visitors on myspace
WAAROM IK EEN AGNOSTICUS BEN | POSITIEF ATHEÏSME <>

WAAROM IK EEN AGNOSTICUS BEN

image7313

ROBERT G. INGERSOLL  




1896  



Voor het grootste deel erven wij onze meningen. We zijn de erfgenamen van gewoontes en mentale zeden. Onze overtuigingen, evenals de mode van onze kleding, hangen af van waar we werden geboren. 

   De leefomgeving is een beeldhouwer – een schilder.

    Als we in Constantinopel geboren zouden zijn, zouden de meesten van ons hebben gezegd: “Er is geen God behalve Allah, en Mohammed is zijn profeet.” Als onze ouders op de oevers van de Ganges hadden gewoond, zouden we vereerders van Siva zijn geweest, verlangend naar de hemel van het Nirvana.


imgres

   Als regel houden kinderen van hun ouders, geloven ze wat die hen leren, en zijn ze er trots op te kunnen zeggen dat de religie van hun moeder goed genoeg voor hen is.

   De meeste mensen houden van vrede. Ze houden er niet van om van hun buren te verschillen. Ze houden van gezelschap. Ze zijn sociaal. Ze genieten ervan met de menigte op te trekken. Ze hebben een hekel aan het alleen lopen.

   De Schotten zijn Calvinisten omdat hun vaders dit waren. De Ieren zijn Katholieken omdat hun vaders dit waren. De Engelsen zijn Episcopaten SIVA                                                    omdat hun vaders dit waren, en de Amerikanen zijn verdeeld in honderden sekten omdat hun vaders dit waren. Dit is de algemene regel, waarop vele uitzonderingen mogelijk zijn. Kinderen zijn soms superieur aan hun ouders, passen hun ideeën aan, veranderen van gewoonten, en komen tot andere conclusies. Maar dit gaat in het algemeen zo geleidelijk dat de afwijking nauwelijks wordt opgemerkt, en dat degenen die veranderden meestal volhouden dat ze nog steeds de vaders volgen.

   Door christelijke historici wordt beweerd dat de religie van een volk soms plotseling veranderde, en dat miljoenen heidenen christelijk werden gemaakt op bevel van een koning. Filosofen zijn het niet eens met deze historici. Namen zijn veranderd, altaars zijn omver geworpen, maar opvattingen, gewoonten en overtuigingen bleven hetzelfde. Een heiden, onder de dreiging van het getrokken zwaard van een christen, zou waarschijnlijk zijn religieuze opvattingen wijzigen, en een christen, met een kromzwaard boven zijn hoofd, zou plotseling een Mohammedaan kunnen worden, maar in feite zouden beiden precies blijven wie ze eerder waren – behalve in hun uitspraken.


   Geloof is niet onderworpen aan de wil. Mensen denken zoals ze moeten. Kinderen geloven niet, en kunnen niet precies geloven zoals ze geleerd werd. Ze zijn niet gelijk aan hun ouders. Ze verschillen in temperament, in ervaring, in capaciteit, in omgeving. En zo is er een doorlopende, hoewel bijna niet waarneembare, verandering. Er is ontwikkeling, bewuste en onbewuste groei en door vergelijking over lange perioden van tijd vinden we dat het oude haast prijsgegeven is, haast verloren is gegaan in het nieuwe. De mens kan niet stationair blijven. De geest kan niet stevig verankerd worden. Als we niet vorderen, gaan we achteruit. Als we niet groeien, vergaan we. Als we niet ontwikkelen, verschrompelen en verdorren we.

   Zoals de meesten van u, groeide ik op onder mensen die wisten – die zeker waren. Ze redeneerden of onderzochten niet. Ze hadden geen twijfels. Ze wisten dat ze de waarheid bezaten. In hun geloofsbelijdenis was geen twijfel – geen misschien. Ze hadden een openbaring van God. Ze kenden het begin van alle dingen. Ze wisten dat God begon te scheppen op een maandagochtend, vierduizend en vier jaar voor Christus. Ze wisten dat in de eeuwigheid – voorafgaand aan die ochtend, hij niets had gedaan. Ze wisten dat het hem zes dagen had genomen om de aarde te maken – alle planten, alle dieren, alle leven, en al de globes die door de ruimte wentelen. Ze wisten precies wat hij iedere dag deed en wanneer hij uitrustte. Ze kenden de oorsprong, de oorzaak van kwaad, van alle kwaad, van alle ziekten en de dood.


   Ze kenden niet alleen het begin, maar ze kenden het einde. Ze wisten dat het leven één pad had en één weg. Ze wisten dat het pad, gras-overgroeid en smal, gevuld met doornen en distels, vergeven van adders, nat van tranen, bevlekt door bloedende voeten, naar de hemel leidde, en dat de weg, breed en effen, omzoomd met fruit en bloemen, gevuld met gelach en gezang en al het geluk van de menselijke liefde, direct naar de hel leidde. Ze wisten dat God zijn best deed om je het pad te laten nemen en dat de Duivel al zijn listen gebruikte om je op de weg te krijgen.

   Ze wisten dat er een eeuwigdurende strijd gewaagd werd tussen de grote Machten van goed en kwaad, om het bezit van de menselijke zielen. Ze wisten dat vele eeuwen geleden God zijn troon had verlaten en als baby geboren werd in deze arme wereld – en dat hij gestorven was terwille van de mens – terwille van het redden van weinigen. Ze wisten ook dat het menselijk hart uiterst verdorven is, dat de mens van nature het verkeerde bemint, en God uit alle macht haat.

   Gelijkertijd wisten ze dat God de mens geschapen had naar zijn eigen gelijkenis en volkomen tevreden was met zijn werk. Ze wisten ook dat hij werd tegengewerkt door de Duivel die met listen en leugens de eerste van de menselijke soort had bedrogen. Ze wisten dat als gevolg daarvan, God de man en de vrouw vervloekt had; de man met zware arbeid, de vrouw met slavernij en pijn, en beiden met de dood; en dat hij deze aarde zelf vervloekte met doornen en stekels, brandnetels en distels. Al deze gezegende dingen wisten ze. Ze kenden ook alles dat God gedaan had om het ras te zuiveren en verbeteren. Ze wisten alles over de Zondvloed – wisten dat God, met uitzondering van acht, al zijn kinderen had verdronken – de ouden en de jongen – de gebogen patriarch en de blozende baby – de jonge man en de opgewekte deerne – de liefhebbende moeder en het lachende kind – omdat zijn genade eeuwigdurend is. Ze wisten ook dat hij de beesten en de vogels verdronken had – alles dat liep of kroop of vloog – omdat zijn liefdevolle zachtaardigheid in al zijn werken aanwezig is. Ze wisten dat God – om zijn kinderen beschaving bij te brengen, sommigen door aardbevingen had verzwolgen, sommigen vernietigd had met vurige stormen, sommigen met zijn bliksem had gedood, en miljoenen getroffen had door hongersnood, door de pest, en ontelbare duizenden had geofferd op de slagvelden van oorlogen. Ze wisten dat het noodzakelijk was deze dingen te geloven en God lief te hebben. Ze wisten dat er geen verlossing kon zijn behalve door geloof, en door het verlossende bloed van Jezus Christus.

   Allen die twijfelden of ontkenden zouden verloren gaan. Een moreel en eerlijk leven leiden – beloften na te komen, voor vrouw en kind te zorgen – een gelukkig tehuis te maken – een goed burger te zijn, een patriot, een rechtvaardig en bedachtzaam man, was gewoon een nette manier om naar de hel te gaan.

   God beloonde de mens niet voor het eerlijk zijn, gul en moedig, maar voor de daad van geloof. Zonder geloof, waren alle zogenaamde deugden zonden, en de mensen die deze deugden beoefenden, zonder geloof, verdienden het om eeuwige pijn te lijden.

   Al deze geruststellende en redelijke dingen werden door dominees vanaf de kansel onderwezen – door onderwijzers in zondagsscholen en door de ouders thuis. De kinderen waren de slachtoffers. Ze werden aangevallen in de wieg – in hun moeders armen. Daarna vervolgde de schoolmeester de oorlog tegen hun natuurlijk verstand, en alle boeken die ze lazen waren gevuld met dezelfde onmogelijke waarheden. De arme kinderen waren hulpeloos. De atmosfeer die ze inademden was van leugens vervuld – leugens die zich met hun bloed vermengden.

   In die dagen waren predikanten afhankelijk van opwekkingen om zielen te redden en de wereld te hervormen.

   In de winter, als verbindingen waren verbroken, werden activiteiten tijdelijk uitgesteld. Er waren geen spoorwegen en de enige verbindingsmiddelen waren wagens en boten. Meestal waren de wegen zo slecht dat de wagens bij de boten werden opgeslagen. Er waren geen opera’s, geen theaters, geen vermaak behalve feestjes en bals. De feestjes werden als werelds beschouwd en de bals als verdorven. Voor echt en deugdzaam vermaak waren de goede mensen afhankelijk van opwekkingen.

   De preken gingen meestal over de pijnen en folteringen van de hel, de vreugden en verrukkingen van de hemel, de zaligmaking door het geloof, en de heilzaamheid van boetedoening. De kleine kerkjes waarin de diensten werden gehouden, waren vaak benauwd, slecht geventileerd en buitensporig warm. De emotionele preken, het droeve gezang, de hysterische amens, de hoop op de hemel, de angst voor de hel, deden velen het kleine beetje verstand dat ze hadden, verliezen. Ze werden werkelijk mentaal gestoord. In deze toestand dromden ze dan samen in de “zondaars banken” – smeekten ze om de gebeden van de gelovigen – hadden vreemde gevoelens, baden en weenden en dachten dat ze opnieuw geboren werden. Daarna wilden zij van hun ervaringen vertellen – hoe verdorven ze waren geweest – hoe zondig hun gedachten waren geweest, hun verlangens, en hoe goed ze plotseling waren geworden. 

   Ze vertelden dan het verhaal van een oude vrouw die, sprekend over haar ervaringen, zei: - “Voordat ik bekeerd werd, voordat ik mijn hart aan God gaf, heb ik gelogen en gestolen, maar nu, dank zij de genade en het bloed van Jezus Christus, ben ik met beiden in grote mate opgehouden.”

   Natuurlijk waren niet alle mensen dezelfde mening toegedaan. Er waren sommige spotters, en nu en dan had iemand verstand genoeg om te lachen om de dreigementen van de priesters, en de hel te beschimpen. Sommige vertelden over ongelovigen die in vrede leefden en stierven.

   Toen ik een jongen was hoorde ik ze vertellen over een oude boer in Vermont. Hij was stervende. De dominee kwam naar zijn bed – vroeg hem of hij een christen was – of hij op de dood voorbereid was. De oude man antwoordde dat hij geen voorbereidingen had getroffen, dat hij geen christen was – dat hij nooit iets anders had gedaan dan werken. De prediker zei dat hij hem geen hoop kon geven tenzij hij geloof had in Christus, en dat als hij geen geloof had zijn ziel zeker verloren zou gaan.

   De oude man was niet bevreesd. Hij was volkomen kalm. In een zwakke en gebroken stem zei hij: “Meneer de predikant, ik neem aan dat u mijn boerderij hebt gezien. Mijn vrouw en ik kwamen hier meer dan vijftig jaar geleden. We waren pas getrouwd. Het was toen een woud en het land was bezaaid met stenen. Ik kapte de bomen, verbrandde de stammen, raapte de stenen en maakte de muren. Mijn vrouw spon en weefde en werkte ieder moment. We voedden onze kinderen op en onderwezen ze – we ontzagen onszelf niet. Gedurende al die jaren had mijn vrouw nooit een goede jurk, of een fatsoenlijke hoed. Ik heb nooit een goed pak kleren gehad. We leefden van het eenvoudigste voedsel. Onze handen, onze lichamen zijn vervormd door zwoegen. We hebben nooit vakantie gehad. We hielden van elkaar en de kinderen. Dat is de enige luxe die we ooit hebben gehad. Nu ik bijna ga sterven vraagt u mij of ik voorbereid ben. Meneer de predikant, ik heb geen vrees voor de toekomst, geen angst voor enige andere wereld. Misschien is er zo’n plaats als de hel – maar als die er is, kunt u mij nooit doen geloven dat die erger is dan het oude Vermont.”

   En, ze vertelden over een man die zichzelf met zijn hond vergeleek. “Mijn hond,” zei hij, “blaft en speelt slechts – heeft alles wat hij wil eten. Hij werkt nooit – maakt zich nergens zorgen over. Over een poosje gaat hij dood, en dat is alles. Ik werk uit alle macht. Ik heb geen tijd om te spelen. Ik heb alle dagen problemen. Over een poosje zal ik sterven, en dan ga ik naar de hel. Ik wou dat ik een hond was geweest.”

   Wel, zolang het koude weer duurde, zolang de sneeuw viel, gingen de opwekkingen door, maar wanneer de winter voorbij was, wanneer de fluit van de stoomboot werd gehoord, wanneer de activiteiten weer begonnen, vervielen de meeste bekeerlingen terug in hun oude manieren. Maar de volgende winter waren zij er weer, klaar om “opnieuw geboren” te worden. Ze vormden een soort repertoire-gezelschap, iedere winter weer dezelfde rollen spelend en iedere lente weer terugvallend in hun oude gewoonten.

   De voorgangers, die bij deze opwekkingen preekten, waren ernstig. Ze waren gedreven en oprecht. Ze waren geen filosofen. Voor hen was wetenschap de naam van een vage dreiging – een gevaarlijke vijand. Ze wisten niet veel, maar geloofden veel. Voor hen was de hel een brandende realiteit – ze konden de rook en de vlammen zien. De Duivel was geen mythe. Hij was een werkelijke persoon, een rivaal van God, een vijand van de mensheid. Ze dachten dat je ziel redden de belangrijkste activiteit in dit leven was – en dat we allen de zegen van een gezond verstand hoorden te weerstaan en verachten, en de blik ferm gevestigd moesten houden op de gouden poort van het Nieuwe Jeruzalem. Ze waren onevenwichtig, emotioneel, hysterisch, huichelachtig, hatelijk, liefhebbend en mentaal gestoord. Ze geloofden echt dat de Bijbel het werkelijke woord van God was - een boek zonder vergissingen of tegenspraak. Ze noemden haar wreedheden, gerechtigheid – haar absurditeiten, mysteries – haar wonderen, feiten, en de idiote passages werden beschouwd als diepgaand spiritueel. Ze stonden uitvoerig stil bij de wroegingen, de spijt, de oneindige kwellingen van de verlorenen, en toonden aan hoe eenvoudig die konden worden voorkomen, en hoe goedkoop de hemel kon worden verkregen. Ze hielden hun gehoor voor te beloven, vertrouwen te hebben, hun hart aan God te geven, hun zonden aan Christus, die hun lasten zou dragen en hun zielen blank als sneeuw zou maken.

   Deze voorgangers geloofden dit allemaal echt. Ze waren absoluut zeker. In hun geest had de Duivel tevergeefs getracht de zaden van twijfel te zaaien.

   Ik heb honderden van deze evangelische preken aangehoord – hoorde honderden van de meest angstaanjagende en levendige beschrijvingen van de martelingen die in de hel werden toegebracht, over de verschrikkelijke staat van de verlorenen. Ik veronderstelde dat wat ik hoorde waar was, en toch geloofde ik het niet. Ik zei, “Het is zo,” en dan dacht ik, “Het kan niet zo zijn.”  

   Deze preken maakten slechts een vage impressie op mijn geest. Ik was niet overtuigd.

   Ik wenste niet “bekeerd” te worden, wilde geen “nieuw hart” en verlangde niet “opnieuw geboren” te worden.

   Maar ik hoorde één preek die me in het hart raakte, die een teken, als een litteken in mijn hersens achterliet. 

   Op een zondag ging ik met mijn broer luisteren naar een predikant van de Vrije Wil Baptisten. Hij was een grote man, gekleed als een boer, maar hij was een redenaar. Hij kon een beeld schilderen met woorden.

   Voor zijn tekst nam hij de gelijkenis van “de rijke man en Lazarus.” Hij beschreef Dives, de rijke man – zijn manier van leven, de uitspattingen waarin hij zich uitleefde, zijn extravagantie, zijn wilde nachten, zijn purper en fijne linnen, zijn feesten, zijn wijnen, en zijn beeldschone vrouwen.

   Daarna beschreef hij Lazarus, zijn armoede, zijn vodden en ellende, zijn arme lichaam dat door ziekten werd verteerd, de korsten en kruimels die hij verslond, de honden die medelijden met hem hadden. Hij beschreef zijn eenzame leven, zijn dood zonder vrienden.

   Toen, zijn toon van medelijden veranderend in één van triomf – van tranen naar de hoogten van verrukking stijgend – van verslagenheid naar overwinning – beschreef hij het glorieuze gezelschap van engelen, die met witte en uitgespreide vleugels de ziel van deze verachte pauper naar het Paradijs droegen – naar de boezem van Abraham.

   En dan, zijn stem van veranderend in één van verachting en afkeer, vertelde hij van de dood van de rijke man. Hij was in zijn paleis, op zijn kostbare divan, de lucht zwaar van parfum, de kamer vol bedienden en dokters. Zijn goud was toen waardeloos geworden. Hij kon geen volgende ademtocht meer kopen. Hij stierf, en in de hel opende hij zijn ogen, toen hij werd gemarteld.

   Toen, een dramatische houding aannemend, zijn rechterhand naar zijn oor brengend, fluisterde hij, “Hoor! Ik hoor de stem van de rijke man. Wat zegt hij? Hoor! ‘Vader Abraham! Ik smeek u Lazarus te sturen zodat hij de tip van zijn vinger in water kan dopen om mijn verschroeide tong te verkoelen, want ik wordt gemarteld in deze vlammen.’”

   “O, mijn toehoorders, hij heeft dit verzoek voor meer dan achttienhonderd jaar gemaakt. En miljoenen jaren vanaf nu zal die kreet de golf oversteken die tussen de geredden en de verlorenen ligt en zal de schreeuw nog worden gehoord: ‘Vader Abraham! Vader Abraham! Ik smeek u Lazarus te sturen zodat hij de tip van zijn vinger in water mag dopen om mijn verschroeide tong te verkoelen, want ik wordt gemarteld in deze vlammen.’”

   Voor het eerst begreep ik het dogma van eeuwige pijn – apprecieerde ik “de goede tijding van grote vreugde.” Voor het eerst doorzag mijn verbeelding de hoogte en diepte van de christelijke verschrikking. Toen zei ik: “Het is een leugen, en ik haat jullie religie. Als het waar is, haat ik jullie God.” 

   Vanaf die dag heb ik geen vrees gehad, geen twijfel. Voor mij, op die dag, werden de vlammen van de hel geblust. Vanaf die dag heb ik iedere orthodoxe geloofsbelijdenis gepassioneerd gehaat. Die preek deed iets goeds.

                          

_____


Vanaf mijn kindertijd had ik de Bijbel horen lezen, en zelf gelezen. ‘s Morgens en ‘s avonds werd het heilige boek geopend en de gebeden uitgesproken. De Bijbel was mijn eerste geschiedenis, de Joden waren de eerste mensen, en de gebeurtenissen die door Mozes en andere geïnspireerde mensen werden beschreven en die door profeten werden voorspeld, waren de meest belangrijke zaken. In andere boeken vondt men de gedachten en dromen van mensen, maar in de Bijbel stonden de heilige waarheden van God. 

imgres

 Maar ondanks mijn omgeving, mijn opvoeding, had ik geen liefde voor God. Hij was zo zuinig met genade, zo extravagant met moorden, zo gretig om te doden, zo bereid om uit te roeien, dat ik hem met heel mijn hart haatte. Op zijn bevel, werden baby’s geslacht, vrouwen verkracht, en het witte haar van bevende ouderdom met bloed bevlekt. Deze God bezocht de mensen met pestilentie – vulde de huizen en bedekte de straten met de stervenden en de doden – zag baby’s verhongeren aan de lege borsten van ziekelijk bleke moeders, hoorde de snikken, zag de tranen, de ingevallen wangen, de zichtloze ogen, de verse graven, en bleef net zo zonder erbarmen als de pestilentie. 

   Deze God hield de regen achter – veroorzaakte de hongersnood, zag de stekende ogen van honger – de geknakte vormen, de witte lippen, zag moeders baby’s eten, en bleef meedogenloos.

   Het lijkt mij voor een beschaafd mens onmogelijk de God van het Oude Testament lief te hebben, te vereren of te respecteren. Een werkelijk beschaafde man, een werkelijk beschaafde vrouw, moet zulk een God verafschuwen en verachten. 

   Maar in vroegere tijden rechtvaardigden de goede mensen Jehova in zijn behandeling van de heidenen. De ongelukkigen die vermoord werden waren afgodendienaars en daarom ongeschikt om te leven. 

   Volgens de Bijbel had God zich nooit aan deze mensen geopenbaard en hij wist dat ze zonder een openbaring niet konden weten dat hij de ware God was. Wiens fout was het dan dat ze heidenen waren?

   De christenen zeiden dat God het recht had ze te vernietigen omdat hij ze geschapen had. Waar schiep hij ze voor? Hij wist toen hij ze maakte dat ze prooi voor het zwaard zouden worden. Hij wist dat hij het plezier zou hebben om ze te zien worden vermoord. 

   Als een laatste antwoord, als een finaal excuus, zeiden de vereerders van Jehova dat al deze verschrikkelijke dingen gebeurden onder het “oude bestier” van een onverbiddelijke wet, maar dat onder het “nieuwe bestier” alles was veranderd – het zwaard van gerechtigheid was terug in de schede en de liefde was gevestigd. In het Oude Testament, zeiden ze, is God de rechter – maar in het Nieuwe is Christus de genadige. In feite is het Nieuwe Testament oneindig veel slechter dan het Oude. In het Oude Testament staat geen bedreiging met eeuwige pijn. Jehova had geen eeuwige gevangenis – geen eeuwigdurend vuur. Zijn haat eindigde bij het graf. Zijn wraakzucht was bevredigd als zijn vijand dood was.

   In het Nieuwe Testament is de dood niet het einde, maar het begin van een bestraffing die geen einde kent. In het Nieuwe Testament is de boosaardigheid van God oneindig en zijn honger voor wraak eeuwigdurend.

   De orthodoxe God, toen hij bekleed was met menselijk vlees, vertelde zijn discipelen het kwaad niet te weerstaan, van hun vijanden te houden, en wanneer geslagen op één wang ze de andere toe te keren, en toch wordt ons verteld dat deze zelfde God, met de zelfde liefhebbende lippen, deze harteloze, deze duivelse woorden uitte: “Gaat heen, vervloekten, in het eeuwigdurende vuur, bereid voor de duivel en zijn engelen.”

   Dit zijn de woorden van “eeuwigdurende liefde.” 

   Geen menselijk wezen heeft verbeelding genoeg om deze oneindige verschrikking te kunnen bevatten. 

   Alles dat het menselijk ras te verduren heeft gehad in oorlog en ontbering, in pestilentie en hongersnood, in brand en overstroming - al de pijnscheuten en smarten van iedere ziekte en iedere dood – al dit is niets vergeleken met de ondraaglijke pijnen die één verloren ziel moet ondergaan. 

   Dit is de troost van de christelijke religie. Dit is de gerechtigheid van God – de genade van Christus.

   Dit vreselijke dogma, deze oneindige leugen, maakte mij tot de onverzoenlijke vijand van het christendom. De waarheid is dat dit geloof in eeuwigdurende pijn de echte vervolger is. Het richtte de Inquisitie op, smeedde de ketenen, en leverde de takkenbossen. Het heeft het leven van miljoenen verduisterd. Het maakte de wieg zo verschrikkelijk als de doodskist. Het bracht naties in slavernij en vergoot het bloed van talloze duizenden. Het offerde de wijsten, de moedigsten en de besten op. Het ondermijnde het idee van gerechtigheid, verdreef genade uit het hart, veranderde mensen in duivels en bande de rede uit het brein. 

   Als een giftige slang kruipt en sluipt en sist het in iedere orthodoxe belijdenis.

   Het maakt de mens een eeuwigdurend slachtoffer en God een eeuwigdurende duivel. Het is de enige absolute verschrikking. Iedere kerk waarin het wordt verkondigd is een publieke vloek. Iedere prediker die het verkondigt is een vijand van de mensheid. Onder dit christelijke dogma kunnen wreedheden niet verdwijnen. Het is het uiterste van kwaadwilligheid, haat, en wraak. 

   Aan de verschrikkingen van de hel kan niets meer worden toegevoegd, behalve de aanwezigheid van zijn schepper, God.

   Zolang ik leven heb, zo lang ik ademhaal, zal ik met al mijn kracht deze oneindige leugen ontkennen, en haten met iedere druppel van mijn bloed. 

   Niets geeft mij groter plezier dan te weten dat dit geloof in eeuwigdurende pijn ieder dag zwakker wordt – dat duizenden voorgangers er al beschaamd over zijn. Het doet me plezier dat christenen genadig worden, zo genadig dat het vuur van de hel laag brandt – flakkerend, gesmoord in as, voorbestemd om in weinige jaren voor eeuwig uit te sterven.

    Eeuwenlang was het christendom een gekkenhuis. Pauzen, kardinalen, bisschoppen, priesters, monniken en kluizenaars waren allemaal krankzinnig. 

   Slechts weinigen – vier of vijf in een eeuw, waren gezond in hart en geest. Slechts weinigen, ondanks het geraas en gebulder, ondanks de wrede kreten, hoorden de stem van de rede. Slechts weinigen, in het wilde geraas van onwetendheid, vrees en geestdrift, bewaarden de volmaakte kalmte die alleen wijsheid brengt. 

   We zijn gevorderd. Over weinige jaren zullen de christenen – laten we hopen – humaan en verstandig genoeg worden om het dogma te ontkennen dat de eindeloze jaren vervuld heeft met pijn. Ze horen nu te weten dat dit dogma totaal inconsistent is met de wijsheid, de gerechtigheid, de goedheid van hun God. Ze horen te weten dat hun geloof in een hel aan de Heilige Geest – de duif – de bek geeft van de gier, en de mond vult van het Lam van God met de giftanden van de adder.

                         

_____



In mijn jeugd las ik religieuze boeken – boeken over God, over boetedoening – over verlossing door geloof, en over de andere werelden. Ik raakte bekend met de commemtatoren – met Adam Clark, die dacht dat de slang onze moeder Eva had verleid, en in feite de vader van Cain was. Hij geloofde ook dat de dieren, terwijl ze samen in de ark waren, hun eigenschappen zelfs zo ver gewijzigd hadden dat ze samen stro aten en van elkaars gezelschap genoten – op deze wijze zich bij voorbaat een beeld vormend van het gezegende millennium. Ik heb Scott gelezen, die zo’n natuurlijke theoloog was dat hij echt dacht dat het verhaal van Phaeton – van de wilde paarden die door de lucht vlogen – het verhaal bevestigde van Jozua die de zon en maan stopte. En, ik heb Henry en Macknight gelezen en ontdekt dat God de wereld zo liefhad dat hij besloot om een grote meerderheid van het menselijke ras te verdoemen. Ik las Cruden, die de grote “Concordance” opstelde, en de wonderen zo klein en waarschijnlijk maakte als hij maar kon. 

url

   Ik herinner me dat hij het wonder verklaarde van het voeden van de zwervende joden met kwartels, door te zeggen dat zelfs nu nog immense aantallen kwartels de Rode Zee oversteken, en dat soms, wanneer ze moe zijn, ze neerstrijken op schepen die dan onder hun gewicht bezwijken en zinken. Het feit dat deze uitleg net zo moeilijk te geloven was als het wonder maakte geen verschil voor de vrome Cruden.

   Om de tijd te doden las ik Calvijns ‘Institutes’, een boek bedoeld om in ieder natuurlijk brein aanzienlijk respect voor de Duivel te produceren. 

   Ik las Paley’s Bewijzen en ontdekte dat het bewijs voor intelligentie in de schepping van kwaad, in het bewerkstelligen van het schadelijke, op zijn minst gelijk stond aan het bewijs voor intelligentie in de schepping van wat we goed noemen. 

   U weet dat het horloge-argument Paley’s grootste prestatie was. Iemand vindt een horloge en het is zo wonderbaarlijk dat het een maker EXODUS                                               moet hebben. Hij vindt de maker en die is zoveel meer wonderbaarlijk dan het horloge, dat hij zegt dat hij een maker moet hebben. Dan vindt hij God, de maker van de man, en hij is zoveel meer wonderbaarlijk dan de man dat hij niet een maker kan hebben. Dit is wat juristen een deviatie in een pleidooi noemen.

   Volgens Paley kan er geen ontwerp bestaan zonder ontwerper – maar kan er een ontwerper zijn zonder ontwerp. Het wonder van het horloge suggereerde een horlogemaker, en het wonder van de horlogemaker suggereerde een schepper, en het wonder van een schepper demonstreerde dat hij niet geschapen werd – maar onveroorzaakt was en al eeuwig bestaand.

   We hadden Edwards over ‘The Will’, waarin de eerwaarde auteur betoogt dat noodgedwongenheid geen effect heeft op verantwoordelijkheid – en dat wanneer God een menselijk wezen schept, en tegelijkertijd precies bepaalt en verordent wat dat wezen zal zijn en doen, het menselijk wezen daarvoor verantwoordelijk blijft, en dat God in zijn gerechtigheid en genade daarom het recht heeft de ziel van dat menselijk wezen voor eeuwig te kwellen. Toch zei Edwards dat hij van God hield.

   Het feit is dat als je in een oneindige God gelooft, en ook in eeuwigdurende bestraffing, je moet toegeven dat Edwards en Calvijn absoluut gelijk hadden. Er is geen ontsnappen aan hun conclusies als je hun premisses erkent. Ze waren oneindig wreed, hun premisses oneindig absurd, hun God oneindig duivels, en hun logica perfect. 

   En toch heb ik vriendelijkheid en openheid genoeg om te zeggen dat Calvijn en Edwards beiden krankzinnig waren. 

   We hadden een overvloed aan theologische literatuur. Er was Jenkyn over de ‘Atonement’, die de wijsheid van God demonstreerde door een manier te bedenken waarop met het lijden van onschuldigen de schuldigen konden worden  gerechtvaardigd. Hij probeerde aan te tonen dat kinderen terecht konden worden bestraft voor de zonden van hun voorvaders, en dat aan de mens, als hij geloof had, terecht  de deugden van anderen kon worden toegeschreven. Niets kon vromer zijn, orthodoxer, en idioter. Maar niet al onze theologie was in proza. We hadden Milton met zijn hemelse militia en zijn grootse, blunderende God, zijn trotse en listige Duivel – zijn oorlogen tussen de onsterfelijken, en al de sublieme absurditeiten die religie gewrocht had in het brein van de blinde.

   De theologie die door Milton werd onderwezen, sprak het Puriteinse hart aan. Ze werd door New England geaccepteerd en vergiftigde de zielen en ruïneerde de levens van duizenden. Het talent van Shakespeare kon de theologie van Milton niet poëtisch maken. In de wereldliteratuur bestaat niets, buiten de “heilige boeken”, dat meer perfect absurd is.

   We hadden Youngs ‘Night Thoughts’, en ik nam aan dat de auteur een buitengewoon devote en liefhebbende volgeling van de Heer was. Maar Young had een groot verlangen om bisschop te worden, en om dat doel te bereiken verwierf hij de gunsten van de maitresse van de koning. In andere woorden, hij was een prachtige oude hypocriet. In de Nacht Gedachten staat nauwelijks één echt eerlijke, natuurlijke zin. Het is pretentie van begin tot eind. Hij schreef niet wat hij voelde, maar wat hij dacht dat hij hóórde te voelen.

   We hadden Polloks ‘Course of Time’, met zijn worm die nooit sterft, zijn onblusbare vlammen, zijn eindeloze kwellingen, zijn grijnzende duivels, en zijn wellustig toekijkende God. Dit beangstigende gedicht zou in een gekkenhuis geschreven moeten zijn. Hierin vindt je al de kreten en kreunen en gillen van maniakken, als ze elkaars vlees verscheuren. Het is zo harteloos, zo verschrikkelijk, zo hels als het twee-en-dertigste hoofdstuk van Deuteronomium.

   We kennen allemaal die prachtige psalm die begint met de opgewekte regel: “Hoor, vanuit de graven, klinkt naargeestig een geluid.” Niets zou beter geschikt zijn voor kinderen. Het is goed een doodskist te plaatsen waar die vanuit de wieg gezien kan worden. Wanneer een moeder haar kind koestert, hoort er een open graf aan haar voeten te zijn. Dit zou ervoor zorgen dat de baby ernstig wordt, bedachtzaam, religieus en miserabel.

   God haat gelach en veracht vrolijkheid. Zich vrij te voelen, ongehinderd, onverantwoordelijk, vreugdevol - zorgen en dood vergetend – door zon te zijn bestraald, zonder vrees voor de nacht – het verleden vergetend, niet aan de toekomst denkend, geen droom van God, of hemel, of hel – begeesterd van het heden – alleen bewust van de handdruk en kus van degene die je liefhebt – dat is de zonde tegen de Heilige Geest.

   Maar we hadden Cowpers gedichten. Cowper was oprecht. Hij was het tegengestelde van Young. Hij had een scherp oog, een zachtaardig hart en gevoel voor het artistieke. Hij sympathiseerde met allen die leden – met de gevangenen, de onderworpenen, de outcasts. Hij hield van schoonheid. Geen wonder dat het geloof in eeuwigdurende bestraffing zijn liefdevolle ziel krankzinnig maakte. Geen wonder dat de “tijdingen van grote vreugde” zijn grote ster van hoop bluste en zijn gebroken hart in de duisterste wanhoop stortte.

   We hadden vele volumes vol orthodoxe preken, vervuld van wraak en de verschrikkingen van toekomstige berechting – preken die door wrede heiligen werden uitgesproken.

   We hadden het ‘Book of Martyrs’, dat aantoonde dat christenen al eeuwenlang de God die ze vereerden hadden geïmiteerd.

   We hadden de geschiedenis van de Waldenzers – van de reformatie van de Kerk. We hadden ‘Pilgrim’s Progress’, Baxters ‘Call’ en Butlers ‘Analogy’. Om een westerse frase of gezegde te gebruiken, ontdekte ik dat bisschop Butler meer slangen opgroef dan hij doodde – meer moeilijkheden suggereerde dan hij verklaarde – meer twijfels opriep dan hij verjoeg. 

   Te midden van zulke boeken bracht ik mijn jeugd door. Al de zaden van het christendom – van bijgeloof, werden in mijn geest gezaaid en met grote toewijding en zorg gecultiveerd.


_____


 
Al die tijd wist ik niets van enige wetenschap – niets over de andere kant – niets van de bezwaren die tegen de gezegende Heilige Schrift werden ingebracht, of tegen de perfecte Congregationalistische geloofsbelijdenis. Natuurlijk had ik de dominees horen spreken over blasfemisten, over heidense ellendelingen, over bespotters die om heilige dingen lachten, maar ze scheurden hun karakters aan flarden en toonden met de vurigheid van hun beweringen aan dat die het werk van de Duivel hadden gedaan. En toch, ondanks alles wat ik hoorde – ondanks alles dat ik had gelezen, kon ik niet geheel geloven. Mijn geest en hart zeiden: “Nee.”

   Een tijd lang liet ik de dromen, de onzinnigheden, de illusies en waanbeelden, de nachtmerries van theologie achter mij. Ik leerde over astronomie, een klein beetje – ik bestudeerde kaarten van de hemel – leerde de namen van sommige sterrenstelsels – van sommige sterren – ontdekte hun afmetingen, en de snelheden waarmee ze in hun banen rondwentelden – kreeg een flauw inzicht in astronomische ruimten – ontdekte dat sommige van de bekende sterren zo ver weg in de ruimte stonden dat hun licht, reizend met een snelheid van bijna tweehonderdduizend mijl per seconde, vele jaren nodig had gehad om deze kleine wereld te bereiken – ontdekte dat, vergeleken met de grote sterren, onze aarde slechts een korrel zand was – een atoom – ontdekte dat het oude geloof dat alle hemellichamen ten gunste van de mens waren geschapen, oneindig absurd was. 

imgres

   Ik vergeleek wat werkelijk over de sterren bekend was met wat over de schepping verteld wordt in Genesis. Ik ontdekte dat de schrijver van het geopenbaarde boek geen kennis van astronomie had – dat hij zo onwetend was als een indianen opperhoofd – als een Eskimo hondenmenner.  Veronderstelt ook maar iemand dat de auteur van Genesis iets over de zon wist – over zijn afmeting? Dat hij bekend was met Sirius, met de Poolster, met Capella, of dat hij iets wist van de sterrenstelsels zo ver weg dat hun licht, dat nu onze ogen bereikt, twee miljoen jaren onderweg is geweest?

   Als hij deze feiten geweten had, zou hij dan gezegd hebben dat Jehova bijna zes dagen werkte om deze wereld te maken, en maar een deel van de middag van de vierde dag om de zon en de maan en alle sterren te maken? 

   Toch houden miljoenen mensen vol dat de schrijver van Genesis geïnspireerd werd door de Schepper van alle werelden.

   Nu weten intelligente mensen, die niet bevreesd zijn, wier brein niet door angst is verlamd, dat het heilige verhaal van de schepping door een onwetende wilde werd geschreven. Het verhaal is niet in overeenstemming met alle bekende feiten, en iedere ster die aan de hemel schijnt is een getuigenis dat de auteur een ongeïnspireerde barbaar was. 

   Ik geef toe dat de onbekende schrijver oprecht was, dat hij schreef wat hij dacht waar te zijn – dat hij het beste deed dat hij kon. Hij beweerde niet dat hij geïnspireerd was – wendde niet voor dat Jehova hem het verhaal had verteld. Hij vermeldde eenvoudig de “feiten” zoals hij ze begreep.

   Nadat ik een weinig over de sterren geleerd had concludeerde ik dat deze schrijver, deze “geïnspireerde” scribent, door mythe en legende misleid was, en dat hij niet meer over de schepping wist dan de gemiddelde theoloog in mijn tijd. In andere woorden, dat hij absoluut niets wist. 

   En hier, sta me toe te zeggen dat de priesters die mij beantwoorden hun kanonnen in de verkeerde richting hebben gewend. Deze eerwaarde heren horen de astronomen aan te vallen. Ze horen Kepler, Copernicus, Newton, Herschel en Laplace te belasteren. Deze mannen waren de echte vernietigers van het heilige verhaal. En daarna, nadat ze hen opgeruimd hebben, kunnen ze een oorlog beginnen tegen de sterren, en tegen Jehova zelf voor het leveren van bewijzen tegen de waarheid van dit boek.

   Daarna leerde ik iets over geologie – niet veel, slechts een beetje – net genoeg om oppervlakkig te leren over de belangrijkste feiten die ontdekt waren, en sommige van de conclusies die daaruit waren getrokken. Ik leerde iets over de werking van vuur – van water – over de formatie van eilanden en continenten – over sedimentaire rotsen en stollingsgesteenten – over de koollagen – de kalkkliffen, een beetje over koraalriffen – over de afzettingen die door rivieren waren gemaakt, het effect van vulkanen, van gletsjers, en van de alomringende zee – net genoeg om te weten dat het Laurentia Plateau miljoenen jaren ouder is dan het gras onder mijn voeten - net genoeg om met zekerheid te weten dat deze wereld haar vlucht om de zon had gevolgd, in licht en schaduw wentelend, voor honderden miljoenen jaren – net genoeg om te weten dat de “geïnspireerde” schrijver niets wist over de geschiedenis van de aarde – niets wist over de grote krachten in de natuur – over wind en golven en vuur – krachten die vernietigd hebben en gebouwd, verzwolgen en vernieuwd over al de talloze jaren.

   En laat me de dominees opnieuw vertellen dat ze hun tijd niet moeten verknoeien door mij te antwoorden. Ze horen de geologen aan te vallen. Ze horen de feiten te ontkennen die ontdekt zijn. Ze horen hun vervloekingen te richten tot de blasfemerende zeeën, en hun hoofden tegen de heidense rotsen te beuken.

   Daarna leerde ik over biologie – niet veel – net genoeg om iets te weten over diersoorten, genoeg om te weten dat leven al bestond toen het Laurentia Plateau werd gevormd – net genoeg om te weten dat werktuigen van steen, werktuigen die door mensenhanden waren gevormd, gevonden waren vermengd met de botten van uitgestorven dieren, botten die met deze werktuigen werden gespleten, en dat deze dieren hadden opgehouden te bestaan honderdduizenden jaren voordat Adam en Eva werden gefabriceerd.

   Toen wist ik zeker dat de “geïnspireerde” weergave verkeerd was – dat vele miljoenen mensen bedrogen waren en dat alles dat mij geleerd werd over de oorsprong van werelden en mensen totaal onwaar was. Ik voelde nu dat ik wist dat het Oude Testament het werk was van onwetende mensen – dat het een mengelmoes was van waarheid en dwaling, van wijsheid en dwaasheid, van wreedheid en zachtaardigheid, van filosofie en absurditeit – dat het wat verheven gedachten bevatte, wat poëzie – heel veel plechtigheid en alledaagsheid – wat hysterische, wat tedere, wat verdorven gebeden, wat krankzinnige voorspellingen, wat waanbeelden, en wat chaotische dromen.

   Natuurlijk bestreden de theologen de feiten die door de geologen, de wetenschappers waren gevonden, en probeerden ze de heilige geschriften overeind te houden. Ze zagen de botten van de mastodont aan voor die van menselijke wezens, en daarmee konden ze trots bewijzen dat “er reuzen waren in die dagen.” Ze verklaarden de fossielen door te zeggen dat God die gemaakt had om ons geloof op de proef te stellen, of dat de Duivel de werken van de Schepper geïmiteerd had.

   Ze beantwoordden de geologen door te zeggen dat de “dagen” in Genesis lange perioden van tijd waren, en dat de zondvloed misschien slechts plaatselijk was geweest. Ze vertelden de astronomen dat de zon en de maan niet werkelijk, maar slechts schijnbaar waren gestopt. En dat het verschijnsel veroorzaakt werd door de reflectie en refractie van licht.

   Ze verontschuldigden de slavernij en de polygamie, de berovingen en de moorden waar het Oude Testament prat op gaat, door te zeggen dat de mensen zo verdorven waren dat Jehova genoodzaakt was in te spelen op hun onwetendheid en vooroordeel.

   Op alle mogelijke manieren probeerde de geestelijkheid aan de feiten te ontsnappen, de waarheid te ontduiken, om de geloofsbelijdenis in stand te houden.

   Eerst ontkenden ze de feiten – daarna kleineerden ze die - daarna harmoniseerden ze die - daarna ontkenden ze dat ze die ontkend hadden. Daarna wijzigden ze de betekenis van het “geïnspireerde” boek om bij de feiten te passen. Eerst zeiden ze dat als de feiten, zoals beweerd, waar zouden zijn, de Bijbel onwaar zou zijn en het christendom zelf een bijgeloof. Nadien zeiden ze dat de feiten, zoals beweerd, waarheid waren, boven alle twijfel verheven, en ze bewezen dat de Bijbel waar was, evenals de goddelijke oorsprong van orthodoxe religie.  

   Alles dat ze niet konden ontduiken, slikten ze en alles dat ze niet konden slikken, ontdoken ze.

   Ik gaf het Oude Testament op vanwege zijn fouten, zijn absurditeiten, zijn onwetendheid en zijn wreedheid. Ik gaf het Nieuwe op omdat het instond voor de waarheid van het Oude. Ik gaf het op vanwege zijn wonderen, zijn tegenstrijdigheden, omdat Christus en zijn discipelen geloofden in het bestaan van duivels – met ze sprak en met ze onderhandelde, ze uit mensen en dieren verdreef.

   Dit, op zichzelf, is al genoeg. We weten, als er iets is dat we weten, dat duivels niet bestaan – dat Christus ze nooit uitdreef, en dat als hij dit voorwendde, hij of onwetend was, of oneerlijk, of mentaal gestoord.

   Deze verhalen over duivels laten de mens de onwetende oorsprong van het Nieuwe Testament zien. Ik gaf het Nieuwe Testament op omdat het goedgelovigheid beloont, en moedige en eerlijke mensen vervloekt, en omdat het de oneindige verschrikking van eeuwigdurende pijn predikt.


_____



Mijn jeugd besteed hebbend aan het lezen van boeken over religie – over het “herboren” worden – over de ongehoorzaamheid van onze eerste ouders, de boetedoening, de verlossing door geloof, de verdorvenheid van vreugde, de onterende gevolgen van liefde, en de onmogelijkheid in de hemel te komen door eerlijk en gul te zijn, en na een beetje moe te zijn geworden van de strijdlustige en rafelige gedachten, kunt u zich mijn verrassing voorstellen toen ik de gedichten las van Robert Burns.

imgres

 Ik was bekend met de geschriften van de vromen en onoprechten, de eerbiedigen en gefossiliseerden, de puren en de hartelozen. Hier was een natuurlijk eerlijk mens. Ik kende de werken van degenen die alle natuur als verdorven beschouwden, en liefde zagen als de nalatenschap en blijvende getuigenis van de erfzonde. Hier was een mens die vreugde ontleende aan de veengrond, die godinnen maakte van boerenmeisjes, en die de eerlijke mens bekroonde. Iemand wiens sympathie, als met liefhebbende armen, alle vormen van lijdend leven omhelsde, die iedere soort van slavernij haatte, die zo natuurlijk was als het blauw van de hemel, met humor vriendelijk als een herfstdag, een geest zo scherp als de speer van Ithuriël, en een verachting die bulderde als de adem van de hete zandstorm. Een man die deze wereld liefhad, dit leven, de dingen van alle dag, en die de ROBERT BURNS                               opwindende extases van menselijke liefde boven al het andere plaatste.


   Ik las en las, met verrukking, tranen en een glimlach, voelend dat achter deze regels een groot hart klopte.

   De religieuze, de naargeestige, de kunstmatige, de spirituele gedichten waren vergeten of bleven alleen als fragmenten, als half herinnerde verschrikkingen aan monsterlijke en vervormende dromen.

   Eindelijk had ik een natuurlijke man gevonden, een die het wrede credo van zijn land verafschuwde, die moedig en verstandig genoeg was te zeggen: “Alle religies zijn oudewijven fabels, maar een eerlijk mens heeft niets te vrezen, noch in deze wereld, noch in een volgende.”

   Eén die het talent had om 'Holy Willie’s Prayer' te schrijven – een gedicht dat het Calvinisme aan de schandpaal nagelde en de speer van gezond verstand door haar bloedeloze hart dreef – een gedicht dat ieder orthodox credo voedsel voor verachting maakte – voor onweerhoudbaar gelach.

   Burns had zijn fouten, zijn zwakheden. Hij was intens menselijk. Toch zou ik liever dronken voor het Laatste Oordeel verschijnen, en in staat zijn te zeggen dat ik de auteur was van “A man’s a man for ‘a that,” dan perfect nuchter te zijn en toe te moeten geven dat ik als Schotse Presbyteriaan had geleefd en was gestorven.

   Ik heb Byron gelezen – las zijn 'Cain' waarin, net als in zijn 'Paradise Lost', de duivel de betere god schijn te zijn – las zijn prachtige, sublieme en bittere zinnen – las zijn 'Prisoner of Chillon' – zijn beste – een gedicht dat mijn hart vulde met tederheid, met medelijden, en met een eeuwigdurende haat tegen tirannie.

   Ik heb Shelley’s 'Queen Mab' gelezen – een gedicht vervuld van schoonheid, moed, overwegingen, sympathy, tranen en verachting, waarin een moedige ziel de gevangenismuren slecht en de cel met licht overstraalt. Ik heb zijn 'Skylark' gelezen – een gevleugelde vlam – gepassioneerd als bloed – teder als tranen – puur als licht.

   Ik las Keats, “wiens naam in water was geschreven” – las 'St. Agnes Eve', een verhaal met zoveel ongekunstelde kunst verteld dat deze arme gewone wereld werd veranderd in een sprookjeswereld – de 'Grecian Urn', dat de ziel vervult van zulke gretige liefde, met alle vervoering van een verbeelde zang – de 'Nightingale' – een melodie waarin de herinnering aan de dageraad ligt – een herinnering die weg sterft in schemer en tranen, de zintuigen beladend met haar perfectie.

   En toen las ik Shakespeare, de toneelstukken, de sonnetten, de gedichten – alles las ik. Ik nam een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waar; Shakespeare, die het hart en de geest van de mens kende – haar hoop en vrees, haar liefde en haat, de ondeugden en de deugden van het menselijk ras; wiens verbeelding de door tranen besmeurde verslagen las, de bebloede bladzijden van het hele verleden; die het licht van hoop en liefde over de opengeslagen perkamentrol zag vallen; Shakespeare die iedere diepte peilde – terwijl de schaduw van zijn vleugels de hoogst verheven toppen beroerde.

   Ik vergeleek de toneelstukken met de “geopenbaarde” boeken – 'Romeo en Juliet' met het Hooglied van Salomo, 'King Lear' met Job, en de sonnetten met de Psalmen, en ik concludeerde dat Jehova geen verstand had van de kunst van het spreken. Ik vergeleek Shakespeares vrouwen – zijn perfecte vrouwen – met de vrouwen van de Bijbel. Ik ontdekte dat Jehova geen beeldhouwer was, geen schilder – geen artiest – dat hij dat talent miste dat klei in vlees kan veranderen – de kunst, de plastische gave om de perfecte vorm te kneden – de ademtocht die een vrij en vreugdevol leven geeft – het talent dat het foutloze creëert.

   De heilige boeken van de hele wereld zijn waardeloos drek en gewone stenen vergeleken met Shakespeares glinsterende goud en glanzende edelstenen.


_____



Tot aan die tijd toe had ik niets gelezen tegen onze gezegende religie, behalve wat ik vond bij Burns, Byron en Shelley. Dor een toeval las ik Volney, die aantoont dat alle religies zijn gesticht, en altijd werden gesticht, op dezelfde manier – ze hadden hun Christussen, hun apostelen, wonderen en heilige boeken, en die zich dan afvroeg hoe het mogelijk is te beslissen welke de ware is. Een vraag die nog steeds op antwoord wacht.

   Ik las Gibbon, de grootste van historici, die zijn feiten net zo vakkundig rangschikte als Caesar dit deed met zijn legioenen, en ik ontdekte dat christendom slechts een naam is voor het heidendom – voor de oude religie, ontdaan van haar schoonheid – dat sommige absurditeiten waren ingewisseld voor anderen – dat sommige goden gedood waren – een grote menigte duivels geschapen, en dat de hel was vergroot.

imgres

THOMAS PAINE  


   En toen las ik de 'Age of Reason', door Thomas Paine. Sta me toe u iets te vertellen over deze sublieme en belasterde man. Hij kwam naar dit land kort voor de Revolutie. Hij bracht een introductiebrief met zich mee van Benjamin Franklin, in die tijd de grootste Amerikaan.

   In Philadelphia vond Paine werk met het schrijven voor het Pennsylvania Magazine. We weten dat hij minstens vijf artikelen schreef. Het eerste was tegen de slavernij, het tweede tegen het duelleren, het derde over de behandeling van gevangenen – aantonend dat het doel moest zijn te hervormen, niet te bestraffen en vernederen – het vierde over de rechten van de vrouw, en het vijfde als pleidooi voor het vormen van gemeenschappen voor het voorkomen van wreedheid tegen kinderen en dieren.

   Hieruit kunt u zien dat hij de grote hervormingen van onze eeuw voorstelde. De waarheid is dat hij zijn hele leven wijdde aan het goede voor zijn medemens, en net zoveel deed om de Grote Republiek te vestigen als ieder man die ooit onder haar vlag heeft gestaan.

   Hij gaf ons zijn gedachten over religie – over de gezegende Heilige Schrift, over de bijgeloven van zijn tijd. Hij was volmaakt oprecht en wat hij zei was vriendelijk en eerlijk.

   'The Age of Reason' vervulde de harten van degenen die hun vijanden lief hebben met haat, en de gebruiker van iedere orthodoxe kansel werd, en is nog steeds, een gepassioneerde belasteraar van Thomas Paine.

   Zijn argument tegen het dogma van openbaring – zijn bezwaren tegen de Bijbel - heeft niemand beantwoord, en zal niemand ooit beantwoorden. 

   Hij steeg niet boven al de bijgeloven van zijn tijd. Hoewel hij Jehova haatte, prees hij de God van de Natuur, de schepper en instandhouder van alles. Hierin had hij het verkeerd, omdat, zoals Watson zei in zijn 'Reply to Paine', de God van de natuur net zo harteloos, net zo wreed is als de God van de Bijbel.

   Maar Paine was één van de pioniers – één van de Titanen, één van de helden, die graag zijn leven besteedde, ieder en elk van zijn gedachten en daden, om de mensheid te bevrijden en te civiliseren.

   Ik las Voltaire – Voltaire, de grootste man van zijn eeuw, die meer deed voor de vrijheid van mening en meningsuiting dan ieder ander wezen, menselijk of “goddelijk”. Voltaire, die het masker scheurde van hypocrisie en achter de geverfde glimlach de giftanden van haat liet zien. Voltaire, die de gewelddadigheid van de wet bestreed, de wrede beslissingen van corrupte rechtbanken, en haar slachtoffers van de pijnbank redde. Voltaire, die oorlog waagde tegen de tirannieën van tronen, en de hebzucht en harteloosheid van de macht. Voltaire, die het pantser van de priesters doorboorde met de stekelige en giftige pijlen van zijn scherpzinnigheid, en die maakte dat de vrome zwendelaars, die hem in het openbaar vervloekten, innerlijk om zichzelf lachten. Voltaire, die de kant van de verdrukten koos, die ongelukkigen redde, die opkwam voor de onbegrepenen en zwakken, die rechters beschaving bijbracht, die wetten deed afschaffen en marteling uitbande in zijn vaderland.

   In iedere richting bestreed deze onvermoeibare man het absurde, het miraculeuze, het bovennatuurlijke, het idiote, het onrechtvaardige. Hij had geen eerbied voor het oude. Hij was niet onder de indruk van pracht en praal, van gekroonde criminaliteit en gemijterde pretentie. Onder de kroon zag hij de crimineel, onder de mijter de hypocriet. 

   Voor de rechtbank van zijn geweten, zijn rede, daagde hij het barbarisme en de barbaren van zijn tijd. Hij sprak zijn oordeel uit over hen allen, en dat oordeel werd bevestigd door de intelligente wereld. Voltaire ontstak een toorts en gaf de heilige vlam door aan anderen. Het licht schijnt nog steeds, en zal dit doen zolang de mens de vrijheid bemint en de waarheid zoekt.

   Ik las Zeno, die man die zei, eeuwen voordat onze Christus geboren werd, dat een mens zijn medemens niet kon bezitten. 

   “Ongeacht of men een slaaf verkrijgt door aankoop of gevangenneming, is de aanspraak verkeerd. Zij die beweren hun medemens te bezitten, kijken in de afgrond en vergeten de gerechtigheid die de wereld hoort te beheersen.”

   Ik raakte bekend met Epicurus, die de religie van nut onderwees, van matigheid, van moed en wijsheid, en die zei: “Waarom zou ik bang zijn voor de dood? Als ik er ben, is de dood er niet. Als de dood er is, ben ik er niet. Waarom zou ik bang zijn voor dat welk niet kan bestaan wanneer ik besta?”

   Ik las over Socrates, die, toen hij voor zijn leven terechtstond, tot zijn rechters onder andere deze wonderbare woorden richtte: “Ik heb tijdens mijn leven niet getracht rijkdom te vergaren en mijn lichaam te tooien, maar ik heb geprobeerd mijn ziel te sieren met de juwelen van wijsheid, geduld, en boven alles met de liefde voor vrijheid.”

   En, ik las over Diogenes, de filosoof die afkerig was van overbodigheid – die vijand was van verspilling en hebzucht, die op een dag de tempel binnenkwam, eerbiedig het altaar benaderde, een luis tussen zijn duimnagels platdrukte, en plechtig verklaarde: “Het offer van Diogenes aan alle goden.” Dit parodieerde de verering door de wereld – maakte satire van alle credo’s, en drukte in één handeling de essentie van religie uit.

   Diogenes moet bekend zijn geweest met deze “geopenbaarde “ boodschap – “Zonder het vergieten van bloed is er geen vergeving van zonden.”

   Ik vergeleek Zeno, Epicurus en Socrates, de drie heidense stumpers die nooit van het Oude Testament of de Tien Geboden hadden gehoord, met Abraham, Isaac en Jacob, de drie favorieten van Jehova, en ik was verdorven genoeg om te denken dat de heidenen superieur waren aan de aartsvaders – en aan Jehova zelf.


_____



Mijn attentie richtte zich vervolgens op andere religies, op de heilige boeken, de geloofsbelijdenissen en ceremonieën van andere landen – van India, Egypte, Perzië, van dode en stervende naties.

   Ik concludeerde dat alle religies dezelfde basis hadden – een geloof in het bovennatuurlijke – een macht boven de natuur, die de mens door verering kon beïnvloeden – door offerandes en gebed.

   Ik ontdekte dat alle religies berustten op een verkeerde conceptie van de natuur – dat de religie van een volk de wetenschap was van dat volk, dat wil zeggen, hun verklaring van de wereld – van leven en dood – van oorsprong en noodlot.

   Ik kwam tot de conclusie dat alle religies substantieel dezelfde oorsprong hadden, en dat in feite er altijd maar één religie in de wereld is geweest. De twijgjes en de bladeren konden verschillen, maar de stam bleef dezelfde.

   De arme Afrikaan die zijn hart uitstort bij een godheid van steen staat exact op hetzelfde religieuze niveau als de bemantelde priester die zijn God bescherming afsmeekt. Dezelfde vergissing, hetzelfde bijgeloof, buigt de knieën en sluit de ogen van beiden. Beiden vragen om bovennatuurlijke hulp, en geen van beiden heeft het geringste idee van de absolute uniformiteit van de natuur.

   Het lijkt me waarschijnlijk dat de eerste georganiseerde religie de verering van de zon was. De zon was de “Hemelse Vader”, de “Alziende”, de bron van leven – het centrale punt voor de wereld. De zon werd beschouwd als een god die de duisternis bestreed, de macht van het kwaad, de vijand van de mens.

   Er zijn vele zon-goden geweest, en ze schijnen de oppergoden te zijn geweest in de religies van de Oudheid. Ze werden in vele landen vereerd, door vele naties die nu tot stof en as zijn vergaan. 

imgres

   Apollo was een zon-god en hij bestreed en overwon het serpent van de nacht. Baldur was een zon-god. Hij was verliefd op de dageraad – een maagd. Chrisna was een zon-god. Bij zijn geboorte was de Ganges verrukt vanaf haar oorsprong tot aan de zee, en al de bomen, zowel de dode en de levende, barstten uit in blad en knop en bloesem. Hercules was een zon-god en Samson ook, wiens kracht in zijn haar lag – dat wil zeggen in zijn stralen. Hij werd beroofd van zijn kracht door Delilah, de schaduw – de duisternis. Osiris, Bacchus, en Mithra, Hermes, Buddha, en Quetzalcoatl, Prometheus, Zoroaster, Perseus, Cadom, Lao-tsze, Fo-hi, Horus en Rameses, waren allen zon-goden.

   Al deze goden hadden goden als vaders en hun moeders waren maagden. De geboorten van bijna allen werd door sterren aangekondigd, omlijst met hemelse muziek, en stemmen die verklaarden dat een zegening tot de arme APOLLO                                        wereld was gekomen. Al deze goden werden geboren in nederige plaatsen – in grotten, onder bomen, in gewone herbergen, en tirannen probeerden ze te doden toen ze baby’s waren. Al deze goden werden geboren tijdens de winter-zonnewende – tijdens kerstmis. Bijna allen werden vereerd door “wijze”  mannen. Allen vastten voor veertig dagen – allen onderwezen door gelijkenissen – allen verrichtten wonderen – allen stierven op gewelddadige wijze, en allen verrezen uit de dood.

   De geschiedenis van deze goden is precies de geschiedenis van onze Christus. 

   Dat is geen toeval. Christus was een zon-god. Christus was een nieuwe naam voor een oude biografie – een overleving – de laatste van de zon-goden. Christus was niet een man, maar een mythe – niet een leven, maar een legende.

   Ik ontdekte dat we niet alleen onze Christus geleend hadden – maar dat al onze sacramenten, symbolen en ceremoniën legaten waren die we ontvingen uit een begraven verleden. Er is niets origineels in het christendom.

   Het kruis was een symbool duizenden jaren vóór onze tijd. Het was een symbool van leven, van onsterfelijkheid – van de god Agni, en het werd in graftomben gebeiteld vele eeuwen voordat een regel van onze Bijbel werd geschreven.

   De doop is veel ouder dan het christendom – dan het Judaïsme. De Hindoes, Egyptenaren, Grieken en Romeinen hadden heilig water lang voordat er een katholiek leefde. De eucharistie werd van de heidenen geleend. Ceres was de godin van de akkers – Bacchus van de wijnranken. Bij het oogstfestival maakte men cakes van tarwe en zei: “Dit is het vlees van de godin.” Men dronk wijn en riep: “Dit is het bloed van onze god.”

   De Egyptenaren hadden een drie-eenheid. Ze vereerden Osiris, Isis en Horus, duizenden jaren voordat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest bekend waren.

   De Boom van Leven groeide in India, in China, en bij de Azteken, lang voordat de Hof van Eden werd aangeplant.

   Lang voordat onze Bijbel bekend werd, hadden andere naties hun heilige boeken.

   De dogma’s van de Zondeval, de Boetedoening en Verlossing door Geloof, zijn veel ouder dan onze religie. 

   In ons gezegende evangelie - in ons “goddelijke plan” – staat niets nieuws – niets origineels. Alles is oud – alles is geleend, bij elkaar geplakt en opgelapt.

   Toen concludeerde ik dat alle religies op natuurlijke wijze waren geproduceerd, en dat ze allen variaties, modificaties van één waren – toen voelde ik me verzekerd dat ik wist dat ze allemaal mensenwerk waren.


_____



De theologen hadden altijd volgehouden dat hun God de schepper was van van alle levende dingen – dat de vormen, delen, functies, kleuren en variëteiten van dieren uitdrukkingen waren van zijn fantasie, smaak en wijsheid – dat hij ze allen precies gemaakt had zoals ze nu nog zijn – dat hij vinnen en vleugels en poten uitvond – dat hij ze voorzag van hun aanvalswapens, hun verdedigingsmiddelen – dat hij ze vormde overeenkomstig hun omgeving, rekening houdend met alle feiten betreffende hun leven.

   Ze hielden vol dat de mens een speciale schepping was, op geen enkele manier verwant aan de dieren onder hem. Ze stelden ook dat alle vormen van vegetatie, van mossen tot wouden, nu nog precies hetzelfde zijn als op het moment dat ze gemaakt werden.

   Getalenteerde mensen, die voor het grootste deel vrij waren van religieuze vooroordelen, bestudeerden deze dingen – zochten naar feiten.

   Ze onderzochten de fossielen van dieren en planten – bestudeerden de vormen van dieren – hun botten en spieren – het effect van klimaat en voedsel – de vreemde veranderingen die ze hadden ondergaan.

   Humboldt had zijn lezingen gepubliceerd – vervuld van grootse gedachten – met prachtige generalisaties – met suggesties die de zucht naar onderzoek stimuleerden, en met conclusies die het verstand bevredigden. Hij toonde de uniformiteit van de natuur aan – de verwantschap van alles dat leeft en groeit – dat ademt en denkt.


imgres

CHARLES DARWIN


   Darwin, met zijn ‘Origin of Species’, zijn theorieën over natuurlijke selectie, de overleving van de meest geschikten, en de invloed van leefomgeving, wierp een overvloed aan licht op de grote problemen van plantaardig en dierlijk leven.

   Deze dingen waren gegist, voorspeld, aangenomen, gesuggereerd door anderen, maar Darwin, met oneindig geduld, met volmaakte zorg en openheid, vond de feiten, vervulde de voorspellingen, en demonstreerde de waarheid van de gissingen, suggesties en aannames. Hij was, naar mijn oordeel, de scherpste waarnemer, de beste beoordelaar van de betekenis en waarde van een feit, de grootste natuuronderzoeker die de wereld geproduceerd had.

   Het theologische gezichtspunt begon er klein en armetierig uit te zien.

   Spencer gaf ons zijn theorie over evolutie en steunde die met talloze feiten. Hij stond op grote hoogte, en met de ogen van de filosoof, een diepgaand denker, overzag hij de wereld. Hij heeft de gedachten van de wijsten beïnvloed.

   Theologie leek nog meer absurd dan ooit.

   Huxley betrad het strijdperk namens Darwin. Geen man had ooit een scherper zwaard – een beter schild. Hij daagde de wereld uit. De grote theologen en de kleine wetenschappers – degenen die meer moed dan verstand hadden, aanvaardden zijn uitdaging. Hun arme lichamen werden door hun vrienden weg gedragen. 

   Huxley had intelligentie, ijver, talent, en de moed zijn gedachten uit te drukken. Hij was absoluut loyaal aan wat hij dacht de waarheid te zijn. Zonder vooroordeel en zonder vrees, volgde hij de voetstappen van het leven van de laagste naar de hoogste vormen.

   Theologie leek nog kleiner.

   Haeckel begon bij de eenvoudigste cel, ging van verandering naar verandering – van vorm naar vorm – volgde de lijn van ontwikkeling, het pad van leven, tot hij het menselijk ras bereikte. Het was allemaal natuurlijk. Er was geen bemoeienis van buitenaf geweest.

   Ik heb de werken van deze grote mannen gelezen – van veel anderen – en raakte overtuigd dat zij gelijk hadden, dat al de theologen – al de gelovigen in een “speciale schepping” het absoluut verkeerd hadden.

   Het Hof van Eden verbleekte tot niets, Adam en Eva vervielen tot stof, de slang kroop weg in het gras, en Jehova werd een armzalige mythe.


_____



Ik nam nog een stap. Wat is materie – substantie? Kan het vernietigd worden – uitgewist? Is het mogelijk de vernieting voor te stellen van het kleinste atoom van een substantie? Het kan tot poeder vermalen worden – van vast naar vloeistof veranderen – van vloeistof naar gas – maar het blijft. Niets gaat verloren – niets wordt vernietigd.

   Laat een almachtige God, als die zou bestaan, een korrel zand aanvallen – aanvallen met oneindige macht. Het kan niet worden vernietigd. Het kan niet toegeven. Het weerstaat alle macht. Materie kan niet vernietigd worden.

   Daarna zette ik nog een stap. 

   Als materie niet vernietigd kan worden, niet uitgewist kan worden, kan het niet geschapen zijn.

   Het onverwoestbare moet oncreëerbaar zijn.

   En toen vroeg ik me af: Wat is energie?

   We kunnen ons geen voorstelling vormen van de schepping van energie, of van zijn vernietiging. Energie kan van de ene in de andere vorm gewijzigd worden – van beweging in warmte – maar ze kan niet worden vernietigd – uitgewist. 

   Als energie niet vernietigd kan worden, kan ze niet gecreëerd zijn. Ze is eeuwig.

   En dan nog iets – materie kan niet apart van energie bestaan. Energie kan niet apart van materie bestaan. Materie kon niet hebben bestaan vóór energie. Energie kan niet hebben bestaan vóór materie. Materie en energie kunnen alleen maar samen voorgesteld worden. Dit is door verscheidene wetenschappers aangetoond, het meest overtuigend door Buchner.


url

BUCHNER


   Denken is een vorm van energie, dientengevolge kon het niet materie hebben veroorzaakt of gecreëerd. Intelligentie is een vorm van energie, en kan niet hebben bestaan zonder of los van materie. Zonder materie zou er geen geest, geen wil, geen energie in enige vorm kunnen hebben bestaan, en er zou geen materie hebben kunnen bestaan zonder energie. 

   Materie en energie werden niet geschapen. Ze hebben eeuwig bestaan. Ze kunnen niet vernietigd worden.

   Er was, er is, geen schepper. Toen kwam de vraag: Is er een God? Bestaat er een wezen van oneindige intelligentie, macht en goedheid, dat de wereld regeert? 

   Er kan goedheid bestaan zonder veel intelligentie – maar het lijkt mij dat volmaakte intelligentie en volmaakte goedheid samen moeten gaan.

   In de natuur zie ik, of schijn ik te zien, goed en kwaad – intelligentie en onwetendheid – goedaardigheid en wreedheid – zorg en onverschilligheid – zuinigheid en verspilling. Ik zie middelen die hun doel niet bereiken – ontwerpen die schijnen te falen.

   Voor mij schijnt het oneindig wreed voor leven om op leven te teren – om dieren te scheppen die andere dieren verslinden. 

   De tanden en snavels, de klauwen en giftanden, die verwonden en verscheuren, vervullen me met afschuw. Wat kan verschrikkelijker zijn dan een wereld in oorlog? Ieder blad een slagveld – ieder bloem een Golgotha – in ieder druppel water vervolging, vangst en dood. Onder ieder stuk schors, leven dat op ander leven aast. Op iedere spriet gras, iets dat doodt – iets dat lijdt. Overal leven de sterksten van de zwakken – de superieuren van de inferieuren. En overal zijn de zwakken, de onbetekenenden, die op de sterken leven – de inferieuren op de superieuren – de hoogsten voedsel voor de laagsten – de mens geofferd voor het belang van microben.

   Universele moord. Overal pijn, ziekte en dood – dood die niet wacht op gebogen figuren en grijze haren, maar baby’s en gelukkige jongeren grijpt. Dood die de moeder ontneemt aan haar hulpeloze, roze kind – dood die de wereld vervult van leed en tranen.

   Hoe kan de orthodoxe christen deze dingen verklaren?

   Ik weet dat het leven goed is. Ik herinner zonneschijn en regen. Dan denk ik aan de aardbeving en overstroming. Ik vergeet gezondheid en oogst niet, tehuis en liefde – maar de pestilentie en hongersnood dan? Ik kan al deze tegenstrijdigheden niet harmoniseren – deze zegeningen en verschrikkingen – met het bestaan van een oneindig goede, wijze en machtige God.

   De theoloog zegt dat wat wij het kwaad noemen goed voor ons is – dat we in deze wereld van zonde en leed zijn geplaatst om karakter te ontwikkelen. Als dit waar is vraag ik waarom de zuigeling sterft? Miljoenen en miljoenen halen een paar maal adem en sterven weg in hun moeders armen. Hen wordt niet toegestaan karakter te ontwikkelen.

   De theoloog zegt dat slangen giftanden werd gegeven om zich tegen hun vijanden te verdedigen. Waarom maakte de God die hen maakte, ook hun vijanden? Waarom hebben zoveel slangen geen giftanden?

   De theoloog zegt dat God de hippopotamus pantsterde, zijn lichaam bedekte, behalve de onderkant, met schubben en platen die andere dieren niet kunnen doorboren met tanden of slagtanden. Maar dezelfde God maakte de rhinoceros en voorzag hem van een hoorn op zijn neus, waarmee hij de darmen uit een hippopotamus kan scheuren.

   Dezelfde God maakte de arend, de gier, de havik, en hun hulpeloze prooi.

   Aan alle kanten schijnt ontwerp te bestaan om ontwerp te verslaan.

   Als God de mens schiep – als hij de vader is van ons allen, waarom maakte hij dan de misdadigers, de krankzinnigen, de misvormden en de idioten?

   Moet de misvormde mens God danken? Hoort de moeder die een idioot kind aan haar borst klampt, God te danken? Hoort de slaaf God te danken?

   De theoloog zegt dat God de winden bestuurt, de regen, de bliksem. Hoe kunnen we dan de cycloon, de overstroming, de droogte, de dodende blikseminslag verantwoorden? 

   Veronderstel dat we een man in dit land hadden die de wind kon beheersen, de regen en bliksem, en stel dat we hem verkozen om deze dingen te doen, en stel dat hij hele staten liet verdrogen en verdorren, tegelijkertijd de regen verspillend boven zee. Stel dat hij de wind steden liet vernietigen en duizenden mannen en vrouwen tot vormeloosheid verpletteren, en de bliksem toestond om het leven uit moeders en baby’s te slaan. Wat zouden we zeggen? Wat zouden we van zo’n woesteling denken? 

   En toch, volgens de theologen, is dit precies de koers die God volgt.

   Wat denken we van een man, die niet, hoewel hij daartoe in staat is, zijn vrienden beschermt? Toch stond de christelijke God het zijn vijanden toe om zijn vrienden, zijn aanbidders, te martelen en verbranden. 

   Wie is ingenieus genoeg om dit te verklaren? 

   Welk goed mens, in staat zijnde om dat te verhinderen, zou toestaan dat onschuldigen gevangen worden gezet, in kerkers geketend, om tegen druipende muren zuchtend de rest van hun leven te slijten?

    Als God deze wereld bestuurt, waarom is onschuld dan niet een perfecte bescherming? Waarom triomfeert onrechtvaardigheid? 

   Wie kan deze vragen beantwoorden? 

   Om dit te beantwoorden, moet de intelligente, eerlijke mens zeggen: “Ik weet het niet.”


_____



Deze God moet, als hij bestaat, een persoon zijn – een bewust wezen. Wie kan zich een oneindig wezen voorstellen? Deze God moet energie hebben, en we kunnen ons geen energie voorstellen los van materie. Deze God moet materieel zijn. Hij moet de middelen hebben om energie te veranderen in wat wij gedachten noemen. Wanneer hij denkt, gebruikt hij energie, energie die vervangen moet worden. Toch wordt ons gezegd dat hij oneindig wijs is. Als hij dat is, denkt hij niet. Denken vormt een ladder – een proces waarbij we tot een conclusie komen. Hij die alle conclusies kent kan niet denken. Hij kan niet hopen of vrezen. Wanneer kennis volmaakt is, kan er geen passie zijn, geen emotie. Als God oneindig is, komt hij niets tekort. Hij heeft alles. Hij die niets tekort komt, doet niets. De oneindige moet in in eeuwigdurende rust verkeren.

   Het is net zo onmogelijk zulk een wezen voor te stellen als het is om een vierkante driehoek voor te stellen, of aan cirkel zonder diameter te denken.

   Toch wordt ons verteld dat het onze plicht is deze God lief te hebben. Kunnen we het onbekende beminnen, het onvoorstelbare? Kan het onze plicht zijn iemand lief te hebben? Het is onze plicht rechtvaardig en eerlijk te handelen, maar het kan niet onze plicht zijn lief te hebben. We kunnen geen verplichting hebben een schilderij te bewonderen – geraakt te worden door een gedicht – of verrukt te zijn over muziek. Bewondering kan niet worden beheerst. Smaak en liefde zijn geen dienaren van de wil. Liefde is, en moet vrij zijn. Ze stemt vanuit het hart als de geur van een bloem.

   Voor duizenden jaren hebben mannen en vrouwen getracht de goden lief te hebben – getracht hun harten verzachten – getracht hun hulp te verwerven.

   Ik zie hen allen. Het panorama gaat aan mijn oog voorbij.

   Ik zie ze met uitgestrekte handen – met eerbiedig gesloten ogen – de zon vereren. Ik zie ze buigen, in hun angst en nood, voor meteorieten – gunsten afsmekend aan slangen, beesten en heilige bomen – biddend tot idolen uit hout of steen gewrocht. Ik zie ze altaars bouwen voor niet geziene machten, ze met het bloed van kinderen en beesten besmeurend. Ik zie de talloze priesters en hoor hun plechtstatig gezang. Ik zie de stervende slachtoffers, de rokende altaars, de zwaaiende wierookvaten, en de rijzende wolken. Ik zie de halfgod mensen – de armzalige Christussen, in vele landen. Ik zie de gewone dingen van het leven in wonderen veranderen als ze van mond tot mond snellen. Ik zie de krankzinnige profeten het geheime boek van het noodlot lezen door tekens en dromen. Ik zie ze allen – de Asssyrieërs in koor hun lof van Asshur en Ishtar scanderend – de hindoes die Brahma, Vishnoe en Draupadi de blank-armige vereren – de Chaldeeërs offerend aan Bel en Hea – de Egyptenaren buigend voor Ptah en Fta, Osiris en Isis – de Meden die de storm bedaren, het vuur aanbidden – de Babylonieërs die smeekbeden richten tot Bel en Murodach – ik zie ze allen bij de Eufraat, de Tigris, de Ganges en de Nijl. Ik zie de Grieken tempels bouwen voor Zeus, Neptunus en Venus. Ik zie de Romeinen voor honderd goden knielen. Ik zie anderen alle idolen afwijzen om hun hoop en vrees uit te storten tot een vaag beeld in hun geest. Ik zie de menigten, met open mond, de mythen en fabels van voorbije jaren als waarheid accepteren. Ik zie ze zwoegen, om hun rijkdom aan de priesters te geven en die in mantels te tooien, om de gewelven te bouwen, de ruime passages, de schitterende koepels. Ik zie ze in lompen gehuld bijeen kruipen in kleine ruimten en hutten, korsten en afval verslindend, opdat ze meer aan de goden en geesten kunnen schenken. Ik zie ze hun wrede credo’s opstellen en daarmee de wereld vervullen van haat, oorlog en dood.

   Ik zie ze met hun gezichten in het stof in de donkere dagen van pest en plotselinge dood, als wangen ingevallen zijn en lippen wit wegens gebrek aan brood. Ik hoor hun gebeden, hun zuchten, hun snikken. Ik zie ze wezenloze lippen kussen als hun hete tranen op de bleke gezichten van de doden vallen. Ik zie de naties als ze vervallen en falen. Ik zie ze gevangen en in slavernij genomen. Ik zie hun altaars zich vermengen met de gewone aarde, hun tempels langzaam tot stof vervallen. Ik zie hun goden oud en zwak worden, hulpbehoevend en vaag. Ik zie ze van onbestemde en mistige tronen vallen, hulpeloos en dood. De vereerders ontvangen geen hulp. Onrechtvaardigheid triomfeert. Zwoegers worden met de zweep beloond – baby’s worden verkocht – de onschuldigen staan op de brandstapel, en de heroischen vergaan in vlammen. Ik zie de aardbevingen verzwelgen, de vulkanen overweldigen, de cyclonen verwoesten, de overstromingen vernietigen, en de bliksems doden.

   De naties vergingen. De goden stierven. Het gezwoeg en de rijkdom gingen verloren. De tempels waren vergeefs gebouwd, en al de gebeden stierven onbeantwoord in de onverschillige lucht.

   Toen stelde ik mezelf de vraag: Bestaat er een bovennatuurlijke macht – een eigenmachtige geest – een God op een troon - een oppermachtige wil, die de getijden en stromen van de wereld bestuurt – waarvoor alles buigt?

   Ik ontken het niet. Ik weet het niet – maar ik geloof het niet. Ik geloof dat de natuur oppermachtig is – dat van de eindeloze keten geen schakel kan worden verbroken of verloren kan gaan – dat er geen bovennatuurlijke macht bestaat die gebeden kan beantwoorden – geen macht die door aanbidding kan dwingen of veranderen – geen macht die voor de mens zorgt.

   Ik geloof dat de natuur met oneindige armen het geheel omvat – dat er geen ingrijpen bestaat – geen toeval – dat achter elke gebeurtenis noodzakelijke en talloze oorzaken liggen, en dat voorbij iedere gebeurtenis de noodzakelijke en talloze gevolgen liggen.

   De mens moet zichzelf beschermen. Hij kan niet op het bovennatuurlijke vertrouwen – op een denkbeeldige vader in de hemel. Hij moet zichzelf beschermen door de feiten in de natuur te ontdekken, door zijn brein te ontwikkelen, met als doel belemmeringen te overkomen en gebruik te maken van de krachten van de natuur.

   Is er een God?

   Ik weet het niet.

   Is de mens onsterfelijk?

   Ik weet het niet.

   Eén ding weet ik wel, en dat is, dat noch hoop, noch vrees, noch geloof, noch ontkenning, een feit kan veranderen. Het is zoals het is, en het zal zijn zoals het moet zijn.

   We wachten en hopen.


_____



Toen ik er van overtuigd was geraakt dat het universum  natuurlijk is – dat al de geesten en goden mythen zijn, kwam in mijn brein, in mijn ziel, in iedere druppel van mijn bloed, het begrip, het gevoel, de vreugde van de vrijheid. De muren van mijn gevangenis verbrokkelden en stortten in, mijn kerker werd vervuld van licht en al de grendels, en tralies, en ketens vervielen tot stof. Ik was niet langer een dienaar, een onderhorige of een slaaf. Voor mij was er geen meester in de hele wijde wereld - zelfs niet in de oneindige ruimte. Ik was vrij – vrij om te denken, mijn gedachten uit te drukken – vrij om naar mijn eigen idealen te leven – vrij om voor mezelf te leven en voor degenen die ik liefhad – vrij om al mijn gaven te gebruiken, al mijn zintuigen – vrij om verbeelding haar vleugels te laten spreiden – vrij te onderzoeken, te raden en dromen en hopen – vrij om te oordelen en voor mezelf te beslissen - vrij om alle onwetende en wrede credo’s af te wijzen, al de “geopenbaarde” boeken die wilden hadden geproduceerd, en al de barbaarse legenden van het verleden – vrij van pauzen en priesters – vrij van alle “geroepenen” en “uitverkorenen” – vrij van gewijde vergissingen en heilige leugens – vrij van de vrees voor eeuwigdurende pijn – vrij van de gevleugelde monsters van de nacht – vrij van duivels, geesten en goden. Voor het eerst was ik vrij. Er bestonden geen verboden terreinen in al de domeinen van gedachten – geen hemel, geen ruimte, waar verbeelding haar kleurige vleugels niet kon spreiden – geen ketenen voor mijn ledematen – geen zweepslagen voor mijn rug – geen vuren voor mijn vlees – geen meesters frons of dreigement – geen volgen van de stappen van een ander – geen noodzaak te buigen, of ineen te krimpen, of te kruipen, of leugens te uiten. Ik was vrij. Ik stond fier en onbevreesd, vreugdevol, alle werelden in het gezicht te zien.

   Toen werd mijn hart van dankbaarheid vervuld, van erkentelijkheid, en ging mijn gedachten uit naar alle helden, de denkers die hun leven gaven voor de vrijheid van hand en verstand – voor de vrijheid van werk en gedachte – naar degenen die vielen op de onbarmhartige velden van oorlog, naar degenen die geketend stierven in kerkers – naar degenen die fier de treden van het schavot beklommen – naar degenen wier botten verbrijzeld werden, wier vlees geschroeid en verscheurd werd – naar degenen die door het vuur verteerd werden – naar al de wijzen, de goeden, de moedigen van elk land, wier gedachten en daden vrijheid hebben gegeven aan de zonen van de mensheid. En toen zwoor ik de toorts te zullen grijpen die zij opgehouden hadden, en die hoog te blijven houden, zodat haar licht de duisternis nog steeds mocht overwinnen.

   Laten we eerlijk aan onszelf zijn – trouw aan de feiten die we kennen, en laat ons boven alles, de oprechtheid van onze zielen in stand houden.

   Als er al goden zijn kunnen we ze niet helpen, maar we kunnen onze medemens helpen. We kunnen het onvoorstelbare niet liefhebben, maar we kunnen van vrouw en kind en vriend houden.

   We kunnen even eerlijk zijn als we onwetend zijn. Als we dit zijn, moeten we wanneer gevraagd wat voorbij de horizon van het bekende ligt, zeggen dat we dit niet weten. We kunnen de waarheid vertellen, en we kunnen er in gezegende vrijheid van genieten dat de moedigen gewonnen hebben. We kunnen de monsters van bijgeloof vernietigen, de sissende slangen van onwetendheid en vrees. We kunnen de vreselijke dingen, die met snavel en giftanden verscheuren en verwonden, uit onze geest verdrijven. We kunnen onze medemens beschaven. We kunnen onze levens vullen met genereuze daden, met liefdevolle woorden, met muziek en gezang, en met alle uitbundigheden van de liefde. We kunnen onze jaren verlichten met zonneschijn – met het verrukkelijke klimaat van vriendelijkheid, en de gouden beker van vreugde tot aan de laatste druppel legen.

_____


Bron: http://www.infidels.org/library/historical/robert_ingersoll/why_i_am_agnostic.html


twitter-icon-64



OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

                     

 

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort