visitors on myspace
VIRUSSEN VAN DE GEEST | POSITIEF ATHEÏSME <>

VIRUSSEN VAN DE GEEST

image7313

RICHARD DAWKINS







'Alle memen zijn afhankelijk van het bereiken van de menselijke geest als toevluchtsoord, maar de menselijke geest is zelf een artefact dat gecreëerd wordt wanneer memen de menselijke geest herstructureren met het doel deze een betere verblijfplaats voor memen te maken. De toe- en uitgangen worden aangepast om ze geschikt te maken voor de plaatselijke omstandigheden, en versterkt door verschillende kunstmatige toevoegingen die de getrouwheid en uitvoerigheid van voortplanting versterken; inheemse Chinese geesten verschillen sterk van inheemse Franse geesten, en ontwikkelde geesten verschillen van onontwikkelde geesten. Waar memen op hun beurt in voorzien in de organismen waarin ze zich genesteld hebben is een onschatbare hoeveelheid voordelen, met op de koop toe een paar toegevoegde paarden van Troje.' 

DANIEL DENNETT, "CONSCIOUSNESS EXPLAINED" (HET BEWUSTZIJN VERKLAARD)


KOPIEERVOER

how-thomas-the-tank-engine-works-1

   Een lief kind in mijn omgeving, zes jaar oud en haar vaders oogappel, gelooft dat Thomas de Tank Engine echt bestaat. Ze gelooft in Father Christmas, en haar ambitie is om tandenfee te worden als ze groot is. Zij en haar schoolvriendinnen geloven gerespecteerde volwassenen op hun woord als ze vertellen dat de tandenfee en Father Christmas echt bestaan. Dit kleine meisje is op een leeftijd dat ze alles gelooft wat je haar vertelt. Als je haar vertelt dat heksen prinsen in kikkers kunnen veranderen, gelooft ze je. Als je haar vertelt dat stoute kinderen voor eeuwig in de hel zullen roosteren, krijgt ze nachtmerries. Ik heb zojuist ontdekt dat, zonder haar vaders toestemming, deze lieve, vertrouwende, ontvankelijke zesjarige naar THOMAS THE TANK ENGINE           een rooms-katholieke non wordt gestuurd voor wekelijkse instructie. Wat maakt zij voor kans?


   Een mensenkind is door evolutie gevormd om de cultuur van haar volk te absorberen. Wat het meest in het oog springt, is dat ze de essentie van taal leert binnen maanden. Een grote dictionaire van woorden om te spreken, een encyclopedie vol informatie om over te spreken, gecompliceerde regels van syntax en semantiek om het spreken te ordenen, ze worden allemaal vanuit oudere hersens naar de hare overgebracht, ruim voordat ze de helft van haar volwassen afmetingen bereikt heeft.

   Wanneer je voorgeprogrammeerd bent om nuttige informatie op hoge snelheid te absorberen, is het moeilijk om gelijkertijd verderfelijke en beschadigende informatie uit te sluiten. Met zoveel hersenbytes te downloaden, zoveel mentale codes te dupliceren, is het geen wonder dat kindergeesten ontvankelijk zijn, openstaan voor haast iedere suggestie, kwetsbaar in hun overtuigingen, en een gemakkelijke prooi voor Moonies, Scientologen en nonnen zijn. Net als patiënten met een immuniteit deficiëntie, staan kinderen wijd open voor mentale infecties die volwassenen gemakkelijk terzijde zouden schuiven.

   "Ook DNA bevat parasitaire codes. De cellulaire structuur is zeer goed in het kopiëren van DNA. Voor wat betreft DNA, lijkt hij gretig te zijn om te kopiëren, en gretig om gekopieerd te worden. De celkern is een paradijs voor DNA, zoemend met geavanceerde, snelle en accurate kopieerapparatuur. De cellulaire structuur is zo genegen tot DNA duplicatie dat het geen wonder is dat cellen dragers worden voor DNA parasieten, virussen, virusachtigen, plasmiden en een bonte verzameling van andere genetische meelifters. Parasitair DNA laat zichzelf geheel naadloos invoegen in de chromosomen zelf. Overspringende genen en ketens van egoïstisch DNA verwijderen of kopiëren zich van de chromosomen en plakken zich elders. Dodelijke oncogenen zijn haast niet te onderscheiden van de rechtmatige genen waar zij zich tussen hebben gevoegd. Door de gehele evolutie is er waarschijnlijk een doorlopend verkeer van rechtmatige genen tot illegale genen, en vice versa." (Dawkins, 1982). 

   DNA is gewoon DNA. Het enige dat virale DNA onderscheidt van drager DNA is zijn verwachte methode van voortzetting in komende generaties. Legitiem drager DNA is alleen DNA dat er naar streeft zich voort te zetten in de volgende generatie via de orthodoxe route van sperma en eicel. Illegaal of parasitair DNA is slechts DNA dat een vluggere, minder samenwerkende route naar de toekomst zoekt, via een druppeltje of een bloedsmeer, in plaats van via sperma en eicel.

   Voor de data op een diskette, is een computer een zoemend paradijs, net zoals celkernen gretig zoemen om DNA te dupliceren. Computers en de daaraan verwante schijf- en bandlezers zijn ontworpen om een hoge getrouwheid te garanderen. Net als DNA moleculen, willen gemagnetiseerde bytes niet letterlijk getrouw gekopieerd worden. En toch kan men een computerprogramma schrijven dat duplicatie van zichzelf teweegbrengt. En dan niet alleen duplicatie binnen in de computer zelf, maar zich ook verspreidend naar andere computers. Computers zijn er zo goed in om bytes te kopiëren, en zo goed in het nauwgezet gehoorzamen aan de in die bytes vervatte instructies, dat ze gewillige slachtoffers zijn van zelfvermeerderende programma s: ze staan wijd open voor ondermijning door parasitaire software. Iedere cynicus die bekend is met de theorie van egoïstische genen en memen had kunnen weten dat moderne computers, met hun promiscue verkeer van diskettes en e-mails, gewoon om moeilijkheden vragen. Het enige verrassende aan de huidige epidemie van computer virussen is dat het zo lang geduurd heeft voordat ze kwamen.

   Noot van de redactie: Richard Dawkins vervolgt zijn betoog dan met een uitvoerige en vrij technische uiteenzetting over genen en virussen, de analogie van gewone virussen met computer virussen, en de gevoeligheid van zowel mensen als computers hiervoor. Aangezien dit ons inziens enigszins afleidt van de kern van zijn betoog, hebben wij de vrijheid genomen, dit gedeelte hier niet weer te geven.


HET GEÏNFECTEERDE BREIN

   Hierboven heb ik al gezinspeeld op de ingeprogrammeerde goedgelovigheid van een kind, zo nuttig voor het leren van taal en traditionele wijsheid, en zo gemakkelijk te misbruiken door nonnen, Moonies en dat slag. Meer in het algemeen, wisselen we allemaal informatie uit met elkaar. We schuiven wel geen diskettes in elkaars hoofden, maar we wisselen zinnen uit die we ontvangen door onze oren en ogen. We merken op hoe de ander zich beweegt en kleedt, en we worden beïnvloed. We absorberen reclamedeuntjes, en we worden verondersteld daardoor beïnvloed te worden, anders zouden keiharde zakenmensen niet zoveel geld besteden om ons leefklimaat daarmee te verontreinigen.

   Haal u de twee eigenschappen voor de geest die een virus, of ieder ander soort parasitaire kopieerder, nodig heeft in een ontvankelijk medium, de twee eigenschappen die een cellulair organisme zo toegankelijk voor parasitair DNA maakt, en computers voor computervirussen. Deze eigenschappen zijn ten eerste een bereidheid om informatie nauwkeurig te kopiëren, misschien met een paar onnauwkeurigheden die dan weer accuraat gereproduceerd worden; en ten tweede de bereidheid om de instructies uit te voeren die in de gekopieerde informatie gecodeerd is toegevoegd.

   Cellulaire organismen en elektronische computers zijn onovertroffen in beide virusvriendelijke eigenschappen. Hoe vergelijken menselijke hersens daarmee? Als getrouwe kopieerders zijn ze minder perfect dan lichaamscellen of een elektronische computer. Niettemin zijn ze nog aardig goed, misschien even getrouw als een RNA virus, maar toch niet zo goed als DNA met zijn uitvoerige beheersysteem tegen geleidelijke afbraak van opgeslagen codes. Bewijs van de nauwkeurigheid van het brein, vooral het brein van een kind, als gegevenskopieerder wordt door taal zelf geleverd.

   Professor Higgins (red: een figuur in "My Fair Lady") kon op het gehoor Londenaren plaatsen in de straat waar ze opgegroeid waren. Fictie levert geen bewijs voor iets, maar iedereen weet dat Higgins fictieve vaardigheid slechts een overdreven voorstelling is van iets dat we allemaal kunnen. Iedere Amerikaan kan het diepe zuiden onderscheiden van het middenwesten, en New England van Hillbilly. Iedere New Yorker kan Bronx van Brooklyn onderscheiden. Gelijksoortige claims kunnen in ieder land worden gemaakt.

   Wat dit fenomeen betekent is dat menselijke hersens uitstekend in staat zijn tot perfect kopiëren (anders zou het accent van bijvoorbeeld Newcastle niet stabiel genoeg zijn om herkend te worden) met slechts kleine afwijkingen (anders zou uitspraak nooit ontwikkelen, en zouden alle sprekers van een taal op identieke wijze dezelfde accenten van hun voorouders erven). Taal ontwikkelt zich geleidelijk, omdat het zowel de grote stabiliteit als de geringe veranderlijkheid heeft die vereist zijn voor ieder te evolueren systeem.

   De tweede vereiste voor een virusvriendelijke omgeving, dat het gehoorzaamt aan een programma van gecodeerde instructies, is voor hersens ook weer slechts kwantitatief minder waar dan voor cellen of computers. Soms gehoorzamen we aan bevelen van een ander, soms ook niet. Niettemin is het een feit dat wereldwijd de overgrote meerderheid van kinderen de religie van de ouders volgt, in plaats van een andere beschikbare religie. Aan het voorschrift om te knielen, om zich in de richting van Mekka te buigen, om het hoofd ritmisch naar de muur te bewegen, om als een maniak te schudden, (de lijst van de willekeurige motoriek waarin religies voorzien is bijna eindeloos) wordt gehoorzaamd, misschien niet altijd, maar op zijn minst met redelijk hoge statistische waarschijnlijkheid.

   Minder veelbetekenend, en alweer vooral vaak voorkomende onder kinderen, is de rage. De rage is een indrukwekkend voorbeeld van gedrag dat beter verklaard wordt door epidemiologie dan door rationele keuze. Jojo's, hoelahoepels of skeelers, met de daarmee geassocieerde vaste gedragingen, kunnen plotseling het aanzien van een schoolplein bepalen, en meer sporadisch, overspringen naar andere schoolpleinen volgens een patroon dat maar weinig verschilt van dat van een mazelen epidemie. Nog geen tien jaar geleden kon men duizenden mijlen door de USA reizen zonder een achterstevoren gedragen baseball petje te zien. Tegenwoordig is het omgekeerde baseball petje alomtegenwoordig. Wat precies het patroon van geografische verspreiding is weet ik niet, maar het is zeker dat een wetenschap als epidemiologie in eerste plaats gekwalificeerd is dit verschijnsel te onderzoeken. Het is onnodig argumenten betreffende determinisme erbij te halen; we hoeven niet te beweren dat kinderen verplicht zijn de hoofddeksel mode van hun leeftijdgenoten te imiteren. Het voldoet te constateren dat hun hoofddeksel gedrag statistisch beïnvloed wordt door het hoofddeksel gedrag van hun vrienden.

   Hoe triviaal ze ook mogen zijn, rages leveren ons het indirecte bewijs dat de menselijke geest, vooral die van jongeren, precies die eigenschappen bezit die we als gewenst zagen voor parasitaire informatie. Op zijn allerminst is de menselijke geest een geloofwaardige kandidaat voor besmetting door iets soortgelijks als een computer virus, zelfs als die menselijke geest voor de parasiet niet helemaal zo een ideale ambiance vormt als een celkern of een elektronische computer. 

   Het is intrigerend om zich af te vragen hoe iemand zich innerlijk zou voelen, als zijn geest het slachtoffer zou zijn van een virus. Dit zou een bewust ontworpen parasiet kunnen zijn, zoals een hedendaags computer virus. Of het zou een toevallig gemuteerde en onbewust verder ontwikkelde parasiet kunnen zijn. In beide gevallen, vooral als de zo ontstane parasiet een meme-achtig afstammeling is van een lange reeks succesvolle voorgangers, mogen we verwachten dat het typische geestesvirus er goed in zal slagen om zichzelf met succes gekopieerd te krijgen.

   Progressieve evolutie van de meer effectieve geestesparasieten zal twee aspecten vertonen. Die nieuwe mutanten (hetzij bij toeval ontstaan of door mensen ontworpen) die het sterkste zijn in het verspreiden, zullen talrijker worden. En er ontstaat een samenbundeling van ideeën die goed gedijen in elkaars gezelschap, ideeën die elkaar wederzijds ondersteunen precies zoals genen dat doen en, zoals ik eerder speculeerde, dat computervirussen te zijner tijd kunnen gaan doen. Het valt te verwachten dat kopieerders van geest naar geest rond zullen trekken in bundels van onderling met elkaar overeenstemmende ideeën. Deze bundels groeien dan uit tot een compleet pakket dat voldoende stabiel wordt om een collectieve naam te verwerven, zoals rooms-katholicisme of voodoo. Het maakt niet veel uit of we de analogie betrekken op het hele pakket als een zelfstandig virus, of op ieder van de samenstellende delen als een enkel virus. De analogie is trouwens niet helemaal precies, net zomin als het onderscheid tussen een computer virus en een computer worm er veel aan toe doet. Wat van belang is, is dat hersens een ontvankelijke ambiance voor parasitaire, zelfkopiërende ideeën of informatie zijn, en dat het typerend voor hersens is dat ze massaal geïnfecteerd kunnen worden.

   Net zo als computer virussen, zijn succesvolle geestesvirussen voor een slachtoffer moeilijk te ontdekken. Als je er het slachtoffer van bent is de kans groot dat je het zelf niet weet, en het zelfs met klem zult ontkennen. Aannemende dat een virus in eigen brein moeilijk te ontdekken is, naar welke symptomen moet men dan uitkijken? Deze vraag zal ik beantwoorden door me voor te stellen hoe een medisch handboek de typische symptomen bij een patiënt zou kunnen omschrijven. (Patiënt in dit geval als man voorgesteld).

   1) - Het is typerend dat de patiënt zich gedreven voelt door een diepe innerlijke overtuiging: een overtuiging die totaal niet op bewijs of rede steunt, maar die hij niettemin zelf aanvoelt als dwingend en overtuigend. Wij dokters refereren naar deze aanname als geloof.

   2) - Ook is typerend dat de patiënt er een positieve deugd van maakt dat zijn geloof sterk en onwrikbaar is, ondanks dat het niet op bewijs gebaseerd is. Het is zelfs zo, dat hoe minder bewijs er voor bestaat, hoe deugdzamer het wordt.

   Dit paradoxale idee, dat gebrek aan bewijs een positieve deugd is waar het geloof betreft, heeft wel iets van de eigenschap van een programma dat zelf-instandhoudend is, omdat het aan zichzelf refereert.(zie het hoofdstuk: Over virale code en zelfvermeerderende structuren, bij Hofstadter, 1985). 

   Als de aanname eenmaal aanvaard is, bestrijdt deze automatisch oppositie tegen zichzelf. Het gebrek aan bewijs is een deugd idee kan een bewonderenswaardige bondgenoot zijn, die weer samen gaat met geloof zelf, in een kliek van wederzijds ondersteunende virus programma's.

   3) - Een gerelateerd symptoom dat een lijder aan geloof ook kan tonen, is de overtuiging dat mysterie op zich een goede zaak is. Het is geen deugd om mysteries op te lossen. In plaats daarvan moeten we ons over hun bestaan verheugen, en genieten van hun onoplosbaarheid. Elke impuls om mysteries op te lossen kan schadelijk zijn voor de verspreiding van een geestesvirus. Het zal daarom niet als een verrassing komen dat het idee dat mysteries beter niet opgelost moeten worden een favoriet lid is van de wederzijds ondersteunende kliek van virussen. Neem bijvoorbeeld het: Mysterie van de Transsubstantiatie. Het is gemakkelijk en onmysterieus om te geloven dat op een symbolische of overdrachtelijke wijze de eucharistische wijn verandert in het bloed van Christus. De rooms-katholieke doctrine van transsubstantiatie claimt echter veel meer. De hele substantie van wijn wordt omgevormd in het bloed van Christus; de uiterlijke verschijningsvorm van wijn die overblijft is enkel toevallig, en aan geen substantie gebonden.(Kenny, 1986, pag. 72). 

   De betekenis van transsubstantiatie wordt in spreektaal onderwezen als zou wijn letterlijk veranderen in het bloed van Christus. Of het nu op schimmige Aristotelesiaanse wijze of in meer heldere vorm van spreektaal gezegd wordt, de claim van transsubstantiatie kan alleen gemaakt worden als we de normale betekenis van woorden als "substantie" en "letterlijk" aanzienlijk geweld aandoen. Het opnieuw definiëren van woorden is geen misdrijf, maar als we woorden als  "substantie" en "letterlijk" gaan toepassen voor deze zaak, welke woorden moeten we dan gaan gebruiken wanneer we echt naar waarheid iets over een ware gebeurtenis willen beschrijven?

   Zoals Anthony Kenny als jong seminarist tot zijn eigen verbijstering opmerkte: 'Voor zover ik kon vertellen, kon mijn typemachine wel een getranssubstantieerde Benjamin Disraeli zijn'.

   Rooms-katholieken, die door geloof in een onfeilbare autoriteit gedwongen zijn te accepteren dat wijn fysiek tot bloed getransformeerd wordt ondanks de uiterlijke schijn, noemen transsubstantiatie een mysterie. Als je het maar een mysterie noemt, komt alles wel weer goed. Tenminste, zo werkt het voor een brein dat door achtergrond infectie goed is voorbereid. Exact dezelfde truc wordt toegepast voor het mysterie van de Drie-eenheid. Mysteries worden niet gemaakt om opgelost te worden, ze zijn bedoeld om ontzag te wekken. Het "mysterie is een deugd" idee schiet de katholiek te hulp, die anders de verplichting tot geloven in de duidelijke onzin van transsubstantiatie en de "drie-in-een" ondraaglijk zou vinden. Ook hier weer heeft het geloof dat mysterie een deugd is, het kenmerk van zelfreferentie. 

   Zoals Hofstadter het zou kunnen zeggen, wordt de gelovige juist door het mysterieuze van geloof aangespoord om het mysterie te bestendigen.

   Een extreem symptoom van een "mysterie is een deugd" infectie is Certum est quia impossibile est van Tertullianus (Het is zeker omdat het onmogelijk is). Het is verleidelijk om de Witte Koningin van Lewis Carroll hier te citeren, die op het gezegde van Alice: 'Men kan niet geloven in onmogelijke dingen', antwoordde: 'Dan mag ik wel aannemen dat je daar niet veel ervaring mee hebt gehad. Toen ik zo oud als jij was, deed ik dat altijd een half uur per dag. Weet je, soms geloofde ik wel zes onmogelijke dingen voor het ontbijt'.

   Of de Elektrische Monnik van Douglas Adams, een arbeid besparend apparaat dat geprogrammeerd was om het geloven voor je te doen, en dat in staat was om dingen te geloven waar ze zelfs in Salt Lake City nog moeite mee zouden hebben om het te geloven. Op het moment dat het apparaat aan de lezer voorgesteld wordt, geloofde het, niettegenstaande tegengesteld bewijs, dat alles in de wereld een uniforme roze tint had. Maar Witte Koninginnen en Elektrische Monniken worden minder leuk wanneer men zich realiseert dat deze virtuoze gelovers niet te onderscheiden zijn van geachte theologen in het echte leven. Het moet zeer zeker geloofd worden, omdat het absurd is. (nogmaals Tertullianus). Sir Thomas Browne (1635) citeert Tertullianus met instemming, en gaat verder: 'Me dunkt dat er niet genoeg onmogelijkheden in religie kunnen voorkomen voor een actief geloof'. 

   En: 'Ik wens mijn geloof uit te oefenen tot het diepste punt; want het schenken van geloof aan gewone en zichtbare dingen is niet geloof, maar overreding'.

   Ik heb het gevoel dat hier iets veel interessanters aan het licht komt dan gewone krankzinnigheid of surrealistische onzin, iets dat grenst aan de bewondering die we soms voelen als we een jongleur met tien ballen op het slappe koord zien. Het is alsof de gelovige in aanzien wint door het klaar te spelen in nog onmogelijkere dingen te geloven dan zijn rivalen al doen. Zijn deze mensen bezig met het testen en oefenen van hun geloofsspieren, om ze te trainen in het geloven van onmogelijke zaken, in plaats van in de slechts onwaarschijnlijke dingen waar ze dagelijks al in moeten geloven?

   Terwijl ik dit aan het schrijven was, kwam de Guardian van 29 juli, 1991 toevallig met een prachtig voorbeeld. Het was vervat in een interview met een rabbijn die met de bizarre taak van het onderzoek bezig was naar de koosjer-reinheid van voedselproducten, helemaal terug gaande naar de oorsprong van hun kleinste ingrediënten. Hij stond op dat moment in tweestrijd of hij helemaal naar China moest gaan om de menthol die in hoestbonbons verwerkt werd, nauwkeurig te gaan onderzoeken. 

   'Heeft u ooit geprobeerd Chinese menthol te onderzoeken? Het was bijzonder moeilijk, vooral omdat in de eerste brief die we ontvingen het antwoord in het beste Chinese Engels was: "Het product bevat geen koosjer." China is nog maar pas begonnen toegang te verlenen aan koosjer inspecteurs. De menthol hoort OK te zijn, maar je kunt daar nooit helemaal zeker van zijn tenzij je daarheen gaat'. 

   Deze koosjer onderzoekers opereren een telefonische alarmlijn, waarop van minuut tot minuut rood alarm verdenkingen gemeld worden tegen repen chocola en levertraan. De rabbijn verzucht dat de neiging natuurlijke kleur- en smaakstoffen in plaats van kunstmatige te gebruiken, niets dan misère brengt op het koosjer-vlak, omdat je al die dingen weer helemaal terug naar hun oorsprong moet gaan onderzoeken.

   Als de interviewer hem vraagt waarom hij zich zo druk maakt over iets dat duidelijk helemaal geen punt hoort te zijn, maakt de rabbijn het heel duidelijk dat het punt nu juist is dat het helemaal geen punt is:

   'Dat de meeste Kashrut wetten goddelijke voorschriften zijn zonder opgaaf van reden, is nu juist voor honderd procent het hele punt. Het is heel gemakkelijk om mensen niet te vermoorden. Heel gemakkelijk. Het wordt een beetje moeilijker om niet te stelen, want soms komen we in de verleiding. Dus dat is geen groot bewijs dat ik in God geloof of dat ik aan zijn wil voldoe. Maar, als Hij mij zegt niet een kop koffie met melk erin te nemen bij mijn lunch, is dat een test. De enige reden waarom ik zoiets doe is omdat mij gezegd is dat te doen. Het is iets moeilijks'.

   Helena Cronin heeft me gesuggereerd dat er een analogie kan bestaan met de handicap theorie van Zahavi betreffende seksuele selectie en de evolutie van signalen (Zahavi, 1975) 

   Hoewel voor lange tijd weinig gangbaar, zelfs bespot (Dawkins, 1976), is de theorie van Zahavi recentelijk op briljante wijze gerehabiliteerd (Grafen, 1990 a, b) en wordt ze nu serieus genomen door evolutiebiologen (Dawkins, 1989). 

   Zahavi stelt bijvoorbeeld dat de lastige en zware waaiervormige staart van pauwhanen met de (voor roofdieren) bespottelijk opzichtige  kleuren zo geëvolueerd is, juist omdat die zwaar en gevaarlijk is, en daarom indrukwekkend voor de vrouwtjes. De pauw zegt eigenlijk: 'Kijk eens hoe fit en sterk ik moet zijn, aangezien ik het me kan permitteren met deze belachelijke staart rond te lopen'.

   Om misverstanden te voorkomen over de subjectieve taal die Zahavi gebruikt om zijn punten duidelijk te maken, moet ik hieraan toevoegen dat onder biologen de gewoonte acceptabel is om onbewuste acties van natuurlijke selectie te personifiëren. Grafen heeft het argument vertaald naar orthodox Darwinistisch mathematisch model, en het werkt. Hierin worden geen claims over intenties of bewustzijn van mannelijke of vrouwelijke pauwen gemaakt. Bovendien is de theorie van Zahavi algemeen genoeg om niet afhankelijk te zijn van Darwinistische onderbouwing. Een bloem die haar nectar adverteert naar een sceptische bij zou haar voordeel kunnen doen met het Zahavi principe. Maar ook een menselijke verkoper, die indruk op een klant wil maken.

   De premisse van het idee van Zahavi is dat door natuurlijke selectie scepticisme onder het vrouwelijk geslacht begunstigd wordt (of onder ontvangers van advertentieboodschappen in het algemeen). De enige manier voor het mannelijk geslacht (of adverteerders) om hun claim van kracht (of kwaliteit, etc.) authentiek te maken is door te bewijzen dat hij waar is door middel van een werkelijk formidabele handicap, een handicap die alleen een echt sterk (of kwaliteit, etc.) mannetjesdier kan dragen. Men zou dit het principe van kostbare authenticering kunnen noemen. 

   Maar nu ter zake. Is het mogelijk dat aan sommige religies de voorkeur wordt gegeven niet ondanks dat ze belachelijk zijn, maar juist omdat ze belachelijk zijn? Iedere sukkel in religie zou kunnen geloven dat brood symbolisch het lichaam van Christus vertegenwoordigt, maar je hebt er een echte volbloed katholiek voor nodig om te geloven in zoiets dwaas als transsubstantiatie. Als je dat kunt geloven kun je alles geloven, en (getuige het verhaal van ongelovige Thomas) deze mensen zijn er in getraind om dat als een deugd te zien.

   Laten we terugkeren naar de lijst van symptomen die we nog verder bij iemand kunnen verwachten die aangetast is door het mentale virus van geloof en bijkomende secundaire infecties.

   4) - De patiënt kan ervaren dat hij onverdraagzaam gedrag vertoont ten aanzien van aanhangers van concurrerende geloven, en in extreme gevallen hen zelfs doodt of hun dood aanbeveelt. Gelijkerwijze kan hij gewelddadig in zijn gezindheid ten opzichte van afvalligen zijn, mensen die vroeger gelovig waren, maar die het geloof nu hebben afgezworen; of ten opzichte van ketters, mensen die een andere, vaak, en dit is veelbetekenend, slechts enigszins andere, versie van geloof aanhangen. Hij kan zich ook vijandig voelen ten opzichte van andere denkwijzen die potentieel schadelijk voor zijn geloof zijn, zoals de methode van wetenschappelijke rede, die als een antivirus programma zou kunnen werken.


   Het bedreiging van het doden van de voortreffelijke auteur Salman Rushdie is slechts de laatste van een lange rij van droevige voorbeelden. Op precies dezelfde dag dat ik dit schreef, werd de Japanse vertaler van De Duivelsverzen vermoord aangetroffen, een week na een bijna fatale aanval op de Italiaanse vertaler van datzelfde boek. Trouwens, het ogenschijnlijk tegengestelde symptoom van sympathie voor het aan moslims aangedane leed, als uitgesproken door de aartsbisschop van Canterbury en andere christelijke leiders (in het geval van het Vaticaan zelfs grenzende aan regelrechte criminele medeplichtigheid) is natuurlijk een manifestatie van het symptoom dat we eerder bespraken: het waanbeeld dat geloof, hoe aanstotelijk het resultaat ook mag zijn, gerespecteerd dient te worden eenvoudigweg omdat het geloof is.

   Moord is extreem, natuurlijk. Maar er bestaat een nog extremer symptoom, en dat is SALMAN RUSHDIE          zelfmoord in strijdbare dienst van geloof. Geprogrammeerd zoals een strijdermier om zijn leven op te offeren, wordt een jonge Arabier of Japanner geleerd dat in een heilige oorlog te sterven de snelste weg naar de hemel is. Of de leiders door wie zij geëxploiteerd worden dit zelf geloven, doet niets af van de gewelddadige macht die het zelfmoordmissie virus namens het geloof uitoefent. Aan de andere kant heeft dit virus ook zijn nadelen: kandidaat bekeerlingen kunnen er door worden afgeschrikt, of kunnen een geloof gaan verachten dat als zo onzeker wordt gezien dat het zijn toevlucht tot dergelijke tactieken moet gaan zoeken.

   Het ligt voor de hand, dat als te veel individuen zichzelf opofferen, de aanvoer van gelovigen kan opdrogen. Dit was het geval bij een berucht geval van door geloof geïnspireerde zelfmoord, hoewel het in dit geval geen kamikaze dood in de oorlog betrof. De Peoples Temple sekte stierf uit toen hun leider, de eerwaarde Jim Jones, de massa van zijn volgelingen van de Verenigde Staten naar het Beloofde Land van Jonestown in het Guanesche oerwoud leidde, waar hij meer dan 900 van hen overreedde cyanide te drinken, de kinderen eerst. De macabere zaak werd volledig onderzocht door een team van de San Francisco Chronicle (Kilduff en Javers, 1978).

   Jones, de Vader, had zijn kudde bijeengeroepen en ze verteld dat het tijd was om naar de hemel te vertrekken. 

   'We gaan elkaar weer ontmoeten,' beloofde hij, 'in een andere plaats'.

   De woorden bleven komen over de kamp luidsprekers.

   'Er is grote waardigheid in sterven. Het is een grote demonstratie voor iedereen om te sterven'.

   Terzijde, het kon niet aan de scherpe geest van de alerte sociobioloog ontgaan dat Jones in de vroege dagen binnen zijn sekte verordonneerde dat hijzelf de enige persoon was aan wie seks was toegestaan (we nemen aan dat dit ook voor zijn partners gold). Het was gebruikelijk dat een secretaresse zijn afspraken regelde. Ze belde dan op en zei: 'Vader heeft er een hekel aan dit te moeten doen, maar hij heeft die verschrikkelijke aandrang en zou het mogelijk zijn?' Zijn slachtoffers waren niet alleen vrouwelijk. Een zeventienjarige mannelijke volgeling uit de tijd toen de gemeenschap van Jones nog in San Francisco verbleef, vertelde hoe hij voor hete weekeinden meegenomen werd naar een hotel, waar Jones een geestelijkenkorting voor de eerwaarde Jim Jones en zoon ontving. Dezelfde jongen vertelde: 'Ik had werkelijk groot ontzag voor hem, Hij was meer dan een vader. Voor hem zou ik mijn ouders kunnen hebben gedood'. Wat zo opmerkelijk is over de eerwaarde Jim Jones is niet zijn zelfzuchtig gedrag, maar de haast bovenmenselijke onnozelheid van zijn volgelingen. Gegeven het bestaan van zulke abnormale lichtgelovigheid, kan niemand er meer aan twijfelen dat de menselijke geest rijp is voor kwaadaardige infectie.

   Toegegeven, de eerwaarde Jones kon slechts een paar duizend mensen oplichten. Maar zijn geval is extreem, het topje van de ijsberg. Hetzelfde enthousiasme om door religieuze leiders opgelicht te worden is wijd verspreid. De meeste mensen zouden erop durven wedden dat het niemand zou lukken om voor de televisie te zeggen, zij het in meer omfloerste termen: 'Stuur mij uw geld, zodat ik dit kan gebruiken om nog meer sukkels over te halen om mij ook hun geld te sturen'. En toch treft men nu, in iedere grote agglomeratie in de Verenigde Staten, minstens een evangelistisch televisiekanaal aan dat exclusief gewijd is aan deze doorzichtige oplichterstruc. En het lukt ze, bij zakken vol. Gezien de immense omvang van deze onnozelheid, is het moeilijk niet een schoorvoetende sympathie voor deze strak in het pak zittende oplichters te voelen. Totdat men zich realiseert dat niet al die sufferds rijk zijn, en dat het vaak de penningen van weduwen zijn waarvan de evangelisten rijk worden. Ik heb er zelfs een expliciet het principe horen aanhalen dat ik nu vereenzelvig met het Zahavi principe van kostbare authenticiteit. 'God stelt een donatie werkelijk op prijs', zo zei deze met hartstochtelijke oprechtheid, 'alleen wanneer die donatie zo groot is dat het pijn doet'. En bejaarde armlastigen werden erbij geroepen om te getuigen hoeveel gelukkiger ze zich nu voelden nadat ze het weinige dat ze vroeger bezaten, overgemaakt hadden aan de eerwaarde wie het ook maar was.

   5) - De patiënt zou kunnen merken dat de overtuiging die hij er op na houdt, hoewel die niets te maken heeft met bewijs, voor een goed deel verklaard kan worden door epidemiologie. 'Waarom', zo kan hij zich afvragen, 'hou ik er deze overtuiging op na, in plaats van die andere? Is dat omdat ik al die andere overtuigingen in de wereld onderzocht heb en er toen de meest overtuigende uitgezocht heb?' Zeer waarschijnlijk niet. Als iemand een geloof heeft, is het statistisch in grote mate waarschijnlijk dat dit hetzelfde geloof is dat zijn ouders of grootouders ook al hadden. Ongetwijfeld helpen rijzige kathedralen, emotionele muziek, aangrijpende verhalen en gelijkenissen daar ook bij. Maar de verreweg belangrijkste variabele die iemands geloof bepaalt, is het toeval van geboorte. De overtuiging waarin men zo hartstochtelijk gelooft, zou een totaal andere overtuiging zijn en grotendeels in tegenspraak tot de huidige, als men toevallig op een andere plaats geboren zou zijn. Epidemiologie dus, en niet bewijs.

   6) - Als de patiënt een van de zeldzame uitzonderingen is die een ander geloof dan dat van zijn ouders aanhangt, kan de verklaring nog steeds op epidemiologie berusten. Natuurlijk blijft het mogelijk dat hij onpartijdig de religies van de wereld met elkaar vergeleken heeft en de meest overtuigende heeft uitgezocht. Maar statistisch is het meer waarschijnlijk dat hij blootgesteld is geweest aan een bijzonder potent besmettelijk medium, een John Wesley, een Jim Jones of een St. Paulus. We hebben hier dan over horizontale overdracht, zoals bij mazelen. Hiervoor hadden we het over verticale overdracht, zoals bij de ziekte van Huntingdon.

   7) - De innerlijke sensaties die de patiënt ondergaat kunnen op verrassende wijze doen denken aan die welke gewoonlijk met lichamelijke liefde gepaard gaan. Dit is een extreem potente kracht in het brein, en het is niet verrassend dat zich virussen hebben ontwikkeld die daar gebruik van maken. Het bekende orgastische visioen van St. Theresa van Avila is te berucht om hier weer te noemen. Veel serieuzer en op een minder grof sensueel vlak, is de aangrijpende getuigenis van de filosoof Anthony Kenny, over het zuivere genot dat gelovigen kunnen verwachten als zij erin slagen om in het mysterie van transsubstantiatie te geloven. Na zijn inwijding als rooms-katholieke priester beschreven te hebben, en dus gemachtigd om door handoplegging de Mis te vieren, vervolgt hij dat hij zich met grote helderheid herinnert:


ANTHONY KENNY

   'De verrukking van de eerste maanden waarin het mij was toegestaan de Mis te lezen. Van nature was ik een late opstaander die moeilijk op gang kwam, maar dan sprong ik vroeg uit bed, klaarwakker en helemaal opgewonden door de gedachte aan de grootse daad die het mij vergund was uit te voeren. De openbare gemeenschappelijke Mis las ik maar zelden; meestal vierde ik de Mis alleen bij een zijaltaar met een junior lid van het college die dan functioneerde als misdienaar en congregatie. Maar dat maakte geen verschil voor de plechtigheid van de offerande of de geldigheid van de wijding.

   Het was het aanraken van het lichaam van Christus, die verbondenheid van de priester met Jezus, die me het meeste boeide. Ik kon naar de Hostie staren nadat ik de woorden van wijding had uitgesproken, met een tedere blik als van een minnaar die in de ogen van de geliefde kijkt. Deze vroegere dagen als een priester staan in mijn geheugen gegrift als een tijd van bevrediging en bevend geluk; iets waardevols, en toch te teer om blijvend te zijn, als een romantische liefdesgeschiedenis die abrupt afgebroken wordt door de realiteit van een slecht gekozen huwelijk'. (Kenny, 1986, pag. 101-2)

   Dr. Kenny is ontroerend geloofwaardig in hoe het voor hem voelde, als een jonge priester, alsof hij verliefd was op de gewijde hostie. Wat een briljant succesrijk virus! Op dezelfde pagina toont Kenny trouwens ook dat het virus door besmetting wordt overgebracht, indien niet letterlijk dan toch in zekere zin, vanaf de besmettende handpalm van de bisschop bovenop het hoofd van de nieuwe priester:

   'Als het katholieke doctrine waar is, heeft iedere priester die officieel ingewijd is zijn opdracht door een ongebroken lijn van handoplegging verkregen, door de bisschop door wie hij ingewijd is, terug tot een van de twaalf apostelen. Er moet een eeuwenlange, beschreven keten van handopleggingen zijn. Het verbaast mij dat priesters nooit de moeite schijnen te nemen hun spiritueel voorouderschap na te speuren, door uit te vinden door wie hun bisschop ingewijd is, en wie hem ingewijd heeft, en zo door tot Julius II of Celestine V of Hildebrand, of Gregorius de Grote misschien'. (Kenny, 1986, pag. 101)

   Het verbaast mij ook.


IS WETENSCHAP EEN VIRUS?

   Nee. Dan zouden alle computer programma's ook virussen moeten zijn. Goede, nuttige programma's verspreiden zich omdat mensen ze beoordelen, ze aanbevelen en ze doorgeven. Computer virussen verspreiden zich enkel en alleen doordat ze de ingebedde instructie bevatten: 'Verspreid me.' Wetenschappelijke ideeën zijn, zoals alle memen, afhankelijk van een soort natuurlijke selectie, en oppervlakkig gezien kunnen ze virus-achtig lijken. Maar de selecterende krachten die wetenschappelijke ideeën aan een nauwgezet onderzoek onderwerpen, zijn niet willekeurig en grillig. Het zijn veeleisende, scherp omschreven regels, en ze ondersteunen zinloos, zelfzuchtig gedrag niet. Ze begunstigen de deugden die in alle handboeken van methodologie vastgelegd zijn: testbaarheid, bewijsbaarheid, nauwkeurigheid, consistentie, kwantificeerbaarheid, herhaalbaarheid, progressiviteit, onafhankelijkheid van cultureel milieu enz. Geloof verspreid zich ondanks een compleet gebrek aan ook maar een van deze deugden.

   Men kan elementen van epidemiologie herkennen in de verspreiding van wetenschappelijke ideeën, maar dan zal het hoofdzakelijk beschrijvende epidemiologie zijn. De snelle verspreiding van een goed idee door de hele wetenschappelijke gemeenschap kan zelfs lijken op de beschrijving van een mazelen epidemie. Maar als men de onderliggende redenen onderzoekt, vindt men dat het gegronde redenen zijn, die voldoen aan de veeleisende standaard van wetenschappelijke methoden. In de geschiedenis van de verspreiding van een geloof vindt men weinig anders dan epidemiologie, en dan nog alleen causale epidemiologie. De reden waarom persoon A dit gelooft en B iets anders, is gewoon dat A op een continent geboren is en B op een ander. Beproefbaarheid, bewijsbaarheid en de rest komen helemaal niet in het geding. Voor wetenschappelijk geloof komt epidemiologie pas achteraf en beschrijft het de geschiedenis van zijn acceptatie. Voor religieus geloof is epidemiologie de grondoorzaak.


EPILOOG

   Gelukkig winnen virussen niet iedere keer. Veel kinderen ontkomen aan het ergste dat nonnen en mullahs ze kunnen aandoen. Het verhaal van Anthony Kenny heeft een happy end. Uiteindelijk verwierp hij zijn priesterschap omdat hij de duidelijke tegenstrijdigheden binnen het katholieke geloof niet meer kon tolereren, en nu is hij een zeer gerespecteerde geleerde. Maar men ontkomt niet aan het schrikbeeld dat het een zeer krachtige infectie moet zijn geweest die het een man van zijn wijsheid en intelligentie, President van de British Academy nota bene, drie decades kostte om zich eraan te ontworstelen. Ben ik overmatig bezorgd als ik me zorgen maak over de ziel van mijn onschuldige zesjarige?

_____


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort