visitors on myspace
DE ONWAARSCHIJNLIJKHEID VAN GOD | POSITIEF ATHEÏSME <>

DE ONWAARSCHIJNLIJKHEID VAN GOD

image7313

RICHARD DAWKINS






Veel van wat mensen doen, doen ze in naam van God. Ieren blazen elkaar op in zijn naam. Arabieren blazen zichzelf op in zijn naam. Imams en ayatollahs onderdrukken vrouwen in zijn naam. Celibataire pausen en priesters verpesten het seksleven van mensen in zijn naam. Joodse shohets snijden levende dieren de hals door in zijn naam. De prestaties van religie in het verleden – bloedige kruistochten, martelende inquisities, massa-moordende conquistadores, cultuur-vernietigende missionarissen, wettelijk bekrachtigde weerstand tegen ieder nieuw stukje wetenschappelijke waarheid tot aan het uiterst mogelijke – zijn nog indrukwekkender. En waar heeft het allemaal toe gediend? Ik geloof dat steeds duidelijker wordt dat het antwoord luidt: Tot helemaal niets! Er bestaat geen enkele reden om aan te nemen dat er enig soort goden bestaan, en heel goede redenen om te geloven dat ze niet bestaan, en nooit hebben bestaan. Het is allemaal een gigantische tijdsverspilling geweest, en een verspilling van levens. Het zou een grap van kosmische proporties zijn als het niet zo tragisch was.

   Waarom geloven mensen in God? Voor de meeste mensen is het antwoord nog steeds een of andere versie van het antieke Argument van Ontwerp. We zien de schoonheid en ingewikkeldheid van de wereld om ons heen – de aerodynamische zwier van een zwaluwvleugel, de delicate samenstelling van bloemen en van de vlinders die hen bevruchten, door een microscoop zien we het krioelende leven in iedere druppel water van een vijver, door een telescoop de kruin van een gigantische Californische sequoia. We staan stil bij de electronische complexiteit en optische perfectie van de eigen ogen waarmee we dit alles kunnen zien. Als we over enige verbeelding beschikken, inspireren deze dingen ons tot een gevoel van ontzag en eerbied. Bovendien kan de duidelijke overeenkomst  tussen levende organismen en door mensen ontworpen apparaten ons niet ontgaan. Dit argument werd het meest tot de verbeelding sprekend tot uitdrukking gebracht in de analogie met een horlogemaker, door de achttiende-eeuwse priester William Paley. Zelfs als men niet zou weten wat een horloge is, zou de duidelijk ontworpen aard van zijn tandwielen en veertjes en hoe die doelmatig ineen grijpen, iemand tot de conclusie dwingen “dat het horloge een maker moet hebben gehad: dat er in een of andere tijd, ergens op enige plaats, een maker of makers moeten hebben bestaan die het vorm hebben gegeven voor het doel waaraan het nu blijkt te voldoen; iemand die de samenstelling kon overzien, en het gebruik ontwierp.” Als dit waar is voor een betrekkelijk simpel horloge, hoeveel meer moet dit dan niet van toepassing zijn op het oog, het oor, een nier, een elleboog-gewricht, de hersens? Deze prachtige, gecompliceerde, uit vele delen bestaande, en duidelijk doelmatig gebouwde constructies moeten hun eigen ontwerper hebben gehad, hun eigen horlogemaker – God.

   Dit was de vorm van Paley’s argument, en het is een argument dat bijna alle denkende en gevoelige mensen uit zichzelf ontdekken in een bepaald stadium van hun kindertijd. Gedurend het grootste deel van onze geschiedenis moet het uiterst overtuigend hebben geleken en overduidelijk waar. En toch, als resultaat van een van de meest imposante intellectuele revoluties uit de geschiedenis, weten we nu dat dit onjuist is, of op zijn minst overbodig. We weten nu dat de orde en blijkbare doelmatigheid van de levende wereld ontstaan zijn door een geheel ander proces, een proces dat werkt zonder behoefte aan enig ontwerper, en dat een gevolg is van in wezen heel eenvoudige natuurwetten. Dat is het proces van evolutie door natuurlijke selectie, ontdekt door Darwin en, onafhankelijk van hem, door Alfred Russell Wallace.

   Wat hebben alle voorwerpen die er uitzien alsof ze een ontwerper hebben gehad, met elkaar gemeen? Het antwoord is de statistische onwaarschijnlijkheid. Als we een transparante kiezel zouden vinden die door de zee in de vorm van een primitieve lens is afgesleten, concluderen we niet dat die door een opticiën is ontworpen: de natuurwetten op zich zijn in staat tot zulk resultaat te komen; het is niet te onwaarschijnlijk dat het gewoon ‘toeval’ is. Maar als we een uitvoerig samengestelde lens vinden, accuraat gecorrigeerd voor sferische en chromatische aberratie, gecoat tegen reflectie, en met “Carl Zeiss” in de rand gegraveerd, weten we dat die niet slechts door toeval is ontstaan. Als men alle atomen van een dergelijke samengestelde lens willekeurig samen zou werpen onder de invloeden van alle natuurwetten, is het theoretisch mogelijk dat ze zouden samenvallen in het patroon van een samengestelde Zeiss lens, en zelfs dat de atomen om de rand op zo’n manier zouden samenvallen dat de naam Carl Zeiss is uitgespaard. Maar het aantal andere manieren waarop de atomen, met gelijke waarschijnlijkheid, zouden kunnen samenvallen is zo enorm, zo immens, zo onmeetbaar vele malen groter, dat we de toeval-hypothese compleet kunnen negeren. Toeval als verklaring is uitgesloten. 

   Dit is trouwens geen cirkelredenatie. Ze lijkt circulair, omdat gezegd zou kunnen worden dat ieder specifiek arrangement van atomen achteraf zeer onwaarschijnlijk is. Zoals al eerder is gezegd, wanneer een bal op een specifieke grasspriet op de golfbaan landt, zou het dwaas zijn uit te roepen: ”Van alle miljarden grassprieten waarop die bal zou kunnen vallen, viel hij precies op deze. Hoe verbazend, hoe wonderbaarlijk onwaarschijnlijk!” De denkfout is hier natuurlijk, dat de bal ergens moest landen. We kunnen ons alleen verbazen over de onwaarschijnlijkheid als we die a priori specificeren: bijvoorbeeld, als een geblinddoekte speler zichzelf enige malen ronddraait op de tee, de bal willekeurig raakt, en in één slag in de hole slaat. Dat zou werkelijk verbazend zijn, omdat de eindbestemming van de bal van tevoren bepaald was.

   Van al de triljoenen verschillende manieren om de atomen van een telescoop samen te voegen, zou slechts een zeer gering aantal werkelijk op functionele wijze werken. Slechts een minieme minderheid zou de naam Carl Zeiss er in gegraveerd hebben, of zelfs maar enig herkenbaar woord in enige menselijke taal. Hetzelfde geldt voor de onderdelen van een horloge: van al de miljarden mogelijkheden om ze samen te voegen, zou slechts een heel klein deel de tijd aangeven of iets nuttigs opleveren. En natuurlijk geldt hetzelfde, a fortiori, voor de delen van een levend lichaam. Van al de triljoenen triljoenen manieren om de delen van een lichaam samen te stellen, zou slechts een oneindig klein deel leven, voedsel zoeken, eten, en reproduceren. Toegegeven, er bestaan veel verschillende manieren van leven – minstens tien miljoen verschillende manieren als we het huidige aantal verschillende levende soorten tellen – maar, hoeveel mogelijke manieren er ook mogen zijn om te leven, staat het vast dat er nog veel meer mogelijke manieren zijn om dood te zijn!

   We kunnen veilig concluderen dat levende lichamen miljarden malen te gecompliceerd zijn – statistisch te onwaarschijnlijk – om toevalligerwijze te zijn ontstaan. Maar, hoe zijn ze dan ontstaan? Het antwoord is dat toeval inderdaad een rol speelt, maar dan niet slechts één enkel, geheel op zichzelf staand toevallig incident. In plaats daarvan heeft een hele serie van heel kleine, toevallige stapjes de een na de ander plaatsgevonden, waarvan ieder stapje klein genoeg was om een geloofwaardig product van zijn voorganger te zijn. Deze kleine veranderingen werden veroorzaakt door genetische mutaties, willekeurige veranderingen – vergissingen eigenlijk – in het genetisch materiaal. Die veroorzaken veranderingen in de bestaande lichaamsstructuren. Veel van die veranderingen zijn schadelijk en leiden tot de dood. Een minderheid daarvan blijkt een minieme verbetering te zijn, leidend tot verhoogde overlevingskans en reproductie. Door dit proces van natuurlijke selectie, worden die toevallige veranderingen die gunstig blijken te zijn door de soort verspreid, en worden de norm. De grond is dan voorbereid voor de volgende kleine verandering in het evolutionaire proces. En na bijvoorbeeld duizend van zulke kleine veranderingen op een rij, waarbij iedere verandering de basis vormde voor de volgende verandering, werd het eindresultaat door opeenstapeling veel te gecompliceerd om door een enkel toeval te kunnen zijn ontstaan.

   Het is bijvoorbeeld theoretisch mogelijk voor een oog om spontaan te ontstaan, in één enkele sprong uit het niets: laten we zeggen, vanuit de kale huid. Het is theoretisch mogelijk in die zin dat een recept uitgeschreven zou kunnen worden in de vorm van een groot aantal mutaties. Als al deze mutaties gelijktijdig zouden plaatsvinden, zou een compleet oog inderdaad uit het niets kunnen ontstaan. Maar hoewel het theoretisch mogelijk is, is het in de praktijk onvoorstelbaar. De hoeveelheid toeval die daarvoor vereist wordt is gewoon veel te groot. Het “correcte” recept houdt in dat veranderingen in een enorm aantal genen gelijktijdig plaatsvinden. Het correcte recept is die ene specifieke combinatie van veranderingen van al die triljoenen net zo waarschijnlijke combinaties van toevallen. Met een dergelijke miraculeuze samenloop van omstandigheden hoeven we geen rekening te houden. Maar het is volkomen aannemelijk dat het hedendaagse oog ontstaan kon zijn uit iets dat bijna hetzelfde was als dat hedendaagse oog, maar net niet helemaal: een iets minder ontwikkeld oog. Bij dezelfde logica, dit iets minder ingewikkelde oog ontstond uit een nog iets minder ontwikkeld oog, en zo verder. Als men een voldoende groot aantal veranderingen die klein genoeg zijn wil aannemen tussen ieder evolutionair stadium en zijn voorganger, moet men wel in staat zijn om een volledig, complex werkend oog af te leiden uit de kale huid. Hoeveel tussenliggende stadia we daarbij mogen veronderstellen? Dat hangt af van hoeveel tijd hiervoor beschikbaar was. Is er genoeg tijd geweest voor ogen om zich uit het niets te ontwikkelen? 

   Uit gevonden fossielen blijkt dat het leven op aarde zich ontwikkeld heeft over meer dan drie miljard jaren. Voor de menselijke geest is een dergelijke immense tijdspanne haast onmogelijk te bevatten.Op een natuurlijke en geruststellende wijze neigen wij er toe onze eigen verwachte levensduur als een redelijk lange tijd te beschouwen, maar we kunnen niet verwachten zelfs maar één eeuw te leven. Het is 2000 jaar geleden sinds Jezus leefde, een tijdspanne lang genoeg om het verschil tussen geschiedenis en mythe in nevelen te hullen. Kunt u zich een miljoen van zulke tijdperken achter elkaar voorstellen?

   Stel u voor dat we de hele geschiedenis op een enkele rol papier zouden willen schrijven. Als we alle geschiedenis van het christelijk tijdperk op één meter van de rol samen konden proppen, hoe lang zou het deel van de rol dan zijn met het voor-christelijk tijdperk, terug tot aan het begin van evolutie? Het antwoord is dat dit deel van de rol zich van Milaan tot aan Moskou zou uitstrekken. Denk eens in wat dit betekent in termen van aantallen evolutionaire veranderingen die hierin ondergebracht kunnen worden. Al de rassen honden die we als huisdier houden – Pekinezen, poedels, spaniels, St. Bernards en chihuahuas – zijn afstammelingen van wolven, over een periode die gemeten kan worden in honderden of hooguit een duizend jaar: niet meer dan twee meter van de weg van Milaan tot Moskou. Stel u de hoeveelheid verandering voor die nodig is om van wolf naar Pekinees te groeien; vermenigvuldig dit dan met een factor van een miljoen. Als men er zo naar kijkt, wordt het gemakkelijk te geloven dat een oog geëvolueerd kan zijn uit geen oog in kleine stapjes.

   Verder blijft noodzakelijk ons er van te vergewissen dat iedere tussenstap op het evolutionaire pad, bijvoorbeeld van kale huid tot hedendaags oog, door natuurlijke selectie begunstigd werd; dat die een verbetering ten opzichte van zijn voorganger in de volgorde betekende, of op zijn minst overleefde. Het heeft geen nut onszelf er van te overtuigen dat er theoretisch een keten bestaat van nauwelijks waarneembaar verschillende tussenstadia die tot een oog leiden als veel van die tussenstadia zouden zijn gestorven. Er wordt wel eens beweerd dat de delen van een oog allemaal tezamen moeten zijn omdat het oog anders helemaal niet werkt. Een half oog, zo gaat het argument, is niets beter dan helemaal geen oog. Met een halve vleugel kan men niet vliegen, met een half oor kan men niet horen. Daarom zouden er geen serie van stap-voor-stap tussenstadia zijn geweest die tot het hedendaagse oog, vleugel of oor hebben geleid.

   Dit soort argument is zo naief dat men zich slechts kan verbazen over de onderliggende motieven waarom men dit wil geloven. Het is duidelijk onwaar dat een half oog nutteloos is. Lijders aan staar die hun lenzen chirurgisch hebben laten verwijderen kunnen niet erg goed zien zonder bril, maar zijn duidelijk in het voordeel ten opzichte van blinden. Zonder lens kan men niet scherpstellen op details, maar kan men voorkomen tegen obstakels aan te botsen, en kan men de dreigende schaduw van een roofdier op tijd waarnemen.

   En wat het argument betreft dat men met een halve vleugel niet kan vliegen, wordt het tegendeel bewezen door een groot aantal zeer succesvol zwevende dieren, waaronder veel verschillende soorten zoogdieren, hagedissen, kikkers, slangen en pijlinktvissen. Veel verschillende soorten boombewoners hebben huidplooien tussen hun ledematen die eigenlijk gedeeltelijke vleugels zijn. Als je uit een boom valt, kan iedere huidplooi of afvlakking van het lichaam die het oppervlak vergroot, je leven redden. En, hoe groot of klein die plooien ook maar mogen zijn, moet er altijd een kritische hoogte bestaan, zodanig dat als je van die hoogte valt, je leven gespaard zou blijven door een klein beetje meer oppervlak. Dan, als je nakomelingen evolueren tot dat kleine beetje meer oppervlak, wordt hun leven net een beetje meer gespaard als ze uit bomen vallen van iets meer hoogte. En zo gaat het verder met onwaarneembaar verbeterde stapjes totdat, honderden generaties later, we op volledige vleugels uitkomen.

   Ogen en vleugels kunnen niet ineens ontstaan. Dat zou hetzelfde betekenen als het bijna oneindig gelukkige toeval het combinatiecode te raden dat een grote bankkluis zou openen. Maar als men de wijzerplaten van het slot op goed geluk zou draaien, en als  iedere keer dat men een beetje dichter bij het juiste nummer kwam de deur steeds een kiertje verder zou openen, zou men de deur spoedig open hebben! In essentie is dit het geheim van hoe evolutie door natuurlijke selektie kan bereiken wat eerder onmogelijk leek. Dingen die niet geloofwaardig afgeleid kunnen zijn van heel verschillende voorgangers kunnen geloofwaardig afgeleid worden van slechts iets verschillende voorgangers. Als er maar een voldoende lange serie van zulke iets verschillende voorgangers bestaat, kan men alles afleiden van iets anders.

   Daarom is evolutie theoretisch in staat om datgene te doen wat vroeger het exclusieve voorrecht van God scheen te zijn. Maar bestaat er enig bewijs voor dat evolutie werkelijk heeft plaatsgevonden? Het antwoord is ja; het bewijs is overweldigend. Miljoenen fossielen zijn gevonden op precies die plaatsen en op precies die dieptes die we mogen verwachten als evolutie werkelijk heeft plaatsgevonden. Geen enkel fossiel is ooit gevonden op een plaats waar de evolutietheorie het niet zou hebben verwacht, hoewel dit heel gemakkelijk had kunnen gebeuren: een fossiel zoogdier in gesteente zo oud that vissen nog niet gearriveerd zouden zijn, zou bijvoorbeeld al voldoende zijn om de theorie onderuit te halen.

   Het verspreidingspatroon van levende dieren en planten op de continenten en eilanden van de wereld is precies datgene wat verwacht mag worden als zij geëvolueerd zouden zijn uit gemeenschappelijke voorouders in een proces van langzame, geleidelijke stappen. Het patroon van gelijkenis onder dieren en planten is precies wat we mogen verwachten als sommige dicht verwant aan anderen zijn, en anderen verder aan elkaar verwant. Het feit dat de genetische code van alle levende wezens hetzelfde is, suggereert overduidelijk dat allen afstammen van één enkele voorouder. Het bewijs voor evolutie is zo dwingend dat de enige manier om de scheppingstheorie te redden is dat God expres enorme hoeveelheden bewijs geplant zou hebben om het te laten lijken alsof evolutie heeft plaatsgevonden. In andere woorden, de fossielen, de geografische spreiding van dieren, enzovoort, zijn allen een enorme oplichting. Zou iemand een God willen vereren die tot zulk bedrog in staat is? Het is ongetwijfeld veel eerbiediger, en wetenschappelijk verstandiger, om dit bewijs op zijn ogenschijnlijke betekenis te aanvaarden. Alle levende wezens zijn aan elkaar verwant, en stammen af van één verre voorouder die drie miljard jaar geleden leefde.

   Het Argument van Ontwerp is dus vernietigd als reden om in een God te geloven. Zijn er ook nog andere argumenten? Sommige mensen geloven in God vanwege wat voor hen lijkt op een innerlijke openbaring. Zulke openbaringen zijn niet altijd even verheffend, maar ze voelen ongetwijfeld echt aan voor het betrokken individu. Veel bewoners van psychiatrische inrichtingen hebben een onwrikbare innerlijke overtuiging dat ze Napoleon zijn, of zelfs God zelf. Degenen die dergelijke overtuigingen koesteren twijfelen daar zelf niet aan, maar dat is nog geen reden waarom de rest van ons hen moet geloven. Het is zelfs zo dat aangezien zulke overtuigingen onderling tegenstrijdig zijn, we ze helemaal niet kunnen geloven. 

   Hier dient nog iets aan toegevoegd te worden. Evolutie door natuurlijke selektie verklaart heel veel, maar kan niet uit het niets begonnen zijn. Het kan niet begonnen zijn voordat er een soort rudimentaire reproductie en erfelijkheid waren. Hedendaagse erfelijkheid is gebaseerd op de DNA-code, die zelf ook te gecompliceerd is om spontaan te kunnen zijn ontstaan door een enkel toevallig incident. Dit schijnt te betekenen dat er al een eerder erfelijk systeem moet hebben bestaan dat nu verdwenen is, een systeem dat eenvoudig genoeg was om door toeval en de wetten van chemie te kunnen zijn ontstaan, en die het medium leverde waarin een primitieve vorm van cumulatieve natuurlijke selektie kon beginnen. Het DNA was een later product van deze eerdere cumulatieve selektie. Vóór deze oorspronkelijke vorm van natuurlijke selektie, bestond een periode waarin complexe chemische samenstellingen opgebouwd waren uit eenvoudiger vormen, en weer daarvoor was er een periode waarin de chemische elementen opgebouwd waren uit eenvoudigere elementen, volgens welbekende natuurkundige wetten. En dáárvoor was uiteindelijk alles opgebouwd uit zuivere waterstof als onmiddellijk gevolg van de oerknal waarmee het universum begon.

   Het is verleidelijk te beweren dat, hoewel God niet nodig mag zijn om de evolutie van complexe orde te verklaren nadat het universum, met zijn fundamentele natuurkundige wetten, eenmaal begonnen was, we toch een God nodig hebben om de oorsprong van alle dingen te verklaren. Dit idee laat weinig meer over aan God om te doen: gewoon de oerknal ontsteken, dan achterover leunen en zien wat er van komt. De scheikundige Peter Atkins voert in zijn prachtig geschreven boek The Creation een luie God op, die er naar streefde zo weinig mogelijk te doen om alles te laten beginnen. Atkins maakt duidelijk hoe iedere fase in de geschiedenis van het universum, door eenvoudige natuurwetten, automatisch volgde uit zijn voorganger. Op deze manier reduceert hij de hoeveelheid werk dat de luie schepper zou moeten doen, om tenslotte te concluderen dat deze in feite helemaal niets hoefde te doen!

   De details van de eerste fase van het universum liggen op het terrein van de natuurwetenschappen, terwijl ik een bioloog ben, meer betrokken bij de latere fases van de evolutie van het complexe. Voor mij is het belangrijkste punt dat, zelfs als de natuurkundige voorop moet stellen dat er in het begin een onherleidbaar minimum moet hebben bestaan, om het universum te laten beginnen, dat dit onherleidbare minimum in ieder geval buitengewoon simpel was. Verklaringen die op eenvoudige aannamen berusten zijn per definitie meer geloofwaardig en meer bevredigend dan verklaringen die een complex en statistisch onwaarschijnlijk begin vooronderstellen. En nog complexer dan een Almachtige God kun je het niet maken!

_________


Bron: Free InQuiry, volume 18, number 3


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort