen met soortgenoten, waarbij iedere groep gedomineerd werd door een alfa-man. Deze alfa-man had zijn “recht” bevochten om leider van de groep te zijn, en de omvang van de groep was dan gerelateerd aan de hoeveelheid individuen deze alfa-man (misschien samen met zijn alfa-partner) onder controle kon houden. De alfa-man had altijd de eerste keus uit zijn vrouwelijke soortgenoten, en handhaafde dit voorrecht, soms met behulp van loyale onderdanen, door bestraffing met fysiek geweld tegen een ieder die inbreuk op zijn rechten maakte, of zijn dominantie bedreigde. Ook dit idee, dat de alfa-man recht op dit leiderschap had, werd als groepsnorm of ethiek van generatie op generatie overgedragen.


   In evolutionair opzicht moet het een voordeel zijn geweest dat de alfa-man die genen doorgaf die hem in staat stelden de groep te domineren, en de groep zou er als geheel van profiteren geleid en gedomineerd te worden door een sterke alfa-man. Aan de andere kant moet er echter ook een evolutionaire wapenwedloop hebben plaatsgevonden tussen deze “alfa-man genen” en de genen die meer gericht waren op illegale seks activiteiten, aangezien ook deze genen de bescherming hadden genoten van de alfa-man. Of deze “genen” nu werkelijke DNA-genen waren, of memen die als deel van de groepscultuur doorgegeven waren, doet niet ter zake. Feit is dat menselijke groepen evolueerden door middel van een combinatie van genen en memen. Replicatoren tekken zich niets aan van de aard van de andere replicatoren waarmee ze samenwerken.


   Verplaats uzelf nu eens denkbeeldig in een dergelijke groep op de vlakten van Oost-Afrika. Daar bestaan veel rotsachtige uitstulpingen in de aardkorst die zowel beschutting bieden als een goede hoge uitkijkpost. Van hieruit  kan de omliggende vlakte worden overzien, en ze bieden de alfa-man een uitstekende positie om de groep te overzien en hun gedragingen te bewaken: wie doet wat en met wie, vooral met betrekking tot illegale seksuele activiteiten. Tegelijkertijd zullen andere mannetjes en vrouwtjes trachten aan de aandacht van de alfa-man en diens handlangers te ontsnappen.


   Het is eenvoudig in te zien hoe dit idee van een dominante alfa-man, die de sterke leider is waar de groep op vertrouwt, en gelijktijdig de ongenadige veroorzaker van pijn en lijden voor iedere overtreding van de groepsnormen, zich in de menselijke cultuur ontwikkelde. Het is dan ook begrijpelijk waarom deze alfa-man vooral geïnteresseerd was in de seksuele activiteiten van zijn ‘onderdanen’, en vooral zorgde dat de vrouwtjes seksueel inactief bleven totdat hij zijn beurt heeft gehad, of in ieder geval zijn toestemming had verleend. 


   Dominantie over zijn groep door het beheersen van hun seksuele activiteiten verzekerde dat zijn genen prioriteit kregen, terwijl hij door het toekennen van beloningen de gehoorzaamheid kon bevorderen. Onderwijl zorgden andere selectieve krachten dat ‘illegale’ seksuele activiteiten konden doorgaan, en dat die zelfs extra opwindend waren.


   Laten we nu eens twee- tot driehonderdduizend jaren verder in de tijd gaan, en de mensheid volgen op haar  reis over Afrika, Europa, Azië, Noord- en Zuid-Amerika, waar ze zich in grote nomadische stammen had verspreid, of zich in permanente landbouw-gemeenschappen en steden had gevestigd. Nu was er geen plaats meer voor een solitaire alfa-man om over de groep te zitten uitkijken, en de groep was te groot en divers geworden om door hem gedomineerd te kunnen worden, maar in de menselijke cultuur bestaat hij nog steeds. De memen die op de Oost-Afrikaanse vlakten ontstonden worden nog steeds over de generaties doorgegeven. Dus veel van onze culturele denkbeelden zijn geëvolueerd vanuit een milieu dat nog gekenmerkt werd door de aanwezigheid van dominante alfa-mannen, maar hun fysieke realiteit heeft nu plaats gemaakt voor het culturele idee van slechts één soortgelijke machthebber. 


   Deze alfa-man zit nu op een denkbeeldige uitkijkpost vanwaar hij de stam overziet, en is nog steeds de goedgunstige beschermer en leider, de handhaver van de wet, en de wraakzuchtige bewaker van zijn alleenrecht om toestemming voor seksuele activiteiten te geven of te onthouden. Die toestemming verleent hij nu alleen nog door de symbolische ceremonie van het huwelijk.


   De loyale supporters die optreden als zijn politie-agenten, bestaan echter nog steeds in de realiteit. Ze zijn een zelfbenoemde kaste geworden die optreedt alsof de alfa-man nog steeds zou bestaan, en die zich op zijn macht en autoriteit beroepen, omdat alleen zij hem zouden vertegenwoordigen en zijn wil uitvoeren. Ze zijn zijn priesterdom geworden.


   Welkom bij de god hypothese: de imaginaire goedgunstige leider die echter ook ontzag wekt; de liefhebbende beschermer die overtredingen bestraft, en die een speciale interesse voor onze seksuele activiteiten vertoont. De man wiens autoriteit om over ons te regeren nu zo diep verankerd ligt in de menselijke cultuur dat velen het als een zonde beschouwen die met onvoorstelbaar lijden en pijn bestraft moet worden als we zelfs maar aan de liefde van deze alfa-man durven te twijfelen. En als een leider die het zo maar in zijn hoofd kan halen ons zijn almacht te tonen door een willekeurig vertoon van nietsonziend geweld, als we niet heel erg goed oppassen.


   God: een cultureel denkbeeld dat een fossiel overblijfsel is van onze evolutie vanaf een aap op de vlakten van Oost-Afrika.


   Culturele evolutie verklaart zowel de herkomst van het idee van een god, als de misvatting van dit idee.

_____


Bron: http://rosarubicondior.blogspot.co.uk/2010/07/evolution-of-god-hypothesis.html#sthash.DKveO7qw.dpuf


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITEMAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort