visitors on myspace
INTELLIGENT DESIGN OF NATUURLIJK ONTWERP | POSITIEF ATHEÏSME <>

INTELLIGENT DESIGN OF NATUURLIJK ONTWERP

image7313

RAYMOND D. BRADLEY







Mijn denken over intelligent design begon in 1945 toen ik op veertienjarige leeftijd secundair onderwijs volgde in Auckland, Nieuw- Zeeland. Onze leraar Engels besloot dat wij hoorden te leren debatteren. Het gekozen onderwerp was “Schepping contra Evolutie”. En ik, als een vurige jonge Baptist, bood  mijzelf aan, samen met een Seventh Day Adventist, om namens de schepping in het krijt te treden. 

   Maar zelfs al voor het debat begon, vond ik mezelf gedwongen in de rol van advokaat voor de duivel.

   Al tijdens de voorbereiding daagde het op me dat de zaak tegen evolutie struikelde over een dubbelzinnigheid tussen de twee betekenissen van het eenvoudige woord “schepping”: het concept van algehele schepping, en het concept van speciale schepping. Te geloven in de theologische doctrine van algehele schepping betekent niets meer dan in een God geloven die het universum geschapen heeft. Het was duidelijk dat ik, zonder inconsistentie, kon geloven in een algehele schepping, en ook in de evolutietheorie. De darwinistische natuurlijke selectie moest ik dan beschouwen als een van de natuurwetten die God in zijn schepping had ingebouwd. 

   Maar het geloof in speciale schepping houdt in dat men daarnaast gelooft dat God, in een serie daaropvolgende handelingen, de eerste levende organismen schiep, en daarna op verschillende tijden ieder van de verschillende soorten. 

   De God van speciale schepping is een interveniënt in de werking van de natuur. De schepper waarin ik – voor een tijdje – kwam te geloven, was dat niet. Het maken van dit simpele onderscheid gaf me destijds een tijdelijk respijt van het intellectuele conflict in mijn geest. Ik was al sceptisch geworden over het Genesis verhaal van Gods recente snelvuur schepping. Net als de vijfde-eeuwse Augustinus kwam ik tot de conclusie dat bijbelse letterknechten “hoongelach” verdienden voor hun “uiterst dwaze en duidelijk onware stellingen.”

   Door de meer figuurlijke interpretatie van Augustinus te aanvaarden, was ik in staat mijn geloof in intelligent ontwerp te verzoenen met geloof in evolutie. De overtuigingen van theïstische anti-evolutionisten verwerpend, nam ik die van de theïstische evolutionisten aan. 

   Zo ver, zo goed. Maar er kwamen andere vragen. 

   Hoe zat het dan met de doctrine van openbaring, waarin men dient te geloven om theïst te zijn? Kon ik werkelijk het christelijke standpunt accepteren dat God zichzelf geopenbaard had in de woorden van de oud-testamentische profeten en in de nieuw-testamentische “Zoon van God”? De meeste verhalen hadden de kwaliteit van mythe, niet die van historie. En veel daarvan portretteerden God als grotere slechterik dan Satan zelf, en vooral de doctrine van hellevuur van zijn “Zoon” was hoogst weerzinwekkend. Bovendien, waarom zou ik in deze versie van openbaring geloven, in plaats van welke andere dan ook? Er bestonden talloze heilige teksten, die allemaal goddelijke inspiratie claimden. Als er al een Opperwezen bestond dat zichzelf aan ons wilde openbaren, waarom deed het dat dan niet op een onbetwistbaar gezaghebbende manier? Daar zich geen rationele antwoorden aandienden op deze en andere vragen, gaf ik al spoedig het geloof op in alle vormen van geopenbaarde religie.

   Toch was ik nog niet bereid de goden helemaal op te geven. Voor een tijd zocht ik intellectuele comfort in de beste argumenten van natuurlijke religie: De argumenten voor een “eerste oorzaak” en voor “ontwerp”. Beiden spreken mensen aan die niet in openbaring geloven, maar nog wel in een soort Opperwezen of Hogere Macht die het universum gemaakt heeft zoals het is.

   Zonder me daarvan bewust te zijn, hing ik het standpunt van deïsten aan - denkers als Thomas Jefferson, Thomas Paine, Voltaire en David Hume - zonder dat ik nog maar een van hun werken gelezen had.

   Maar die aanhang was voor kort. Het duurde niet lang voor ik inzag dat allebei hun argumenten ons voor een dilemma plaatsten. Of het universum zelf kon bestaan zonder ontworpen of geschapen te zijn, of de ontwerpende en scheppende godheid moest zelf ontworpen en geschapen zijn. Dus, of we waren terug bij het universum waarmee we waren begonnen, of we begaven ons op weg naar een oneindige regressie. 

   Toen ik nog maar zes jaar oud was, bracht ik mijn moeder in verwarring met de vraag, “Wie heeft God gemaakt?” Niet verrassend! Je kunt niet verklaren waarom iets bestaat in plaats van niets, door ook het bestaan van weer iets anders voorop te stellen. Want dan heb je twee dingen waarvan je het bestaan moet verklaren. Een beroep doen op een derde, dan een vierde, enzovoort, vergroot die last alleen maar. Verklaringen vragen binnen het universum is nuttig. Maar verklaringen vragen voor het universum lanceert je op een zoektocht naar een oorzaak die je voor altijd zal ontgaan.

   Het laatste residu van mijn bovennatuurlijk geloof sleet ongeveer gelijktijdig af. Na de goden en duivels van religie afgewezen te hebben, wees ik al gauw alle andere geloven in het paranormale af: zoals die werden opgevoerd door de Psychical Research Society – lichaamloze zielen, en de rest.

   Eindelijk bevrijd, omarmde ik een geheel naturalistische ontologie – een wereldbeeld dat het universum, zijn inhoud, en de natuurwetten als voldongen feiten accepteert, die geen verdere verklaring nodig hebben of kunnen geven. Ik was een onbeschaamde atheïst geworden (hoewel dat nog wel verborgen moest blijven zolang ik nog bij mijn ouders woonde).

   Dit gebeurde allemaal voor mijn achttiende verjaardag.

   Teleurgesteld in religie, richtte ik mijn interesses op wetenschap en daarna op filosofie. Ik had graag een carrière in de wetenschap – vooral de biologie – willen volgen, als de aantrekkingskracht van filosofie niet nog groter was geweest.

   De grootste filosofen in de analytische traditie (Aristoteles bijvoorbeeld) streefden naar het soort wijsheid dat ze in staat zou stellen om de concurerende eisen van alle geloofs-systemen in een bepaald perspectief te plaatsen, met het oogmerk daar tussen te bemiddelen. Ik deelde hun ambities, en ontwikkelde gedurende mijn latere carrière als academisch filosoof sommige van de benodigde vaardigheden om dat te bereiken.

De wetenschap, zo zou ik me gaan realiseren, sluit het mogelijke bestaan van een bovennatuurlijke wereld niet uit. Ze is niet logisch gehouden aan metafysisch naturalisme. Maar ze is gehouden aan methodologisch naturalisme, het standpunt dat in onze pogingen om te begrijpen hoe de wereld werkt, we naar naturalistische verklaringen moeten speuren in plaats van een gemakkelijke toevlucht te zoeken in het bovennatuurlijke. De successen van de wetenschap om de hiaten te overbruggen die vroeger gevuld werden door goden, creëren een sterke voorkeur ten gunste van het idee dat goden niet alleen niet nodig zijn, maar ook niet bestaan. Het bewijst de waarheid van metafysisch naturalisme niet, maar maakt die wel hoogst waarschijnlijk. En, om dezelfde reden,  maakt het alle bovennatuurlijke geloven hoogst onwaarschijnlijk. 

   In mijn eigen geest was de strijd over ontwerp gevochten en gewonnen. Daarna zag ik in afschuw toe hoe de intellectuele holbewoners van creationisme – sinds de zestiger jaren aangeduid als “wetenschappelijk creationisme” – hun oude argumenten nieuw leven probeerden in te blazen, en daarbij de hiaten in ons begrip van biologische fenomenen verkoos als geschikte plaatsen om de hand van God in te voegen. Waarom vitten op het onbekende van evolutie, vroeg ik mij af? Waarom smeken ze de almachtige niet om uit te leggen wat de wetenschap nog steeds moest ontdekken over de preciese mechanismen achter gebeurtenissen als aardbevingen, tsunami’s en orkanen? Of ziektes, om nog maar eens wat te noemen. Het Oude Testament maakt God de directe oorzaak van deze gevreesde gebeurtenissen. Maar daarover hielden de creationisten zich stil. 

   Over de jaren heen ben ik steeds beter de omvang gaan waarderen waarmee wetenschap de evolutietheorie ondersteunt, net als alle andere wetenschappelijke theorieën. Ze berust op elkaar wederzijds ondersteunend en in elkaar passend empirisch bewijs afkomstig uit een veelheid van wetenschappen: niet alleen natuurlijke historie, maar ook kosmologie, astronomie, natuurwetenschap, biochemie, geologie, plaat-tektoniek, paleontologie, bevolkings-genetica, ecologie, anthropologie, vergelijkende anatomie, etc. Zelfs de zwaartekrachttheorie van Newton en Einstein’s relativiteitstheorie kunnen zich niet beroemen op een dergelijke brede interdisciplinaire basis.

   De evolutietheorie op zich pretendeert niet biogenese te verklaren, uit te leggen hoe de eerste levensvormen ontstonden. Dat is het terrein van andere wetenschappen; organische chemie en moleculaire biologie, onder andere. Zo ver ik weet hebben wetenschappers nog geen overeenstemming bereikt over welke stelling de test van nauwkeurig wetenschappelijk onderzoek kan doorstaan. Maar er is geen enkele reden om te veronderstellen dat de huidige hiaten in ons begrip in de toekomst niet kunnen worden ingevuld.

   Snel verder nu naar de negentiger jaren van de vorige eeuw, en de laatste soort praatjes over intelligent ontwerp, waaraan soms gerefereerd wordt als de “Intelligent Design Theorie” (alsof die op gelijke voet zou staan met de veel grootsere theorieën in de wetenschap) maar tegenwoordig eenvoudigweg “ID” genoemd.

   In tegenspraak tot veel critici, is de nieuwe ID beweging niet slechts een een opgewarmde prak van het eerdere Wetenschappelijke Creationisme van Henry Morris en Duane Gish. De hogepriesters van ID – mensen als jurist Philip Johnson, biochemicus Michael Behe en filosoof William Dembski – hebben nieuwe elementen in het oude debat geïntroduceerd.

   Eerst hebben zij een beweerd criterium geïntroduceerd voor het bepalen van precies welke fenomenen het hardst roepen om tussenkomst van een intelligentie. Volgens hen is het handelen van een intelligent ontwerper nodig om wat zij de “onherleidbare complexiteit” van sommige organismen noemen te verklaren – die waarvan de eenvoudiger delen naar hun mening geen overlevingswaarde hadden en daardoor niet samengesteld konden zijn door de mechanismen van evolutie. Beweerde voorbeelden omvatten biogenese, de flagella van E. coli, en het menselijk immuunsysteem.

   Ten tweede heeft de nieuwe ID “theorie” – wellicht onbedoeld – de mogelijkheid van een derde theïstisch standpunt geïntroduceerd, tussen dat van theïstische anti-evolutionisten die de evolutietheorie in haar geheel verwerpen, en dat van theïstische evolutionisten die haar in haar geheel accepteren.

   Behe bijvoorbeeld, accepteert de evolutietheorie in grote lijnen. He aanvaardt bijvoorbeeld het idee “dat alle organismen een gemeenschappelijke voorouder delen”. Maar hij houdt vol dat onherleidbare complexiteit alleen verklaard kan worden door de tussenkomst van een intelligent ontwerper. Behe accepteert evolutie zolang die maar wordt ondersteund door scheppingsdaden. Zijn standpunt kan beschreven worden als dat van een theïstische quasi-evolutionist.

   De spraakmakende menigte onderzoekt maar zelden de details van Behe’s standpunt. Wat voor hen telt is dat we hier een biochemicus hebben die verkondigt dat niemand in zijn tak van wetenschap er in geslaagd is te begrijpen hoe het leven op moleculair niveau werkt. Het resultaat van hun cumulatief falen, beweert Behe, “is een luide, duidelijke en doordringende schreeuw om ‘Ontwerp’.” Vervolgens schrijft hij: “het resultaat is zo eenduidig en betekenisvol dat het gewaardeerd moet worden als een van de grootste prestaties in de geschiedenis van de wetenschap.”

   Over wie nu precies dat ontwerpen deed is Behe bewust vaag. Zijn eigen kandidaat voor die rol is de God van de evangelisten. Maar zijn hoogst generaliseerende gepraat over een “ontwerper” laat open welke precieze god of goden dat ontwerpen deden. Evenals zijn mede- voorstanders, werpt hij het verbale vangnet wijd genoeg uit om ook de gevoelens aan te spreken van diegenen die slechts geloven dat een “hogere macht” het deed. Geen wonder dat ID zovelen die beter horen te weten heeft begeesterd.

   Een geval in kwestie is dat van Antony Flew, een van de iconen van twintigste-eeuws atheïsme, een collega-filosoof en – samen met mij en Richard Dawkins, Richard Leaky en anderen – een Honorary Associate van de New Zealand Association of Rationalists and Humanists.

   Tot mijn ontzetting heeft Flew recentelijk aangekondigd dat hij nu in een soort van God gelooft. Waarom?  Vooral omdat de claims van ID hem er van overtuigd hebben dat: “Het buitengewoon moeilijk is geworden om zelfs maar beginnen te denken over het construeren van een naturalistische theorie over de evolutie van dat eerste zelf-reproducerende organisme.” Zijn conclusie was dat “intelligentie betrokken moet zijn geweest.”     

   Maar over wie het ontwerpen deed, bleef Flew aarzelen. Hij heeft geflirt met een aantal candidaten, de goden van pantheïsten, van deïsten, van theïstische evolutionisten en van theïstische quasi-evolutionisten. Hij heeft zelfs gesuggereerd te geloven in de God van theïstische anti-evolutionisten door te zeggen dat het boek Genesis “wetenschappelijk accuraat zou kunnen zijn.”

   Voor mij scheen het dat Flew de weg was kwijt geraakt. Dus, als een oude kennis uit de zestiger jaren, besloot ik hem dat te vertellen. Vandaar mijn “Open brief aan Professor Antony Flew” nu beschikbaar op Secular Web en die binnenkort ook afgedrukt zal worden in het journaal van de NZ Rationalists and Humanists.

Van te voren stuurde ik Flew een kopie van mijn Open Brief, samen met een begeleidend schrijven. Ik herinnerde hem er aan dat de beroemde Oxford filosoof Gilbert Ryle mentor voor ons beiden was geweest, en dat Ryle filosofie beschreef als een oefening in “conceptuele geografie”, de exploratie van de “logische verbanden” van verschillende concepten, doctrines en theoriën. Daarom sloot ik een copie van een logische kaart in waarvan ik zei dat “die u in staat zal stellen het conceptuele terrein waarin u zich begeeft helder in beeld te houden, (een terrein waarin u, zo stel ik, verdwaald bent geraakt)”.

Hier is een uitgebreide versie van die kaart.


ONTWERPCONCEPTEN EN HUN LOGISCHE CONNECTIES
 copyright: raymond d. bradley 
DE HIER WEERGEGEVEN ONTWERPCONCEPTEN GEVEN NIET ALLE MOGELIJKHEDEN WEER
Andere ontwerpconcepten omvatten ook manicheïstisch ontwerp (ontwerp door zowel goede als boosaardige goden).

IMG

Conventies: ➜  = logische implicatie   X  = logische inconsistentie

                  →  = zwakkere, nonlogische verwantschappen

Rechthoekige (rode) vlakken = naturalistische overtuigingen of praktijken.   

Afgeronde (blauwe) vlakken = geloof in het bovennatuurlijke.

Logische en probabilistische principes (waar P, Q en R = geloven of geloofssystemen):
(1) Als P, Q impliceert en Q impliceert R, dan impliceert P, R.
(2) Als P, Q impliceert en Q is onjuist (of onwaarschijnlijk), dan is P onjuist (of onwaarschijnlijk).
(3) Als P, Q impliceert en Q is inconsistent met R, dan is P inconsistent met R.
(4) Geloofssysteem P is inconsistent met geloofssysteem Q uitsluitend als tenminste één deel van P inconsistent is met tenminste één deel van Q.
(5) Als P inconsistent is met Q dan moet minstens één van beiden onjuist zijn. (P en Q zijn tegengestelden wanneer ze beiden onjuist kunnen zijn; ze spreken elkaar tegen wanneer er maar één onjuist kan zijn).
(6) Als P, Q hoogst waarschijnlijk maakt, dan maakt P het tegengestelde van Q hoogst onwaarschijnlijk.
(7) Als P, Q hoogst onwaarschijnlijk maakt, en R impliceert Q, dan maakt P, R hoogst onwaarschijnlijk.

             

   Mijn kaart vertelt u niet welke positie op het terrein u hoort te kiezen als woonplaats voor uw overtuigingen. Maar het vertelt u wel, nadat u eenmaal uw thuis heeft gevonden, wat u hoort te accepteren en wat af te wijzen als een kwestie van logica en in overeenstemming met de waarschijnlijkheidstheorie. Laten we beginnen met de positie in de linker bovenhoek van de kaart. 

   Aangeduid als “Natuurlijk ontwerp” vertegenwoordigt die de overtuigingen van degenen die, evenals Richard Dawkins, geloven dat de natuurlijke wereld alles omvat dat bestaat en dat de natuurwetten die haar werking beschrijven op zichzelf voldoen om alle complexiteiten te ontwerpen en uit te voeren, vanaf de eerste levende wezens tot aan haar meest complexe structuren zoals het menselijk brein. De achttiende-eeuwse William Paley beweerde dat die alleen door de Grote Horlogemaker konden zijn gemaakt. Dawkins beweert het tegengestelde, dat de natuurwetten zelf – inclusief de evolutietheorie – zelfstandig gewerkt hebben om al die wonderen in de natuur te produceren waarvoor we nu zo’n ontzag hebben. De natuur is de ontwerper: ze is de “Blinde Horlogemaker” die niet tevoren weet hoe haar product er uit zal zien. 

   Laten we nu eens kijken naar sommige van de logische verbanden tussen natuurlijk ontwerp en andere theorieën.

   Zie ten eerste hoe deze inconsistent is (als getoond door de doorgekruiste lijn) met alle versies van intelligent ontwerp, als beschreven op de afgeronde rechthoeken ter rechterzijde, en ook met nog veel anderen die gewoonlijk geen rol spelen in het huidige debat, en die daarom hier niet worden weergegeven.

   Merk ook op dat elk van deze verschillende concepten van intelligent ontwerp in logisch tegenspraak is met ieder van de anderen. Vandaar dat ze allen onjuist kunnen zijn.

   Nogal voor de hand liggend, impliceert geloof in natuurlijk ontwerp (zie de pijl) geloof in metafysisch naturalisme, een wereldbeeld welks ontologie alleen alle natuurlijke (fysieke/materieele) objecten omvat, met hun eenvoudige en zich voordoende eigenschappen en relaties. Naturalisme laat bijvoorbeeld geen ruimte voor het idee dat onze geest onze lichamelijke dood kan overleven. Het tegengestelde te veronderstellen zou het begaan zijn van wat ik de ‘Cheshire Cat’ denkfout noem, als weergegeven in het Lewis Carroll verhaal van de kat die langzaam verdween totdat alleen zijn grijns overbleef. Alsof een grijns een wezenlijk bestaan zou kunnen hebben onafhankelijk van het fysieke gezicht waarvan het een eigenschap was!

   Hoewel naturalisme onverenigbaar is met geloof in bovennatuurlijke goden, is het niet onverenigbaar met bepaalde “god”-ideeën, bijvoorbeeld de zogenaamde “God” van pantheïsten als de zeventiende-eeuwse filosoof Spinoza en de latere fysici Albert Einstein en Stephen Hawking. Zij gebruiken de term echter in een semantisch afwijkende manier. Voor hen is God identiek aan de natuur. Zodoende, toen hem gevraagd werd of hij in God geloofde, antwoordde Hawking: “Ja, als met God de belichaming van de wetten van het universum bedoeld wordt.” Het soort ontwerp dat pantheïsten erkennen, en waarvoor zij ontzag hebben, is precies hetzelfde als natuurlijk ontwerp. Vandaar dat pantheïsten metafysische naturalisten zijn.

   Laten we nu eens naar het methodologisch naturalisme kijken, dat wil zeggen de wetenschappelijke methode van zoeken naar natuurlijke oorzaken. Wetenschapsfilosoof Karl Popper noemde dit het proces van gissing en weerlegging. Op nagenoeg dezelfde wijze omschreef immunoloog en Nobelprijs winnaar Sir Peter Medawar het als “de uitvinding van een mogelijke wereld, of van een klein deeltje van die wereld. Die gissing wordt dan blootgesteld aan kritiek om uit te vinden of die verbeelde wereld op de echte lijkt.” 

   Godsdienstijveraars maken vaak bezwaar tegen het feit dat de wetenschap zichzelf beperkt tot onderzoek naar uitsluitend natuurlijke oorzaken. Waarom, zo vragen zij zich af, sluiten wetenschappers hun geest voor de mogelijkheid van bovennatuurlijke oorzaken?

   Daar is een goede reden voor. Er zijn teveel godheden mogelijk waarvan het ingrijpen kan worden opgeroepen. Oneindig veel, in feite. Denk alleen al aan de vele mogelijkheden die worden aangehangen binnen het theïsme. Jodendom, christendom en islam zijn nog maar het begin. Ieder heeft haar eigen sekten en afleidingen daarvan. En er worden er elke dag nog meer bij gemaakt.

   Let wel, er zijn ook ontelbaar veel mogelijke natuurlijke oorzaken die verbeeld kunnen worden. Dus het verschil zit niet enkel in aantallen. Het berust eerder op het feit dat naturalistische verklaringen verantwoording schuldig zijn aan het tribunaal van ondervinding, en dat tribunaal elimineert alles dat haar beproeving niet weerstaat. In tegenstelling daarmee,  erkennen bovennatuurlijke hypotheses eenvoudig geen enkel bewijs tegen hen. Maar een hypothese die verenigbaar is met alles en nog wat dat zou kunnen gebeuren, kan niet verklaren waarom in feite dit gebeurt en in plaats van dat. Om in aanmerking te komen voor wetenschappelijke status moet een hypothese falsifieerbaar zijn. Dat wil zeggen, ze moet onjuist kunnen zijn. Alleen dan kan de filterende praktijk van wetenschap die hypotheses afwijzen die werkelijk onjuist zijn, en ons dus dichter bij de waarheid brengen. Voor de evaluatie van geloof in het bovennatuurlijke bestaan zulke praktijken niet.

   Methodologisch naturalisme heeft het hele arsenaal aan empirisch vastgestelde feiten en theorieën opgeleverd waaruit we nu kunnen putten als verklaringen waarom de wereld werkt zoals hij werkt. De bovennatuurlijke verklaringen zijn afgevallen. Het kerkhof van goden is nog niet vol. Maar de godheden van de oude Egyptenaren, Vikingen, Azteken en dergelijke zijn heen gegaan, hoewel ze allen eens een rol hebben gespeeld in het vullen van de hiaten in het menselijk begrip van hoe de natuur werkt. Er zijn nog maar relatief weinig zulke hiaten overgebleven. En die op te vullen met de overlevende goden gaat niet helpen.

   Net als andere wetenschappelijke theorieën, is de evolutietheorie falsifieerbaar. Hetzelfde geldt voor de prototype biogenetische theorieën. Beiden zouden aantoonbaar onjuist zijn, als er bijvoorbeeld doorslaggevend bewijs voor zou bestaan dat het universum ergens tussen 20 en 400 miljoen jaar geleden geschapen werd, zoals Lord Kelvin dacht (uiteindelijk kwam hij op 98 miljoen jaar geleden). Want dan zou er voor de natuur niet genoeg tijd hebben bestaan om haar werk te kunnen doen.

    Dat het universum waarschijnlijk 12-15 miljard jaar heeft bestaan, en de aarde ongeveer 4,5 miljard jaar, is nu overtuigend bevestigd. Vandaar het logisch conflict tussen wetenschap en al die scheppingsmythen die gehouden zijn aan een meer recent begin.

   Kijk eens naar de scheppingsmythe van de wetenschappelijke creationisten. Door al de “bekentenissen” c.q. “gemeenschappen“ in het Oude Testament op te tellen, calculeren aanhangers van die mythe het begin van het universum op 4.000 jaar v.C., en de Zondvloed op 2.400 v.C.

   Wat kunnen zij zeggen wanneer ze geconfronteerd worden met bewijs over de ouderdom van het universum en onze planeet? Of met bewijs dat het leven op aarde ongeveer 4 miljard jaar geleden begon, dat dinosauriërs ongeveer 63 miljard jaar geleden uitstierven, en dat fossielen van onze hominide voorouders, zoals kalium-argon datering aantoont, ruim over 3 miljoen jaar oud blijken te zijn?

Ze zouden misschien kunnen zeggen dat al dit bewijs aantoont dat hun geloof onjuist is, dus falsifieerbaar, en dat het op dit punt dus tenminste voor de kwalificatie “wetenschappelijk” in aanmerking komt. Maar dat zeggen ze natuurlijk niet. In plaats daarvan hangen zij daar een hulp-hypothese aan op die hun verhaal “redt” door het onfalsifieerbaar te maken.

   Zij passen het trucje toe van de negentiende-eeuwse Philip Gosse, en zeggen dat God de wereld geschapen heeft met al die tegensprekende bewijzen – al die parafernalia van grootscheepse misleiding – ingebouwd. Dan kunnen ze beweren dat God bijvoorbeeld fossielen in de grond gestopt heeft om ons “geloof te beproeven”. Het schijnt ze niet te hinderen dat deze hypothese hun God ook bedenker en uitvoerder van een enorm bedrog maakt. Een grote bedrieger dus, niet alleen maar een grote ontwerper. Natuurlijk zou een God die dit soort spelletjes speelt het universum ook twee minuten geleden geschapen kunnen hebben, vol tegensprekend bewijs, inclusief pseudo-herinneringen dat we voor die tijd ook al geleefd hebben. Ook daar bestaat geen enkele mogelijkheid het tegendeel te bewijzen.

   Deze absurditeiten terzijde latend, kijken we naar het soort intelligent ontwerp dat door diegenen die ik theïstische quasi-evolutionisten noem, verdedigd wordt.

   Hoe wetenschappelijk is dit? Hoewel wetenschappers letterlijk complexiteit in de biologische wereld kunnen zien, vooral op moleculair niveau, kunnen ze zelfs overdrachtelijk niet de onherleidbaarheid van enig orgaan of organisme zien. Behe kan geen empirisch bewijs produceren voor onherleidbaarheid. Daarom beargumenteert hij het door het taalkundig te rechtvaardigen. Dus u kunt niet zien hoe de natuur de delen van een complex organisme samengesteld zou kunnen hebben? Noem de complexiteit dan “onherleidbaar” en schrijf ze toe aan een intelligente ontwerper.

   Zijn argument is slecht, een vorm van het argument uit onwetendheid – een opgewarmde versie van het oude “God van de hiaten” drogbeeld. Op geloof gebaseerd, niet op bewijs.

De nieuwe ID “theorie” identificeert de beweerde ontwerper in ieder geval niet. Het zou misschien wel een ruimtewezen kunnen zijn, zoals Dembski toegeeft. Of, kunnen we daaraan toevoegen, het Vliegende Spaghetti Monster. De vage hypothese dat de ontwerper een of ander intelligent wezen is, is niet falsifieerbaar. Dus de ID theorie komt zelfs niet aan deze eis voor wetenschappelijke status tegemoet.

   Dit brengt ons tot het standpunt van wat ik de theïstische evolutionisten heb genoemd. Zij hebben er geen probleem mee de conclusies van de wetenschap in het algemeen of van evolutie in het bijzonder te accepteren. En ze claimen geen wetenschappelijke status voor hun geloofsartikelen. Maar hun standpunt is nog steeds beladen met problemen, vooral die van concurerende openbaringen. Net als alle theïsten, geloven ze in een intelligente ontwerper die zichzelf openbaart in de een of andere heilige tekst. Maar welke tekst? De Bijbel? De Koran? Het Boek van Mormon? Er zijn zoveel alternatieven. En de keuze daartussen wordt gewoonlijk bepaald door de niet zelfverkozen omstandigheden van geboorte en opvoeding.

   En dan is er nog een probleem. Stel dat u gekozen heeft voor de tekst waaraan de meeste ID aanhangers de voorkeur geven: de Bijbel. Dan, of u die tekst nu letterlijk of figuurlijk interpreteert, staat u voor een dilemma. Of God bedoelt niet wat hij zegt in zijn teksten, of hij weet niet hoe hij moet zeggen wat hij bedoelt. Dus, of op zijn woord kan men niet vertrouwen, of hij is taalkundig onbekwaam. Geen van beiden past in het theïstische concept van een perfect wezen.

   Laten we openbaring dan maar opgeven, en kiezen voor de eenvoudigste vorm van intelligent ontwerp, die van de deïsten. Dan blijven er twee onoverkomelijke bezwaren overeind. 

   Als u denkt dat een intelligente ontwerper het universum heeft ontworpen, hoe zit het dan met de onverkwikkelijke aspecten van zijn ontwerp? Rampen als aardbevingen, tsunami’s en orkanen. Verdriet, vernietiging en dood veroorzaakt door ziektes als Alzheimer, kanker, en de favoriet van ID aanhangers: de E. coli bacterie. Als complexiteit van ontwerp superieure intelligentie aantoont, dan demonstreert de verschrikkelijke aard van veel van dat ontwerp een buitengewoon boosaardige intelligentie. Is dat het concept van een ontwerper dat u wilt steunen?

   En dan blijft tenslotte nog het ontwerp dilemma over waarvan ik al eerder sprak. Als u vindt dat de rationaliteit vereist dat u voor een verklaring van het universum zoekt in een sfeer daarbuiten, dan moet u ook weer een verklaring vinden voor die andere wereld. Of denkt u dat u kunt stoppen op de volgende laag? We weten dat de ruimte-tijd-wereld bestaat. Waarom stoppen we daar niet en accepteeren het als een voldongen  feit? Waarom eerst een ontwerper opvoeren en dan – weigerend ons op het pad van oneindige regressie te begeven – nemen we, om dat te vermijden, zijn bestaan aan als voldongen feit? Is het dan niet meer bevredigend, en ook meer rationeel, om in ontwerp door onpersoonlijke krachten in de natuur te geloven, in plaats van door een persoonlijke godheid die er schuldig aan is het zo gewild te hebben?

_______


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort