visitors on myspace
HET BEGON ALLEMAAL MET SANTA CLAUS | POSITIEF ATHEÏSME <>

HET BEGON ALLEMAAL MET SANTA CLAUS

image7313

RAYMOND D. BRADLEY







Introductie

 In veel opzichten ben ik blij dat ik als christelijke fundamentalist ben opgevoed. Niet omdat het fundamentalisme me morele waarden gegeven zou hebben die ik koester. Integendeel, veel van de waarden waaraan ik het meest hecht werden ontwikkeld in tegenspraak tot die welke in de Bijbel gevonden worden. Mijn vlammend gevoel voor rechtvaardigheid bijvoorbeeld, ontstond uit de afschuw voor het gedrag van de oudtestamentische God, en walging over de doctrine van hellevuur door Jezus verkondigd in het Nieuwe Testament. En mijn sterk gevoel van medeleven groeide voor diegenen die in dit leven geleden hebben en die, als christelijke doctrines waar zouden zijn, zelfs nog meer zouden moeten lijden in een volgend leven, vanwege de eenvoudige zonde van ongeloof.

   Waarom dan? Omdat het fundamentalistische geloof van mijn jonge jaren me iets moeilijks ter overweging gaf, iets om intellectueel mijn tanden op te scherpen. De slijmerige uitingen van liberale predikers, die de wolf van fundamentalisme bedrieglijk in de zachtere semantiek van liberale theologie hulden, waren aan mij niet besteed. Hun ontwijkend, versluierend taalgebruik kon mijn passie voor waarheid nooit bevredigen. De fundamentalistische sekte waarin ik opgroeide wist tenminste waarvoor ze stond: dat de Bijbel het woord van God was, dat het nodig was de mensheid te redden, dat God die redding bood door het geloof in de “Here Jezus Christus”, dat we naar de hel zouden gaan als we niet geloofden, enzovoort.

   Wat ik ontdekte, toen mijn kritisch vermogen zich ontwikkelde, was dat de fundamentalistische overtuigingen van mijn ouders en voorouders haast totaal geen basis vonden in rede of ervaring. Zoals ik stelde toen ik ongeveer 31 jaar was, in mijn eerste publieke debat (met een RK priester), kwam ik tenslotte tot de conclusie dat veel van hun godsdienstige overtuigingen – overtuigingen die centraal staan in het traditionele christendom – zowel “moreel  aanstootgevend” als “intellectueel verderfelijk” waren. 

   Dat zijn sterke woorden. Daarover zal ik straks  meer zeggen, om die te rechtvaardigen. Voor nu volstaat te zeggen dat ik er aan twijfel of ik zo gemakkelijk tot die conclusies gekomen zou zijn als mijn startpunt dat van een onweersproken, en niet tegensprekende, kerkganger in een meer liberale traditie  zou zijn geweest.


FUNDAMENTALISTISCHE OORSPRONG

   Mijn startpunt, zoals ik al zei, was dat van een christelijke fundamentalist. Om meer specifiek te zijn,  dat van een serieuze jonge Baptist. Ik was het oudste kind in een gezin van fanatieke Baptisten, met een grootvader aan moederszijde – Guy D. Thornton – die een veelvereerde Baptistische dominee en evangelist was, met een stel voorouders aan zijn kant van de familie die helemaal teruggingen tot zulke christelijke beroemdheden als Robert en Mary Moffat, schoonouders van de vermaarde David Livingstone. 

   Een van mijn vroegste herinneringen is aan een gebeurtenis die veel bijdroeg aan de vorming van mijn kindertijd. Het was woensdag, 13 juni, 1934. Ik was iets meer dan drie en een half jaar oud. Mijn ouders waren aan het sterbed van mijn grootvader ontboden, en ik ging natuurlijk met ze mee.

   Twintig jaren lang had hij ernstig geleden onder een tropische ziekte, chronisch bacillaire dysenterie. Die had hij opgelopen kort nadat hij de eerste aalmoezenier geworden was van de Anzacs (vert.: Australian and New Zealand Army Corps) in Cairo in 1914, en was veroorzaakt door één van die scheppingen – de Shigella bacil – waarvan God volgens het boek Genesis zag dat die “zeer goed” waren. Nu eiste deze definitief zijn prooi. Mijn grootmoeder verklaarde echter het anders in haar biografie van haar gestorven echtgenoot:

   "Een liefhebbende Vader kon niet toestaan dat Zijn kind nog meer moest lijden, noch wilde Hij dat hij nog langer zo ver van Hem weg zou zijn.”

   Voordat hij stierf vond de goede dominee nog tijd een zegening over zijn beide kleinkinderen uit te spreken,  mijn jongere nichtje Sybil en ik – waarin hij de hoop uitsprak dat we, als het de wil van God zou zijn, "de duistere plaatsen van de aarde zouden betreden om aan degenen die in duisternis zitten het licht te brengen dat zijn eigen voeten verlichtte door het dal van de schaduw." Hij besloot met, in mijn geval, te zeggen dat hij “[zijn] mantel om me heen sloeg.”

   Zo kwam het dat ik mij voorbestemd voelde in mijn grootvaders voetstappen te volgen. En volgen deed ik. In overeenstemming met het Baptistische geloof in volledige onderdompeling, stortte ik mij er volledig in, vol overtuiging deelnemend aan Bijbelse en theologische studies en kerkelijke activiteiten. Mijn geest was vervuld van overwegingen over de grondslagen van mijn religie. En mijn tienerjaren waren vol kerkactiviteiten: Baptist Harriers (cross-country rennen) op zaterdagmiddagen en de Young People’s Social op zaterdagavond; daarna, de volgende dag, zondagsschool of Christian Endeavour vóór de ochtenddienst van 11.00 uur; terug voor Bijbel klas om 14.00 uur; avonddienst om 19:00 uur; en tussentijds theologische problemen besprekend op straathoeken met een handvol vrienden die hun religie eveneens serieus namen.

   Ook mijn vakanties stonden geen onderbreking toe. Er waren Bijbelklas kampen op diverse “toevluchtsoorden” rondom Auckland waarin ik meedong en won in verscheidene preekwedstrijden. Men zei dat ik zelfs verscheidene zielen “gewonnen” had voor Christus. Er waren jaarlijkse Christian Crusader kampen op Ponui Island, waarin Dr. Sam Martin preekte over de zonde van “zelfbevlekking,” een zonde die hij (bij verwijzing) identificeerde met de zonde tegen de Heilige Geest waarvan de Bijbel zegt dat die “zal niet worden vergeven, noch in deze wereld, noch in de komende.” (Mattheüs 12:32). En dan waren er nog de maandelijkse bijeenkomsten van het Bible Training Institute of the Young People’s Missionary Fellowship, dat ik geholpen had op te richten. Zelfs mijn dagen op Mt. Albert Grammar School waren van religie vervuld, vooral toen ik op vijftienjarige leeftijd secretaris werd van de Christian Crusaders, de junioren versie van de Evangelical Union.

   Dus hoe slaagde ik er in me aan de duistere wateren van het Baptistische geloofssysteem te ontworstelen en als vrijdenker te voorschijn te komen? Voornamelijk omdat ik vragen stelde, en omdat ontwijkende antwoorden of  pseudoredenaties mij niet bevredigden. Dat is de simpele manier om het uit te leggen. Maar ik kan eerlijk zeggen dat al vanaf heel jong ik veel van die instellingen bezat die later mijn carrière als academisch filosoof zouden kenmerken. Ik had onder andere een wens voor conceptuele klaarheid, een neus voor de implicaties van religie, en voor de onverenigbaarheid tussen die beiden.


FILOSOFISCHE AANLEG

   Mijn atheïsme was, om het zo te zeggen van eigen maaksel, en niet een gevolg van het van het rechte pad af verleid worden door andere twijfelaars. Ik wist weinig van de geschriften van agnostici of atheïsten tot aan mijn vijftigste, ruim dertig jaar nadat ik mijn eigen onafhankelijke afwijzing van het christendom en alle andere vormen van religie bepaald had. Ik was blijkbaar geboren met een onvermogen om het geloven in religie te accepteren, en een onverbiddelijke vastberadenheid – van het soort dat David Hume zo toejuichte – om de kracht van mijn overtuigingen in overeenstemming te brengen met de bewijzen die daarvoor bestonden.


DE EIS VOOR BEWIJS

   Voor mij was er geen ontsnapping mogelijk van de eis voor bewijs. “Heb vertrouwen,” werd mij gezegd. “Maar vertrouwen in wat?” wilde ik weten. “Waarom vertrouwen hebben in dit in plaats van in dat, tenzij er sterker bewijs is voor dit in plaats van voor dat?”  “Waarom zou ik Baptist zijn in plaats van katholiek, een christen in plaats van een jood of een moslim?” Dit waren vragen die bij mij opkwamen toen ik nog maar een klein kind was en mij voor het eerst bewust werd van de diversiteit van religieuze overtuigingen, en de diversiteit van de sekten in elk daarvan. Die konden niet beantwoord worden alleen in termen van geloof. Die vereisten een onderzoek van de geloofsbrieven van ieder van de rivaliserende religies, en van de overtuigingen van diegenen die helemaal geen geloof aanhingen. 

   “Maar,” wierpen sommigen tegen, “als je van theïsme afwendt naar atheïsme, heb je dan niet één “isme” opgegeven voor een ander, één overtuiging voor een andere?”

   Nee. Mijn geloof dat er geen God is, net als mijn geloof dat er geen feeën bestaan, is gegrond op een combinatie van goede redenen: de afwezigheid van goed bewijs voor het bestaan van zulke entiteiten, samen met een overvloed aan overtuigend bewijs voor hun niet-bestaan. Ik ben als het ware atheïst – niet slechts agnosticus – over beiden. Het is zelfs zo dat ik een atheïst over beiden ben om veel van dezelfde redenen dat christenen atheïst zijn – niet agnosticus – over het hele arsenaal van heidense goden: Baal, Zeus, Isis, Osiris en de meer dan 200 andere goden die u in een goed boek over vergelijkende godsdiensten kunt vinden.


MIJN ATHEÏSME IS NIET EEN ONVERZETTELIJK GELOOF

   Mijn geloof dat zulke bovennatuurlijke entiteiten niet bestaan, is niet een onverzettelijk geloof. Als de hemelen zich morgen zouden openen en open blijven met een God die zich dagelijks aan ons openbaart door met alle mensen te spreken, en zijn door hem zo vaak gesnoefde macht en goedheid eens zou uitoefenen door onmiddellijk een eind te maken aan ziekte, oorlog, onrecht en het hele scala aan menselijk en dierlijk leed, dan zou ik overwegen mijn geloof te herzien.

   Woody Allen, zegt men, zou tevreden zijn als God zichzelf zou openbaren door het storten van een groot bedrag op Woody’s bankrekening. Ik zou veel meer bewijs willen dan dat: een duidelijk en ondubbelzinnig vertoon van de bovennatuurlijke krachten die de God van de theïsten verondersteld wordt te bezitten – zoals bijvoorbeeld de onmiddellijke transformatie van de Aarde in de Hemel die hij in de eerste plaats geschapen zou kunnen hebben. Misschien dat ik dan opnieuw theïsme zou omarmen.

   Maar dan toch niet eerder dan dat ik hem zover gekregen had een paar moeilijke vragen te beantwoorden. Van welke theïsten was hij de God?  De joodse God Jahweh, voor wie Mozes de belangrijkste profeet was, en Jezus een bedrieger? De christelijke God waarvan beweerd wordt dat hij zichzelf tweeduizend jaar geleden openbaarde aan een handjevol mensen in een onbetekenende provincie van het Romeinse keizerrijk? De Allah van de moslims, voor wie Mohammed de belangrijkste profeet was?

   En als hij zou beweren de God van de christenen te zijn, zou ik zijn doctrinaire affiliaties willen weten. Zou ik correct zijn in mijn veronderstelling dat hij de God van de Baptisten was? Als dat zo was, waarom had hij het dan niet ondubbelzinnig duidelijk gemaakt aan rivaliserende christelijke sekten dat wij inderdaad de ware gelovigen waren? Of was hij in feite de God van één van de andere sekten?

   Ik zou hem willen vragen: “Waarom heeft u zo lang gewacht om uw bestaan onbetwistbaar te maken, om uw geweldige macht te vertonen, om u definitief te bemoeien met de problemen van ziekte, rampen en lijden – aan de oplossing waarvan medelevende stervelingen door de eeuwen heen hun levens gewijd hebben?” Nog belangrijker, zou ik hem willen vragen: “Waarom heeft u er in de eerste plaats zo’n rotzooi van gemaakt terwijl u ons zo duidelijk onmiddellijk in een hemelse wereld geplaatst kon hebben?”En nog het allerbelangrijkst, zou ik hem willen vragen: “Wat gaat u doen met al die mensen die nog nooit de naam van uw zoon, Jezus, gehoord hebben of die – als ze die wel kennen – geen goede reden vonden om aan te nemen dat hij uw zoon was? Wat gaat u doen met afvalligen als ik, die volgens uw zoon gedoemd zijn voor eeuwig de martelingen van de verdoemden te ondergaan?”

   Ik kan mij geen bevredigende antwoorden voorstellen. Hij zou me misschien aanmanen vertrouwen te hebben in zijn wijsheid, rechtvaardigheid en genade. Maar deze drie kwaliteiten, samen met geloofsvertrouwen zelf, zijn nu precies die welke ik in twijfel trek. “Heb vertrouwen” is de laatste toevlucht van degenen die geen rationele antwoorden hebben.

   Het staat bekend dat religieaanhangers het vaak over geloof hebben als een soort derde manier van weten, welke – als we daar een beroep op doen – ons tot waarheden kan leiden die buiten het bereik van menselijke ervaring en rede liggen. Maar religieus geloof, begon ik mij te realiseren, is niets meer dan vastberaden of vertrouwend geloven. En religieus geloof is gewoonlijk onverzettelijk geloof: kleingeestig geloof, resoluut onontvankelijk voor enig soort bewijs. Dat soort geloof compromitteert intellectuele en morele integriteit. Daar wilde ik niets mee te maken hebben.


MIJN “PILGRIM’S PROGRESS”

   Om u het verhaal te kunnen vertellen over hoe ik een atheïst werd, zal ik mijn kinderjaren afbeelden als jaren waarin ik een reis maakte langs een moeilijk en soms afschrikwekkend pad. En nu zal ik bepaalde meer saillante uitzichtpunten herbezoeken, commentaar geven op de incidenten en episodes die onderweg plaats vonden, en pauzeren om na te denken over de vergezichten die zich gedurende mijn reis voor mij openden. U kunt, als u wenst, mijn reis zien als een soort van “Pilgrim’s Progress,” hoewel het een reis was die een andere wending nam dan die van Paul Bunyan's held. 


KINDERTIJD: EEN PERIODE VAN VRAGEN STELLEN

   Het begon allemaal met Santa Claus. Achteraf gezien, zie ik dat het vragen over hem waren die het vuur van kritisch onderzoek in mij deden ontvlammen. Tot aan de leeftijd van zes of zeven geloofde ik in Santa Claus net zo fervent als in Jezus en de geboorteverhalen, in de hemel als een plaats vanwaar mijn grootvader – samen met God – al mijn bewegingen gadesloeg, en in de hel als een plaats waar slechte mensen heengaan.

   Het was zelfs zo, dat mijn geloof in Santa nog levendiger, nog dwingender was dan die andere geloven. Tenslotte had ik hem werkelijk gezien en gesproken, iedere Kerstmis als we naar de Farmers Trading Company gingen in Hobson Street. En soms zag ik hem een half uur later in Milne and Choice in Queen Straat.

   Maar al gauw begon ik vragen te stellen. Hoeveel Santa’s waren er? Als – zoals mijn ouders uitlegden – de Hobson Street en de Queen Street Santa’s alleen maar “hulp” Santa’s waren, waar was dan de echte Santa? Was er eigenlijk wel een echte Santa behalve de hulp Santa’s? Als dat zo was, waar woonde hij dan? Hoe kreeg hij het voor elkaar om alle kinderen in de wereld te bezoeken in dezelfde nacht? Hoe kon hij door onze schoorsteen naar binnen komen zonder onder het roet te komen, of mijn slaapkamer bezoeken zonder voetafdrukken achter te laten? Het leek mij dat zijn vermogen om al deze buitengewone dingen te doen, hem tot iemand maakte die wonderen kon doen, een beetje als Mozes of Jezus.

   Nog zorgwekkender waren sommige ethische kwesties. Waarom discrimineerde Santa zo openlijk door rijke kinderen dingen als fietsen te geven terwijl mijn kous kleinigheden als loden soldaatjes, een zak lollies en een paar stukken fruit bevatte? Waarom beloonde hij sommige stoute kinderen die ik kende meer dan lieve kleine jongens als ik?

   Ik was nog meer overstuur toen ik ontdekte dat sommige kinderen op school niet meer in Santa geloofden. Ze zeiden dat het mijn ouders waren die mijn kous vulden.

   Toen ik tenslotte mijn ouders confronteerde met het hele pakket van mijn verwarringen, bekenden zij dat Santa verhalen gewoon aardige fopperij waren. Maar ook dat verontrustte mij. Ze hadden gelogen, hield ik vol. Dus hoe kon ik de andere verhalen vertrouwen die ze mij verteld hadden? En hoe kon ik mijn eigen geloven vertrouwen als die in dit geval onwaar bleken te zijn? Hoeveel van wat ik geloofde was mythe? Hoeveel was op werkelijkheid gegrond? Ik besloot nooit meer te geloven alleen op grond van wat anderen zeiden. Veel van mijn vragen over Santa vonden later duidelijke parallellen in vragen over religieuze zaken.


VEEL SANTA’S, VEEL RELIGIES

   Mijn vragen over hoeveel Santa’s er waren, en of één daarvan – en zo ja, welke - echt was, vond zijn echo in problemen over de diversiteit van religieuze sekten en de vraag of één daarvan – en zo ja, welke – de ware was.

   Dit dwong zichzelf voor het eerst aan mij op toen ik acht was en met de Kelly kinderen wilde spelen die aan de overkant woonden. Mijn moeder maakte heftig bezwaar. Zij waren Rooms-katholiek verklaarde ze, volgelingen van de “hoer van Rome.” Maar, wierp ik tegen, geloofden zij niet in Jezus? Waren zij ook niet christenen?  Ja, antwoordde ze: ze geloofden in Jezus, en ze waren inderdaad christenen, maar ze waren niet ware christenen.

   Maar als er ware religies en valse religies waren, overwoog ik, hoe kon ik dan zeker zijn dat de mijne de ware was? Als ik als één van de Kelly kinderen opgevoed zou zijn, zou ik dan ook niet Rooms-katholiek zijn? Deelde ik het geloof van mijn ouders en grootouders alleen omdat ik als Baptist was opgevoed? Zouden niet alle geloven waarvan ik gehoord had bedrog zijn, net als de verschillende Santa’s die ik in de winkels gezien had? Was er eigenlijk wel helemaal een ware religie? Zouden de Bijbelverhalen ook niet gewoon aardige fopperij zijn, net als de verhalen over Santa?


RELIGIEUZE ERVARINGEN: WAARACHTIG, OF SCHIJN?

   De  overwegingen in mijn kindertijd over de rivaliteit tussen religies had nog meer implicaties. Wij wedergeboren Baptisten geloofden dat we een speciale relatie met God hadden. We spraken hem aan in gebed, en hij antwoordde ons, waarbij soms levendige ervaringen van zijn aanwezigheid in onze levens voorkwamen. We geloofden dat we Gods wil deden. Maar oprechte gelovigen in tegengestelde religies geloofden ook dat zij Gods wil deden. Zij hadden religieuze ervaringen die anders waren, en soms tegengesteld aan de onze. Ik was bijna jaloers, voor een tijdje, op de bewering van de Kelly kinderen dat zij visioenen van de Maagd Maria zagen. Waarom openbaarde God zich niet op die manier aan de protestanten? Waarom waren de wonderen van Lourdes voorbehouden aan katholieken? Misleidden zij zichzelf? Zou ik mezelf niet misleid kunnen hebben toen ik op veertienjarige leeftijd ondergedompeld werd in het doopwater en de “intrede van de Heilige Geest” voelde? Want met onderwijl het kerkkoor in tonen van diepste plechtigheid zingend, “Waartoe hij mij leidt, daar zal ik volgen”, was het allemaal wel erg ontroerend geweest.

   Daarna vond ik uit hoe, door de hele geschiedenis heen, elkaar bestrijdende legers – vaak aangevuurd door hun religieuze overtuiging – allebei beweerden te strijden “in naam van God.” En ik hoorde, tijdens de Tweede Wereldoorlog, dat veel Duitse christenen geloofden dat God aan hun zijde streed, niet aan de onze. Het leek mij toe dat alleen de meest onbehouwen gelovigen zouden kunnen beweren dat alleen hun religieuze ervaringen de ware waren. Zou het kunnen zijn dat ze dat geen van allen waren? Ook om andere redenen begon ik de status van religieuze ondervinding in twijfel te trekken. Soms vonden evangelische campagnes plaats in de Auckland Town Hall, en vond ik mezelf daar te midden van de verzamelde koren achter de evangelist, het reusachtige pijporgel door onze lichamen dreunend. Elke avond zag ik de zojuist bekeerden – vaak in spasmen van schuld en verdriet – als zij “zichzelf aan Jezus gaven” en in de zijvertrekken geleid werden voor begeleiding. Ik kon nauwelijks aan hun oprechtheid twijfelen. Of toch? Wat moest ik er van denken toen sommigen de volgende avond opnieuw verschenen, om opnieuw bekeerd te worden, en sommigen zelfs voor een derde maal? Hoeveel vertrouwen kon men stellen in de intensiteit van zulk religieus enthousiasme? Ik was gegeneerd; toen ongemakkelijk; toen sceptisch over de bewijskracht van subjectieve ondervindingen als deze, inclusief die van mijzelf.


VORMEND LEZEN

   Een van de gevolgen van de religieuze exclusiviteit van mijn ouders, in combinatie met onze verhuizingen iedere twee of drie jaar, was dat ik de meeste van mijn kinderjaren tot aan 12-jarige leeftijd als een betrekkelijk solitair kind opgroeide. Er waren niet genoeg “geschikte” kinderen voor mij om mee te spelen. Dus bracht ik veel van mijn vrije tijd door met lezen. En de meeste boeken die ik las waren religieuze boeken.

   Een van de vroegste was 'Bible Stories for Children'. Het vertelde opnieuw, in eenvoudige bewoording, verhalen uit zowel het Oude als het Nieuwe Testament. Adam en Eva, Noach en de zondvloed, Mozes en de verdorven Farao, David en Goliath, Jonas in de buik van de walvis, Maria en Jozef die naar Egypte gingen, de drie wijzen, de geboorte van Christus, gebeurtenissen uit het leven van Jezus, de schipbreuk van Paulus; die kwamen allemaal in de tekst voor, en veel daarvan in kleurige platen. Het vuurde mijn verlangen aan meer te weten.

   Dat is één reden waarom ik mij tot de Heilige Bijbel zelf wendde: de onverbloemde en ongekuiste King James Version. De andere reden was dat mijn ouders mij ingeschreven hadden bij zowel Auckland Sunday School Union als de Scripture Union, beiden organisaties waarvan ik de examens op geselecteerde bijbelse passages in regelmatige tussenpozen met succes doorliep, en daarmee een aardige kleine bibliotheek van romans door goedgekeurde christelijke schrijvers verzamelde.

   Een van mijn boekenprijzen, Ten Brave Boys (waarvan ik me de auteur niet meer herinner) maakte bijzondere indruk op me. Het stond vol avonturen. Maar, sommige van de verhalen versterkten de roeping voor missie die mijn grootvaders sterfbedzegening bij mij had ingeplant, en lieten mij voelen dat ik inderdaad één van Gods uitverkorenen was, zoals sommige van de dappere jongens die hun leven aan Zijn dienst gewijd hadden.

   Een ander boek dat een blijvende indruk op me maakte, één uit de bibliotheek van mijn ouders in plaats van een keuze uit de Scripture Union Bookshop, was John Bunyan’s The Pilgrim’s Progress. Ik worstelde met het moeizame proza, en had moeite zijn archaïsche wereldbeeld te begrijpen. Maar het moedigde mij aan te denken dat, welke moeilijkheden ik ook zou tegenkomen in het begrijpen van mijn religie, ik die – met hulp van boven – tenslotte zou overwinnen. Ik kon zeker niet voorzien dat mijn eigen intellectuele pelgrimage me weg zou leiden van “het geloof van mijn vaderen” in plaats van naar herbevestiging daarvan.

   Mijn bekendheid met niet-religieuze literatuur was beperkt. Maar ik beleefde veel plezier van Arthur Mee’s Children’s Encyclopaedia, en besteedde talloze uren aan het broeden over zijn inhoud.

   Ik wendde me ook tot mijn eigen grootvaders geschriften, en mijn grootmoeders posthume biografie over zijn leven. Guy Thornton schreef verscheidene boeken: The Wowser (een semi-autobiografische roman die steunde op zijn ervaringen onder de houthakkers in het midden van Noorder Eiland), Out to Win (een boek over het winnen van zielen), en het autobiografische With the Anzacs in Cairo. Alle drie waren het ontboezemingen over de evangelische overtuigingen die zijn volwassen leven het meest gekarakteriseerd hadden. En het was pas toen ik mijn grootmoeders biografie over haar gestorven echtgenoot las, dat ik een heilzame ontdekking deed: hij had eens geworsteld met de notie dat God mensen naar de hel kon sturen, en was zelfs zo ver gegaan het atheïsme te belijden, zij het voor kort. 


ONBEDOELDE GEVOLGEN

   Veel van mijn lezen had consequenties die mijn ouders vast niet bedoelden. Uit Bible Stories for Children vergaarde ik de impressie dat deze verhalen gelijksoortig waren aan de verhalen van Hans Christian Andersen en diverse andere sprookjes. De plaatjes leken hetzelfde. Er hing een zweem van fantasie over; en ze verschilden, leek mij, alleen in zoverre dat mij was verteld dat de Bijbelverhalen verondersteld werden waar te zijn, terwijl die anderen dat niet waren.

   Mijn bestudering van de Heilige Bijbel zelf zaaide het zaad van een andere ongerustheid. Want ik beperkte me niet alleen tot de gekuiste selecties die voor onderzoek werden voorgeschreven. Ik ging verder lezen, en verder, vaak tot diep in de nacht. En wat ik vond was vaak diep verontrustend.

   Als God een god van liefde was, waarom strafte hij Adam en Eva en al hun nakomelingen dan zo gestreng? Waarom verdronk hij iedereen behalve Noach en zijn gezin, in klaarblijkelijke overtreding van zijn eigen gebod om niet te doden? Waarom “verhardde” hij het hart van de Farao iedere keer dat de Farao toegaf en de kinderen van Israël wilde laten gaan? Honderden vragen. Ik wilde antwoorden maar kreeg er geen, behalve uitspraken die beweerden dat “God het het beste weet.”

   Het zogenoemde “probleem van het kwaad” begon de kop op te steken, in diverse gedaanten. Waarom schiep een volmaakt goede, almachtige, en alwetende God een wereld vol van zoveel natuurrampen en lijden? Waarom heeft hij willens en wetens mensen als Adam en Eva geschapen – of de Duivel, nu we het er over hebben – wetende dat zij zouden zondigen? En – erger nog – waarom stond de Bijbel vol van zijn eigen kwade daden, vanaf herhaaldelijke genocide tot aan het sturen van ongelovigen naar eeuwigdurend lijden in het hellevuur? Het probleem van het goddelijk kwaad verontrustte me zelfs meer nog dan de problemen van het natuurlijke en morele kwaad.

   Bunyan’s 'Pilgrim’s Progress' stelde me voor een ander soort probleem. Ik vond zijn personificatie van diverse abstracte concepten in zulke figuren als meneer Obstinaat, meneer Buigzaam en meneer Rechtmatigheid verwarrend, zelfs hoewel ik begrip kreeg voor hun rol als literair middel in zijn allegorie. Ik begon argwanend te worden voor wat filosofen materialisatie noemen: de naam van een abstractie behandelen alsof het de naam van een echte entiteit betreft. Deze achterdocht zou vervolgens veel van Plato’s filosofie oneigen voor mijn manier van denken maken, en ze zou tot rijping komen toen ik in mijn latere jaren als academisch filosoof er tenslotte toe kwam zorgvuldig te denken over abstracte zelfstandige naamwoorden als “de geest,” “intelligentie,” “bewustzijn” en dergelijke, en tot de conclusie kwam dat ze niet de namen zijn van substantiële entiteiten die we als aanvulling op onze fysieke lichamen bezitten. In plaats daarvan refereren ze aan de eigenschappen van levende organismen. Mijn geest, intelligentie, of bewustzijn kunnen evenmin van de dood van mijn lichaam gescheiden worden, of die overleven, als de glimlach van Lewis Carroll’s Cheshire Cat dit kan als zijn lichaam verdwenen is. Anders te denken betekent toe te geven aan de denkfout van materialisatie en in de fantasiewereld van Alice te leven. Meer valt er niet te zeggen, concludeerde ik tenslotte, over de ziel en zijn vooruitzichten op onsterfelijkheid.

   Arthur Mee’s Children’s Encyclopaedia opende mijn ogen voor een enorm domein aan informatie. Beginnende met religieuze onderwerpen, spreidde ik mijn aandacht later uit tot andere gebieden. Het was toen, denk ik, dat mijn passie voor kennis begon. Ik was gefascineerd door de grootse draagwijdte van de menselijke geschiedenis, door verslagen over antieke beschavingen, en door de ontdekkingen die de toen moderne wetenschap deed over de structuur van het universum. Veel van wat ik leerde viel buiten, en was duidelijk niet verenigbaar met, het wereldbeeld door de Bijbel omvat en de tijdsduur die het zich voorstelde als te zijn verstreken sinds de schepping in ongeveer 4004 v.C.


HISTORISCHE VRAGEN ONBEANTWOORD

   Ik wilde de Bijbelverhalen in historisch perspectief plaatsen. Wanneer leefde Mozes precies? Ik wist iets van de geschiedenis van Egypte en de tientallen farao’s die over dat antieke land geregeerd hadden. Die werden gebruikelijk met name genoemd. Maar de boeken van Genesis en Exodus spraken eenvoudig over “Farao.” Welke, vroeg ik. Niemand scheen het te weten.

   En, ik wilde meer weten over het leven en de tijd van Jezus. Wanneer precies leefde hij? En wat gebeurde er nog meer in die tijd? Er kwamen geen antwoorden. Precieze data worden gegeven voor talloze andere historische figuren zoals Julius Caesar. Maar, vreemd genoeg, niet voor de Zoon van God.

   Het begon aan mij te dagen dat de meeste bijbelse gebeurtenissen in een curieus onhistorische manier verteld werden. Waarom? De vraag bleef mij bij en werd jaren later opnieuw gewekt toen ik, in mijn vroege tienerjaren, het voorwoord van George Bernard Shaw las bij zijn Androcles and the Lion, en daarna Albert Schweitzer’s Quest for the Historical Jezus. Pas toen realiseerde ik mij dat dit een ernstige zaak was: één waarover ik al veel eerder vage vermoedens had gehad toen het mij opgevallen was dat de verhalen in Bible Stories for Children op een of andere manier verwant leken aan sprookjes, of – op zijn minst – aan de onhistorische verhalen over King Arthur, waarvoor ik evenmin data had kunnen vinden.

   Tot dat moment had ik de standaard opvatting gedeeld dat Jezus geboren was bij het begin van het jaar 1. Want was dat niet het jaar waarin het geheel van de menselijke geschiedenis verondersteld werd (bij ons in het Westen in ieder geval) een keerpunt bereikt te hebben: het jaar waarin God naar de aarde neerdaalde? Het nam me jaren voor ik ontdekte hoe dubieus die aanname is.


DIEPERE PROBLEMEN

   Ongeveer in diezelfde tijd – toen ik tien of elf was – begon ik andere grote problemen te onderscheiden die binnen mijn christelijk geloof op de loer lagen. Op een avond, na in bed ingestopt te zijn en ik mijn gebeden opgezegd had, vroeg ik mijn moeder hoe de hemel er nu werkelijk uitzag. Ik wilde gewoon een concreet begrip voor al het hemelgepraat waaraan ik gewend was. Waar bevond zich de hemel? Aangezien Jezus er naar opgestegen was, in welke richting was hij gegaan? En hoe snel? Hoe zouden de straten er daar uitzien als we daar aankwamen? Wat zouden we eten, en wat zouden we de hele dag doen? Ze wist het natuurlijk niet, en wendde zelfs niet voor het te weten. We zouden gewoon moeten wachten tot we daar kwamen.

   Op dit punt gedwarsboomd, waagde ik het te vragen hoe God er zelf uitzag. Ik kreeg de standaard antwoorden over de goddelijke eigenschappen. God kon alles doen, begon ze. God wist ook alles. En….


GODS VOORKENNIS EN VOORBESTEMMING

   Maar we kwamen niet verder tot aan Gods oneindige goedheid, omdat het concept van alwetendheid mijn attentie had gegrepen. Wat hield zijn kennis precies in? Wist hij waar mijn vader de hele dag geweest was? Wist hij wat ik de hele dag gedaan had? “Ja, lieverd: God weet dat allemaal,” antwoordde ze. Op dat punt begon ik echt te denken. Als God dat allemaal wist, wist hij dan ook wat ik morgen zou gaan doen? “Ja lieve, dat weet hij allemaal.” Mijn hoofd tolde. Als hij wist wat ik morgen ging doen, en de dag erna, en de dag daar weer na…. dan zou ik dus beslist morgen, of op enig ander tijdstip, niets anders kunnen doen dan wat hij al wist dat ik zou gaan doen.

   Ik had geprobeerd meer te weten te komen, in concrete details, over wat het werkelijk betekent als men zegt dat God alles weet. En toen ik de implicaties hiervan overdacht, bleken die uiterst verontrustend. Ik controleerde het in de Bijbel, en vond weer teksten als Romeinen 8:29: “Wie hij al van tevoren heeft uitgekozen, heeft hij er ook van tevoren toe bestemd…” Ik had aan het theologisch probleem van de vrije wil geraakt, Gods voorkennis, voorbestemming – een probleem waarin ik mij, in zijn meer filosofische gedaante van vrije wil en determinisme, te zijner tijd zou verdiepen in mijn proefschrift filosofie.

   Toen echter, was de impact van deze “ontdekking” over de aard van God niet alleen intellectueel, maar ook lichamelijk diep treffend. Nog weken daarna liep ik als een zombie rond, en voelde ik mij alsof ik slechts een marionet was, of op zijn minst een speeltje van God.

   Het was het probleem van voorbestemming dat me er voor het eerst toe dreef – toen ik elf of twaalf jaar oud was – om het driedelige werk beginnen te lezen van A.H. Strong: 'Systematic Theology'  (uitgegeven in 1907)  dat grootvader Thornton me nagelaten had. Een van de belangrijkste werken over fundamenteel christendom zijnde, raadpleegde ik het veelvuldig gedurende de volgende jaren. Toch opende het mijn geest voor nog meer problemen. 


CHRISTOLOGIE

   Ik ontdekte bijvoorbeeld dat de heersende christologie (theorie over de aard van Christus) onder de vroege christenen, beginnend vanaf ongeveer 70 n.C en voortzettende over de volgende honderd jaar of zo, die was van de Docetisten. Zij beweerden dat Christus slechts een verschijning was, niet een mens van vlees en bloed. Het was het Docetisme – zou ik later leren – dat overheerste vóór zowel de compositie als het in omloop brengen van de wederopstanding verhalen in de evangeliën, en bijna vier eeuwen voorafgaande aan het orthodoxe doctrine dat tenslotte in Chalcedon afgekondigd werd in 451. Ik vroeg mij af hoe de Docetisten gedacht konden hebben dat Jezus een spookverschijning was als hij inderdaad onder hen gelopen en gesproken had. En ik vroeg mij af waarom het zo lang had geduurd voordat het veronderstelde “correcte” doctrine de voorkeur kreeg. Waarom kon God het “ware” doctrine niet vanaf het begin zo onbetwistbaar duidelijk hebben gemaakt dat geen van de ketterijen die de kerk eeuwenlang verscheurden zouden zijn ontstaan?


ONFEILBAARHEID

   Ik ontdekte ook dat er verscheidene rivaliserende meningen waren over wat het betekende te zeggen dat de Bijbel “Gods woord” was, en las met groeiend scepticisme Strong’s verdediging van de doctrine dat in alle zaken die met wetenschap, geschiedenis en moraal te maken hebben, de Bijbel onfeilbaar is. Het vereiste niet veel logische scherpzinnigheid bij mij om de circulariteit te onderscheiden in Strong’s argument dat de Heilige Schrift feilloos moet zijn aangezien daarin staat dat Jezus die zelf voor waar had geaccepteerd.

   Voor wat betreft Strong’s pogingen om alle duidelijke vergissingen weg te verklaren door gezichtsverlies besparende interpretaties te leveren, vroeg ik mij af waarom God zoveel ruimte laat voor conflicterende uitleg van zijn woorden. Bedoelde hij niet wat hij zo duidelijk had gezegd? Of wist hij niet hoe te zeggen wat hij echt bedoelde? Ik kon niet helpen mij te verbazen over de aanmatiging van diegenen die hun woorden in Gods mond legden, alsof hij zelf niet mondig genoeg zou zijn. Voor mij scheen hier de bron te liggen voor het grootste deel van de doctrinaire rivaliteit die de geschiedenis van het christendom zo gecompliceerd heeft.


VOORBESTEMMING EN VRIJE WIL

   En wat de doctrine van voorbestemming betreft, broedde ik over Strong’s vergeefse poging dit in overeenstemming te brengen met het concept van de vrije wil, daarbij meer dan honderd passages onderstrepend en een twintigtal commentaren in de marges schrijvend van deel 1, hoofdstuk 3, over “De wilsuitingen van God.” Tweemaal was ik zo verontwaardigd over zijn argumenten dat ik eenvoudig de uitroep “Kolder” schreef.

   Nog erger was, dat toen ik mij tot de Bijbel zelf wendde, ik geen spoor vond van het idee dat menselijke wezens – als tegengesteld aan God zelf – echt vrije wil bezaten. In plaats daarvan was het God zelf die de verantwoording nam voor het indelen van ieder van ons in het ene of het andere kamp: dat van de uitverkorenen die door zijn deugd van genade (en niet door ook maar iets in onszelf) zich bij hem zouden voegen in de hemel; en aan de andere kant, dat van de verworpenen die voorbestemd waren tot verdoemenis in de hel. En de Westminster Confession, die Strong zelf (vreemd genoeg) onderschreef, stelde het duidelijk genoeg: “God heeft door alle eeuwigheid, door de meest rechtvaardige en heilige richtlijn van zijn eigen wil, vrijelijk en onveranderlijk bepaald wat zal gaan gebeuren.” Geen versluierend woordgebruik hier.


TIENERJAREN: TWIJFELS, ONENIGHEID EN UITEINDELIJKE VRIJHEID

   Tot aan bijna het eind van mijn twaalfde jaar woelden de meeste van mijn twijfels binnen de beslotenheid van mijn eigen geest. Slechts bij een enkele gelegenheid waagde ik het die tegenover iemand anders uit te spreken: mijn moeder. Haar geloof was nogal eenvoudig en naïef, en beslist niet geschoold in de theologische doctrines waar ik mee worstelde. Jammer genoeg, in de beslotenheid van onze keuken, en vanwege de pressie van mijn vasthoudendheid, groeiden onze gedachtewisselingen steeds verder uit in disputen en confrontaties.


DE ZOEKTOCHT NAAR BEGRIP

   Maar toen verhuisden we nog tweemaal, eerst naar één deel van Mt. Albert, toen naar een ander, en vond ik een wijder gebied voor discussie. Een handvol vrienden die met mij de Bijbellessen volgden in de Mt. Albert Baptist Church waren ook geïnteresseerd in mijn speurtocht naar begrip. Net als ik, vonden zij ook dat het motto van St. Augustinus “Geloofsvertrouwen in het zoeken naar begrip” het paard achter de wagen spannen was. Voor ons was begrip een eerste vereiste voor geloof. Wij wilden bijvoorbeeld begrijpen welke soort ervaring telde als “wedergeboren” zijn. En als men wedergeboren was, kon men dan daarna nog uit de gratie vallen en verdoemd zijn? Wat te denken van de geruststellende doctrine “Eenmaal gered, altijd gered”? Wat was het nut van prediker zijn, of missionaris, als iedereen waartoe je preekt al voorbestemd is voor zaligmaking of verdoemenis?

   Onze beraadslagingen vonden plaats in Bijbelklas, op straathoeken, en in de souterrain slaapkamer van mijn beste vriend. Dit waren heerlijke dagen waarin we de verrukkingen ondervonden van het voor onszelf denken, buiten de begrenzingen van orthodox dogma.

   Maar de weg naar vrij onderzoek verloopt maar zelden gladjes. Nieuws over de moeilijke vragen die mijn naaste vrienden en ik opwierpen in Bijbelklas had consequenties. Mijn ouders wilden dat hogere autoriteiten zich met mijn vrienden en mij bemoeiden om te voorkomen dat onze ketterse neigingen zich tot anderen zouden verspreiden.


BESTRIJDING VAN DE KETTERIJ

   De kerk zette een maandelijkse “Brains Trust” op. Wij moesten vragen insturen, en zij zouden antwoorden zonder daarbij gelegenheid te bieden voor  daaropvolgend debat. Sommigen van ons leerden hun infantiele antwoorden bij voorbaat te ontkrachten door onze vragen in een meer complexe vorm in te bedden. Eén vraag die ik mij herinner ingediend te hebben – schriftelijk – luidde ongeveer zo:

   Mijn vraag is Q. U zou misschien kunnen antwoorden A, of misschien B, of misschien zelfs C. Maar als u antwoord A is, dan moet u problemen 1, 2, en 3 behandelen. En als u antwoord B kiest, dan komt u tegenover probleem 4 en 5 te staan. En als u antwoord C kiest, dan ….

   En zo verder. Ze verwierpen de laatste vraag die ik ze stuurde. Die was meer dan drie en een halve pagina’s lang. Onze Brain Trust sessies werden al spoedig beëindigd.

   Vervolgens werd ik naar een paar “experts” gestuurd voor raadgeving. Mijn ouders hadden al lang volgehouden dat er genoeg christelijke gelovigen waren die veel knapper waren dan ik. En ik kon niet anders dan daarmee instemmen.

   Om te beginnen besteedde ik een avond met de President van het Baptist Theological College, maar hij gaf het al op voor het negen uur was. Daarna kwam een dag bij de vermaarde Dr. E.M. Blaiklock thuis in Titirangi, Professor en Head of Classics van de Universiteit van Auckland, een vriend van mijn vader, “Oom Ted” voor mij vanaf mijn kindertijd, en bij gelegenheden lekenpreker in de kerk. Als een jongen van 15 bewonderde ik hem, dus bereidde ik mij bedachtzaam voor.


BLAIKLOCK OVER DE HISTORICITEIT VAN JEZUS

   Onze daglange discussies bestreken een veelheid van onderwerpen. Eén had te maken met de historiciteit van Jezus. Recentelijk had hij een preek gehouden waarin hij het volle gewicht van zijn klassieke kennis tot uitdrukking had gebracht om te bewijzen dat Jezus in feite ongeveer 2000 jaar geleden geleefd had. Het merendeel van de congregatie was verbolgen. Waarom zoveel aandacht besteden aan het voor de hand liggende, de onbetwistbare voorwaarde voor ons geloof? Maar ik was gefascineerd. Dus roerde ik de vraag opnieuw aan.

   Tegen die tijd had mijn eigen kleine speurtocht naar de historische Jezus een schijnbare inconsistentie opgeleverd in de weergave van de geboortedatum volgens de evangeliën. Mattheüs 2:1 zei dat hij geboren was “in Bethlehem in Judea, tijdens de regering van Herodus, ….” En aangezien Herodus in het jaar 4 v.C gestorven was, betekende dit dat mijn vroegere aanname van een geboorte bij het begin van het jaar 1 verkeerd moest zijn.

   Maar het werd nog erger. Want Lukas 2:2 zei dat hij geboren was “tijdens het bewind van Quirinius over Syrië.” Maar dat, zover ik kon nagaan, was in het jaar 6. Blaiklock’s voorgestelde oplossing was te beweren dat Quirinius al eens eerder gouverneur van Syrië was geweest, gedurende de periode 6-4 v.C. Dat leek destijds goed genoeg, dus gingen we verder met andere zaken. 

   Pas tientallen jaren later ontdekte ik de waarheid.

   In de eerste plaats ontdekte ik dat het door Blaiklock aangevoerde argument, waardoor de twee evangelieverhalen toch met elkaar in overeenstemming zouden zijn, onecht was. Zowel hij als ik hadden verzuimd rekening te houden met Lukas 2:1. Want daarin vinden we dat de bewindsperiode van Quirinius waarin Jezus geboren was samenviel met de periode waarin Augustus Caesar een decreet uitvaardigde dat “alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven”. Maar dat was gedurende de tweede termijn van Quirinius, dat wil zeggen in of na het jaar 6. De inconsistentie met Mattheüs 2:1 is nog net zo echt als ik al eerder had gedacht. Dus op de evangelieverhalen kan zeker niet vertrouwd worden.

   En in de tweede plaats vond ik uit dat onafhankelijk historisch bewijs voor zelfs maar het bestaan van Jezus, laat staan voor de beweerde datum van zijn geboorte, eenvoudig niet bestaat. In zijn boek Man or Myth (1983) bekent Blaiklock dat “Jezus op geen andere manier buiten de evangeliën authentiek verklaard wordt behalve door Josephus, en door één zin van een Romeinse historicus.”

   Maar hij negeerde het feit dat de meeste Nieuwe Testament wetenschappers de passages in Josephus beschouwen als interpolaties die in de vierde eeuw ontstonden. Veel geleerden denken dat ze van de hand van bisschop Eusebius komen, die er ook van verdacht wordt een brief te hebben vervalst die Jezus aan ene Abgarus geschreven zou hebben. In ieder geval waren deze passages niet bekend aan eerdere christelijke apologeten, zoals Origen, die zijn afkeuring van Josephus had uitgesproken omdat deze Jezus niet noemde.

   Wat de Romeinse historicus betreft, Tacitus, dient opgemerkt te worden dat de “ene zin” waaraan Blaiklock refereert, in de eerste helft van de tweede eeuw geschreven werd en dat deze, naar het oordeel van veel geleerden, niet meer is dan een rapport over wat door christelijke missionarissen in die tijd gezegd werd.

   Het is dan ook geen wonder dat de goede professor, toen hij in Appendix 2 van zijn boek een lijst gaf van de belangrijke data in die periode, hij specifiek kon zijn over veel figuren, maar niet over Jezus. Het jaar 5, zei hij, was het jaar waarin Seneca geboren werd. Maar het was slechts het “veronderstelde” jaar van Jezus’ geboorte. En, nog meer van zijn twijfels blootgevend, beschreef hij 29 n.C als het “veronderstelde jaar van de kruisiging.” En voor veel van de belangrijke geschriften van de eerste eeuw kon hij vol vertrouwen het jaar van  publicatie geven, maar geen voor de Evangeliën.

   Dus wanneer vond de wederopstanding dan plaats, indien ooit? De Evangeliën, bol staand van inconsistenties, absurditeiten, feitelijke onjuistheden en evangeliserende propaganda, zijn historisch onbetrouwbaar. En seculiere geschiedenis uit die tijd weet niets van zo’n verondersteld glorieuze gebeurtenis, of van andere die in de Evangeliën worden beschreven. Het feit is dat Blaiklock niet wist, noch iemand anders zeker weet wanneer – of zelfs, of – God (of de Heilige Geest of Jezus Christus) deze onbetekenende planeet van ons ooit bezocht heeft (en dat allemaal om, zoals verondersteld wordt, een paar van de “uitverkorenen” te vrijwaren van zijn ongepaste vergelding).


BLAIKLOCK OVER HET KWAAD, VRIJE WIL EN VERANTWOORDELIJKHEID

   We besteedden het grootste deel van de dag echter aan de zaken die mij het meeste dwarszaten: de problemen van moreel en natuurlijk kwaad; het probleem van hellevuur en verdoeming; het probleem van uitzonderlijkheid (waarom God zijn plan voor universele redding aan slechts een handvol mensen had aangekondigd, slechts eenmaal en op één plaats); vragen over de doctrine van verlossing en waarom God het bloedoffer van zijn zoon zou eisen om boete te doen voor de zonden van zijn schepselen; vragen over hoe schepselen geschapen zonder tekortkomingen – Satan, Adam en Eva – uit de gratie konden vallen; waarom, volgens de doctrine van de oorspronkelijke zonde, God zonde zou wijten aan alle nakomelingen van Adam en Eva; enzovoort.

   Vragen over vrije wil en verantwoordelijkheid beheersten het gesprek. Niet alleen in verband met de doctrine van voorbestemming, maar ook in andere verbanden. Het was me toen al duidelijk geworden dat, hoewel ik in bepaalde opzichten feitelijk handelde “uit mijn eigen vrije wil” en verantwoordelijk was voor de daden die ik dan verrichtte, er ook een “diepere” zin was waarin ik vrij noch verantwoordelijk was. Ik kon niet inzien waarom alles op mijn bordje moest komen. Tenslotte had ik niet uitgekozen wie ik zou worden: wie mijn ouders waren bijvoorbeeld, of welk soort ziel ik had (als ik die had). Hoe kon ik dan eindverantwoordelijk zijn voor wat ik was, en daardoor deed? Het was deze diepere zin van beide concepten die bedreigd werd door voorbestemming natuurlijk, want – volgens deze doctrine – was het God die uiteindelijk verantwoordelijk was voor mijn vrijwillige daden en voor mijn laatste lot.

   Mijn eigen eindverantwoordelijkheid voor mijn vrijwillige daden werd ook bedreigd, vond ik, door andere factoren die weinig met theologisch doctrine te maken hadden. De Tweede Wereldoorlog woedde, en het was allemaal Hitler’s schuld. Of dat dachten we allemaal. Een vreemde vraag achtervolgde mij: “Wat als ik Hitler was geweest?” Dan zou ik gedaan hebben wat Hitler deed, dacht ik; en het zou allemaal mijn fout zijn geweest. Ik vroeg me niet alleen af “Als ik nu eens geboren was in dezelfde omstandigheden als Hitler?” Het was meer een kwestie van identiteit, vooral persoonlijke identiteit: “Als ik nu eens identiek aan Hitler zou zijn?” Hij had net zo min zijn identiteit gekozen – wie hij was – als ik dat had. Dus was hij werkelijk schuldig voor de daden die voortvloeiden uit zijn persoonlijkheid?

   Tot vandaag de dag weet ik nog niet zeker hoe deze vraag te beantwoorden, of zelfs of die wel logisch zinvol is. Hij is misschien nog meer verwarrend dan de vraag die tientallen later gesteld werd door de filosoof Thomas Nagel, die vroeg: “Hoe is het om een vleermuis te zijn?” Maar hij zette me wel aan het denken, hoe gelukkig ik ben dat ik in feite Ray Bradley ben, niet Adolf Hitler. Was dat enkel het geluk van het lot, om het zo maar te zeggen? Om mijn perplexiteit, en mijn gevoel van geluk, terug te brengen binnen een theologische context, voelde ik de kracht van het gezegde, “Daar, slechts voor de gratie Gods, ga ik.” Was Hitler uiteindelijk verantwoordelijk? Was iemand – ander dan God, natuurlijk – verantwoordelijk? Blaiklock zei dat het allemaal een mysterie was waarvoor God te zijner tijd het antwoord zou openbaren.

   Hitler’s naam kwam opnieuw ter sprake in verband met het probleem van het morele kwaad. Ik wilde weten waarom God zijn schepselen, zoals Hitler, zou toestaan zoveel moreel kwade daden te plegen? Blaiklock’s antwoord, net als dat van andere christelijke apologeten, toen en nu, was dat God ons de gave van vrije wil had geschonken en die niet van ons weg kon nemen zonder ons in zombies te transformeren.

   Maar er was toch zeker een derde alternatief, wierp ik tegen. God kon bijvoorbeeld Hitler toestaan vrijelijk zijn beleid te kiezen, maar dan door middel van een tijdig wonder zeker maken dat Hitler’s bedoelingen gedwarsboomd werden. Waarom kon hij hem niet treffen met een hartaanval, of zeker maken dat er een mechanisch gebrek zou optreden in het vliegtuig waarin hij vloog? Waarom kon hij niet op een dergelijke manier tussenbeide komen, iedere keer dat iemand zulke kwade bedoelingen had? Dat zou onze vrije wil niet wegnemen. In tegendeel, we zouden al spoedig leren kwade bedoelingen niet om te zetten in kwade daden. En we zouden evenmin zombies zijn, net zo min als de miljoenen mensen wereldwijd die ieder jaar “getroffen” worden door ziekte of ongeluk.

   Blaiklock beriep zich opnieuw op het bijbelse pseudogeloof in de vrije wil, om mijn vragen over natuurlijk kwaad te kunnen beantwoorden: Waarom schiep God een wereld vol ziektes en rampen, branden, overstromingen, hongersnood en de rest? “Geef de duivel de schuld” was Blaiklock’s antwoord. Gods oorspronkelijke schepping, beweerde hij, was perfect, en God had die zeer nauwgezet overzien en gezegd dat die “zeer goed” was. Het was de duivel, Satan, die hem bedorven had. God, werd ik verondersteld te geloven, had Satan ook de gave van vrije wil geschonken – een gift die hij misbruikt had om Gods goede werk te bederven, in ons nadeel.

   Maar dat volstaat niet, wierp ik tegen. Aangezien God verondersteld wordt almachtig te zijn, zou hij met gemak op ieder moment – en liever nu dan later – Satan zijn verschrikkelijke macht kunnen ontnemen, waardoor zijn kwade bedoelingen machteloos zouden worden. Volgens het boek van Openbaringen zou God te zijner tijd Satan voor eeuwig in ketenen slaan. Dus waarom deed God dat nu niet? Waarom had hij dat niet in de eerste plaats gedaan, zodra Satan zijn misdadige carrière begon? Alweer, het was allemaal mysterie.

   Blaiklock deed zijn best. Maar het was niet genoeg. Het een diep mysterie te noemen verhoogde eenvoudig mijn verlangen tot de kern van het mysterie door te dringen, de tegenstrijdigheden bloot te leggen en de onverdedigbare doctrines te verwerpen. Alleen de rede kon dat doen. Geloofsvertrouwen sloot alleen de deur van het mysterie af en probeerde de sleutel te verbergen.

   Tegen het einde van een dag die mijn intellectuele uithoudingsvermogen tot het uiterste had beproefd , deed hij een simpele bekentenis: “Ray, ik kan jouw vragen niet beantwoorden. Alles wat ik kan doen is je te vragen is naar de Bible Training Institute Bookroom te gaan en de volgende boeken te kopen…. Lees en bid. ”Hij schreef een substantiële cheque uit. Ik kocht de boeken, waaronder C.S. Lewis’ The Problem of Pain. Ik las. Ik bad. Maar de hemelen bleven gesloten.

   Ongeveer twintig jaar later (in 1965 of '66, zover ik mij herinner), kruisten Blaiklock en ik de zwaarden opnieuw, maar op een meer gelijke basis. Toen was ik al benoemd tot professor en Hoofd van de Filosofiefaculteit van de Universiteit van Auckland, en werd gevraagd mijn “Ucle Ted” te betrekken in een serie van tien lunchpauze debatten. Onze laatste sessie duurde meer dan twee uur in aanwezigheid van bijna 1.000 studenten. Zijn welsprekendheid was niet te evenaren: hij was tenslotte University Orator. Maar mijn argumenten werden niet beantwoord. In veel opzichten praatten we gewoon langs elkaar heen.

   In het jaar daarvoor had ik een soortgelijke serie van tien debatten gevoerd met professor Val Chapman van de Botanische Afdeling.  Tegen het einde daarvan werd mij verteld dat de president van de Student Christian Movement van zijn geloof was gevallen en het niet eerder terug kreeg dan nadat men hem drie weken lang bewerkt had. Dat was waarom een van de campus kapelaans professor Blaiklock gerekruteerd had, in de hoop dat hij zou bewijzen een waardiger tegenstander te zijn – en dat was hij.


ANDERE MIJLPALEN OP DE WEG NAAR AFVALLIGHEID

   Maar terug naar mijn tienerjaren. Een paar andere mijlpalen verdienen het genoemd te worden in mijn pogingen de waarheid na te jagen waar die ook maar gevonden kan worden.

   In het jaar voorafgaand aan mijn gesprekken met Blaiklock in Titirangi, besloot onze vierde klas leraar Engels en Geschiedenis, Maurice Hutchins, dat we de kunst van debatteren zouden leren. Het gekozen onderwerp was: “Schepping versus Evolutie”. Ik verklaarde me bereid om, samen met een Zevende Dag Adventist, op de bres te staan voor de schepping. Ik begon alle anti-evolutie literatuur te onderzoeken waaronder ik bedolven werd, nu mijn opdracht bekend was. 


HET EVOLUTIE DEBAT

   Ongeveer drie weken later vond het debat plaats. Die avond moest ik mijn ouders het resultaat rapporteren. Ze bespeurden mijn terughoudendheid om uit te weiden over mijn simpele mededeling dat we met ongeveer twee stemmen hadden gewonnen. Pas onder druk bekende ik dat ik, hoewel winnend, niet meer kon geloven wat ik beweerd had.

   Volgens mij stond de anti-evolutie literatuur die ik gelezen had vol valse argumenten tegen de botte karikaturen die men gemaakt had van wat evolutionisten werkelijk gezegd hadden. En dat ik gedacht had dat de argumenten voor evolutionaire ontwikkeling van de oppositie aardig overtuigend waren. Bovendien, wees ik er op, bestond er verschil tussen geloven in een schepping (dat het universum zijn bestaan zou danken aan een scheppende god) en geloven in creationisme (dat de wereld geschapen was op de manier die in Genesis wordt weergegeven, compleet met soorten die “in overeenstemming met hun soort” reproduceerden).

   Mijn ouders waren woedend. Ik was, zeiden ze, “door de duivel bezeten.” Geen geruststellingen van het tegendeel hadden enig kalmerend effect. Ik eindigde met het grootste deel van een vriezende nacht door te brengen in een betonnen schuilplaats tussen de schapen in de krater van Mount Albert. Maar ik heb mijn woorden nooit teruggenomen.


CHRISTIAN CRUSADERS

   En een jaar later, in 1945, viel het dezelfde leraar, Maurice Hutchings, op dat ik een Christian Crusader badge droeg. Hij vroeg me of ik veel van de geschiedenis van de Kruistochten wist, en suggereerde dat ik daar meer over te weten moest komen. Ik deed dat onderzoek. En ik gooide de badge weg.


BOEDDHISME

   Het volgende jaar, toen ik in de zesde klas zat, won ik een essay competitie en koos The Life of Buddha als mijn prijs. De ethiek van Siddhartha Gautama Buddha, ontdekte ik, was met  een interval van ongeveer zes eeuwen voorafgegaan aan het grootste deel van de Bergrede, waar zo over gepocht werd. En Siddhartha zelf kwam over als nogal wat wijzer en deugdzamer dan Jezus. Van de doctrine van samara, het wiel van reïncarnatie raakte ik niet overtuigd. Maar het idee van karma, de vruchten van iemands daden (in deze wereld tenminste), sneed hout. En zijn notie van nirvana, een conditie van niets-heid waarin sensaties noch ideeën voorkomen, waarin alle persoonlijke identiteit verloren is, scheen zowel meer aannemelijk als meer plezierig dan het christelijke vooruitzicht van een eeuwigheid in de hemel voor een enkeling, of in de hel voor de meesten.

   Ik heb nog even geflirt met Madame Blatavsky’s Theosofie – een van de negentiende-eeuwse spin-offs van het Boeddhisme – maar kwam al gauw tot de conclusie dat dit hoofdzakelijk abracadabra was.

   Tegen de tijd dat ik zeventien was, en overdag Auckland Teachers College volgde en onderwijl aan een parttime cursus voor een graad aan de universiteit begon, had ik het christendom zo goed als opgegeven, evenals alle andere vormen van geopenbaarde religie.


DEÏSME

   Toch dacht ik nog even dat een bepaalde vorm van deïsme verdedigbaar was, deïsme het geloof zijnde in een soort Opperwezen dat de wereld geschapen had en die daarna aan zijn lot had overgelaten. Ik probeerde de standaard filosofische argumenten – het kosmologisch argument, het teleologisch argument en het ontologisch argument – in de senior preek wedstrijd op een Bijbelklas kamp in Orewa. Ik bereikte een gedeelde eerste plaats met een van de studenten van het Baptist Theological College, maar werd bekritiseerd wegens het “minder evangelisch” zijn dan mijn rivaal. Eigenlijk was ik verbaasd nog zo hoog geëindigd te zijn, want de argumenten die ik naar voren had gebracht leken mij ondeugdelijk, ondanks mijn beste pogingen om er een positieve draai aan te geven. Dat was de laatste keer dat ik werkelijk dacht een rationele basis te vinden voor geloof in enig soort religie: theïsme, of zelfs deïsme. 

   Niettemin hing ik nog even het liberaalchristelijke idee aan dat de Jezus mythe bewaard moest blijven wegens de morele waarden die er in verankerd lagen. Maar toen werd ik weer pijnlijk geraakt door de doctrine van hellevuur, en kwam tot dezelfde conclusie als Mark Twain. Zoals hij het had gesteld: “De prijs voor boosaardigheid moet aan Jezus worden toegekend, de uitvinder van de hel….”

   En voor wat het agnosticisme betreft, dat scheen mij een toevluchtsoord voor de angstigen en ruggegraatlozen, voor diegenen die niet konden inzien of verdragen dat ze atheïst waren, niet agnostici, over Santa Claus. En zo, op de leeftijd van 18 jaar was ik een atheïst over alle goden en andere schepselen van verbeelding, mythe en bijgeloof. Eerst nog een zelfverklaarde “atheïst”; en een beetje later, een ongegeneerde atheïst. Niet meer bang voor de duivel zijnde, zag ik geen noodzaak terug te deinzen voor dat  onmodieuze woord.


NAWOORD

   Gegeven wat ik u van mijn verhaal verteld heb zover, zou het u vergeven kunnen worden te veronderstellen dat mijn strijd om mijzelf te bevrijden van de ketenen van het Baptistische geloof in een atmosfeer van rozengeur en maneschijn plaatsvonden. Wat te zeggen van de meer duistere kant die we normaal associëren met de term “fundamentalisme”? Afkeer van films, dansen, onzedelijke kleding, lippenstift, alcohol en dergelijke? Verboden tegen werk – zelfs huiswerk - op de dag des Heere? Blasfemie aanklachten? Boekverbrandingen? Mishandeling van degenen die het wagen van mening te verschillen? Helaas heb ik dat alles ervaren van de kant van diegenen die het meest oprecht geprobeerd hebben mijn ziel van verdoemenis te redden: mijn ouders.

   De boekverbranding gebeurde toen mijn biologieleraar, Peter Ohms, mij een studieboek leende waarin de evolutietheorie werd uiteengezet, en een roman die St. Paulus afschilderde als een vrouwenhater die af en toe ontspanning zocht in het warme vlees van een vrouw van de nacht. Beide boeken verdwenen op mysterieuze wijze van mijn boekenplank. Pas na ondervraging van mijn ouders kwam het lot van beiden aan het licht. Ze waren in de vuilverbranding geworpen, samen met “overig vuil”. Mijn leraar was grootmoedig. Maar dat kon mijn schaamte en woede niet uitwissen.

   Vooral de pakken slaag lieten hun merk op mij achter – niet in het minst de gebroken neus die mij werd aangedaan na het evolutiedebat, voordat ik naar de bergtop vluchtte. Die waren begonnen toen ik 10 of 11 was, met de confrontaties die ik met mijn moeder in de keuken had over zaken die met Gods voorkennis te maken hadden. Ze duurden voort, met toenemende gestrengheid, toen mijn afvalligheid duidelijker werd en de vrees voor mijn ziel intenser. En ze eindigden pas toen onze naaste buur, Balfour Joseph, tussenbeide kwam en dreigde de politie te roepen als het weer gebeurde.

   Ik zal niet langer stilstaan bij deze lelijke, maar al te veelvuldige manifestaties van fundamentalisme. In plaats daarvan zou ik willen besluiten met een boeketje van aforismen om bij u te dragen als u mijn verhaal overweegt:


   'De huidige zogenoemde “evangelische christenen” zijn fundamentalisten gekleed als schapen, maar veel van hen hebben nog steeds wolventanden.'
___ 
   'Liberale christenen hebben hun fundamentalistisch erfgoed ingeruild voor  een mengsel van breedsprakigheid, maar zijn er op vooruit gegaan. Onverzettelijk geloof is niet een teken van sterkte of deugd, maar van intellectuele en morele zwakte.'
___
   'Geloof in de onschendbaarheid van geloof zelf is het ultieme sacrament van hen die de rede hebben opgegeven voor onredelijke religie.'
___
   'Geen geloof kan de ultieme scheidsrechter zijn tussen zichzelf en andere geloven: allen moeten zich onderwerpen aan het tribunaal van rede en ervaring.' 
___

   En tenslotte, ( met een knipoog naar de bedekte seksuele toespelingen die men vindt in vrouwelijke mystici als St. Teresa van Avila): 

   'Mysterie, als een verlegen maagd, smacht ernaar haar geheimen bloot te geven. Maar geloof sluit haar in een kuisheidsgordel om het verlangen van de ratio te dwarsbomen.' 

_____


Bron: http://www.infidels.org/library/modern/testimonials/bradley.html


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort