visitors on myspace
ONTWERP, DOOR GOD OF EVOLUTIE? | POSITIEF ATHEÏSME <>

ONTWERP, DOOR GOD OF EVOLUTIE?

image7313

RAYMOND D. BRADLEY








EEN TELEOLOGISCH ARGUMENT VOOR ATHEÏSME

Veel dingen in de natuurlijke wereld werken zo goed dat het wel lijkt of ze zijn ontworpen. Maar door wat? Zou de natuur zelf, door processen waaronder dat van evolutie, de ontwerper zijn? Of moeten hun complexe structuur en werking aan een intelligente ontwerper of God worden toegeschreven? Is natuurlijk ontwerp verenigbaar met intelligent ontwerp? Hoe goed is het argument van de aanwezigheid van intelligent ontwerp voor een intelligent ontwerper? En als we op goede gronden het waarschijnlijke bestaan van een intelligent ontwerper zouden kunnen afleiden uit de aanwezigheid van ontwerp in de natuurlijke wereld, wat zouden we dan daaruit kunnen afleiden over het karakter van die ontwerper?

  Dit zijn de belangrijkste voorliggende vragen. Maar eerst ....

A - EEN HISTORISCH PERSPECTIEF OP HET DEBAT OVER EVOLUTIE

   Het geloof in God wordt verdedigd op grond van twee redenen: openbaring en ratio. En de evolutie-theorie wordt door velen als bedreiging voor beiden gezien.

   Ze is duidelijk inconsistent met de prima facie betekenis van Gods boodschap aan de mensheid, als geopenbaard in het eerste hoofdstuk van Genesis.

   Bovendien ondermijnt ze één van de belangrijkste rationele argumenten voor het bestaan van God: het zogenoemde “Argument van ontwerp” (aan filosofen bekend als het Teleologisch Argument).


1 - DE GOD VAN DE OPENBARING:

 Zeven maal, in slechts drie verzen (21, 24 en 25) van Genesis 1 wordt ons verteld dat ieder levend schepsel dat God in de eerste zes dagen schiep, geschapen was om zich “naar haar/zijn aard” voort te planten.

 Historisch gezien stellen deze verklaringen de Bijbel in tegenspraak tot de evolutie-theorie.

 Genesis zegt ons niet alleen dat God hemel en aarde heeft geschapen, maar ook dat hij iedere soort nieuw heeft geschapen, onveranderlijk, en reproducerend volgens zijn soort. En gegeven de aanname dat de Bijbel inderdaad het woord van God is en dat God geen onwaarheden zou verkondigen, zijn zij die in de Bijbel geloven gehouden aan de onveranderlijkheid van soorten te geloven.

 Het probleem is dat dit in tegenspraak is met de belangrijkste stelling van de evolutie-theorie: dat de soorten niet onveranderbaar zijn, dat iedere latere soort geëvolueerd is uit eerdere en andere soorten. Toegegeven, sommige theïsten passen hun eigen interpretaties op Gods woord toe om daarmee een soort verzoening te bereiken tussen Bijbel en evolutie-theorie. En sommigen daarvan zullen we straks nader onderzoeken. 

 Maar zelfs de meest liberale vertolkers van Gods openbaring wensen Gods hand te zien werken in evolutionaire processen. Zich van openbaring tot rede wendend, beweren zij dat de immense diversiteit en complexiteit van levensvormen slechts konden ontstaan in overeenstemming met de ontwerpen van God. Zij wenden zich tot:


2 - HET TELEOLOGISCH ARGUMENT: VANUIT ONTWERP TOT EEN INTELLIGENTE ONTWERPER

  William Paley legde het teleologisch argument op de meest bekende wijze uit.1) In zijn versie doet het een beroep op de analogie met een horloge waarvan de onderdelen zo complex en geschikt zijn voor het doel van de tijd aan te geven, dat het hele idee van door toeval te zijn ontstaan de rede tart. Het ontwerp van een horloge vereist een intelligente ontwerper. Op gelijke wijze vereisen het ontwerpen van het universum en zulke samenstellingen als het oog, het bestaan van een buitengewoon intelligente ontwerper, overigens bekend als God. God is, om het zo maar te zeggen, de Grote Horlogemaker.

 Maar hier moeten we voorzichtig worden. Als we bij het argument van ontwerp naar intelligente ontwerper cirkel-redenaties willen vermijden, hebben we twee opties. Of we moeten volhouden dat we het over “blijkbaar ontwerp” hebben - een taalkundige zet die ik zal mijden omdat die ergerlijk pedant wordt wanneer die te vaak wordt herhaald - of we moeten een betekenis voor het woord “ontwerp” vinden die niet een synoniem is voor “datgene dat ontworpen is door een intelligent iemand”. Er bestaan tenminste twee van zulke betekenissen. Een daarvan is die waarin we over het ontwerp van een sneeuwvlok spreken, of over het ontwerp dat vorst op een bevroren raam maakt. In die zin is “ontwerp” een virtueel synoniem voor “patroon” of “complexe structuur”. Een andere is “ontwerp” in die zin waarin ze gebruikt wordt als bijna-synoniem voor “functionele doeltreffendheid”. Tenslotte, als we aan Paley’s voorbeeld van het menselijk oog denken, maakt het weinig uit uit hoeveel onderdelen het menselijk oog bestaat. Wat telt is het feit dat het effectief werkt (in de meeste gevallen) om onze weg te vinden. Nogmaals, wanneer we later een voorbeeld gaan beschouwen van wat Paley’s latere exponent, Michael Behe, een “onherleidbare complexiteit” noemt, te weten de muizenval, wat van belang is is niet hoe ingewikkeld het is of uit hoeveel onderdelen het bestaat, maar hoe goed het werkt. De notie van complexiteit is voornamelijk een niet ter zake doende afleiding.

 In deze niet voor tweeërlei uitleg vatbare betekenissen van het woord staat bewijs voor ontwerp in het universum - in het bijzonder in biologische context - niet ter discussie.

 Wat ter discussie staat, is hoe zulk ontwerp tot stand komt. Is voor de aanwezigheid van ontwerp in deze neutrale zin ‘intelligent design’ vereist? Of kan het verklaard worden in termen van natuurlijk ontwerp - dat wil zeggen in termen van evolutie?

 De evolutie-theorie stelt dat in het biologisch domein dat laatste alles is dat nodig is. Vandaar de bedreiging die ze vormt voor het argument vanuit ontwerp naar intelligente ontwerper. Noch de natuurwetten noch het toeval hebben enige voorkennis van hun eigen resultaat. Ze dienen geen bewust gekozen doel. Volgens evolutie is de natuur zelf de Grote Horlogemaker. Maar dan wel een blinde. Vandaar Richard Dawkins’ omschrijving van evolutie als de “Blinde Horlogemaker”.2)


B - DE KWESTIE VAN COMPATIBILITEIT

   De evolutionaire theorie is het startpunt geworden voor een aantal zelfs nog grootsere vragen: “Is ratio verenigbaar met geloof?”; “Is wetenschap verenigbaar met religie?”; en, meer in het bijzonder, “Is geloof in evolutie verenigbaar met geloof in ontwerp door een opperste intelligentie, dat wil zeggen, God?”

   Vervat in termen van dergelijke vage algemeenheden, moeten deze vragen gemeden worden totdat hun vooronderstelde betekenissen duidelijk zijn gemaakt.

   Laat daarom duidelijk zijn dat met “verenigbaar” we “logisch consistent” zullen bedoelen, niet zoiets als “psychologisch in staat om gemeenschappelijk volgehouden te worden door sommige personen of gemeenschappen”. Sommige mensen hebben er geen moeite mee tegenstrijdige geloven aan te hangen. 

   Verder moet ons duidelijk zijn dat consistentie en inconsistentie relaties zijn die gelden tussen verklaringen (waarin geloofd wordt of niet) en dat twee of meer verklaringen - of stellen verklaringen - alleen dan consistent zijn als het logisch mogelijk is voor ze om gezamenlijk waar te zijn. Laat me dit illustreren door te refereren aan nog een hoogst oppervlakkige vraag als “Is christendom verenigbaar met jodendom of islam?” Opgevat als een sociologische vraag is het antwoord zeker “Ja”. Want in sommige gemeenschappen, zowel nu als in het verleden, hebben alle drie religies harmonieus naast elkaar bestaan. Maar opgevat als een logische vraag zou het antwoord wel eens niet zo voor de hand kunnen liggen. We moeten eerst de specifieke doctrines van geloofsinhoud  van de drie religies bepalen om te zien of het stel geloofsregels dat door de één wordt aangehangen, enig specifiek geloof bevat dat inconsistent is met enig deel van het stel geloofsregels dat door de anderen worden aangehangen. In het kort, we moeten vanaf algemeenheden dieper ingaan op specifieke details.

   Laten we dus eens kijken naar de specifieke verklaring “Jezus was de zoon van God”. Dit wordt gesteld binnen de verzameling verklaringen die als geldig geaccepteerd zijn door het orthodoxe christendom, maar wordt ontkend door zowel het orthodoxe jodendom als de islam. Vandaar, vanuit het gezichtspunt van de logica, is orthodox christendom logisch inconsistent met beiden. Om over deze religies te spreken als gelovend in “dezelfde God onder verschillende namen of omschrijvingen” is puur obscurantisme.

   Ongelukkigerwijze wordt de noodzaak om vanaf algemeenheden dieper in te gaan op details maar al te vaak veronachtzaamd door diegenen die over zelfs grootsere onderwerpen debatteren, zoals: “Is religie verenigbaar met wetenschap”. Een ieder die probeert dit soort vraagstukken te beantwoorden in dergelijke abstracte termen is tot gewauwel gedoemd. Te spreken over religie en wetenschap - zoals de befaamde evolutionist Stephen J. Gould doet - als “twee niet overlappende magisteria (expertisegebieden) ”, is geen uitzondering.

   Er zijn zoveel lege en pretentieuze werken geschreven over deze en soortgelijke onderwerpen dat het tijd is voor een conceptuele schoonmaak en een diepere blik.

   Waar het kwesties betreft die door ons onderwerp “Ontwerp: door God of evolutie” worden opgeroepen, moeten we duidelijk zijn over de specifieke verwijzing of verwijzingen van de termen “God” en “Intelligente Ontwerper”, en de betekenissen van “ontwerp” en “evolutie”. Alleen als we duidelijk zijn over welke “God” we het hebben, over welk soort “ontwerp” we spreken, en wat precies de beweringen, implicaties en vooronderstellingen zijn van de evolutie-theorie, kunnen we bepalen in hoeverre inconsistenties echt zijn in plaats van schijnbaar: gebaseerd op logica in plaats van enkel psychologische opvattingen.

   Laten we het eerst hebben over ....


C - EIGENTIJDSE, NEO-DARWINISTISCHE, EVOLUTIETHEORIE


1 - HAAR KWALIFICATIES ALS EEN WETENSCHAPPELIJKE THEORIE

   De kern-stelling van de evolutietheorie, zoals voorgesteld door Darwin en verfijnd door zijn neo-darwinistische opvolgers, is dat natuurlijke soorten voortgebracht worden niet bij goddelijk decreet maar door natuurlijke processen van variatie, voortplanting, geografische afzondering en daaruit volgende overleving van bepaalde bevolkingen in tegenstelling tot andere; in het kort, door natuurlijke selectie. Deze bewering - waarvan gesteld wordt dat die voor alle natuurlijke soorten geldt - kan niet bewezen worden door een beroep op empirisch bewijs. Dit kan geen enkele geheel universele bewering. Maar dit betekent nog niet dat er geen overtuigende empirische steun voor bestaat. Telers van planten en fokkers van dieren maken gebruik van dezelfde processen. En zowel laboratorium- als veldproeven hebben herhaaldelijk aangetoond hoe snel nieuwe soorten kunnen evolueren binnen een paar generaties, gegeven genetische variaties, isolatie van de voortplantende bevolkingen, en factoren zoals competitie voor voedsel.

   Maar experimenten en andere vormen van direct waarneembaar bewijs zijn net zo min nodig om de waarheid van de evolutietheorie te steunen, als de waarneming van schepen die over de horizon verdwijnen of foto’s vanuit de ruimte dit zijn om aan te tonen dat onze aarde ruwweg bolvormig is. Als de theorie van de bolvormige aarde niet juist zou zijn, zouden terrestrische geometrie, cartografie, chronometrie, luchtvaart of navigatie onbegrijpelijk voor ons zijn. Op gelijke wijze, als de theorie van evolutie niet juist zou zijn, zouden we een menigte aan andere empirisch gefundeerde wetenschappen niet kunnen begrijpen.

   In tegenstelling tot wat veel van haar critici zeggen, is de evolutie-theorie niet slechts een “hypothese”. In plaats daarvan is het een “theorie” in die eervolle zin waarmee die term verleend wordt aan een heel systeem van door waarneming bevestigde wetten, principes en hypotheses - dingen die ons in staat stellen om oorzakelijke verklaringen te geven voor een wijd bereik aan fenomenen.

   Het is in deze zin dat de evolutietheorie een belangrijke wetenschappelijke theorie is. Ze omvat een serie van samengebundelde en ruimschoots bevestigde bewijzen en principes die niet alleen aan de natuurgeschiedenis zijn ontleend, maar ook aan een menigte andere empirische wetenschappen - waaronder kosmologie, astronomie, fysica, biochemie, geologie, plaattektoniek, paleontologie, bevolkingsgenetica, ecologie, antropologie en vergelijkende anatomie. En haar verklarend vermogen reikt verder dan de evolutie van levende organismen. Als recente theoretici gelijk hebben, kan ze ons zelfs veel vertellen over de domeinen van menselijke psychologie en sociaal gedrag.

   De evolutietheorie is daarom net zo min “alleen” een hypothese als de theorieën van Copernicus, Newton of Einstein dat zijn. En net als deze andere, enorm succesvolle theorieën voldoet de evolutietheorie aan een van de meest belangrijke criteria voor wetenschappelijke, als tegengesteld aan pseudo-wetenschappelijke, status. Ze is falsifieerbaar. Dat wil zeggen, ze heeft dusdanige consequenties dat als één daarvan onjuist blijkt te zijn, we dan moeten concluderen dat de theorie zelf onjuist is. Een voorbeeld, als de aarde inderdaad slechts zesduizend jaar oud zou zijn zoals de creationisten beweren, of enige tientallen miljoenen jaren oud zoals Lord Kelvin beweerde in Darwins tijd, in plaats van de huidig geschatte duizenden miljoenen, dan zou er niet genoeg tijd zijn geweest voor evolutie om haar werk te doen, en zouden we moeten concluderen dat de theorie onjuist is. En ook nog, als de feiten van de overdracht van erfelijke informatie - feiten ontdekt door immunologie, biochemie en moleculaire biologie - anders waren geweest, zou de evolutietheorie wel eens opgegeven kunnen zijn.

2 - WAAR DE EVOLUTIE-THEORIE LOGISCH AAN GEHOUDEN IS, EN WAARAAN NIET

   Bedenk dat de vraag niet gaat over welke aanvullende doctrines ook maar gesteld mogen zijn door verscheidene voorstanders van evolutie. Het gaat over wat de theorie zelf stelt of logisch impliceert. Uit het feit dat sommige aanhangers toevallig atheïst zijn, volgt nog niet dat evolutie atheïsme impliceert. Als dat zo zou zijn, zou uit het feit dat sommige aanhangers toevallig theïst zijn, volgen dat evolutie theïsme impliceert. De absurditeit is overduidelijk. Kwesties van logica worden net zo min bepaald door feiten over menselijke psychologie of de associatie van denkbeelden in iemands geest, als mathematische kwesties.

   Hier zijn dan sommige van de vragen die we moeten beantwoorden:


(A)  - IS DE THEORIE LOGISCH GEHOUDEN AAN ABIOGENESE, EEN VERANTWOORDING VAN HOE HET LEVEN ZELF BEGON?

   Het antwoord is: Nee. De vraag van hoe levende dingen ontstonden uit niet-levende dingen valt buiten het bereik van de evolutietheorie. En, althans voor nu, lijkt het de competentie van de wetenschap te boven te gaan om in enig soort definitief antwoord te voorzien. Maar er wordt naar gezocht, natuurlijk.

   Maar iedere verklaring die wordt gegeven zou mechanismen anders dan die van natuurlijke selectie inhouden, het proces dat Richard Dawkins zo treffend heeft omschreven als “de langzame, cumulatieve, stapje-voor-stapje, niet-willekeurige overleving van willekeurige variaties”.3) Natuurlijk zou een theorie van abiogenese een welkome aanvulling van de wetenschap zijn. Het zou fijn zijn als we het hiaat tussen leven en niet-leven konden overbruggen en onszelf zo in staat te stellen een min of meer doorlopend verhaal te vertellen, beginnend met de oerknal en eindigend met onszelf nu. Dat wil zeggen, het zou fijn zijn om in staat te zijn een al-omvattend naturalistisch verhaal te geven over de geschiedenis van het universum. Maar de theorie van evolutie op zichzelf is evenmin logisch gehouden dat verhaal te leveren als de theorie van de oerknal dat is.


(B) - IS ZE GEHOUDEN AAN METHODOLOGISCH NATURALISME?

    Ja. Net zo als ieder andere empirische wetenschap is ze gehouden aan onderzoek naar natuurlijke verklaringen voor gebeurtenissen in haar domein. Dit moet geen verrassing zijn. Want hoe zou een alternatieve methodologie er uit zien?

   Wat te denken van wat we methodologisch supernaturalisme zouden kunnen noemen? We mogen aannemen dat het zou bestaan uit een terugkeer naar de voor-wetenschappelijke wijze van denken, waarin ieder hiaat in ons begrip van hoe de wereld werkt ingevuld werd door een beroep te doen op ingrepen door bovennatuurlijke wezens. We hebben nu enige vooruitgang geboekt. We hebben geen behoefte aan natuurgoden die het ritme van de natuur bepalen: lente, zomer, herfst en winter. We beroepen ons niet langer op de goden van de Grieks-Romeinse of andere mythologieën om zon- en maan-verduisteringen, bliksem en aardbevingen te verklaren. Tegenwoordig hebben de meesten van ons het idee prijsgegeven dat ziekten en rampen gebeuren omdat de goden boos zijn. We leven niet meer in wat Carl Sagan noemde “de door demonen geplaagde wereld”. In plaats daarvan adopteren we de principes van methodologisch naturalisme, naar de natuur zelf kijkend voor de oorzaken die onze bijgelovige voorouders ontgingen.

(C) - IS ZE GEHOUDEN AAN METAFYSISCH NATURALISME?

   In de ene zin, nee. In een andere, ja. Metafysisch naturalisme (ook wel bekend als ‘materialisme’) is een filosofische - meer specifiek een ontologische - theorie over de aard van de werkelijkheid. Ze stelt dat de ultieme bestanddelen van de realiteit het soort dingen zijn die door fysica behandeld worden (sub-atomische deeltjes en hun basale eigenschappen), samen met complexe verbindingen daarvan en hun daaruit voortkomende eigenschappen (eigenschappen van complexe verbindingen die hun eenvoudigere bestanddelen niet bezitten).4)

   Neo-darwinisme impliceert zeker niet materialisme in haar volle algemeenheid. Ze impliceert niet het niet bestaan een non-fysieke, of bovennatuurlijke, wereld. Het is duidelijk dat evolutionisten die metafysisch naturalisme (filosofisch materialisme) in haar volle algemeenheid onderschrijven, de grenzen van hun competentie overschrijden.

   Echter, neo-darwinisme stelt wel dat homo sapiens geheel een product is van de natuurwetten, samen met zulke ogenschijnlijk willekeurige gebeurtenissen als mutaties. Ze is gehouden aan het standpunt dat de mens een dierlijke stamboom heeft, en niet minder zuiver dierlijk is dan zijn voorouders. Ze laat geen ruimte voor het idee dat de mens een samenstelling is, bestaande uit zowel een ziel als een lichaam - tenzij die ziel opgevat wordt als een loze toevoeging, zonder enige causale uitwerking.

 Kortom, de evolutietheorie is gehouden aan beperkt, maar niet aan onbeperkt metafysisch naturalisme.


D - CONCEPTIES VAN “ONTWERP” EN HUN COMPATIBILITEIT MET EVOLUTIE

   De vier belangrijkste concepties van hoe een intelligente ontwerper zijn ontwerp zou kunnen uitvoeren zijn:

☆  Volgens deïstische evolutionisten werd Gods ontwerp volledig uitgevoerd ten tijde van de algehele schepping. Daarna liet hij de natuurwetten, inclusief die van natuurlijke selectie, hun werk doen zoals hij bedoeld had.

☆  Volgens theïstische evolutionisten werd Gods ontwerp slechts ten dele uitgevoerd tijdens de algehele schepping. Als theïsten geloven zij dat hij sindsdien van tijd tot tijd ingegrepen heeft om ontwerp afstellingen te doen, bijvoorbeeld om het hiaat tussen niet-leven en leven te overbruggen. Maar als door-en-door evolutionisten geloven ze dat evolutie natuurlijk verliep zonder enige noodzaak tot zijn ingrijpen.

☆  Volgens theïstische quasi-evolutionisten werd Gods oorspronkelijke ontwerp herhaaldelijk aangevuld met ontwerp-aanpassingen. Zij geloven dat vooral natuurlijke selectie zijn helpende hand nodig heeft gehad. Volgens hun opvatting is de evolutietheorie op zichzelf niet in staat de vorm of functie van levende wezens te verklaren.

☆  Volgens theïstische anti-evolutionisten manifesteert Gods ontwerp zich niet alleen in de algehele schepping, maar ook in zijn specifieke schepping van de verscheidene levensvormen waarmee we nu omringd zijn. Misschien dat een beetje micro-evolutie op natuurlijke wijze plaatsvindt. Maar macro-evolutie gebeurt niet. Gods ontwerp-afstellingen moeten voor iedere nieuwe soort in verleden, heden en toekomst opnieuw gemaakt worden.

1 - “ONTWERP” VOLGENS DEÏSTISCHE EVOLUTIONISTEN

   Deïsme bereikte haar hoogtepunt tijdens de Verlichting: in de werken van denkers als Thomas Hobbes, John Locke, David Hume, Lord Herbert of Cherbury, Thomas Paine en - op het continent - Voltaire. Haar wortels kunnen gevonden worden in scepticisme over de doctrinaire disputen, de conflict-veroorzakende hype’s, en de flagrante bevordering van mysticisme die zo typerend zijn voor geopenbaarde religies.

   Het belangrijkste probleem is volgens deïsten dat de traditionele religies allen steunen op een of andere beweerde openbaring.

   Alle geopenbaarde goden afwijzende, wendden deïsten zich in plaats daarvan tot een God van de rede. Hoewel ze er vaak van beschuldigd werden atheïst te zijn omdat ze de geopenbaarde God van het theïsme afwezen, blijft het een feit dat ze nog steeds in het bestaan van een soort god geloofden, zij het een non-theïstische god. Ze dachten dat er een soort God aangenomen moest worden, om de manier waarop het universum werkt te kunnen verklaren.

   De meesten, hoewel niet allen, suggereerden een soort ontwerpende God of Universele Ontwerper, maar zijn ontwerp - zoals zij zich dit voorstelden - was a priori ontwerp, ontwerp dat geen opvolgende aanpassingen vereiste. Een goede ontwerper, zoals zij hem zagen, zou zijn ontwerp al vanaf het begin goed gemaakt hebben.5)
Is evolutie consistent met dit soort intelligent ontwerp?

   Het moge duidelijk zijn dat als evolutie gehouden was aan universeel, onbeperkt, metafysisch materialisme, het antwoord ontkennend zou moeten zijn. Want de God van deïsten wordt voorgesteld als een bovennatuurlijk wezen. Maar evolutie, zullen we ons herinneren, is alleen gehouden aan beperkt materialisme. Vandaar dat er op dit punt geen conflict bestaat.

   De intelligente ontwerper van deïstische evolutionisten kan vergeleken worden met een Grote Computer Ontwerper die niet slechts hardware ontwerpt die nooit gerepareerd hoeft te worden, maar die ook van te voren inricht met software (natuurlijke selectie) die nooit updates nodig zal hebben.


2 - “ONTWERP” VOLGENS THEÏSTISCHE EVOLUTIONISTEN

  In de meeste opzichten geldt als noodzakelijke voorwaarde om theïst te zijn als tegengesteld aan een deïst, dat men gelooft in een interventionistische God.

 Nu kan God op verscheidene manieren ingrijpen. Men zou bijvoorbeeld over God kunnen denken als direct verantwoordelijk voor abiogenese, door in te grijpen in de natuurwetten om leven te scheppen in een universum dat voorheen zonder was. Of men zou hem zich voor kunnen stellen als veroorzaker van de catastrofale asteroïde inslagen die verantwoordelijk waren voor het uitsterven van de dinosauriërs. 

 Zulke overtredingen van de natuurwetten door een bovennatuurlijk iets zouden zeker een wonder inhouden volgens David Hume’s nu gestandaardiseerde betekenis van het woord. En het hele idee van wonderen kan niet gedoogd worden door iemand die gehouden is aan het methodologisch naturalisme zoals dat binnen de wetenschap in het algemeen wordt toegepast (hetgeen de reden is waarom veel liberale theïsten streefden naar het ontmythologiseren van de oude voorstellingen van God).

 Maar in principe zou een verhaal over al deze miraculeuze ingrepen op zo’n manier verteld kunnen worden dat het geen inbreuk maakt op de waarheid van de kernstelling van de evolutietheorie: dat als eenvoudige levensvormen eenmaal ontstaan zijn, de daarop volgende vormen evolueren door processen van alleen natuurlijke selectie. Dit zou ook niet conflicteren met hetzij methodologisch materialisme, dan wel het beperkt materialisme, waaraan de evolutietheorie gehouden is.

 Het concept van ontwerp volgens dit soort theïsme vormt geen bedreiging voor een geloof in evolutie. Het is niet alleen zo dat sommige theïsten in feite geloven in zowel een ontwerpende God als in evolutie. Er bestaat geen logische reden waarom ze dat niet zouden doen.


3 - “ONTWERP” VOLGENS THEÏSTISCHE QUASI-EVOLUTIONISTEN

   Ik gebruik de term “quasi-evolutionisten” om al die theïsten te beschrijven die neigen te denken dat het neo-darwinisme in grote lijnen waarschijnlijk, zo niet geheel waar is, maar volhouden dat dit niet alle fenomenen kan verklaren. Gods directe tussenkomst, beweren zij, is als verklaring voor minstens sommige daarvan vereist. Kortom, zij accepteren evolutie met een beduidend voorbehoud. Een goed voorbeeld hiervan is Paus Johannes Paulus II, van wie gemeld werd dat hij katholieken toestond evolutie alleen te aanvaarden onder voorwaarde dat ze geloven dat God op een niet nader aangeduid tijdstip ingreep om aan onze evolutionaire voorouders een ziel te verlenen.

   Andere voorbeelden worden gevonden onder de groep van hedendaagse theïsten die, de wat populair de “Intelligent Design” theorie genoemd wordt, aanhangen. Auteurs zoals moleculair bioloog Michael Behe en filosoof William Dembski beweren dat hoewel neo-darwinisme misschien de evolutie van eenvoudige samenstellingen kan verklaren, ze niet kan verklaren hoe, wat zij noemen “onherleidbaar complexe” samenstellingen, ontstonden. Zulke samenstellingen, houden zij vol, moeten letterlijk in een keer ontstaan zijn als gevolg van de tussenkomst van een intelligente ontwerper.


4 - “ONTWERP” VOLGENS THEÏSTISCHE ANTI-EVOLUTIONISTEN

   Het concept van ontwerp dat het sterkst in contrast staat tot de evolutietheorie is dat wat creationisten aanhangen: zij die geloven in de doctrine van speciale schepping, niet alleen in de doctrine van algehele schepping.

   Voor creationisten is de bron van waarheid over de oorsprong van de soorten uitsluitend te vinden in bijbelse openbaring, in het geheel niet in de rede. Voor hen wordt het verhaal van Gods intelligent ontwerp geopenbaard in Genesis, hoofdstuk 1. Het begint met zijn schepping van de hemelen, de aarde en de zee (verzen 1-10), en vervolgt dan (verzen 11-30) met zijn schepping van de verscheidene soorten de novo, beginnend met grassen en bomen, om te vervolgen met schepselen van de zee zoals walvissen, schepselen van de lucht zoals vogels, en dieren die over land bewegen, om tenslotte te eindigen met de kroon op zijn werk - ons. Het hoofdstuk eindigt met ons te vertellen dat dit alles slechts zes dagen nam, en - belangrijker - dat God dacht dat hij dat goed gedaan had. Zoals vers 31 het stelt: “En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.”

   Nu is het alleen maar fair er op te wijzen dat creationisten het onderling oneens zijn over hoe letterlijk dat gepraat over zes dagen genomen moet worden: of als perioden van 24 uur, zoals gesuggereerd wordt door ochtenden en avonden te noemen, of als eonen die zich over duizenden of zelfs miljoenen jaren uitstrekken. Maar over een punt zijn ze het allen eens.Wanneer God zegt dat iedere vorm van leven zou “voort brengen (reproduceren) naar zijn/haar aard” bedoelt hij wat hij zegt. Volgens creationisten is hier geen ruimte voor interpretatie. Dus, gegeven hun geloof in de onfeilbaarheid van de bijbel, hebben ze geen ander alternatief dan wetenschappelijke bevindingen die daarmee in conflict zijn af te doen als ijdele verbeelding van de beperkte intelligentie van de mens.

   Dit geldt in het bijzonder voor de evolutietheorie. Gods verhaal is waar. Dat van evolutie moet dus onwaar zijn. Dat beweren zij tenminste.


E) EEN CUMULATIEVE KRITIEK OP VERSCHEIDENE TELEOLOGISCHE ARGUMENTEN

   Hoe goed zijn deze verschillende argumenten uit ontwerp voor een intelligente ontwerper?

1 - DE INTELLIGENTE ONTWERPER VAN DEÏSTISCHE EVOLUTIONISTEN

   Volgens deïsten, hebben we gezien, vertoont het universum in zijn geheel ontwerp in ten minste één van de onbetwistbare betekenissen van complexe samenstelling en/of functionele doeltreffendheid. En zulk ontwerp, concluderen zij, duidt op een ontwerper met oppermachtig intelligentie. Vandaar de God van de deïsten, het Opperwezen of Opperste Intelligentie.

   Dit is ongeveer zo minimaal als het argument uit ontwerp maar kan zijn. Toch wordt dit, en iedere andere meer uitvoerige vorm van argument, geconfronteerd met een vernietigend dilemma:

   Oftewel het is mogelijk dat iets goed kan functioneren zonder dat het waarschijnlijk is dat het door een intelligente ontwerper ontworpen was, of het is onmogelijk dat iets goed kan functioneren zonder dat het als zodanig ontworpen is. Als het mogelijk is, dan - gegeven het wetenschappelijk bewijs - is het waarschijnlijk dat de natuur zelf het ontwerpen doet. Maar als het onmogelijk is, dan volgt aangezien een intelligent ontwerper goed genoeg moet functioneren om een universum te kunnen ontwerpen dat goed werkt, dat die intelligente ontwerper ontworpen moet zijn door een tweede intelligente ontwerper, en die tweede door een derde, en zo verder ad infinitum.

    Voor welk soort voorstanders van intelligent ontwerp dan ook - of ze nu deïst of theïst zijn - zijn beide alternatieven onaanvaardbaar. Tenzij ze zeggen dat er een oneindigheid aan intelligente ontwerpers bestaat (een absurde consequentie, en een die hun opvatting tegenspreekt dat er maar één intelligente ontwerper is), zullen ze moeten toegeven dat de aanwezigheid van ontwerp in het universum het niet waarschijnlijker maakt dat het door een intelligente ontwerper ontworpen was.

   In ieder geval kan de hypothese van een intelligent ontwerper niet echt verklaren wat ze verondersteld wordt te verklaren. Herinneren we ons dat het hele argument zijn aantrekkingskracht ontleent aan het feit dat het een aannemelijke verklaring schijnt te geven voor schijnbaar ontwerp. Het probleem is dat het als een verklaring te veel verklaring biedt. Een “verklaring” die voorwendt de verklaring te zijn voor alles dat gebeurt is geen echte verklaring van waarom iets gebeurt. Een waarachtige verklaring over waarom iets gebeurt, moet een verklaring zijn die uitlegt waarom dit gebeurde en niet iets anders. Als manier om te verklaren waarom het universum orde, structurele complexiteit en functionaliteit omvat, biedt de intelligent ontwerp hypothese niets beters dan “Omdat God het op die manier ontworpen heeft.” Omdat deze hypothese ook ingeroepen kan worden zelfs in geval het universum uiterst chaotisch zou zijn, verklaart de intelligent ontwerp hypothese niet waarom het universum ordelijk is in plaats van wanordelijk. Dat is ongeveer net zo behulpzaam als te zeggen “Zo is het nu eenmaal”. Ons worden woorden geboden, maar geen uitleg.

   Zelfs het minimale argument dat ontwerp naar een intelligente ontwerper leidt, is een miserabele mislukking.


2 - DE INTELLIGENTE ONTWERPER VAN THEÏSTISCHE EVOLUTIONISTEN

   Wat de theïstische voorstelling van de intelligente ontwerper onderscheidt van die van de deïsten is dat zij hem als veel meer zien dan alleen de schepper en ontwerper van het universum. Zij zien hem als een interveniënt. Hun God is niet alleen verwant aan de Grote Computer Maker en Grote Software Provider; hij is ook de Grote Computer Reparateur die  aan huis komt zonder dat wij hem werkelijk zien, om zijn producten bij te stellen, en om misschien de hardware te vervangen of de software te upgraden. 

   Wat zijn de referenties voor deze verrijkte voorstelling van hoe de intelligente ontwerper zijn ontwerp uitvoert?

   Bedenk dat deze weergave haar belangrijkste bron vindt in openbaring, in plaats van rede. En iedere echte openbaring moet schending van een natuurwet door het bovennatuurlijke inhouden, moet dus een wonder zijn. Dus wat zijn de referenties voor geloof in ingrepen, in wonderen dus?

   Aardig hopeloos.

   Laten we eerst de openbarende wonderen beschouwen. Het meest voor de hand liggende probleem met een geloof in God die ingrijpt om zijn oorspronkelijke opstelling af te stellen is dat er zo veel weergaven zijn van wat die openbaringen zijn en dat de meeste, zo niet alle, onderling inconsistent zijn om eerder besproken redenen. Toch wordt ieder daarvan verondersteld zijn eigen referenties uit ervaring te hebben: in visioenen van Krishna of Moeder Maria; in gebedsgenezing door goeroes of evangelisten; en in ervaringen van toegesproken worden - misschien door een innerlijke stem - door Jahweh, de Heilige Geest of Allah.

   Wat vooral zo vervelend is met al deze ervaringen is dat de manier waarop ze beschreven worden de al eerder gevormde religieuze geloven en verwachtingen van degenen die ze gehad hebben op zo’n manier weerspiegelen dat ze suggereren dat hun oorzaak ligt in een subjectieve staat in plaats van in een objectief feit. Hindoes rapporteren geen visitaties door Moeder Maria. En aan christenen verschijnt Krishna niet. Het was onder andere om dit soort redenen dat deïsten alle openbarende wonderen verwierpen.

   Laten we nu de niet-geopenbaarde wonderen eens bezien. Voor echte theïstische evolutionisten - degenen die geloven dat de evolutietheorie zonder voorbehoud waar is - moeten die beperkt blijven tot gebeurtenissen buiten het domein van evolutionaire verklaring. Ze moeten bestaan in ingrepen in andere natuurwetten dan die van natuurlijke selectie. Maar waar kunnen die worden gevonden? Niet, mogen we aannemen, in gebeurtenissen als eclipsen, meteoor regens, aardbevingen, stormen of plagen, die allemaal door onze voor-wetenschappelijke voorouders gezien werden als “tekens van de goden, of God”. De hiaten in hun kennis over hoe de wereld werkte zijn al lang gevuld door naturalistische verklaringen, terugvallen op het bovennatuurlijke is niet meer nodig. Ik ben er zeker van dat de meeste ontwikkelde theïsten dat met me eens zullen zijn. Maar waar dan, buiten het verboden terrein van evolutionaire uitleg, zal onze theïstische evolutionist de ontwerp aanpassingen door zijn ontwerper plaatsen? Het meest geloofwaardig, heb ik voorgesteld, is het hiaat in onze huidige kennis over hoe abiogenese plaatsvond.      

   Maar dat is een nogal wankele positie, een die waarschijnlijk verstoord wordt door verdere ontwikkelingen in de wetenschappelijke speurtocht naar hoe de overgang van niet-leven naar leven werd bereikt. Het lijkt onwaarschijnlijk dat dit voorbeeld van een “God van de hiaten” argument het er beter van af zal brengen dan zijn voorgangers.

   Hoe dat ook moge zijn, theïsten staan voor een veel ernstiger probleem, of ze nu in evolutie geloven of niet. Want het hele feit dat hun intelligente ontwerper ontwerp-aanpassingen moet maken toont aan dat hij zijn ontwerp niet meteen vanaf het begin goed kreeg. Natuurlijk, Genesis 1:31 verzekert ons dat “... God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed....” Maar iedere theïst zal moeten toegeven dat Gods “zeer goed” niet goed genoeg was. Waarom blijft hij er anders nog steeds aan knutselen? En waaruit bestaat dan de noodzaak voor ons, tegenwoordig, om te proberen van deze wereld een betere plaats te maken? Iets te zeggen over onze onmacht om Gods ondoorgrondelijke wil te doorgronden mag misschien bevredigend zijn voor degenen die een voorliefde voor het mysterieuze hebben. Voor de rest van ons is het dat niet.

3 - DE INTELLIGENTE ONTWERPER VAN THEÏSTISCHE QUASI-EVOLUTIONISTEN

   Uit het spectrum van mogelijke weergaven van dit soort ingrijpen zal ik er slechts twee kiezen: die van paus Johannes Paulus II en zijn volgelingen, en die van de exponenten van de Intelligent Design Theorie (IDT).

   Paus Johannes Paulus II is een metafysische dualist. Meer in het bijzonder, hij is een dualist betreffende de aard van menselijke wezens. Hij is het er mee eens dat de voorouders van de mens terug getraceerd kunnen worden tot niet-menselijke hominiden, en hun afkomst nog verder terug tot meer primitieve primaten, en zo verder. Maar hij houdt vol dat we niet alleen een positie houden in de natuurlijke wereld, maar ook in de bovennatuurlijke. We zijn niet alleen dieren. Op enig onbepaald punt in onze afkomst, verklaarde de paus op 26 oktober, 1996, heeft God op miraculeuze wijze onze dierlijke lichamen doordrongen met zielen.

   De kwesties die worden opgeworpen door dualistisch concepties van de menselijke aard zijn enorm in omvang. Maar het is de moeite waard de aandacht te vestigen op een paar problematische implicaties en vooronderstellingen. Als de ziel gezien wordt als een soort ontologisch onafhankelijke entiteit, voor zijn bestaan of overleving niet afhankelijk van het bestaan of overleving van het lichaam, dan is zijn bezit een alles-of-niets zaak. Oftewel die is aan een bepaald dierlijk lichaam toegevoegd, of die is het niet. Kijk dan eens naar de eerste ziel-bezittende hominiden. Noem ze Adam en Eva. Dan, aannemende dat Adam en Eva in feite afstammen van dierlijke voorouders, volgt hieruit dat Adam en Eva ouders hadden die, in tegenstelling tot hen, geen vooruitzicht hebben om naar de hemel te gaan om later bij hun kinderen te zijn. Sommige theïstische quasi-evolutionisten kunnen dit moeilijk te verteren vinden. Misschien dat anderen bereid zijn gevoelens aan de kant te zetten en dit in het geheel te slikken. 

   Maar dit suggereert alleen maar ernstiger problemen. Tenslotte wordt de vraag naar wanneer precies de zielen in de afstamming van mensen geïnjecteerd werden geëvenaard door de vraag wanneer een ziel precies wordt geïnjecteerd in de biologische ontwikkeling van individuele mensen. Erven we een beetje ziel van ieder van onze ouders, net zoals we sommige van onze genen van hen erven? Als dat zo is, wat gebeurt er dan met de zielen die verbonden zijn met al dat verspilde sperma en eitjes die niet worden gebruikt voor voortplanting? Zijn we min of meer gebonden door onze ziel-erfenis op min of meer dezelfde wijze als we in sommige opzichten dat zijn door onze genetische erfenis? Als onze ouders niet in onze ziel voorzien, geeft God ze ons dan op het moment van conceptie? Als onze zielen ons niet gegeven worden op het moment van conceptie, hoeveel celdelingen acht God dan noodzakelijk voordat hij deze gift verstrekt? En wat gebeurt er met de zielen van foetussen die, natuurlijk of kunstmatig, werden geaborteerd? En van meer betekenis vanuit filosofisch perspectief, hoe verhoudt dit dualistisch concept van de ziel zich tot andere mentalistische concepten zoals dat van verstand, bewustzijn, intelligentie en vrije wil? Is ons verstand bijvoorbeeld ook een entiteit die los staat van onze lichamen en zielen? Als dat zo is, gaan ons verstand dan met onze ziel mee wanneer we sterven? Of houdt ons verstand op te bestaan wanneer onze lichamen naar het graf gaan? Als we het laatste zeggen, worden we geconfronteerd met de onaantrekkelijke gevolgtrekking dat onze overlevende zielen geen verstand zullen hebben.

   Mijn vragen kunnen haast zonder einde worden vermenigvuldigd. Ongelukkigerwijze heeft God de antwoorden niet geopenbaard. Dus de paus en gelijkgezinden hebben geen andere optie dan eigenmachtige antwoorden, of zich weer in mysterie terug te trekken.

   Let wel, een andere voorstelling van waaraan we refereren als bewustzijn, intelligentie, vrije wil, verstand, de ziel zelfs, kan worden gegeven zonder toevlucht te zoeken tot mysterie, willekeur of metafysisch dualisme. Het is die welke deze mentalistische termen ziet als beknopte namen voor eigenschappen, niet onafhankelijke entiteiten. Het interpreteert ze als verwijzend naar de tevoorschijn tredende eigenschappen van bepaalde natuurlijke entiteiten, waaronder vooral intellectueel gerijpte menselijke wezens, eigenschappen die geleidelijk aan te voorschijn kwamen in de evolutionaire ontwikkeling van homo sapiens (en in beperkte mate in in die van bepaalde andere dieren), eigenschappen die ook verschijnen in de embryologische en postnatale ontwikkeling van individuele leden van onze soort. Dit is een weergave die zonder aanpassingen geloofwaardig verteld kan worden binnen het raamwerk van de evolutietheorie. Het is een verhaal dat ik al elders verteld heb 6) en een verhaal dat evolutionaire theoretici als Daniel Dennett nu in overtuigend detail aan het invullen zijn.

   Laten we nu eens kijken naar twee van de meest prominente exponenten van IDT: moleculair bioloog Michael Behe, en filosoof William Dembski. Dat beiden theïst zijn en niet deïst, is duidelijk. Maar hun standpunten over het lichaam/ziel dualisme, en in hoeverre zij denken dat hun argumenten aanvullingen van de evolutietheorie noodzakelijk maken of zelfs de totale afwijzing daarvan, is in het geheel niet duidelijk. De intenties van hun argumenten zijn puur negatief, en blijven beperkt tot het aanduiden van wat zij beschouwen als onvoldoende verklaring in de evolutietheorie. En om die reden kunnen hun argumenten te hulp worden geroepen niet alleen door quasi-evolutionisten, maar ook door anti-evolutionisten, in casu creationisten. Het is echter interessant dat Behe beweert niet tot die laatste groep te behoren, en zelfs zo ver gaat als te schrijven: ”Ik vind het idee van gemeenschappelijke afkomst (dat alle organismen een gemeenschappelijke voorouder delen) redelijk overtuigend, en heb geen bijzondere reden daaraan te twijfelen.”

   IDT maakt gebruik van Behe’s concept van “onherleidbare complexiteit” dat hij definieert als “een enkelvoudig systeem samengesteld uit verscheidene goed op elkaar afgestemde, interactieve delen die bijdragen aan de basisfunctie, waarin de verwijdering van enig deel veroorzaakt dat het systeem ophoudt effectief te functioneren. Een onherleidbaar complex systeem kan niet geleidelijk geproduceerd worden door kleine, successievelijke aanpassingen aan het voorafgaande systeem, aangezien ieder systeem voorafgaand aan een onherleidbaar complex systeem per definitie niet functioneel is.”7) Zijn voorbeeld van een muizenval is betrekkelijk onaanvechtbaar. En - verrassend genoeg - is de muizenval iets waarvan we al weten dat die ontstaan is door intelligent ontwerp, door een mens namelijk.

   Waar het hier echter om gaat, is of veronderstelde onherleidbare complexiteit teweeg gebracht kan worden door non-intelligent ontwerp - in het bijzonder door de non-intelligente processen van natuurlijke selectie. Een aanvechtbare bewering als die van Behe, dat enige voorafgaande fase van een verondersteld onherleidbaar complex systeem “per definitie” niet functioneel is, is gewoon onvoldoende. Als al zo vaak is uitgelegd in de afgelopen honderdvijftig jaar, kan een orgaan even goed nuttig zijn in de vroegste fase van zijn ontwikkeling als in zijn definitieve staat, maar functioneel op een andere of mindere manier. De eerste veren bijvoorbeeld, kunnen gebruikt zijn voor isolatie in plaats van voor vliegen. Een beetje lichtgevoeligheid is beter dan geen. En een beetje functionaliteit van een organische molecule - het soort ding waar Behe het over blijft hebben - is ook beter dan geen.

   Helaas verschaffen noch Behe, noch Dembski ons veel voorbeelden van wat zij zien als duidelijke gevallen van tussenkomst door een intelligente ontwerper, laat staan van het tijdstip van zulke ingrepen. Nog verrassender, proberen ze zelfs niet aan te tonen hoe concepten van onherleidbare complexiteit ingeroepen dienen te worden voor de uitleg van hoe goed bewezen grote evolutionaire overgangen hebben plaatsgevonden: bijvoorbeeld vanuit primitieve vissen met graat tot amfibieën, vanuit amfibieën tot reptielen, of vanuit reptielen tot zowel vogels als zoogdieren. Voor het grootste deel roepen zij Gods ontwerp van het onherleidbaar complexe in op een ad hoc basis. Vooral Behe is op zijn gelukkigst wanneer hij het over muizenvallen en moleculen heeft.

   Maar om fair te zijn, als onherleidbare complexiteit van het soort dat alleen verklaard kan worden door intelligent design, aantoonbaar zou zijn op het niveau van moleculaire biologie, dan zou dat ingeroepen kunnen worden als cruciaal punt voor IDT om een houvast te krijgen. Behe zou dan kunnen zeggen dat God op een niet nader gespecificeerd tijdstip ingreep door de meest elementaire vormen van leven te voorzien van onherleidbaar complexe moleculen, en dan te zeggen dat al deze grootse transities van één soort in een andere slechts de uitwerking door natuurlijke selectie zijn van deze oorspronkelijke complexiteit. Ik zeg niet dat ze dat zouden zeggen; alleen dat ze dat zouden kunnen doen.

   Maar hoe goed is de zaak voor intelligentie-vereisend ontwerp op moleculair niveau? Ik heb noch de tijd, noch de expertise om mijn eigen onafhankelijke beoordeling te bieden. Dus voor het huidige doel zal het voor mij volstaan een paar punten te citeren, gemaakt door een andere moleculaire bioloog, David Ussery.8)

   In 1996 beweerde Behe dat er in de literatuur geen darwinistische verklaring gevonden kon worden voor de productie van de nucleotide AMP of voor de oorsprong van het immuunsysteem. Toch, wijst Ussery er op, werden al in 1998 zulke verklaringen voor beiden gepubliceerd. Ussery somt de bezwaren tegen Behe’s voorbeelden uit de moleculaire biologie op als volgt: Deze twee voorbeelden zijn slechts een klein voorbeeld van de letterlijk DUIZENDEN artikelen die zijn gepubliceerd over de details van moleculaire evolutie in de afgelopen twee jaar. Het is belangrijk deze voorbeelden op te werpen, omdat dit een reéle zwakte aantoont in de logica die zegt, “We weten niet hoe dit gebeurde, dus God moet het gedaan hebben!” Wat gebeurt er als iemand je bluf aantoont en werkelijk een stap-voor-stap mechanisme aanlevert voor de geleidelijke evolutie van het immuunsysteem?

   Filosofen hebben een naam voor de drogreden waarop Ussery wijst. Het is het zogenoemde Argument uit Onwetendheid.

   Deze drogreden infecteert ook de paar andere voorbeelden die Behe geeft voor beweerde onherleidbare complexiteit: de cilia en flagella van bepaalde bacteriën en het mechanisme van bloedstolling. Dit is geen echt argument. Alleen een verwijzing naar onze huidige onwetendheid - een onwetendheid waarvan we aan de remedie al begonnen zijn. 

   Als IDT werkelijk hout zou snijden, zou ze in staat moeten zijn de toekomst te voorspellen. Ze zou moeten voorspellen dat deze onwetendheid voor altijd zal blijven bestaan, niet alleen in de komende decade of eeuw, maar zolang als mensen of hun evolutionaire opvolgers zullen bestaan om hun wetenschappelijk onderzoek voort te zetten.


4 - DE INTELLIGENTE ONTWERPER VAN THEÏSTISCHE ANTI-EVOLUTIONISTEN

   Ongeveer zeventienhonderd jaar geleden veroordeelde St. Augustinus degenen die de Bijbel gebruikten om wetenschap aan te vallen. In “De letterlijke betekenis van Genesis (boek 1, hoofdstuk 19) schreef hij:

    "Vaak weet een niet-christen iets over de aarde, de hemelen, en andere delen van de wereld, over de bewegingen van de sterren en zelfs hun afmetingen en afstanden, .... en heeft hij deze wetenschap met zekerheid door rede en ervaring. Het is daarom kwetsend en schandelijk voor een ongelovige om een christen nonsens te horen spreken over zulke dingen, bewerend dat wat hij zegt gebaseerd is op de Bijbel.

    We horen alles te doen wat we kunnen om zulk een gênante situatie te vermijden, welke mensen zien als onwetendheid in de christen en hem uitlachen. Roekeloze en aanmatigende vertolkers van de Heilige Schrift veroorzaken veel schade als ze betrapt worden op hun kwetsende meningen door diegenen die niet gehouden zijn aan onze heilige teksten. En zelfs nog meer wanneer ze hun onverantwoordelijke en duidelijk onware verklaringen proberen te verdedigen door een stortvloed van woorden uit de Heilige Schrift citeren, en zelfs uit het hoofd passages opzeggen waarvan zij denken dat die hun zaak zullen steunen “Zij willen de wet van God onderwijzen, maar weten niet wat ze zeggen en begrijpen niets van wat ze zo stellig beweren.” (1 Thimoteus 1:7).

   Ondanks Augustinus’s waarschuwende woorden, vervolgen theïstische anti-evolutionisten hun kruistocht. Onder de meer intellectualistische van hen zijn twee bekende filosofen, Alvin Plantinga en Peter van Inwagen.

   Net als de IDT theoretici zojuist besproken, vertrouwen deze filosofen voor het grootste deel op min of meer subtiele beroepen op argumenten van onwetendheid. Vooral Plantinga mag graag gebruik maken van waarschijnlijkheidsargumenten tegen de evolutietheorie. Maar de beiden waarmee ik bekend ben zijn erg gebrekkig. Zijn argument in hoofdstuk 12 van “Warrant and Proper Function” veronderstelt dat evolutie metafysisch naturalisme impliceert en dat dit inconsistent is met theïsme. Maar zoals we hebben gezien, hoewel onbeperkt metafysisch naturalisme inderdaad inconsistent is met theïsme, impliceert evolutie alleen beperkt naturalisme, dat dit niet is. Nogmaals, in zijn scriptie “When Faith and Reason Clash: Evolution and the Bible”,9) beweert hij dat alhoewel bewijzen uit de wetenschap samen met metafysisch naturalisme de evolutionaire these van gemeenschappelijke afstamming waarschijnlijk maken, bewijs uit de wetenschap samen met acceptatie van theïsme gemeenschappelijke afstamming onwaarschijnlijk maken. Nogmaals, dit faalt het beperkt naturalisme te onderscheiden van onbeperkt naturalisme. En, wanneer toegepast als argument voor bijbels theïsme, is het duidelijk niet geldig.

   In tegenstelling tot Behe en Dembski, zijn Plantinga en Inwagen heel open over hun gehoudenheid aan bijbels theïsme. Zij zijn zelfverklaarde “mensen van het Woord”, mensen die geloven in bijbelse onfeilbaarheid.

   Nu plaatst dit hen voor een dilemma. Hoe moeten zij het spreken over verschillende soorten die reproduceren “naar hun soort” interpreteren? Letterlijk of figuurlijk? Geen van beiden schijnt te neigen naar het letterlijke van fundamentalistische zes-dagen creationisten. Beiden denken dat een bepaalde mate van figuurlijke interpretatie toelaatbaar is.

   Maar hoe kan een voorstander van de figuurlijke interpretatie het dilemma vermijden te zeggen dat God niet echt bedoelde wat hij zo duidelijk zei, of dat hij niet wist hoe hij moest zeggen wat hij bedoelde. Door voor het eerste alternatief te kiezen wordt Gods woord misleidend en God zelf een opzettelijke bedrieger gemaakt. Maar een keuze voor het tweede alternatief zou Gods taalkundige vaardigheid ontkennen.

   Plantinga probeert het eerste probleem van het dilemma te omzeilen door te zeggen dat God inderdaad meent wat hij zegt, maar dat het voor ons moeilijk is uit te maken wat dat is. Maar wat is het nut van een openbaring als we niet weten wat geopenbaard wordt?

 En het tweede alternatief van het dilemma dan? Inwagen probeert dat te vermijden door uit te leggen dat de boodschap van Genesis alleen aan Gods uitverkoren volk geopenbaard kon worden in het soort termen die zulke primitieve mensen zouden begrijpen. Een wetenschappelijk verantwoorde uitleg zouden zij niet begrepen hebben, daarom moest hij de simplistische - hoewel misleidende - verklaring geven die we in Genesis vinden.

   Maar Inwagen faalt om God genoeg verbeelding en taalkundig vernuft toe te kennen om ze van een verklaring te voorzien die noch obscurantisch, noch onbegrijpelijk zou zijn. Hoe zo’n verklaring er uit zou zien? Wat dacht u hiervan?

   "In het begin schiep God een grote bal van vuur. En uit dat vuur ontstonden na verloop van tijd de hemelen en een veelheid aan sterren. Tussen die sterren was de zon met de aarde daaromheen wentelend, en de maan die om de aarde wentelde. En uit de wateren en de klei in de aarde groeiden de zaden van alle leven. Door de tijden heen namen de zaden van leven verschillende vormen aan. Sommige groeiden tot planten.Sommige groeiden tot dieren. En anderen bleven zo klein dat het oog van de mens ze niet kon zien.

   En zoals de eikel de eik wordt, zo verwekten de vroegste planten en dieren mettertijd nieuwe vormen van planten en dieren. En zoals de eik zijn takken uitreikt, zo spreidden deze nieuwe levensvormen hun takken in vele richtingen uit. Na verloop van tijd stierven veel van die takken uit en lieten hun geraamtes achter in het gesteente. Maar velen bleven zich vertakken tot aan de huidige dag. Uit de vroegste zaden van leven ontstonden aan de uiteinden van takken de vruchten van vandaag: de grassen en de oogst van het veld, de dieren die zich daaraan voeden, en de mens die zich aan beiden voedt. 

   En zoals een oogwenk zich verhoudt tot de levensduur van de mens, zo verhoudt zich de levensduur van vele generaties van mensen zich tot de tijd die verlopen is sinds de zaden van het leven ontstonden op het oppervlak van de aarde. En God was tevreden met alles dat gegroeid was uit de grote bal van vuur die hij had geschapen. Want alles was gegaan zoals hij het gepland had en het behoefde zijn verdere hulp of begeleiding niet meer."

   Mijn versie schetst in grote trekken een belangrijk deel van de kosmologie, astronomie en evolutie. Ze biedt de mogelijkheid voor een bestaan van miljarden jaren van het universum. Ze pleit Copernicus en Galileo vrij, voor het voorstellen van een heliocentrisch model van ons zonnestelsel. En het geeft Darwin’s evolutietheorie weer als volmaakt consistent met zowel de deïstische als de theïstische conceptie van God. Belangrijker nog,  mijn versie nam me een paar minuten om te ontwerpen en uit te voeren. Terwijl God, zo vertelt men ons, een eeuwigheid had om zijn gezaghebbende, maar obscurantistische verklaring op te stellen.

   Het is duidelijk dat voorstanders van figuurlijke interpretatie zoals Augustinus die verdedigt, de keuze hebben tussen het ene probleem en het andere.

   Maar wat te zeggen van de voorstanders van het letterlijke, het standpunt van degenen die Isaac Asimov eens beschreef “legers van de nacht”: degenen met anti-wetenschappelijke gevoelens die geloven dat God niet alleen het universum schiep, maar dat hij dit deed op de manier en op het tijdstip zoals geopenbaard in Genesis? Deze creationisten accepteren het woord van God zoals het er staat. Zij geloven dat God inderdaad weet hoe hij moet zeggen wat hij bedoelt, en dat wanneer hij iets zegt, hij ook bedoelt wat hij zegt.

    Wat kunnen we als weerwoord geven aan degenen die op deze manier openbaring - dat wil zeggen, zoals zij die opvatten - stellen tegenover het totaal van rede en ervaring, en de wetenschap die zo zorgvuldig daarop gefundeerd werd?

   We kunnen ze wijzen op het feit dat er andere op openbaring gegronde religies zijn die inconsistent zijn met de hunne, en met net zulke overtuigde gelovigen. Maar dan zullen ze antwoorden dat hun geloof het enige ware is en die andere geloven dus vals zijn.

   We kunnen ze wijzen op de simpele aard van veel van hun denken, op de valse dichotomie’s in de termen waarin zij zoveel van hun kwesties verpakken. Maar conceptuele helderheid zegt hen niets.

   We kunnen ze wijzen op de pure bedrieglijkheid van veel van hun argumenten. Maar logica heeft geen vat op ze. Confronteer ze met een denkfout of een tegenspraak en ze zullen zeggen dat God voor de mens ondoorgrondelijk is.

   We kunnen ze wijzen op de absurde anti-wetenschappelijk consequenties van hun letterlijke interpretatie. Maar ze zijn bereid ook die te slikken zonder zichtbaar ongemak. Laat me op dit laatste punt nog even uitweiden. Wanneer geconfronteerd met de fossielen van nu uitgestorven soorten zullen ze zeggen - het argument herhalend van Philip Gosse’s negentiende-eeuwse boek “Omphalos” - dat God die daar geplant heeft om ons geloof te testen. Wanneer geconfronteerd met bewijzen van de leeftijd van het universum en het feit dat licht vanuit zijn verst verwijderde regionen miljarden jaren naar ons onderweg is geweest, zullen velen zeggen dat God het universum slechts zes- tot tienduizend jaar geleden geschapen heeft, compleet met licht dat schijnbaar al naar ons onderweg was vanuit die verre sterrenstelsels. Het schijnt niet bij ze op te komen dat antwoorden als de laatste twee van God een grote bedrieger maken. Maar zou dat toch zo zijn, dan vinden ze daar ook wel weer een antwoord op. 

   Dus, om terug te komen op mijn vraag: Wat kan men zeggen tegen mensen van zulk onbuigzaam geloof? Wel, wat zegt men tegen een paranoïde die geen enkel bewijs accepteert tegen zijn ondoordringbaar geloofssysteem? Niet veel dat kan helpen. Wanneer de rede niet meer telt heeft men weinig ander alternatief dan de schouders op te halen en weg te gaan, in de hoop dat hij niet op een of andere manier wraak neemt.

   Tot zover heb ik aangetoond dat geen van de argumenten voor intelligent ontwerp het er waarschijnlijker op maakt dat zo’n ontwerper bestaat. Nu, als laatste genadeslag, zal ik beweren dat als er zo’n ontwerper bestaat, we zouden moeten concluderen door al de tekortkomingen in zijn ontwerp, dat het meer dan waarschijnlijk is dat hij hetzij onbekwaam, hetzij boosaardig is. Kortom, ik zal de premisse’s van het argument van ontwerp (het teleologisch argument) gebruiken om te beweren dat het waarschijnlijk, zo niet zeker, is dat noch de opperst intelligente ontwerper van de deïsten, noch de almachtige en perfect goede God van de theïsten bestaat
.

F - EEN TELEOLOGISCH ARGUMENT VOOR ATHEÏSME

   Hier kom ik op nogal bekend terrein. Dus ik hou het kort. En dit kan ik het best doen door eerst een paar passages te citeren uit Mark Twain’s postuum gepubliceerde boek “Letters from the Earth10) en daar een paar opmerkingen aan toe te voegen.

1 - SATANS MORELE VERONTWAARDIGING OVER HET HET ONTWERP VAN ZIJN BAAS

   Satan, die uit de gratie viel omdat hij onbezonnen en eerlijk genoeg was om kritiek op God te hebben, schrijft terug aan zijn collega aartsengelen Gabriël en Michaël, de andere leden van de hemelse Hoge Raad, en drukt zijn morele verontwaardiging uit over de manier hun baas de zaken geregeld heeft in het universum dat hij ontworpen en geschapen had. Hij schrijft:

   "Het menselijk wezen ... is samengesteld uit duizenden complexe en delicate mechanismen die hun functies harmonieus en perfect verrichten, in overeenstemming met de wetten die voor hun besturing werden ontworpen, en waarover de mens zelf geen autoriteit heeft, die niet beheerst, niet bestuurt. Voor elk van die duizenden mechanismen heeft de schepper een vijand gepland, wiens taak het is om die te teisteren, te kwellen, te achtervolgen, te beschadigen, om pijn en misère toe te brengen, en uiteindelijke vernietiging.

    Niets wordt over het hoofd gezien. Vanaf de wieg tot aan het graf zijn deze vijanden altijd aan het werk; zij kennen geen rust, nacht of dag. Zij zijn een leger: een georganiseerd leger; een belegerend leger; een aanvallend leger; een leger dat paraat is, oplettend, gretig, genadeloos; het is het Grote Leger van de Schepper, en hij is de Opperbevelhebber. Langs de frontlinie wapperen zijn afgrijselijke banieren hun  opschriften in het gezicht van de zon: Rampen, Ziektes en de rest.

    Ziekte! Dat is de hoofdmacht, de ijverige macht, de vernietigende macht! Ze valt de zuigeling aan het moment dat die wordt geboren ... Ze achtervolgt het kind tot in zijn jeugd ... Ze jaagt op de jongeling tot aan zijn volwassenheid, vanaf zijn volwassenheid tot aan zijn ouderdom, en vanaf zijn ouderdom tot aan het  graf.

    Met deze kennis beschikbaar, willen jullie nu proberen te raden wat de belangrijkste koosnaam is die de mens toekent aan deze meedogenloze Opperbevelhebber? Ik zal jullie de moeite besparen - maar dan moet je niet lachen. Dat is Onze Vader in de Hemelen! Wat denken jullie van de menselijke geest? Ik bedoel, ingeval jullie denken dat een menselijke geest bestaat."

   Nu zal duidelijk zijn dat deze aanklacht tegen een ontwerper-god onverminderd van toepassing blijft hoe we ons die intelligente ontwerper ook voorstellen: hetzij als de god van het deïsme, of als die van de verscheidene vormen van theïsme.

   Ook is duidelijk dat Mark Twain, met Satan als zijn spreekbuis, heel lang zou kunnen hebben doorgegaan om voorbeelden van de ziektes te geven waarmee God ons aanpakt. Hij kiest er twee om hun fatale gevolgen te kunnen schetsen: mijnworm en slaapziekte. Maar hij had verder kunnen gaan met een lijst van andere exquisiet ontworpen ziektes die alleen mensen aantasten: SARS, mazelen, longinfectie, tyfus, tyfeuze koorts, pokken, melaatsheid, polio, vijf types syfilis en gonorroe, AIDS, geelzucht, gordelroos, vier soorten malaria parasieten, twee types lintworm, darmworm, drie overbrengers van filariasis, twee soorten van schistosomiasis, draadworm, drie soorten luizen, verschillende soorten koorts, verschillende erfelijke ziekten zoals Huntingdon’s, en kuru (alleen overgedragen door kannibalisme, om er maar een paar te noemen. 11)

   Hij had de lijst kunnen uitbreiden met ziektes die we met andere soorten delen - kanker bijvoorbeeld - en in detail zijn getreden over de gruwelijke uitwerking daarvan. Of zelfs over ziektes die alleen bij andere soorten dan de onze voorkomen. En hij had verder kunnen gaan met een lijst van rekruten voor Gods andere vernietigende regimenten, degenen die onder het banier van Rampen vallen: tsunami’s, orkanen, aardbevingen, overstromingen, droogtes, vulkanische uitbarstingen, en inslagen van enorme asteroïden die (verwonderlijk voor een theïst) het uitsterven veroorzaakten van de meeste soorten die God zou hebben ontworpen en geschapen en die hij “zeer goed” vond.

   Het probleem met het presenteren van deze lijst van natuurlijk “kwaad” is echter dat we neigen er over heen lezen zonder ons hun werkelijke betekenis te realiseren. Ik nodig u daarom uit ze eens nader te onderzoeken in een medische dictionaire, of met iemand te spreken die nadere ervaring heeft met de uitwerking van deze ziektes en rampen in concreet detail. Of gebruik uw zoekmachine om op internet te zoeken naar bijvoorbeeld “Ebola hemorrhagische koorts”. En vraag uzelf dan af hoe u een intelligente ontwerper van zulk godgeklaagd ontwerp zou noemen. 

   We zeggen vaak dat de natuur wreed is. Maar dan, bij dezelfde redenering, is God dat ook als hij die expres ontwierp om zo te werken. De natuur is echter niet kwaadaardig. Ze is niet intelligent. Maar God, de grote ontwerper, wordt verondersteld extreem intelligent te zijn.

   Heeft God dan tekortkomingen in zijn intelligentie? Is God, om duidelijk te spreken, dan gewoon incompetent? Moeten we hem ons misschien voorstellen als de Grote Computer Verkoper in de lucht, iemand als Bill Gates en Microsoft, iemand die ons van software voorziet die heel toepasselijk Windows genaamd wordt, software met zulke gigantische beveiligings-hiaten in haar code dat kwaadwillenden haar werking makkelijk kunnen verstoren?

2 - DE GROTE COMPUTER ONTWERPER VERSUS DE GROTE COMPUTERKRAKER

  Ik weet dat sommigen zullen reageren door te zeggen dat al deze ellende door Satan wordt veroorzaakt, niet door God. Plantinga bijvoorbeeld, roept dit op als mogelijkheid om het gebeuren van natuurrampen zoals ik opsom te verklaren.12) Maar laten we even het feit terzijde stellen dat Satan - zoals weergegeven door zowel de Bijbel 13)  als Mark Twain - een betrekkelijk onschadelijke kraker is, meer gericht op het stellen van onderzoekende vragen dan op het veroorzaken van werkelijk kwaad. Want de christelijke mythe stelt dat hij echt een serieuze rivaal voor God is, en dat God tegenwoordig weinig tot niets doet om Satans vernietigende verstoring van Gods schepping te voorkomen.

   Het probleem met deze voorstelling van Satan als de Grote Computerkraker in de lucht, is dat als we hem ook zien als een eeuwige kraker, wiens kwaadaardigheid nooit zal ophouden, we dan eerder gehouden zijn aan Manicheïsme dan hetzij deïsme of theïsme. God is dan niet langer het Opperwezen, maar slechts een van twee zulke wezens.

   Maar toch, als we Satans verstoringen zien als slechts tijdelijk, als iets dat God tenslotte onder controle zal krijgen, steken dezelfde oude problemen weer de kop op. Waarom kreeg God zijn software vanaf het begin niet in orde? Was het een gebrek aan vooruitziendheid, of was het slechte planning? Waarom herstelt de Grote Computermaker de software niet hier en nu, om een einde te maken aan Satans kraken? Tenslotte geloven theïsten dat hij wonderen kan verrichten en dus alles kan doen dat hij wil, wanneer hij dat wilt. Wil hij wel, maar kan hij niet? In dat geval is hij definitief schuldig aan grove incompetentie met betrekking tot het universum waarvoor hij zich verantwoordelijk verklaart. Of kan hij wel maar wil hij niet? In dat geval is hij schuldig aan afgrijselijke misdaden tegen zijn schepping.

   Nog een andere manier om de relatie tussen de Grote Computermaker en de Grote Computerkraker te zien, is te stellen dat zij één-en-dezelfde zijn: verschillende aspecten van één tweezijdige godheid die - in een perverse ommekeer van de christelijke doctrine van de boetedoening die Christus voor onze zonden heeft gedaan14) - die ons laten betalen voor zijn misdragingen in de vorm van lijden, verering en bemiddelend gebed. Deze voorstelling draagt zelfs het stempel van bijbelse autoriteit. Tenslotte schept God zelf op, in Jesaja: “Ik vorm het licht, en schep duisternis: Ik maak vrede, en schep het kwaad; Ik de Heer doe al deze dingen.”

   Deze derde conceptie is niet geloofwaardiger dan de eerste twee - dat wil zeggen, in het geheel niet.

3 - HET KARAKTER VAN DE ONTWERPER AFGELEID VAN GODGEKLAAGD ONTWERP

   Dus, hier hebben we het. Als u, in weerwil van al mijn argumenten, nog steeds denkt dat het universum geschapen werd door een intelligent wezen, kijk dan eens naar de godgeklaagde aard van wat hij ontwierp en vertel me dan hoe u de conclusie kunt vermijden dat hij of intellectueel afkeurenswaardig is, of moreel weerzinwekkend. Hoe zou u de massavernietigingswapens beschouwen waarmee hij ons onophoudelijk bestookt?

   Wat mijzelf betreft, leef ik niet meer in het God-verblinde, door demonen geplaagde wereldbeeld dat me als kind werd opgedrongen. Ik kan geen enkele reden vinden om in een bovennatuurlijke, super-intelligente ontwerper te geloven, laat staan in een een boosaardige als God of Satan.

   In tegendeel, ik geloof dat het niet-bestaan van zulke wezens meer dan waarschijnlijk is. Ik ga zelfs zo ver als te zeggen dat op basis van bewijzen, hun niet-bestaan - vooral dat van de theïstische God - niet alleen wenselijk is, maar ook zo zeker als het maar kan zijn.

__________


1 William Paley, Natural Theology, Vol. 6 in Works (London, 1805), Chapter 1.

2 Richard Dawkins, The Blind Watchmaker, Harlow: Longman, 1986.

3 Richard Dawkins, Climbing Mount Improbable, London: Penguin Books, 1997, p.70.

4Een duidelijk voorbeeld van een verschijnende eigenschap is die van vloeibaarheid die water bezit, maar die de individuele moleculen die haar bestanddelen vormen niet bezitten, laat staan de atomen of de sub-atomische deeltjes waaruit die moleculen zijn samengesteld. 

5 De meeste deïsten dachten ook dat de vraag waarom iets bestaat, in het bijzonder het universum, het best beantwoord kon worden door nog een entiteit - een soort scheppende God - toe te gevoegen aan de lijst van bestaande dingen. Hoe zij dachten deze uitgebreide lijst - nu inclusief een schepper en zijn schepping - op zijn beurt weer te verklaren zonder de rede los te latenen een toevlucht te zoeken in in het soort mysterie dat zij verachtten, is een zaak waarop ik hier niet in zal gaan.

6 Zie mijn essay "The Meaning of Life: Reflections on God, Immortality, and Free Will", in Open Society, volume 76, Number 3, Spring 2003. (Red.: Op deze site "De zin van het leven")

7 Michael Behe, Darwin's Black Box: The Biochemical Challenge to Evolution, New York: Free Press, 1996.

8 Ussery's artikel, "A Biochemist's Response to 'The Biochemical Challenge to Evolution" kan worden gevonden op website: www.cbs.dtu.dk/staff/dave/Behe.html

9 Alvin Plantinga, “When Faith and Reason Clash: Evolution and the Bible,” Christian Scholar’s Review 21, no. 1 (September 1991): 8.

10 Mark Twain [Samuel Clemens], Letters From the Earth, edited by Edmund de Voto, originally published in 1937, reprinted 1968, New York: Fawcett Crest, 1968. Vanwege zijn atheïstische implicaties, moest het boek postuum gepubliceerd worden  (zeventien jaar na de dood van de auteur) en alleen nadat zijn dochter Clara Clemens uiteindelijk haar bezwaren tegen publukatie introk.

11 Ian Plimer, in Telling Lies: Reason versus Creationism, (Sydney: Random house Australia, 1994) geeft het grootste deel van deze uitgebreide lijst, p. 125. Plimer voegt daaraan toe: "Noach's gezin moet een waar ziekenhuis vol kwalen hebben overgedragen omdat dit de enige manier is waarop ziektes die endemisch voor hominiden zijn de zondvloed  overleefd kunnen hebben."

12 De voorgestelde mogelijkheid maakt deel uit van Plantinga's "Free Will Defence". Wij, omdat we een vrije wil hebben, zijn verantwoordelijk voor het morele kwaad; Satan, vanwege de zijne, voor natuurlijk kwaad. Maar het concept van vrije wil is alleen een afleidngsmanouvre. De vraag blijft overeind: Zal Satan voor altijd doorgaan zijn vrije wil te misbruiken? Zal God te zijner tijd zijn minachting voor Satan's vrijheid tonen door aan hem en zijn boosaardige handelingen een eind te maken? Beide mogelijkheden zijn problematisch voor theïsten om redenen uiteengezet in de tekst.

13 Zie mijn "A Moral Argument for Atheism", The New Zealand Rationalist and Humanist, Auckland, Acme Printing, Spring 2000, pp. 9-10, binnenkort opnieuw gepubliceerd in The Impossibility of God, onder redactie van Michael Martin, Prometheus Books, Buffalo, New York. (Red.: Op deze site "Een moreel argument voor atheïsme")

14 De doctrine dat Christus, de aardse belichaming van God, boete deed voor onze zonden door namens ons te lijden. Duidelijker, het is de doctrine dat God zichzelf doodde om zichzelf te bevredigen.

15 Jesaja, 45:7. God bekent zijn dubbelrol opnieuw in Klaagliederen 3:38 als hij de retorische vraag stelt: "Komt uit de mond van de Allerhoogste niet goed zowel als kwaad?"

_____


twitter-icon-64



OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort