visitors on myspace
OVER DE HEILIGE SCHRIFT | POSITIEF ATHEÏSME <>

OVER DE HEILIGE SCHRIFT

image7313

ROBERT G. INGERSOLL 

1894



Iemand hoort de waarheid over de Bijbel te vertellen. De geestelijken durven het niet, omdat ze uit hun kansels verjaagd zouden worden. Professoren aan universiteiten durven het niet, omdat ze hun salaris zouden verliezen. Politici durven het niet. Ze zouden aanhang verliezen. Redacteuren durven het niet. Ze zouden abonnees kwijtraken. Kooplieden durven het niet, omdat ze klanten zouden verliezen. Mannen van aanzien durven het niet, beducht hun status te verliezen. Zelfs kantoorbedienden durven het niet, omdat ze ontslagen kunnen worden. En dus bedacht ik dat ik het zelf maar moest doen.

   Er zijn vele miljoenen mensen die geloven dat de Bijbel het geopenbaarde woord van God is – miljoenen die denken dat dit boek steun en toeverlaat is, raadgever en trooster; dat dit boek het heden met vrede vervult en de toekomst met hoop - miljoenen die geloven dat het de bron is van wetten, gerechtigheid en genade, en dat aan haar wijze en goedaardige leer de wereld haar vrijheid, rijkdom en beschaving dankt – miljoenen die zich verbeelden dat dit boek een openbaring van Gods wijsheid en liefde is aan hart en hersens van de mens – miljoenen die dit boek beschouwen als een toorts die de duisternis van de dood overwint, en die haar schijnsel spreidt over een andere wereld – een wereld zonder tranen. 

imgres

   Ze vergeten zijn onwetendheid en gewelddadigheid, zijn haat van vrijheid, zijn religieuze vervolging; ze herinneren zich de hemel, maar vergeten de kerker van eeuwigdurende pijn. Ze vergeten dat het de geest aan banden legt en het hart corrumpeert. Ze vergeten dat het de vijand is van intellectuele vrijheid. Vrijheid is mijn religie. Vrijheid van denken en doen – van gedachten  en werken; vrijheid is een woord dat koningen haten – pauzen verafschuwen. Het is een woord dat tronen en altaars vermorzelt – dat gekroonden zonder onderdanen laat, en de uitgestrekte hand van bijgeloof zonder aalmoezen. Vrijheid is de bloesem en vrucht van gerechtigheid – de geur van genade. Vrijheid is het zaad en de grond, het licht en de lucht, de dauw en de regen van vooruitgang, liefde en vreugde.


I

_____


DE OORSPRONG VAN DE BIJBEL

   Een paar zwervende families – arm, ellendig, zonder scholing, kunst of macht; afstammelingen van degenen die voor vierhonderd jaren in slavernij werden gehouden; onwetend als de inboorlingen van centraal Afrika, waren zojuist aan hun meesters ontsnapt naar de Sinaï woestijn. Hun leider was Mozes, een man die was opgevoed in het gezin van de Farao, aan  wie de wetten en mythologie van Egypte waren onderwezen. Teneinde zijn volgelingen te beheersen wendde hij voor dat hij werd voorgelicht en bijgestaan door Jehova, de god van deze zwervers.

   Al wat gebeurde werd toegeschreven aan de bemoeienis van deze God. Mozes beweerde dat hij deze God persoonlijk had ontmoet; dat hij op de top van de berg Sinaï uit de handen van God de stenen tabletten had ontvangen waarop, door de vinger van God, de Tien Geboden waren geschreven en dat Jehova bovendien de offerandes en ceremoniën die hem aangenaam waren, bekend had gemaakt,  alsmede de wetten waaronder het volk moest worden geregeerd.

   Op deze wijze werden de Joodse religie en de Wetten van Mozes gevestigd.

Uittocht uit Egypte

    Nu wordt beweerd dat deze religie en deze wetten aan de hele mensheid geopenbaard en vastgelegd zijn.

   Destijds dreven deze zwervers geen handel met andere naties, hadden ze geen geschreven taal, konden ze lezen noch schrijven. Ze beschikten niet over de middelen waarmee ze deze openbaring aan andere volken bekend konden maken, en dus bleef deze verscholen in het jargon van een paar onwetende, verarmde en onbekende stammen voor meer dan tweeduizend jaar. 

   Vele eeuwen nadat Mozes, de leider, gestorven was, vele eeuwen nadat zijn volgelingen gestorven waren – werd de Pentateuch geschreven, het werk van vele schrijvers, en om hieraan gezag en autoriteit te verlenen, werd beweerd dat Mozes de auteur ervan was.

   We weten nu dat de Pentateuch niet door Mozes geschreven werd.

   Er worden steden in genoemd die nog niet bestonden toen Mozes leefde.

   Geld, niet eerder geslagen dan eeuwen na zijn dood, wordt genoemd.

   Daarom waren veel van de wetten niet toepasbaar op zwervers in de woestijn – wetten over landbouw, over het offeren van ossen, schapen en duiven, over het weven van kleding, over ornamenten van goud en zilver, over het bewerken van land, over de oogst, over het dorsen van graan, over huizen en tempels, over steden van toevlucht, en over veel andere onderwerpen zonder enig mogelijke toepassing op een stel hongerende zwervers tussen het zand en de rotsblokken.

   Tegenwoordig wordt door intelligente en eerlijke theologen niet alleen toegegeven dat Mozes niet de auteur was van de Pentateuch, maar ook geven allen toe dat niemand weet wie de auteurs waren, of wie ook maar één van deze boeken schreef, of een hoofdstuk of een zin daarvan. We weten dat de boeken niet in één generatie geschreven werden; dat ze niet allen door dezelfde persoon werden geschreven; dat ze vol vergissing en tegenspraak staan. Men geeft toe dat Jozua niet het boek schreef dat zijn naam draagt, omdat het refereert aan gebeurtenissen die niet eerder plaatsvonden dan lang na zijn dood.

   Niemand kent, of pretendeert te kennen, de auteur van Richteren; alles wat we weten is dat het geschreven werd eeuwen nadat de rechters hadden opgehouden te bestaan. Niemand weet wie de auteur van Ruth is, noch die van Samuel 1 en 2; al wat we weten is dat Samuel niet de boeken schreef die zijn naam dragen. In hoofdstuk 25 van Samuel 1 staat een verslag over de opvoeding van Samuel door de heks van Endor.

   Niemand kent de auteurs van Koningen 1 en 2, of van Kronieken 1 en 2; al wat we weten is dat deze boeken niet van enige betekenis zijn. 

    We weten dat de Psalmen niet door David zijn geschreven. In de Psalmen wordt van de Babylonische ballingschap gerept, en dat gebeurde niet eerder dan ongeveer vijfhonderd jaar nadat David met zijn voorvaders werd verenigd.

   We weten dat Salomo niet de Spreuken of het Hooglied schreef; dat Jesaja niet de auteur was van het boek dat zijn naam draagt; dat niemand de auteur kent van Job, Prediker of Esther, of van enig boek in het Oude Testament, met uitzondering van Ezra.

   We weten dat God niet genoemd wordt of er op enige wijze aan gerefereerd wordt in het boek van Esther. We weten ook, dat het boek wreed is, absurd en onmogelijk.

   God wordt niet genoemd in het Hooglied van Salomo, het beste boek in het Oude Testament.

   En we weten dat Prediker door een ongelovige werd geschreven.

   We weten ook, dat de Joden zelf niet eerder hadden beslist welke boeken geïnspireerd waren – authentiek waren – tot aan de tweede eeuw na Christus. 

  We weten dat het idee van inspiratie slechts langzaam groeide, en dat dit bepaald werd door degenen die bepaalde doelen nastreefden.


II

_____



IS HET OUDE TESTAMENT GEOPENBAARD ?

   ls het dat is, hoort het een boek te zijn dat geen mens – geen aantal mensen – zouden kunnen produceren.

   Het zou de perfectie van filosofie bevatten.

   Het zou in perfecte overeenstemming zijn met ieder feit in de natuur.

   Er zouden geen vergissingen zijn in astronomie, geologie, of in enig ander onderwerp of wetenschap.

   Zijn moraliteit zou de hoogste, de zuiverste zijn.

   Zijn wetten en gedragsregels zouden rechtvaardig zijn, wijs en perfect, en perfect aangepast aan het bereiken van de gewenste doelen.

   Het zou niets moeten bevatten dat bedoeld is om de mens wreed, wraakzuchtig, rancuneus of schandelijk te maken.

   Het zou vol intelligentie, rechtvaardigheid, zuiverheid, eerlijkheid, genade en de geest van vrijheid moeten zijn.

   Het zou tegen geruzie en oorlog gericht moeten zijn, tegen slavernij en wellust, tegen onwetendheid, lichtgelovigheid en bijgeloof.

   Het zou het brein moeten ontwikkelen en het hart beschaven.

   Het zou hart en geest van de besten en wijsten moeten bevredigen.

   Het zou waar zijn.

   Voldoet het Oude Testament aan deze vereisten?

   Staat er iets in het Oude Testament – betreffend geschiedenis, theorie, wetten, bestuur, moraal, wetenschap – dat hoger staat en verder gaat dan de denkbeelden, de overtuigingen, de gewoonten en vooroordelen van zijn auteurs en de mensen van hun tijd? 

   Is er ook maar één straal van licht vanuit enige bovennatuurlijke bron?

   De antieke Hebreeën geloofden dat de aarde het middelpunt van het universum was, en dat de zon, maan en sterren vlekjes in de lucht waren.

   De Bijbel is het hiermee eens.

   Ze dachten dat de aarde plat was, met vier hoeken; dat de hemel, het firmanent, massief was – de vloer van Jehova’s huis.

   De Bijbel leert ons hetzelfde.

   Ze stelden zich voor dat de zon om de aarde reisde, en dat door de zon te stoppen, de dag verlengd kon worden.

   De Bijbel is het daarmee eens.

   Ze geloofden dat Adam en Eva de eerste man en vrouw  waren; dat ze maar pas enige jaren eerder waren geschapen, en dat zij, de Hebreeën, hun directe afstammelingen waren.

   Dit is wat de Bijbel ons leert.

url


  Als iets zeker is, of kan zijn, vergisten de schrijvers van de Bijbel zich over schepping, astronomie, geologie; over de oorzaken van fenomenen, over de bron van kwaad en de oorzaak van dood.

  Welnu, men zal moeten erkennen dat als een Oneindig Wezen de auteur van de Bijbel was, hij alle wetenschap zou moeten kennen, alle feiten, en geen vergissingen zou kunnen maken.

   Als er dan toch vergissingen, misconcepties, verkeerde theorieën, onnozele mythes en blunders in de Bijbel staan, moet die geschreven zijn door eindige wezens; dat wil zeggen, door onnozele mensen die zich vergisten.

   Niets kan duidelijker dan dit zijn.

   Eeuwenlang heeft de kerk volgehouden dat de Bijbel absoluut waar was; dat die geen dwalingen bevatte; dat het verhaal van de schepping waar was; dat zijn astronomie en geologie in overeenstemming met de feiten waren; dat de wetenschappers die van het Oude Testament afweken heidenen en atheïsten waren.

   Nu is dit veranderd. Geschoolde christenen erkennen dat de schrijvers van de Bijbel niet met enige zekerheid bekend zijn. Nu zeggen ze dat God, of Jehova, de schrijvers van dit boek niet inspireerde met als doel de wereld voor te lichten over astronomie, geologie, of enige andere wetenschap. Nu geven ze toe dat de geïnspireerde mensen die die het Oude Testament schreven niets over wetenschap wisten, en dat ze over de aarde en sterren, de zon en de maan schreven overeenkomstig de gebruikelijke onwetendheid van die tijd.

   Het nam vele eeuwen om de theologen tot deze bekentenis te dwingen. Onwillig, vol kwaadwilligheid en haat kozen de priesters de aftocht, de overwinning aan de wetenschap overlatend.

   Ze kozen een andere positie.

   Ze verklaarden dat de auteurs, of liever de schrijvers, van de Bijbel door spirituele en morele dingen werden geïnspireerd; dat Jehova zijn wil aan zijn kinderen bekend wilde maken, en zijn oneindige liefde voor zijn kinderen; dat Jehova, zijn volk slecht, onwetend en verdorven ziend, ze vergevend en rechtvaardig, wijs en spiritueel wilde maken, en dat de Bijbel een openbaring is van zijn wetten, door de religie die het ons leert en door zijn ideeën over bestuur.

   Dit is de kwestie nu. Heeft de Bijbel ook maar iets meer gelijk in zijn ideeën over gerechtigheid, over genade, over de moraal of over religie dan in zijn begrip van de wetenschappen? Is het boek moreel verantwoord?

   Het steunt slavernij – het staat polygamie toe.

   Zou de duivel het slechter hebben gedaan?

   Is het genadig?

   In oorlogen hees het de zwarte vlag; het beval de vernietiging, de afslachting, van allen – van de ouden, zieken en hulpelozen – van vrouwen en kinderen.

    Zijn zijn wetten geïnspireerd?   

Brandhout sprokkelen op zondag was een even grote misdaad als je vader vermoorden op maandag

   Honderden overtredingen werden met de dood bestraft. Brandhout sprokkelen op zondag was een even grote misdaad als je vader vermoorden op maandag. In de literatuur van de wereld bestaan geen bloediger voorschriften. De wet van wraak – van vergelding – was de wet van Jehova. Een oog voor een oog, een tand voor een tand, een arm voor een arm, een been voor een been.

   Dit is gewelddadigheid – geen filosofie.

   Is het rechtvaardig en redelijk?

   De Bijbel keert zich tegen religieuze tolerantie – tegen religieuze vrijheid. Wie het niet met de meerderheid eens was werd door steniging gedood. Onderzoek was een misdaad. Echtgenoten waren verplicht hun ongelovige vrouw af te wijzen en te helpen haar te doden. 

   Het is de vijand van kunst. “Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis...” Dit was de dood voor kunst.

   Palestina bracht nooit een schilder of beeldhouwer voort.

   Is de Bijbel beschaafd?

   Het boek steunt liegen, stelen, roven, moord, het verkopen van bedorven vlees aan vreemdelingen, en zelfs het offeren van menselijke wezens aan Jehova.

   Is het filosofisch?

   Het leert ons dat de zonden van de mens op een dier kunnen worden overgebracht – op een geit. Het maakt moederschap een overtreding waarvoor een zonde-offer moet worden gebracht.

   Het was zondig een jongen te baren, en twee keer zo zondig om een meisje te baren.

   Om een haarolie te maken zoals die welke de priesters gebruikten, was een overtreding die met de dood werd bestraft.

   Het bloed van een vogel die boven stromend water was gedood, werd als medicijn beschouwd.

    Zou een beschaafde God zijn altaars bekladden met het bloed van ossen, lammeren of duiven? Zou hij van al zijn priesters slachters maken? Zou hij genieten van de reuk van brandend vlees?


III

_____



DE TIEN GEBODEN

   Sommige christelijke juristen – sommige eminente en stupide rechters – hebben gezegd en zeggen nog steeds, dat de Tien Geboden de fundatie van alle wetten zijn.

   Niets zou absurder kunnen zijn. Lang voordat deze geboden werden gegeven waren er wetboeken in India en Egypte – wetten tegen moord, meineed, diefstal, overspel en fraude. Dergelijke wetten zijn zo oud als de menselijke samenleving; zo oud als de liefde voor leven; zo oud als de nijverheid; als het idee van voorspoed; zo oud als de menselijke liefde.

   Alle van de Tien Geboden die goed zijn waren oud; al de nieuwe zijn dwaas. Als Jehova beschaafd zou zijn geweest zou hij het gebod over de Sabbat eren er uit hebben gelaten, en in plaats daarvan hebben gezegd; “Gij zult uw medemens niet in slavernij houden.” Hij zou het gebod over vloeken er uit hebben gelaten, en zeggen: “De man zal maar één vrouw hebben, en de vrouw maar één echtgenoot.” Hij zou het gebod over gebeitelde beelden er uit hebben gelaten, en in plaats daarvan hebben gezegd: “ Gij zult geen vernietigingsoorlogen voeren, en het zwaard niet uit de schede trekken, behalve in zelfverdediging.”

   Als Jehova beschaafd was geweest, hoeveel grootser zouden de Tien Geboden dan zijn geweest.

   Alles wat we vooruitgang noemen – de bevrijding van de mens uit slavernij, de vervanging van de doodstraf door gevangenisstraf, van gevangenisstraffen door boetes, het afschaffen van polygamie, het vaststellen van het recht op vrije meningsuitdrukking, van het recht op gewetensbezwaar; kortom, alles wat heeft bijgedragen aan de ontwikkeling en beschaving van de mens; al de resultaten van onderzoek, observatie, ervaring en vrije gedachte; alles wat de mens heeft bereikt voor het goed van de mensheid sinds het einde van de duistere Middeleeuwen – werd bereikt ondanks het Oude Testament.

   Laat me de moraliteit, de genade, de filosofie en de goedheid van het Oude Testament verder illustreren:


HET VERHAAL VAN ACHAN

   Jozua veroverde de stad Jericho. Voordat de stad viel verordende hij dat alle buit aan de Heer moest worden gegeven.

   Ondanks die verordening verborg Achan een kledingstuk, en wat zilver en goud.

   Daarna probeerde Jozua de stad Ai in te nemen. Hij faalde en veel van zijn soldaten werden gedood. Jozua zocht naar de oorzaak van zijn nederlaag en ontdekte dat Achan een kledingstuk verborgen had, tweehonderd zilveren shekels en stuk goud. Achan bekende dit.

   Hierop nam Jozua Achan, zijn zonen en dochters, zijn ossen en schapen – stenigde hen allen tot de dood en verbrandde hun lichamen.

   Er is niets dat aantoont dat de zonen en dochters enige misdaad hadden begaan. De ossen en schapen zouden  zeker niet gestenigd horen te worden voor de misdaad van hun eigenaar. Dit was de gerechtigheid, de genade, van Jehova!

   Nadat Jozua deze misdaad had begaan, veroverde hij de stad Ai, met de hulp van Jehova.


imgres

HET VERHAAL VAN ELISA

   “Van Jericho ging Elisa naar Betel. Toen hij naar de stad omhoog liep, rende een troep kinderen op hem af die hem uitlachten en schreeuwden: ‘Kaalkop, kaalkop! Zet ’m op, zet Elisa keek om, en toen hij de kinderen zag, vervloekte hij ze in de naam van de HEER. Meteen kwamen er twee berinnen uit het bos, die tweeënveertig van de kinderen verscheurden.” (2 Koningen 2:23-24)

   Dit was het werk van de goede God – de genadige Jehova!


HET VERHAAL VAN DANIËL

   Koning Darius had Daniël geëerd en verheven, en de prinsen van het land waren jaloers. Dus overreedden ze de koning om een decreet uit te vaardigen dat gebood dat iedere man die binnen dertig dagen een petitie tot enige god of mens behalve koning Darius zou richten, voor de leeuwen zou worden geworpen.

   Daarna ontdekten deze mannen dat Daniël, met zijn gezicht naar Jeruzalem gekeerd, drie keer per dag tot Jehova bad.

   Dientengevolge werd Daniël voor de leeuwen geworpen; een steen werd voor de toegang tot de leeuwenkuil geplaatst, en verzegeld met het zegel van de koning.

   De koning had een slechte nacht. De volgende morgen ging hij naar de leeuwenkuil en riep Daniëls naam. Daniël antwoordde en vertelde de koning dat God zijn engel had gestuurd die de muilen van de leeuwen had gesloten.

   Gezond en wel werd Daniël uit de leeuwenkuil gehaald, en de koning bekeerde zich en geloofde in Daniëls God.

   Darius, toen een gelovige van de ware God, liet de mannen die Daniël hadden beschuldigd komen, alsmede hun vrouwen en kinderen, en wierp ze allen voor de leeuwen.

   “Ze hadden de bodem van de kuil nog niet geraakt, of de leeuwen stortten zich op hen en vermorzelden al hun botten.” (Daniël 6:25)

   Wat hadden de vrouwen en de kleine kinderen gedaan? Hoe hadden zij koning Darius, de gelover in Jehova, beledigd? Wie beschermde Daniël? Jehova! Wie liet na de onschuldige vrouwen en kinderen te beschermen? Jehova!


HET VERHAAL VAN JOZEF

   Farao had een droom, en die droom werd door Jozef uitgelegd.

   Volgens zijn interpretatie stond Egypte voor zeven jaren van overvloed, gevolgd door zeven jaren van hongersnood. Jozef adviseerde de Farao om alle surplus uit de jaren van overvloed op te kopen, en op te slaan tegen de jaren van hongersnood.

   De farao benoemde Jozef als zijn minister of gemachtigde, en gaf hem opdracht het graan uit de overvloedige jaren op te kopen.

   Toen kwam de hongersnood. Het volk kwam naar de koning voor hulp. Hij vertelde ze naar Jozef te gaan en te doen als hij zei.

   Jozef verkocht graan aan de Egyptenaren totdat al hun geld op was – totdat hij het allemaal had.

   Toen hun geld op was zeiden de mensen: “Geef ons graan, dan zullen we je ons vee geven.”

   Jozef gaf ze graan totdat al hun vee, al hun paarden en al hun kuddes aan hem waren gegeven.

   Daarna zei het volk: “Geef ons graan, dan zullen we je ons land geven.”

   Dus gaf Jozef ze graan totdat ze al hun landerijen kwijt waren.

   Maar de hongersnood duurde voort, en dus verkochten de arme stumpers zichzelf, en werden ze dienaren van de Farao.

   Toen gaf Jozef ze zaad, en maakte een afspraak met ze dat ze voortaan altijd een vijfde van hun opbrengst aan de farao zouden geven.

   Wie stelde Jozef in staat de droom van de farao te interpreteren? Jehova! Wist hij op dat moment dat Jozef de op die manier verkregen informatie zou gebruiken om het volk van Egypte te bestelen en tot slavernij te brengen? Ja. Wie veroorzaakte de hongersnood? Jehova!

   Het is volkomen duidelijk dat de Joden Jehova niet zagen als de God van Egypte – de God van de hele wereld. Hij was hun God, en van hen alleen. Andere volken hadden goden, maar Jehova was de grootste van allen. Hij haatte andere volken en andere goden, en verafschuwde alle religies behalve de verering van zichzelf.


IV

_____



WAT IS HET ALLEMAAL WAARD?

   Zou een christelijke geleerde ons de waarde van Genesis kunnen uitleggen?

   We weten dat het niet waar is – dat het zichzelf tegenspreekt. Er zijn twee weergaven van de schepping in het eerste en tweede hoofdstuk. In de eerste weergave worden vogels en dieren vóór de mens geschapen.

   In het tweede wordt de mens vóór de vogels en dieren geschapen.

   In het eerste worden de vogels uit het water gemaakt.

   In het tweede worden de vogels uit de aarde gemaakt.

   In het eerste worden Adam en Eva samen geschapen.

   In het tweede wordt Adam gemaakt; daarna de dieren en de vogels, en daarna wordt Eva uit één van Adams ribben gecreëerd.

   Deze verhalen zijn veel ouder dan de Pentateuch.

   Perzisch: God schiep de wereld in zes dagen, en een man genaamd Adama, en een vrouw genaamd Evah, en rustte daarna.

   De Etruskische, Babylonische, Phoenicische, en Chaldeese verhalen zijn vrijwel hetzelfde.

   De Perzen, Grieken, Egyptenaren, Chinesen en Hindoes hebben hun Hof van Eden en de Levensboom.

   En zo hadden de Perzen, de Babyloniërs, de Nubiërs, de volken van zuid-India, allen het verhaal van de zondeval en de subtiele slang.

   De Chinezen zeggen dat de zonde in de wereld kwam door de ongehoorzaamheid van de vrouw. En zelfs de Tahitianen vertellen ons dat de man geschapen werd uit de aarde, en de eerste vrouw uit een van zijn botten. 

   Al deze verhalen zijn even authentiek en van gelijke waarde voor de wereld, en alle auteurs werden gelijkelijk geïnspireerd.

   We weten ook dat het verhaal van de Zondvloed veel ouder is dan het boek Genesis, en bovendien weten we dat het niet waar is.

   We weten dat dit verhaal in Genesis uit het Chaldees gekopiëerd werd. Daarin vindt men alles over de regen, de ark, de dieren, de duif die er driemaal op uit werd gestuurd, en de berg waarop de ark rustte.

   En zo hebben de Hindoes, Chinezen, Perzen, Grieken, Mexicanen en Scandinaviërs substantieel hetzelfde verhaal.

   We weten ook dat het verhaal over de toren van Babel een onnozele en kinderlijke fabel is.

imgres

   Wat blijft er dan nog over in dit door God geopenbaarde boek Genesis? Is er één woord gericht op de ontwikkeling van hart of brein? Is er één verheven gedachte – één groots principe – ook maar iets poëtisch – zijn er woorden waaruit bloesem ontspringt?

   Is er ook maar iets behalve een vervelend en gedetailleerd verslag over dingen die nooit plaatsvonden?

   Staat erook maar iets in Exodus bedoeld om de mens genereus, liefdevol en edel te maken?

   Is het juist om kinderen te leren dat God het onschuldig vee van de Egyptenaren martelde – ze dood sloeg met hagelstenen – vanwege de TOREN VAN BABEL                                                                       zonden van de Farao?

   Maakt het ons genadig om te geloven dat God alle eerstgeborenen van de Egyptenaren doodde – de eerstgeborenen van de arme, lijdende mensen – van het arme werkende meisje – vanwege de slechtheid van de koning?

   Kunnen we geloven dat de goden van Egypte wonderen verrichtten? Veranderden zij water in bloed, en stokken in slangen?

   In Exodus staat niet één originele gedachte of één regel van waarde.

   We weten, als er iets is dat we weten, dat dit boek door barbaren werd geschreven – wilden die geloofden in slavernij, polygamie en uitroeiïngs-oorlogen. We weten dat het vertelde verhaal onmogelijk is, en dat de wonderen nooit werden verricht. Dit boek geeft toe dat er andere goden zijn dan Jehova. In hoofdstuk 18 staan deze verzen: “Geprezen zij de HEER, dat hij jullie uit de macht van de Egyptenaren en de farao heeft bevrijd,’ zei hij, ‘dat hij het volk verlost heeft van de onderdrukking door de Egyptenaren, door wie jullie met zo veel minachting behandeld zijn. Nu zie ik in dat de HEER machtiger is dan alle andere goden.’ (Exodus 18:10-11)

   En, in dit gezegende boek wordt ons de plicht van mensenoffers voorgehouden – het offeren van baby’s.

   In het 22ste hoofdstuk staat dit bevel: “Sta de eerste opbrengst van de druivenoogst zonder uitstel aan mij af, en geef mij ook je eerstgeboren zoon.” (Exodus 22:28)

   Is Exodus een hulp of een hinder geweest voor het menselijke ras?

   Als men uit Exodus de wetten wegneemt die gebruikelijk zijn voor alle volken, blijft er dan nog iets van waarde over?

   Staat er iets van enig belang in Leviticus? Is er een hoofdstuk dat de moeite van het lezen waard is? Wat interesseert ons de kleding van de priesters, de gordijnen en kandelaars van de tabernakel, de tangen en scheppen van het altaar of de haarolie die de Levieten gebruikten?

   Welk nut hebben de wrede wetgeving, de vreselijke straffen, de vervloekingen, de leugens en de wonderen van dit onnozele en schandelijke boek? 

   En wat staat er in het boek Numeri – met zijn offerandes, met zijn waters, met zijn brood en lepels, zijn geitenlammeren en fijn meel, zijn olie en kandelaars, zijn komkommers, uien en manna – dat de mensheid voorlicht en vooruit helpt? Welke interesse hebben wij voor de rebellie van Korah, het water van scheiding, de as van een rode vaars, de koperen slang, het water dat het volk heuvel op, heuvel af veertig jaar lang volgde, de sprekende ezel van de profeet Balaäm? Hebben deze absurditeiten en wreedheden – deze kinderlijke, brute bijgeloven – geholpen de wereld te beschaven?

   Staat er iets in Jozua – met zijn oorlogen, zijn moorden en afslachtingen, zijn zwaarden waar het bloed van moeders en baby’s afdruipt, zijn martelingen en verminkingen, zijn bedrog en woede, zijn haat en wraak – gericht op verbetering van de wereld? 

   Ontzet niet ieder hoofdstuk het hart van een goed mens? Is het een boek dat kinderen horen te lezen?

   Het boek Jozua is zo meedogenloos als een hongersnood, zo moordlustig als het hart van een wild dier. Het is een geschiedenis – een rechtvaardiging – een goedkeuring voor bijna iedere misdaad.

   Het boek Richteren is ongeveer hetzelfde, niets dan oorlog en bloedvergieten; het verschrikkelijke verhaal van Jaël en Sisera; van Gideon en zijn trompetten en aarden kruiken; van Jephta en zijn dochter, die hij vermoordde om Jehova een plezier te doen.

   Hierin vinden we het verhaal van Samson, waarin een zonne-god wordt veranderd in een Hebreeuwse reus.

   Lees dit boek Jozua – lees over de afslachting van vrouwen, van echtgenotes, van moeders en kinderen – lees over zijn onmogelijke wonderen, zijn meedogenloze misdaden, allen gedaan in opdracht van Jehova, en zeg me dat dit boek bedoeld is om ons vergevend, ruimhartig en liefdevol te maken.

   Ik geef toe dat het verhaal van Ruth in sommige opzichten een mooi verhaal is dat raakt; dat het op natuurlijke wijze wordt verteld, en dat haar liefde voor Naomi diep en zuiver was. Maar wat verkering betreft zouden we onze dochters niet adviseren het voorbeeld van Ruth te volgen. Hoewel, we moeten ons realiseren dat Ruth een weduwe was.

   Staat er iets dat het lezen waard is in het eerste en tweede boek van Samuel? Hoort een profeet van God een gevangengenomen koning in stukken te houwen? Is het verhaal van de ark, zijn vangst en terugkeer voor ons van belang? Is het mogelijk terecht, rechtvaardig en genadig om vijftigduizend mannen te vermoorden omdat ze in een doos gekeken hadden? Welk nut heeft hebben de oorlogen van Saul en David voor ons, of de verhalen van Goliath en de heks van Endor? Waarom moest Jehova Uzzah doden toen hij de hand uitstak om de ark te steunen, en David vergeven voor het vermoorden van Uriah en het stelen van zijn vrouw?

   Volgens 'Samuel' liet David een volkstelling houden. Jehova werd hier kwaad over, en als bestraffing gaf hij David de keus tussen zeven jaren hongersnood, een drie maanden durende achtervolging door een vijand, of drie dagen van pest. David, die vertrouwen had in God, koos voor de drie dagen durende pest; waarop God, de barmhartige, vanwege de zonde van David, zeventigduizend onschuldige mensen vermoordde.

   Wat zou de duivel onder dezelfde omstandigheden hebben gedaan?

   Staat er ook maar iets in het eerste en tweede boek van Koningen dat het idee van goddelijke inspiratie suggeeert?

   Wanneer David stervende is zegt hij zijn zoon Salomo Joab te vermoorden – zijn grijsharige hoofd niet toe te staan in vrede naar het graf te gaan. Met zijn laatste adem beveelt hij zijn zoon het grijze hoofd van Simei bebloed naar het graf te brengen. Nadat hij deze genadevolle woorden had geuit, sliep David, de man naar Gods hart, met zijn vaders.

   Was het nodig de man te inspireren die over het bouwen van de tempel schreef, het verhaal over de koningin van Sheba, of het aantal vrouwen van Salomo?

   Wat geven wij om het verdorren van Jerobeams hand, de profetie van Jehu, of het verhaal over Elija en de raven?

   Kunnen we geloven dat Elija vlammen uit de hemel bracht, of dat hij tenslotte naar het Paradijs vertrok in een triomfwagen van vuur?

   Kunnen we geloven in de vermenigvuldiging van de olie van de weduwe door Elisa, of dat een leger met blindheid werd geslagen, of dat een bijl op het water dreef?

   Brengt het ons beschaving om te lezen over de onthoofding van de zeventig zonen van Ahab, het de ogen uitsteken van Zedekia en de moord op zijn zonen? Staat er één woord in het eerste of tweede boek van Koningen gericht op het verbeteren van de mens? 

   Het eerste en tweede boek Kronieken is slechts een hervertelling van wat in 1 en 2 Koningen werd verteld. Dezelfde oude verhalen – een beetje weggelaten, een beetje toegevoegd, maar in geen enkel opzicht beter of slechter gemaakt.

 Het boek Ezra is van weinig belang. Hij vertelt ons dat Cyrus, koning van Perzië, een proclamatie uitvaardigde voor het bouwen van een tempel in Jeruzalem, en dat hij verklaarde dat Jehova de enige echte God was.

 Niets zou meer absurd kunnen zijn. Ezra vertelt ons over de terugkeer uit gevangenschap, het bouwen van de tempel, de inwijding, een paar gebeden, en dat is alles. Dit boek is van geen enkel belang, van geen enkel nut.

   Nehemia is vrijwel hetzelfde, alleen vertelt dit over het bouwen van de muur, de klachten van het volk over de belastingen, een lijst van degenen die terugkwamen uit Babylon, een catalogus van degenen die in Jeruzalem wonen, en de inwijding van de muren.

   Niet een woord in Nehemia is de moeite van het lezen waard.

   Dan komt het boek van Ester: hierin wordt ons verteld dat koning Asahueras dronken was; dat hij zijn koningin, Vashti liet komen om zichzelf aan hem en zijn gasten te tonen. Vashti weigerde te verschijnen.

   Dit bracht de koning tot grote woede, en hij beval dat uit iedere provincie de mooiste meisjes voor hem gebracht zouden worden, zodat hij daaruit één kon kiezen om Vasthi te vervangen.

   Eén van de zo gebrachte meisjes was Esther, een jodin. Zij werd uitverkozen en werd de vrouw van de koning. Toen kwam er een heer, Haman genaamd, die alle joden wilde laten doden, en de koning, die niet wist dat Esther van dat ras was, tekende een decreet dat alle joden gedood moesten worden.

   Door de inspanningen van Mordechai en Esther werd het decreet ingetrokken en werden de joden gered.

   Haman liet een galg oprichten om Mordechai aan op te hangen, maar de goede Esther kreeg het voor elkaar dat Haman en zijn tien zonen werden opgehangen aan de galg die Haman had laten bouwen, en dat aan de joden werd toegestaan om meer dan vijfenzeventigduizend onderdanen van de koning te vermoorden.

   Dat is het door God geïnspireerde verhaal van Esther.

   In het boek Job vinden we wat verheven gevoelens, wat sublieme en dwaze gedachten, iets over het wonder en verhevenheid van de natuur, de vreugden en zorgen van het leven; maar het verhaal is schandelijk.

   Sommige van de Psalmen zijn goed, vele zijn pover, en een paar zijn schandelijk. Hierin worden deugden en ondeugden vermengd. Er zijn verzen die verheffen, verzen die onteren. Er zijn gebeden om vergeving en om wraak. In de wereldliteratuur bestaat niets meer harteloos, meer schandelijk, dan Psalm 109.

   In Spreuken staan veel schranderheid, veel kernachtige en verstandige stelregels, veel wijze gezegden. Dezelfde ideeën worden op veel manieren uitgedrukt – de wijsheid van zuinighed en stilte, de gevaren van ijdelheid en leegheid. Sommige zijn triviaal, sommige zijn dwaas, en vele zijn wijs. Deze spreekwoorden zijn niet genereus, niet altruïstisch. Gezegden van dezelfde strekking worden in alle naties gevonden.

   Prediker is het meest diepzinnige boek van de Bijbel. Het werd door een ongelovige geschreven – een filosoof – een agnosticus. Neem de falsificaties er uit, en het is in overeenstemming met het denken in de negentiende eeuw. In dit boek worden de meest filosofische en poëtische passages van de Bijbel gevonden.

   Na het doorkruisen van die woestijn van dood en misdaad, na het lezen van de Pentateuch, Jozua, Richteren, Samuel, Koningen en Kronieken – is het een genot de oase te bereiken, die het “Hooglied van Salomo” wordt genoemd. Een drama van liefde – van menselijke laagten; een gedicht zonder Jehova – een gedicht uit het hart geboren en trouw aan de goddelijke instincten van de ziel.

   “Ik slaap, maar mijn hart waakt.”

   Jesaja is het werk van velen. Zijn gezwollen bewoordingen, zijn vage voorstellingen, zijn profetieën en vervloekingen, zijn getier tegen koningen en naties, zijn gelach om de wijsheid van de mens, zijn afkeer van vreugde, hebben niet de geringste tendens het welzijn van de mensheid te bevorderen.

   In dit boek worden de absurdsten van alle wonderen weergegeven. De schaduw van de zonnewijzer wordt tien graden terug gedraaid, teneinde Hezekia ervan te overtuigen dat God vijftien jaar aan zijn leven zal toevoegen.

   In dit wonder werd de wereld, van west naar oost draaiend met een snelheid van meer dan duizend mijl per uur, niet alleen stil gezet, maar gedwongen de andere kant op te draaien totdat de schaduw op de zonnewijzer tien graden terug was gegaan! Is er ergens in de hele wereld een intelligente man of vrouw die in dit onmogelijke bedrog gelooft?

   Jeremia bevat niets van belang – geen feiten van waarde; niets anders dan klagen, lamenteren, gekwaak, gejammer, gescheld en beloftes; niets dan hongersnood en gebed, de welvaart van de slechten, het ruïneren van de joden, de ballingschap en terugkeer, en tenslotte Jeremia, de verrader, in de boeien en in de gevangenis.

   En Klaagliederen is gewoon een voortzetting van het geraas van dezelfde krankzinnige pessimist; niets dan stof en zak en as, tranen en gehuil, geschimp en gescheld.

   En Ezekiël – manuscripten verslindend, belegering en verwoesting voorspellend, met visies van vurige kolen, en cherubijnen, van wielen met ogen, en de symbolisering van de kookpot, en de wederopstanding van droge botten – is van geen enkel nut, van geen mogelijke waarde.

   Met Voltaire zeg ik, dat iemand die Ezekiël bewondert zou moeten worden gedwongen met hem te dineren.

   Daniël is een warrige droom – een nachtmerrie.

   Wat kunnen we opmaken uit een boek met zijn beeld met een gouden hoofd, met borst en armen van zilver, met buik en dijen van messing, met benen van ijzer, en met voeten van ijzer en klei; met zijn geschriften op de muur, en zijn visioen van de ram en de geit?

   Kunnen we iets leren uit Hosea en zijn vrouw? Is er iets van nut in Joël, in Amos, in Obadja? Kunnen we iets goeds afleiden uit Jona en zijn kalebas? Is het mogelijk de God de echte auteur is van Micha en Nahum, van Habakuk en Sefanja, van Haggai en Maleachi en Zacharia, met zijn rode paarden, zijn vier hoornen, zijn vier timmermannen, zijn vliegende rol, zijn bergen van messing en de steen met vier ogen?

   Staat er iets in deze “geïnspireerde” boeken dat ten gunste van de mensheid is geweest?

   Hebben die ons geleerd hoe de aarde te bewerken, huizen te bouwen, stoffen te weven, voedsel te bereiden?

   Hebben ze ons geleerd schilderijen te maken, beelden te houwen, bruggen te bouwen, of schepen, of om iets van schoonheid of waarde te maken? Kregen we onze denkbeelden over regering, over religieuze vrijheid, over vrijheid van gedachte, uit het Oude Testament? Kregen we uit enig van deze boeken een verwijzing naar enige wetenschap? Staat er in de “Heilige Schrift” een woord, een regel, die iets toegevoegd heeft aan de rijkdom, de intelligentie en het geluk van de mens? Is enig boek van het Oude Testament zo onderhoudend als “Robinson Crusoë”, “Gullivers reizen”, of “Peter Wilkins and his Flying Wife”? Wist de auteur van Genesis net zoveel van de natuur als Humboldt, als Darwin, als Haeckel? Is wat de Mozaïsche Code wordt genoemd even wijs of even genadig als de juridische code voor iedere beschaafde natie? Waren de schrijvers van Koningen en Kronieken even grote historici, even grote schrijvers als Gibbon en Draper? Staan Jeremia en Habakuk gelijk aan Dickens en Thackeray? Kunnen de auteurs van Job en de Psalmen met Shakespeare worden vergeleken? Waarom zouden we het beste aan de mens toeschrijven en het slechtste aan God?


V

_____



WAS JEHOVA EEN GOD VAN LIEFDE?

   Kwamen deze woorden uit een hart vol liefde?

   “Maar wanneer hij hen zo voor u op de vlucht jaagt, moet u niet bij uzelf denken: We hebben het ook wel verdiend dat de HEER ons hierheen heeft gebracht om ons dit land in bezit te geven. Nee, het is omdat die volken zo slecht zijn dat hij ze voor u verdrijft.” – (Deuteronomium 9:4)

   “Ramp na ramp breng ik over hen, al mijn pijlen schiet ik op hen af.

   "Honger zal hen uitmergelen, de pest hen verteren, ziekten zullen hen te gronde richten.” – (Deuteronomium 32:23)

   “Ik geef hen ten prooi aan wilde dieren giftige slangen laat ik hen bijten.” – (Deuteronomium 32:24)

   “Buiten eist de oorlog zijn tol, binnen heerst de angst voor de dood.

   "Niemand wordt ontzien, man noch vrouw, jong noch oud.” – (Deuteronomium 32:25)

   “Dat zijn dagen geteld zijn, een ander zijn ambt overneemt, dat hij zijn kinderen vaderloos, zijn vrouw als weduwe achterlaat.

   Dat zijn kinderen bedelend rondzwerven, naar eten zoeken in het puin van hun huizen, dat schuldeisers beslag leggen op zijn bezit en vreemden roven wat hij moeizaam verwierf. Dat niemand hem trouw blijft, niemand zich ontfermt over zijn kinderen, dat zijn nageslacht voorgoed verdwijnt, hun naam na hun leven wordt uitgewist.” – (Psalmen 109)

 “dat u de zonen en dochters die u van de HEER, uw God, hebt gekregen, zult eten – uw eigen vlees en bloed; tot zo grote wanhoop zal de vijand u tijdens het beleg drijven.” – (Deuteronomium 28:53)

 “De hemel boven uw hoofd zal van koper zijn en de grond onder uw voeten van ijzer.” – (Deuteronomium 28:23)

 “Vervloekt zult u zijn in de stad en vervloekt op het land.” – (Deuteronomium 28:16)

 “Mijn pijlen maak ik dronken van het bloed van vijanden, gevallen en gevangen” – (Deuteronomium 32:42)

 “Daarom lach ik om je ongeluk, schater ik het uit om je ellende,” – (Spreuken 1:26)

 Kwamen deze vervloekingen, deze bedreigingen, uit een hart vol liefde of uit de mond van barbarij?

 Was Jehova God of Duivel?

 Waarom zouden we Jehova boven alle goden plaatsen?

 Heeft de mens in zijn onwetendheid en vrees zich ooit een groter monster voorgesteld?

 Hebben de barbaren van enig land, in enige tijd, een meer harteloze god geëerd?

 Brahma was duizend maal nobeler, en dat waren Osiris en Zeus en Jupiter ook. Dat geldt ook voor de oppergod van de Azteken, aan wie slechts de geur van bloemen werd geofferd. De slechtste god van de Hindoes, met zijn halsband van schedels en zijn armbanden van levende slangen, was vriendelijk en vergevingsgezind vergeleken met Jehova.

 Hoe klein lijkt Jehova, vergeleken met Marcus Aurelius. Hoe wreed, hoe verachtelijk is deze god, vergeleken met  Abraham Lincoln.


VI

_____                            



JEHOVA’S BESTUUR

   Hij schiep de wereld, de hemellichamen, een man en een vrouw – plaatste ze in een lusthof. Toen misleidde de slang ze, en ze werden uitgewezen en veroordeeld hun brood te verdienen.

   Jehova was tegengewerkt.

   Daarna probeerde hij het weer. Hij ging ongeveer zestienhonderd jaren door met het proberen de mensen te beschaven.

   Geen scholen, geen kerken, geen Bijbel, geen traktaten – niemand die geleerd werd te lezen en schrijven. Geen Tien Geboden. De mensen werden slechter en slechter, en de genadige Jehova stuurde de Zondvloed en verdronk alle mensen met uitzondering van Noach en zijn gezin, acht mensen.

imgres

   Toen begon hij opnieuw, en veranderde hun dieet. Eerst waren Adam en Eva vegetariërs. Na de zondvloed zei Jehova: “Ieder bewegend ding dat leeft zal vlees voor u zijn” – slangen en gieren.

   Daarna faalde hij opnieuw, en bij de Toren van Babel dreef hij de mensheid uiteen en verstrooide ze.

   Ontdekkend dat hij niet met alle mensen kon slagen, bedacht hij het met enkelen te proberen, dus koos hij Abraham en zijn afstammelingen. Hij faalde opnieuw, en zijn uitverkoren volk werd door de Egyptenaren gevangen genomen en vierhonderd jaaar in slavernij gehouden.

   Toen probeerde hij het weer – redde ze van de Farao en stuurde ze naar Palestina.

   Toen veranderde hij hun dieet, ze alleen toestaand te eten van herkauwers met gespleten hoeven. Weer faalde hij. De mensen haatten hem, en gaven de voorkeur aan de slavernij in Egypte boven de vrijheid van Jehova. Dus liet hij ze zwerven totdat bijna allen die uit Egypte waren gekomen, gestorven waren. Toen probeerde hij het opnieuw – bracht ze tot in Palestina en liet ze regeren door de Richteren.

   Ook dit was een mislukking – geen scholen, geen Bijbel. Daarna probeerde hij koningen, en de koningen waren meestal afgodendienaars

   Toen werd het uitverkoren volk overwonnen en door de Babyloniërs in gevangenschap weggevoerd.

   Alweer een mislukking.

   Daarna kwamen ze terug, en Jehova probeerde profeten – huilers en klagers – maar de mensen werden slechter en slechter. Geen scholen, geen wetenschappen, geen kunst, geen handel. Toen nam Jehova het op zich mens te worden, werd uit een vrouw geboren, en leefde tussen de mensen die hij al verscheidene duizenden jaren had geprobeerd te beschaven. Toen volgden deze mensen de wetten die hij hen in de wildernis had gegeven - klaagden de Jehova-mens aan – deze Christus – voor blasfemie; berechtten, veroordeelden en doodden hem.

   Jehova had opnieuw gefaald.

   Daarna verliet hij de Joden en richtte zijn attentie op de rest van de wereld.

   En nu zijn de Joden, van Jehova verlaten, door christenen vervolgd, het meest voorspoedige volk op aarde. Jehova heeft opnieuw gefaald.

   Wat een bestuur!


VII

_____



HET NIEUWE TESTAMENT

   Wie schreven het Nieuwe Testament?

   Christelijke geleerden geven toe dat ze het niet weten. Ze geven toe dat, als de vier evangelieën door Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes geschreven zouden zijn, ze in het Hebreeuws geschreven hadden moeten zijn. En toch werd nooit een Hebreeuws manuscript van een van deze evangelieën gevonden. Ze waren, en zijn, allen in het Grieks. Dus, geschoolde theologen erkennen dat de Brieven, en Jacobus en Judas door personen geschreven zijn die nooit een van de vier evangelieën hadden gezien. In deze brieven – in Jacobus en Judas – wordt niet aan enig van deze evangelieën gerefereerd, noch aan enig wonder daarin vermeld.

   De eerste vermelding ooit gevonden over een van de evangelieën dateert van ongeveer honderd-acht jaar na de geboorte van Christus, en de vier evangelieën werden pas met name genoemd en geciteerd in het begin van de derde eeuw, ongeveer honderd-zeventig jaar na de dood van Christus.

   We weten nu dat er veel meer evangelieën zijn geweest buiten onze vier, waarvan sommige verloren zijn gegaan. Er zijn evangelieën geweest van Paulus, van de Egyptenaren, van de Hebreeën, van Volmaaktheid, van Judas, van Thaddeus, van de Kindertijd, van Thomas, van Maria, van Andreas, van Nicodemus, van Marcion en verscheidene anderen.

   Er waren ook de Handelingen van Pilatus, van Andreas, van Maria, van Paulus en Thecla en vele anderen; en ook een boek genaamd de Herder van Hermas.

   Eerst werd geen van deze boeken als geïnspireerd beschouwd. Het Oude Testament werd als goddelijk gezien; maar de boeken die nu het Nieuwe Testament vormen werden als menselijke producties beschouwd. We weten nu dat we niet weten wie de vier evangelieën hebben geschreven.

url

   De vraag is, werden de auteurs van deze vier evangelieën goddelijk geïnspireerd?

   Als zij geïnspireerd waren, dan moeten de vier evangelieën waar zijn. Als ze waar zijn, moeten ze onderling overeenkomen.

   De vier evangelieën komen niet onderling overeen.

   Matteus, Marcus en Lucas wisten niets van de verlossing door het zoenoffer, niets van de zaligmaking door geloof. Ze kenden alleen het evangelie van goede daden – van liefdadigheid. Ze leren ons dat als wij anderen vergeven, God ons vergeeft.

   Hiermee is het evangelie van Johannes het niet eens.

   In dat evangelie wordt ons geleerd dat we in de Here Jezus Christus moeten geloven; dat we opnieuw geboren moeten worden; dat we het bloed moeten drinken en het vlees moeten eten van Christus. In dit evangelie vinden we het doctrine van de boetedoening, en dat Christus voor ons stierf en in onze plaats leed.

   Dit evangelie verschilt in grote mate van de overige drie. Als de andere drie waar zijn, is het evangelie van Johannes onwaar. Als het evangelie van Johannes door een goddelijk geïnspireerd mens werd geschreven, waren de andere drie niet geïnspireerd. Hieraan is geen ontsnapping mogelijk. Ze kunnen niet alle vier waar zijn.

   Het is duidelik dat er vele interpolaties in de vier evangelieën staan.

   Bijvoorbeeld, in Matteus 28 wordt gezegd dat de soldaten bij het graf van Christus waren omgekocht om te zeggen dat de discipelen van Jezus zijn lichaam hadden weggehaald terwijl zij, de soldaten, sliepen.

   Dit is duidelijk een interpolatie. Het onderbreekt het verhaal.

   Het tiende vers hoort gevolgd te worden door het zestiende. Het tiende vers luidt:

   “Daarop zei Jezus: ‘Wees niet bang. Ga mijn broeders vertellen dat ze naar Galilea moeten gaan, daar zullen ze mij zien.’”

   En het zestiende vers:

   “De elf leerlingen gingen naar Galilea, naar de berg die Jezus hun had genoemd,”

   Het verhaal over de soldaten in verzen 11-15 is een interpolatie – een gedachte achteraf – van veel later. Het vijftiende vers toont dit aan.

   Vijftiende vers: “Ze namen het geld aan en deden zoals hun was verteld. En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde.”

   Dit verslag stond zeker niet in het originele evangelie, en het vijftiende vers werd beslist niet door een jood geschreven. Geen jood zou dit geschreven hebben: “En tot op de dag van vandaag doet dit verhaal onder de Joden de ronde.”

   Marcus, Johannes en Lucas hadden nooit gehoord dat de soldaten door de priesters waren omgekocht; of, als ze dit wel hadden, vonden ze het de moeite van het vermelden niet waard. Zo zijn ook de verslagen van de Hemelvaart van Jezus Christus interpolaties. Matteus zegt niets over de Hemelvaart.

   Dit moet toch zeker het grootste wonder aller tijden zijn geweest, en toch vond Matteus die er bij was – die de Heer zag opstaan uit de dood, ten hemel varen en verdwijnen – het niet de moeite van vermelden waard.

   Daarentegen, de laatste woorden van Christus, volgens Matteus, weerspreken de Hemelvaart: “en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. En houd dit voor ogen: ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld.”

   Johannes, die er bij aanwezig was, als Christus werkelijk ten hemel steeg, rept met geen woord over dit onderwerp.

   Wat de Hemelvaart betreft, daar zijn de evangelieën het niet over eens.

   Marcus geeft het laatste gesprek dat Christus met zijn discipelen had als volgt weer:

   "En hij zei tegen hen: ‘Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld. Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zijn aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen. Nadat hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer Jezus in de hemel opgenomen en nam hij plaats aan de rechterhand van God.”

    Is het mogelijk dat deze beschrijving werd gegeven door iemand die getuige van dit wonder was?

   Dit wonder wordt door Lucas als volgt beschreven:

   “Terwijl hij hen zegende, ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel.”  (Lucas 24:51)

   Beknoptheid is de essentie van humor.

   In Handelingen wordt ons verteld: “Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen.”

   Noch Lucas, noch Matteus, noch Johannes, noch de schrijver van Handelingen, hoorde ook maar een woord van de conversatie door Marcus aan Jezus toegeschreven. Het is een feit dat de Hemelvaart van Christus niet door zijn discipelen werd beweerd.

   Eerst was Christus een mens – meer niet. Maria was zijn moeder, Jozef zijn vader. De genealogie van zijn vader, Jozef, wordt gegeven om aan te tonen dat hij van David afstamt.

   Daarna werd beweerd dat hij de zoon van God was, dat zijn moeder een maagd was, en dat ze tot aan haar dood een maagd bleef.

   Daarna werd beweerd dat Christus uit de dood herrees en lichamelijk naar de hemel opsteeg.

   Het nam vele jaren voor deze absurditeiten om bezit te nemen van de menselijke geest.

   Als Christus uit de dood herrees, waarom verscheen hij dan niet aan zijn vijanden? Waarom bezocht hij Kalafas niet, de hogepriester? Waarom maakte hij niet opnieuw een triomfantelijke intocht in Jeruzalem?

   Als hij echt ten hemel opsteeg, waarom deed hij dit dan niet in het openbaar, in aanwezigheid van zijn vervolgers? Waarom zou dit, het grootste van alle wonderen, in het geheim moeten gebeuren?

   Het was een wonder dat door een grote menigte zou kunnen worden gezien – een wonder dat niet gesimuleerd kon worden – één dat honderdduizenden had kunnen overtuigen.

   Na het verhaal over de Wederopstanding, werd de Hemelvaart noodzakelijk.  Men moest het lichaam kwijt.

   En zo zijn er vele interpolaties in de evangelieën en de epistels.

   Ik vraag opnieuw: Is het Nieuwe Testament waar? Gelooft nu iemand dat bij de geboorte van Christus er een hemelse begroeting was; dat een ster de wijze mannen uit het oosten de weg wees; dat Herodes alle kinderen van Bethlehem van twee jaar en jonger afslachtte?

   De evangelieën staan vol verslagen van wonderen. Werden die ooit verricht?

   Matteus geeft bijzonderheden over ongeveer twee-en-twintig wonderen, Marcus over ongeveer negentien, Lucas over ongeveer achttien en Johannes over ongeveer zeven.

   Volgens de evangelieën genas Christus ziekten, dreef hij duivels uit, kalmeerde hij de zee, maakte hij blinden ziende, voedde hij menigten met vjjf broden en twee vissen, liep hij over water, vervloekte hij een vijgenboom, veranderde hij water in wijn en deed hij doden opstaan.

   Matteus is de enige die over de ster vertelt en de Wijzen uit het oosten – de enige die over de moord op de kinderen vertelt.

   Johannes is de enige die iets zegt over de wederopstanding van Lazarus, en Lukas de enige die vertelt over het opwekken uit de dood van de weduwe van Nains zoon.

   Hoe is het mogelijk deze wonderen te substantieeren?

   De joden, waaronder deze wonderen wordt beweerd verricht te zijn, geloofden ze niet. De zieken, de lammen, de leprozen, de blinden die genezen werden, werden geen volgelingen van Christus. Van degenen die uit de dood gewekt werden, werd later niets meer vernomen.

   Gelooft enig intelligent mens in het bestaan van duivels? De schrijvers van drie van de evangelieën wel. Johannes zegt niets over Christus die duivels uitdreef, maar Matteus, Marcus en Lucas geven vele voorbeelden.

   Gelooft een zinnig mens nu nog dat Christus duivels uitdreef? Als zijn discipelen dit zeggen, vergissen zij zich. Als Christus zegt dat hij dit deed, was hij krankzinnig of een bedrieger.

   Als de verslagen over het uitdrijven van duivels onwaar zijn, dan waren de schrijvers onnozel of oneerlijk. Als zij uit onnozelheid schreven, waren ze niet goddelijk geïnspireerd. Als ze wisten dat wat ze schreven onwaar was, waren ze niet geïnspireerd. Als wat ze schreven onwaar was, of ze het nu wisten of niet, waren ze niet geïnspireerd.

   Destijds geloofde men dat verlamming, epilepsie, doofheid, krankzinnigheid en vele andere ziektes door duivels werden veroorzaakt; dat duivels bezit namen van de lichamen van mannen en vrouwen en daarin woonden. Christus geloofde dit, leerde anderen dit te geloven, en wendde voor ziektes te genezen door duivels te verdrijven uit zieken en krankzinnigen. Nu weten we, als er iets is dat we weten, dat ziekten niet veroorzaakt worden door de aanwezigheid van duivels. We weten, als er iets is dat we weten, dat duivels niet in de lichamen van mensen wonen.

   Als Christus zei en deed wat de schrijvers van drie evangelieën zeiden dat hij zei en deed, dan vergiste Christus zich. Als hij zich vergiste, was hij zeker geen God. En als hij zich vergiste, was hij zeker niet goddelijk geïnspireerd.

   Is het een feit dat de Duivel probeerde Christus om te kopen?

   Is het een feit dat de Duivel Christus meenam naar de top van de tempel en hem uitdaagde naar de grond te springen?

   Hoe kunnen deze wonderen worden vastgesteld?

   De hoofdpersonen hebben niets geschreven, Christus heeft niets geschreven, en de Duivel hield zich stil.

   Hoe kunnen we weten dat de Duivel trachtte Christus om te kopen? Wie schreef het verslag? We weten het niet. Hoe kreeg de schrijver zijn informatie? We weten het niet.

   Iemand, ongeveer zeventienhonderd jaar geleden, zei dat de Duivel probeerde God om te kopen; dat de Duivel God meenam naar de top van de tempel en probeerde hem aan te zetten naar de aarde te springen, en dat God te slim was voor de Duivel.

   Dit is alle bewijs dat we hebben.

  Bestaat er iets in de literatuur, in de wereld meer compleet idioot?

   Intelligente mensen geloven niet meer in heksen, tovenaars, spoken en duivels, en ze zijn er perfect zeker van dat ieder woord in het Nieuwe Testament over het uitdrijven van duivels totaal onwaar is.

  Kunnen we geloven dat Christus doden op liet staan?

  Een weduwe die in Nain woont volgt het lichaam van haar zoon naar zijn graf. Christus stopt de begrafenisstoet, wekt de jongeman op uit de dood en geeft hem terug in zijn moeders armen.

   Deze jongeman verdwijnt. Er wordt nooit meer iets van hem gehoord. Niemand is in het minst geïnteresseerd in de man die terugkeerde uit de dood.

   Lucas is de enige die het verhaal vertelt. Misschien hebben Matteus, Marcus en Johannes er nooit van gehoord, of ze geloofden het niet en verzuimden dus om het vast te leggen.

   Johannes zegt dat Lazarus uit de dood werd opgewekt; Matteus, Marcus en Lucas zeggen er niets over.

   Het was een nog groter wonder dan het opwekken van de zoon van de weduwe. Hij had nog niet voor dagen in zijn graf gelegen. Hij was slechts onderweg naar zijn graf, maar Lazarus was werkelijk dood. Hij begon te ontbinden.

   Lazarus wekte niet de minste interesse. Niemand vroeg hem naar de andere wereld. Niemand informeerde bij hem naar zijn dode vrienden. Toen hij voor de tweede keer stierf was er niemand die zei: “Hij is niet bang. Hij heeft die weg al eerder afgelegd en weet precies waar hij heen gaat.” 

   We geloven niet in de wonderen van Mohammed, en toch zijn ze net zo geboekstaafd als deze. We hebben geen vertrouwen in de wonderen van Joseph Smith, en toch is het bewijs veel groter, veel beter.

   Als nu een man rond zou gaan pretenderend dat hij doden opwekt, dat hij duivels uitdrijft, zouden we hem als krankzinnig beschouwen. Wat kunnen we dan zeggen van Christus? Als we zijn reputatie willen redden, zijn we verplicht te zeggen dat hij nooit voorwendde doden te hebben opgewekt; dat hij nooit beweerde duivels te hebben uitgedreven.

   We moeten aannemen dat deze onnozele en onmogelijke dingen door zijn overijverige discipelen werden verzonnen om hun leider te vergoddelijken.

   In die onwetende tijden verhoogden deze verzinsels de roem van Christus. Maar nu schaden ze zijn karakter in en kleineren ze de auteurs van de evangelieën.

   Kunnen we geloven dat water in wijn veranderde? Johannes vertelt over dit kinderachtige wonder, en zegt dat de andere discipelen er bij aanwezig waren, toch zeggen Matteus, Marcus en Lucas er niets over.

   Neem het wonder van de man die genezen werd door de vijver van Bethseda. Johannes zegt dat een engel het water van de vijver van Bethseda beroerde, en dat wie het eerst in de vijver kwam nadat het water beroerd was, zou genezen.

   Gelooft iemand nu werkelijk dat een engel in de vijver ging om het water te beroeren? Gelooft iemand nu dat de arme stumper die er het eerst in kwam, genezen werd? Toch geloofde de auteur van het evangelie van Johannes deze absurditeit. Als hij zich daarin vergiste, kan hij zich ook wel hebben vergist in al die andere wonderen die hij heeft vastgelegd.

   Johannes is de enige die over de vijver van Bethseda spreekt. Mogelijk geloofden de andere discipelen het verhaal niet.

   Hoe kunnen we deze beweerde wonderen verklaren?

   In de tijd van de discipelen, en voor menige eeuw daarna, was de wereld vervuld over het bovennatuurlijke. Bijna alles wat plaatsvond werd als wonderlijk beschouwd. God was de onmiddellijke bestuurder van de wereld. Als de mensen goed waren, bracht God een tijd om te zaaien en te oogsten; maar as ze slecht waren zond hij overstromingen en hagel, vorst en hongersnood. Als er iets wonderlijks gebeurde werd het overdreven totdat het een wonder was geworden.

   Van de volgorde van gebeurtenissen – van de onverbroken en onverbreekbare keten van oorzaken en gevolgen – hadden de mensen geen weet en geen gedachten.

   Een wonder is het handelsmerk van de fraudeur. Geen wonder werd ooit verricht. Geen intelligent, eerlijk mens heeft ooit beweerd een wonder te hebben verricht, en zal dit nooit beweren.

   Als Christus de wonderen die aan hem worden toegeschreven gewrocht zou hebben; als hij de lammen en krankzinnigen genezen zou hebben; als hij de dove zijn gehoor, de blinde zijn zicht  zou hebben gegeven; als hij de leproze met één woord gereinigd zou hebben, en met één aanraking leven en gevoel in een lidmaat zou hebben gegeven; als hij hartslag en beweging, warmte en gedachten aan koude en ademloze aarde zou hebben gegeven; als hij de dood overwonnen zou hebben, en haar bleke prooi aan zijn graf ontrukt zou hebben – geen woord zou zijn geuit, geen hand opgestoken, behalve om te prijzen en eren. In zijn aanwezigheid zouden alle hoofden ontbloot worden – alle knieën gebogen naar de grond.

   Is het niet vreemd dat bij de berechting van Christus niemand gevonden werd die iets in zijn voordeel zei? Niemand stond op en zei: “Ik was een leproze, en deze man genas mij met een aanraking.” Geen vrouw zei: “Ik ben de weduwe van Nain en dit is mijn zoon die door deze man van de dood gered werd.”

   Geen man die zei: “Ik was blind, en deze man gaf mij zicht.”

   Iedereen bleef stil.


VIII

_____



DE FILOSOFIE VAN CHRISTUS

   Miljoenen stellen dat de filosofie van Christus perfect is – dat hij de wijste man is die ooit gesproken heeft.

   Laten we eens zien:

   "En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet, maar wie je op de rechterwang slaat, ook de linkerwang toe te keren.” (Matteus 5:39)

   Is hier enige filosofie in, enige wijsheid? Christus ontneemt aan goedheid, deugd, waarheid, het recht op zelfverdediging. Verdorvenheid wordt meester van de wereld, en de goeden worden de slachtoffers van de schandelijken.

   Niemand heeft het recht zichzelf te beschermen, zijn bezit, zijn vrouw en kinderen. Regeren wordt onmogelijk, en de wereld is aan de genade van criminelen overgeleverd. Kan het nog absurder?

    “En ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen,” (Matteus 5:44)

   Is dit mogelijk? Heeft enig mens ooit zijn vijanden liefgehad? Had Christus de zijne lief, toen hij ze hekelde als hypocrieten en addergebroed?

   We kunnen niet degenen liefhebben die ons haten. Haat in de harten van anderen verwekt geen liefde in de onze. Het kwade niet te weerstaan is absurd; uw vijanden lief te hebben is onmogelijk.

   “Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf.” (Matteus 6:34)

   Het idee was dat God voor ons allen zorgt, zoals hij voor de mussen en de lelies deed. Heeft dat geloof ook maar enige zin?

   Zorgt God voor iemand?

   Kunnen we leven zonder gedachte aan morgen? Te ploegen, te zaaien, te cultiveren, te oogsten is denken aan morgen. We plannen en werken voor de toekomst, voor onze kinderen, voor de nog ongeboren generaties van de toekomst. Zonder deze voorzorg kan er geen vooruitgang zijn, geen beschaving. De wereld zou terugvallen naar de grotten en holen van barbarij.

   “Als je hand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af: je kunt beter verminkt het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen naar de Gehenna te moeten gaan, naar het onblusbare vuur. Als je voet je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af: je kunt beter kreupel het leven binnengaan dan in het bezit van twee voeten in de Gehenna geworpen worden. En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden,”         (Marcus 9:43-48)

   Is er enige wijsheid in het uitrukken van ogen of het afhakken van handen? Is het mogelijk uit deze extravagante uitspraken ook maar een greintje gezond verstand te plukken?

   “En ik zeg jullie dat je helemaal niet moet zweren, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning;” (Matteus 5:34-35)

   Hierin vinden we de astronomie en geologie van Christus. De hemel is de troon van God, de monarch; de aarde is zijn voetenbank. Een voetenbank die roteert met een snelheid van duizend mijl per uur, en door de ruimte flitst met een snelheid van duizend mijl per minuut!

   Waar dacht Christus dat de hemel was? Waarom was Jeruzalem een heilige stad? Was dit omdat haar inwoners onnozel waren, smerig en bijgelovig?

   “Als iemand een proces tegen je wil voeren en je onderkleed van je wil afnemen, sta hem dan ook je bovenkleed af.” (Matteus 5:40)

   Is er enige filosofie, enig gezond verstand, in dit gebod? Zou het niet net zo verstandig zijn als te zeggen: “Als iemand een proces tegen je wil voeren voor honderd dollar, geef hem dan tweehonderd dollar”?

   Alleen een krankzinnige zou zo’n advies kunnen geven, of volgen.

   “Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader, tussen een dochter en haar moeder en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder; de vijanden van de mensen zijn hun eigen huisgenoten! Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij, is mij niet waard.” (Matteus 10:34-37)

   Als dit waar is, hoeveel beter zou het dan niet zijn geweest als hij was weg gebleven.

   Is het mogelijk dat hij die zei, “En ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie kwaad doet,” kwam om het zwaard te brengen? Dat hij die zei, “heb je vijanden lief” kwam om de vrede in de wereld te vernietigen?  

   Om de vader tegen de zoon op te zetten, en de dochter tegen de vader – wat een glorieuze missie!

   Hij bracht inderdaad het zwaard, en het zwaard was voor duizend jaren nat van onschuldig bloed. In miljoenen harten zaaide hij het zaad van haat en wraak. Hij verdeelde naties en families, doofde het licht van de rede, en versteende de harten van mensen.

   “En ieder die broers of zusters, vader, moeder of kinderen, akkers of huizen heeft achtergelaten omwille van mijn naam, zal het honderdvoudige ontvangen en deel krijgen aan het eeuwige leven.” (Matteus 19:29)

   Volgens de auteur van Matteus uitte Christus, de medelevende, de genadige, deze vreselijke woorden. Is het mogelijk dat Christus het lokmiddel van eeuwige vreugde bood aan degenen die hun vaders wilden verlaten, hun moeders, hun vrouw en kinderen? Moeten we het geluk van de hemel verdienen  door degenen die we liefhebben te verlaten? Moet een thuis geruïneerd worden voor een villa in de hemel?

   En toch wordt gezegd dat Christus een voorbeeld voor de hele wereld is. Verliet hij zijn vader en moeder? Hij zei, tegen zijn moeder: “Vrouw, wat heb ik met u te maken?”

   “De Farizeeërs zeiden tegen Christus: “Zeg ons daarom wat u vindt: is het toegestaan de keizer belasting te betalen of niet?” Maar Jezus had hun boze opzet door en zei: ‘Waarom stelt u me op de proef, huichelaars? Laat me de belastingmunt zien.’ Ze reikten hem een denarie aan. Hij vroeg hun: ‘Van wie is dit een afbeelding en van wie is het opschrift?’ Ze antwoordden: ‘Van de keizer.’ Daarop zei hij tegen hen: ‘Geef dan wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort.’ (Matteus 22:17-21)

   Dacht Christus dat alle geld aan Caesar toebehoorde omdat zijn beeld en opschrift er ingeslagen waren? Hoorde de denarie toe aan de keizer of aan de man die hem verdiend had? Had Caesar het recht hem op te eisen omdat die met zijn beeld getooid was? 

   Blijkt uit deze conversatie dat Christus de ware aard en het gebruik van geld begreep?

   Kunnen we nu zeggen dat Christus de grootste van de filosofen was?


IX

_____



IS CHRISTUS ONS VOORBEELD?

   Hij zei nooit een woord ten gunste van onderwijs. Hij verwees nooit naar het bestaan van enige wetenschap. Hij uitte nooit een woord ten gunste van nijverheid, economie of enige inspanning om onze conditie in deze wereld te verbeteren. Hij was de vijand van de succesvollen, van de rijken. Dives werd naar de hel gestuurd, niet omdat hij slecht was, maar omdat hij rijk was. Lazarus ging naar de hemel, niet omdat hij goed was, maar omdat hij arm was.

   Christus gaf niets om schilderen, om beeldhouwen, om muziek – niets om enige kunst. Hij zei niets over de plichten van naties aan naties, over die van koning naar onderdaan; niets over de rechten van de mens; niets over intellectuele vrijheid of de vrijheid van meningsuiting. Hij zei niets over de onschenbaarheid van iemands thuis; niet een woord over gezelligheid; niet een woord ten gunste van huwelijk, eer of moederschap.

   Hij trouwde nooit. Hij zwierf doelloos van plaats naar plaats met een paar discipelen. Geen van hen scheen zich bezig te houden met enig nuttig werk, en ze schenen van aalmoezen te leven.

   Alle menselijk banden werden veracht; deze wereld werd opgeofferd voor de volgende; alle menselijke inspanningen werden ontmoedigd. God zou steunen en beschermen.

   Tenslotte, in de vooravond van de dood, schreeuwde Christus het uit, ontdekkend dat hij zich vergist had: “Mijn God, mijn God! Waarom heeft u mij verlaten?”

   We hebben ontdekt dat de mens op zichzelf moet vertrouwen. Hij moet het land klaren; hij moet het huis bouwen; hij moet ploegen en planten; hij moet uitvinden; hij moet met hand en brein werken; hij moet moeilijkheden en obstakels overkomen; hij moet de krachten in de natuur overwinnen en benutten, zodat die het werk van de wereld kunnen doen.


X

_____



WAAROM ZOUDEN WE CHRISTUS AAN DE TOP VAN HET MENSELIJK RAS MOETEN PLAATSEN?

   Was hij vriendelijker, vergevender, meer zelfopofferend dan Boeddha? Was hij wijzer, ging hij zijn dood met meer perfecte kalmte tegemoet, dan Socrates? Was hij geduldiger, liefdadiger, dan Epictetus? Was hij een groter filosoof, een diepgaander denker dan Epicurus? In welk respect was hij de meerdere van Zoroaster? Was hij zachtaardiger dan Lao-tsze, meer universeel dan Confucius? Waren zijn ideeën over mensenrechten en –plichten superieur aan die van Zeno? Gaf hij uitdrukking aan grootsere waarheden dan Cicero? Was zijn geest subtieler dan die van Spinoza? Stond zijn brein gelijk met dat van Kepler of Newton? Was hij grootser in de dood – meer subliem in martelschap dan Bruno? Was hij qua intelligentie, in de kracht en schoonheid van uitdrukking, in de wijdte en omvang van gedachten, in de rijkdom van illustratie, in de gevatheid van vergelijking, in de kennis van menselijk brein en hart, in alle passies, hoop en vrees, de gelijke van Shakespeare, de grootste van het menselijk ras?

   Als Christus in feite God was, kende hij de gehele toekomst. De geschiedenis die nog moest komen, zou als een panorama voor hem leven. Hij zou weten hoe zijn woorden zouden worden uitgelegd. Hij wist welke misdaden, welke verschrikkingen, welke schandelijkheden, in zijn naam gepleegd zouden worden. Hij wist dat de hongerige vlammen van vervolging rond de ledematen van talloze martelaren omhoog zouden klimmen. Hij wist dat duizenden en duizenden moedige mannen en vrouwen in donkere kerkers zouden verkommeren, vervuld van pijn. Hij wist dat zijn kerk instrumenten van marteling zou uitvinden en gebruiken; dat zijn volgelingen zich zouden beroepen op zweep en brandstapel, op ketens en pijnbank. Hij zag de horizon van de toekomst opvlammen met het vuur van de ketterverbrandingen. Hij wist welke credo’s als giftige fungi zouden ontspringen uit iedere tekst. Hij zag de onwetende sekten elkaar in oorlogen bestrijden. Hij zag duizenden mensen, in opdracht van priesters, gevangenissen voor hun medemens bouwen. Hij zag duizenden schavotten druipen van het beste en moedigste bloed. Hij zag zijn volgelingen de instrumenten van pijn gebruiken. Hij hoorde het gekerm – zag de gezichten wit van foltering. Hij hoorde het krijsen, de snikken en kreten van al de kreunende, gemartelde menigten. Hij wist dat commentaren op zijn woorden met zwaarden geschreven zouden worden, te lezen bij het licht van brandstapels. Hij wist dat uit de aan hem toegeschreven leer de Inquisitie geboren zou worden. 

   Hij zag de interpolaties en leugens die hypocritie zou schrijven en zeggen. Hij zag alle oorlogen die hij zou veroorzaken, en hij wist dat boven al deze velden van dood, deze kerkers, deze martelwerktuigen, deze verbrandingen, deze executies, voor duizend jaren de van bloed druipende banier van het kruis zou waaien.

   Hij wist dat hypocrysie gemanteld en gekroond zou worden – dat wreedheid en lichtgelovigheid de wereld zouden beheersen; wist dat vrijheid van de aarde zou verdwijnen; wist dat pauzen en koningen in zijn naam zich lichaam en ziel van de mens zouden toeëigenen; wist dat ze de ontdekkers, denkers en uitvinders zouden vervolgen en vernietigen; wist dat zijn kerk het heilige licht van de rede zou uitblussen en de wereld zonder een ster laten.

   Hij zag zijn discipelen het licht in de ogen van de mens doven, ze levend villen, hun tongen uitrukken, zag ze zoeken naar alle zenuwen van pijn.

   Hij wist dat zijn volgelingen in zijn naam in mensenvlees zouden handelen; dat uit wiegen zou worden geroofd en kinderen van vrouwenborsten gerukt voor goud.

   En toch stierf hij met stemloze lippen.

   Waarom liet hij na te spreken? Waarom vertelde hij zijn discipelen niet, en door hen de wereld: “Gij zult niet verbranden, gevangen nemen en martelen uit mijn naam. Gij zult uw medemens niet vervolgen.”

   Waarom zei hij niet gewoon: “ik ben de Zoon van God,” of, “Ik ben God”? Waarom verklaarde hij de Drie-Eenheid niet? Waarom vertelde hij ons niet welke manier van dopen hem welgevallig was? Waarom schreef hij geen credo? Waarom verbrak hij de ketens van slavernij niet? Waarom vertelde hij niet of het Oude Testament het geopenbaarde woord van God was, of niet was? Waarom schreef hij het Nieuwe Testament niet zelf? Waarom liet hij zijn woorden na aan onwetendheid, hypocrisie en toeval? Waarom zei hij niet iets positiefs, iets definitefs en bevredigend over een andere wereld? Waarom veranderde hij de traan-bevlekte hoop op de hemel niet in de blijde kennis over een ander leven? Waarom vertelde hij ons niet iets over de rechten van de mens, over de vrijheid van hand en hersens?

   Waarom ging hij verstomd naar zijn dood, de wereld in misère en twijfel achterlatend?

   Dat zal ik u vertellen. Hij was een mens, en wist het niet.


XI

_____



INSPIRATIE

   Niet vóór ongeveer de derde eeuw werd beweerd of geloofd dat de boeken waaruit het Nieuwe Testament is samengesteld, geïnspireerd waren.

   Zoals u weet bestond er een groot aantal boeken, van Evangelieën, Epistels en Handelingen, en dat hieruit de “geïnspireerde” werden gekozen door “ongeïnspireerde” mensen.

  Tussen de “Kerkvaders” bestonden grote meningsverschillen over welke boeken geïnspireerd waren; veel discussie en vooral veel haat. Veel van de boeken die nu als onecht worden gezien werden door veel van de “Kerkvaders” als goddelijk beschouwd, en sommige die nu als geïnspireerd worden beoordeeld werden als onecht gezien. Veel van de vroege christenen en sommige van de kerkvaders wezen het Evangelie van Johannes af, de brief aan de Hebreeën, Judas, Jacobus, Petrus, en de Openbaring. Aan de andere kant beschouwden velen van hen het Evangelie van de Hebreeën, van de Egyptenaren, de Prediking van Petrus,  de Herder van Hermas, de brief van Barnabas, de Pastoor van Hermas, de Openbaring van Petrus, de Openbaring van Paulus, de Brief van Clement, het Evangelie van Nicodemus als genspireerde boeken, gelijkstaand aan de besten.

   Uit al deze boeken, en veel anderen, selecteerden de christenen de geïnspireerden.

   De mannen die deze boeken selekteerden waren onwetend en bijgelovig. Ze waren ferme gelovers in het wonderbaarlijke. Ze dachten dat ziekten genezen werden door de schorten en zakdoeken van de apostelen, door de botten van de doden. Ze geloofden in de fabel van de Phoenix, en dat hyena’s ieder jaar van sekse wisselden.

   Waren de mannen die door de eeuwen heen  de keuzes maakten goddelijk geïnspireerd? Waren zij – onwetend, goedgelovig, stupide en kwaadwillig – net zo gekwalificeerd om “inspiratie” te beoordelen als de onderzoekers van onze tijd? Waarom moeten wij ons bij hun mening neerleggen? Hebben we niet het recht om voor onszelf te kiezen?

   Erasmus, een van de leiders van de Reformatie, verklaarde dat de brief aan de Hebreeën niet door Paulus werd geschreven, en hij ontkende de inspiratie van 2 Johannes en 3 Johannes, en de Openbaring. Luther deelde zijn mening. Hij verklaarde Jacobus een brief van stro, en ontkende de inspiratie van Openbaring. Zwingli verwierp het boek van Openbaring, en zelfs Calvijn ontkende dat Paulus de auteur was van de brief aan de Hebreeën.

   De waarheid is dat de Protestanten het niet eerder met elkaar eens waren welke boeken geïnspireerd waren tot aan 1647, tijdens de Assembly van Westminster.

   Om te bewijzen dat een boek geïnspireerd is moet men het bestaan van God bewijzen. Men moet dan ook bewijzen dat God denkt, handelt, doelen nastreeft en middelen heeft. Dat is nogal moeilijk.

   Het is onmogelijk zich een voorstelling te vormen van een oneindig wezen. Geen voorstelling hebbend van een oneindig wezen, is het onmogelijk te zeggen of al de feiten die we kennen er toe neigen het bestaan van een zodanig wezen te bewijzen of ontkennen. 

   God is een aanname. Als het bestaan van God wordt toegelaten, hoe moeten we dan bewijzen dat hij de schrijvers van de bijbelboeken inspireerde?

   Hoe kan één man de inspiratie van een ander vaststellen? Hoe kan een geïnspireerd mens bewijzen dat hij geïnspireerd werd? Hoe kan hij zelf weten of hij geïnspireerd werd? Er bestaat geen manier om het feit van inspiratie te bewijzen. Het enige bewijs is het woord van een mens die met geen mogelijkheid iets over het onderwerp kan weten.

   Wat is inspiratie? Gebruikte God mensen als instrument? Veroorzaakte hij dat zij zijn gedachten opschreven? Nam hij hun geest in beslag en vernietigde hij hun wil?

   Werden deze schrijvers slecht gedeeltelijk bestuurd, zodat hun vergissingen, hun onwetendheid en hun vooroordelen zich vermengden met de wijsheid van God?

   Hoe kunnen we de vergissingen van de mens onderscheiden van de gedachten van God? Kunnen we dit doen zonder zelf goddelijk geïnspireerd te zijn? Als de oorspronkelijke schrijvers geïnspireerd waren, dan moeten de vertalers dat ook geweest zijn, en ook de mensen die ons vertellen wat de Bijbel bedoelt.

   Hoe is het voor een menselijk wezen mogelijk te weten dat hij door een oneindig wezen geïnspireerd wordt? Maar van één ding kunnen we zeker zijn: Een geïnspireerd boek hoort beslist te excelleren boven alle door ongeïnspireerde mensen geschreven boeken. Het hoort, boven alles, waar te zijn, vervuld van wijsheid, bloesemend in schoonheid – volmaakt te zijn.

   Dominees vragen zich af hoe ik verdorven genoeg kan zijn om de Bijbel aan te vallen.

   Ik zal ze het vertellen: Dit boek, de Bijbel, heeft de wijste en beste mensen vervolgd, zelfs tot aan de dood. Dit boek vertraagde en stopte de voorwaartse ontwikkeling van het menselijk ras. Dit boek vergiftigde de fonteinen van kennis en ontspoorde de inspanningen van de mens.

   Dit boek is de vijand van vrijheid, de ondersteuning van slavernij. Dit boek heeft de zaden van haat gezaaid in families en naties, de vlammen van oorlog aangewakkerd, en de wereld verarmd. Dit boek is het bolwerk van koningen en tirannen – de knechter van vrouwen en kinderen. Dit boek heeft parlementen en gerechtshoven gecorrumpeerd. Dit boek heeft colleges en universiteiten leraren van misleiding en haters van wetenschap gemaakt. Dit boek heeft het christendom vervuld van hatende, wrede, onwetende en oorlogvoerende sekten. Dit boek heeft mensen geleerd hun medemensen te doden voor de zaak van religie. Dit boek fundeerde de Inquisitie, vond de martelinstrumenten uit, bouwde de kerkers waarin de goeden en liefdevollen weg kwijnden, smeedde de ketenen die in hun vlees roestten, richtte de schavotten op waarop ze stierven. Dit boek plaatste de takkenbossen aan de voeten van de rechtvaardigen. Dit boek verdreef de rede uit de geest van miljoenen en vulde de krankzinnigengestichten.

   Dit boek heeft vaders en moeders het bloed van hun kinderen doen vergieten. Dit boek was de veilingtafel waarop de slavin-moeder door de handelaar van haar kind werd gescheiden. Dit boek blies de zeilen van de slavenhandelaar aan en maakte menselijk vlees tot handelswaar. Dit boek ontstak de vuren waarop “heksen” en “tovenaars” werden verbrand. Dit boek vulde de duisternis met spookbeelden en demonen, en de lichamen van mannen en vrouwen met duivels. Dit boek vergiftigde de ziel van de mens met het schandelijke dogma van eeuwige pijn. Dit boek maakte lichtgelovigheid de grootste deugd, en onderzoek de grootste misdaad. Dit boek bracht de naties kluizenaars, monnikken en nonnen – vromen en nuttelozen. Dit boek plaatste de onwetende en ongewassen heilige boven de filosoof en weldoener. Dit boek leerde de mens de vreugden van zijn leven te verachten, zodat hij gelukkig kon worden in een ander – deze wereld te verspillen ten gunste van de volgende.  

   Ik val dit boek aan omdat het de vijand is van menselijke vrijheid – het grootste obstakel op de snelweg van menselijke vooruitgang. 

   Laat me de dominees één vraag stellen: Hoe kunnen jullie verdorven genoeg zijn om dit boek te verdedigen?


XII

_____



DE WARE BIJBEL

   Voor duizenden jaren heeft de mens de ware Bijbel geschreven, en hij wordt nog dagelijks geschreven, en hij zal nooit klaar zijn zolang de mens leeft. Al de feiten die we kennen, al de waarachtig weergegeven gebeurtenissen, al de ontdekkingen en uitvindingen, al de wonderbaarlijke machines waarvan de wielen en hefbomen schijnen te denken, al de gedichten, kristallen van het brein, bloemen uit het hart, alle liederen van liefde en vreugde, van glimlach en traan, de grote drama’s uit de wereld der verbeelding, de schitterende schilderijen, wonderen van vorm en kleur, van licht en schaduw, de geheimen verteld door rots en ster, door stof en bloem, door regen en sneeuw, door vorst en vlam, door kronkelende rivieren en het zand van de woestijnen, door bergketens en door zee.

   Al de wijsheid die het leven verlengt en verrijkt, alles wat ziekten voorkomt of geneest – al de rechtvaardige en perfekte wetten en regels die ons leven leiden en vormgeven, alle gedachten die de vlammen voeden van liefde, de muziek die begeesterd en verrukt, de overwinningen van hart en brein, de wonderen die handen hebben gewrocht, de behendige en knappe handen die voor vrouw en kind werkten, de geschiedenissen van nobele daden, van moedige en nuttige mannen, van trouwe liefhebbende echtgenotes, van onuitblusbare moederliefde, van conflicten over recht, van lijden voor de waarheid, al het beste dat de mannen en vrouwen hebben gezegd, gedacht en gedaan over alle jaren.

   Deze kostbare schatten van hart en brein – dat zijn de Heilige Geschriften van het menselijk ras.

_____


Bron: http://www.infidels.org/library/historical/robert_ingersoll/about_the_holy_bible.html


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP



Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort