visitors on myspace
GODS GRAFDELVERS: MORAAL EN WETENSCHAP | POSITIEF ATHEÏSME <>

GODS GRAFDELVERS: MORAAL EN WETENSCHAP

image7313

RAYMOND D. BRADLEY







HERDENKINGSDIENST

Lang geleden, in 1922 schreef de Amerikaanse essayist H. L. Mencken een klein essay getiteld “Memorial Service” ("Herdenkingsdienst"). Hier is hoe hij begon:

  "Waar is de begraafplaats van dode goden? Welke talmende rouwende besprenkelt nog hun grafheuvels? Er is een tijd geweest dat Jupiter de koning der goden was, en iedereen die aan zijn macht twijfelde ipso facto een barbaar en ignoramus was. Maar waar in de hele wereld is vandaag nog een mens die  Jupiter
 vereert? En wat is er van Huitzilopochtli terecht gekomen? In één jaar – en het is niet meer dan vijfhonderd jaar geleden – werden 50.000 jongelingen en maagden geslacht om aan hem te worden geofferd."

   Mencken vervolgde met het noemen van een totaal aan 189 heidense goden.Hij vertelde hoe miljoenen hen aanbaden; hoe mensen generaties lang werkten om reusachtige tempels voor ze te bouwen; hoe ze door priesters, evangelisten, bisschoppen en aartsbisschoppen gediend werden; hoe twijfel aan hen de dood betekende, gewoonlijk op de brandstapel; hoe legers er op uit trokken om ze tegen ongelovigen te verdedigen; en hoe dorpen werden platgebrand, vrouwen en kinderen afgeslacht, en het vee meegenomen. Hij besluit met er op te wijzen dat ze allen:

"... goden met de grootste reputatie en waardigheid waren – goden van beschaafde volken – vereerd en geloofd in door miljoenen. Allen waren theoretisch almachtig, alwetend en onsterfelijk. En allen zijn dood.' 


DE DOOD VAN DE GODEN

   Wat bedoelt Mencken met de “dood” van deze goden?

   Niet dat ze eens in werkelijkheid bestaan hebben en dat nu niet meer doen. Eerder dat een god sterft als niemand meer in hem, haar of het gelooft. Sterft wanneer die god verdwijnt uit het pantheon van de betreffende religie, of wanneer die religie zelf verdwijnt. Sterft als erkend wordt dat die alleen in fabels heeft bestaan, niet in feite.

   Menckens beeldspraak vindt zo vaak toepassing dat misverstand onvermijdelijk is. Nietzsche paste het op befaamde wijze toe op het idee van de christelijke God. De wiskundige John C. Lennox gebruikte het in zijn recente boek "God’s Undertaker: Has Science Buried God?" ("Gods begrafenisondernemer: Heeft de wetenschap God begraven?") En Terry Pratchett gebruikte het in zijn kostelijke satirische roman "Small Gods" ("Kleine Godjes").

   Al deze heidense goden werden eens beschouwd als bovennatuurlijke wezens, die in hun eigenschappen aan ons waren verwant. Wezens waarvan de acties aangewezen werden als directe oorzaak van natuurlijke fenomenen: aardbevingen, tsunami’s, bliksem en donder, overstromingen, hongersnood, ziekten, zons- en maansverduisteringen en dergelijke.

   Maar nu, zoals Mencken stelde, zijn ze allen dood. De geschiedenis van geloof in bovennatuurlijke oorzaken voor natuurlijke fenomenen is onpeilbaar. Buiten het domein van religieus geloof, overleeft het alleen nog onder degenen die lichtgelovig genoeg zijn om in geesten, klopgeesten en dergelijke te geloven. Het bovennatuurlijke heeft plaats gemaakt voor het natuurlijke, bijgeloof voor wetenschap. Wat filosofen methodologisch naturalisme noemen, speelt nu die rol in de wetenschap die methodologisch supernaturalisme, zogezegd, eens speelde in de heidense religies.

   De goden welke Mencken noemde, hebben welke epistemologische geloofsbrieven die ze ooit maar gehad mogen hebben verloren, wat ook maar de bewijsgronden en verklaringen waren voor het gezag dat ooit aan hen werd toegekend.

   Hetzelfde geldt voor hun morele kwalificaties. Tegenwoordig beschouwen we de eisen die deze goden aan hun volgelingen stelden met afschuw. Mensenoffers, tempel prostitutie en slavernij bijvoorbeeld. Zo ook de barbaarsheden die hun volgelingen begingen tegen de aanhangers van rivaliserende goden: willekeurige afslachting, marteling en vervolging.

   De wrede opdrachten van deze goden leggen ons geen verplichtingen meer op. De Huitzilopochtlis van religie zijn dood en begraven, en de wereld is er beter door geworden.

   We hebben nu geen reden meer te geloven in het bestaan, laat staan in de causale doeltreffendheid, of in de morele geboden van enige god die het tot Mencken's lijst haalde.


GOD, VOLGENS DE MONOTHEÏSTEN

   Maar wat te zeggen over de geopenbaarde goden van het monotheïsme, waarnaar gewoonlijk gerefereerd wordt als de goden van het theïsme? De God van het Jodendom? De God van het Christendom? En de God van de Islam? Momenteel gelooft meer dan de helft van de wereldbevolking van harte in de een of ander van deze goden. En vergeet de God van het deïsme niet, het vagelijk voorgestelde “Opperwezen” waarin zoveel niet-kerkelijken geloven. Zijn hun claims voor geloofwaardigheid of achtenswaardigheid ook maar iets beter dan die van hun heidense rivalen?

   Atheïsten, waarvan ik er een ben, vinden van niet. Het is zelfs zo dat ik zal beargumenteren dat de intellectuele geloofsbrieven van deze goden niet beter zijn dan die van de heidense goden, en dat de morele kwalificaties van de theïstische goden zelfs nog veel slechter zijn.


HET CONCEPT VAN GOD

   Ten eerste wil ik een verwarring opklaren over de term “God”.

   Neem iedere krant, tijdschrift, of boek over theologie, religiefilosofie, of vergelijkende religies, en u vindt de term “God” gebruikt als een eigennaam, alsof het slechts één object is dat het aanduidt.

 Maar dat is duidelijk verkeerd. Als iemand u zegt dat hij of zij in God gelooft, is het zinvol te vragen, 'Welke god?' Is het de Hebreeuwse god “Jahweh” zoals in de Tenach geopenbaard wordt (ruwweg, het Oude Testament)? Is het God de Vader, God vleesgeworden in Jezus, als geopenbaard in het Nieuwe Testament? Is het Allah als geopenbaard in de Koran? Of is het de god van een deïst – van iemand die niet gelooft in enige van de goden van geopenbaarde religies, maar zich genoodzaakt voelt het bestaan aan te nemen van een supernatuurlijk wezen, een opperste intelligentie die het universum geschapen heeft en die daarna voor ons verborgen bleef? Iedere gelovige zal het zelfstandig naamwoord “God” gebruiken als een eigennaam voor zijn of haar eigen object van verering, en zal waarschijnlijk volhouden dat zijn object van verering anders is dan dat waarnaar de volgelingen van andere religies, denominaties of sekten refereren. En ze zouden daarin gelijk hebben. Iedere god verschilt van al die anderen in de eigenschappen die hij verondersteld wordt te bezitten. Vandaar dat ze niet identiek kunnen zijn.

   Het is een feit dat de term “God” met een hoofdletter net zo functioneert als de eigennaam “Mary”, in die zin dat daarmee veel verschillende personen als dragers van die naam erkend worden. 

   En er is nog een punt dat veel mensen vergeten. Alleen omdat “God” functioneert als eigennaam, volgt hieruit nog niet dat er werkelijk een entiteit bestaat waarvan dit de naam is. “Santa” is een eigennaam. Maar hieruit volgt niet dat Santa bestaat. En de vraag die ik als jong kind stelde, toen ik geconfronteerd werd met al de Santa’s in de winkels van Auckland, 'Welke is de echte Santa, mama?' wordt het best beantwoord door te zeggen, 'Er is geen echte Santa, lieverd. Alleen namaak.'

   Dus hoe ga ik dan de term “God” gebruiken, als ik als atheïst zeg dat ik niet geloof dat God bestaat? Ik ben van plan die te gebruiken als een soort variabele eigennaam voor welk object of groep objecten ook maar, waarvan mensen denken dat die bestaan, als ze die term gebruiken.  

   Eén voorbehoud echter. Ik ga aannemen, zoals de meeste filosofen en theologen doen, dat wanneer mensen het over God hebben, ze het over een soort bovennatuurlijk iets, of een spiritueel wezen hebben, of menen te hebben. In mijn eigen gebruik van die term zal ik dat voorbeeld volgen. Ik zal het zeker niet hebben over een pantheïstisch voorgestelde entiteit zoals Spinoza’s ‘God-als-identiek-aan-de-natuur-zelf’, of Paul Tillich’s en Bisschop Spongs abracadabra van ‘God-als-de-basis-en-diepte-van-alle-zijn’. Kortom, ik zal mijn gebruik van die term beperken tot supernatuurlijke goden.


HET CONCEPT VAN ATHEÏSME

   Ten tweede, de term “atheïst”. Zoals die normaal wordt gebruikt, is die van toepassing op iedereen die niet in het bestaan van God gelooft.

   Let wel dat atheïsten niet alleen staan in hun ongeloof. In een bredere betekenis van de term zijn alle religieuze gelovigen ook atheïstisch: atheïstisch over alle goden ander dan hun eigen. Theïsten bijvoorbeeld geloven evenmin in het bestaan van een van de heidense goden als Mars, Venus of Pluto als ze geloven in Santa Claus of de tandenfee. Atheïsten voegen slechts de goden van theïsme en deïsme toe aan hun lijst van denkbeeldige goden.

   Men zegt soms dat atheïsme niet bewezen kan worden. Theïsten zeggen het triomfantelijk. Agnosten zeggen het om daarmee hun vrijblijvendheid te rechtvaardigen. Beiden geven de oude bewering ten beste, “Je kunt een negatief niet bewijzen” alsof dat iets zou bewijzen. Maar dat is dwaas. “Negatieven kunnen niet bewezen worden” is zelf een negatief!

   En het is onjuist. Sommige negatieven zijn eenvoudig te bewijzen. De stelling “Er bestaat geen grootste priemgetal”, is er een van. Het kan bewezen worden, zoals Euclides aantoonde, door middel van een reductio ad absurdum. Als het concept van iets – een bepaald soort priemgetal bijvoorbeeld, of van een God die alwetend is maar niet in staat de gevolgen van zijn eigen daden te voorzien – een tegenstrijdigheid inhoudt, is het vaak makkelijk het negatief te bewijzen.

   Of kijk eens naar het meer alledaagse negatief, “Er is geen boter in de koelkast”. Dit negatief kan empirisch bewezen worden door de inhoud uit de koelkast te verwijderen en alles zorgvuldig te onderzoeken. In dit geval is het idee of er boter in de koelkast is – anders dan het idee van het grootste priemgetal – consistent met zichzelf, maar inconsistent met het bewijs. Op dezelfde wijze zou ik willen beweren dat bepaalde concepten van God, hoewel niet zelf-contradictorisch, inconsistent zijn met onbetwijfelbaar bewijs over de aard van de wereld. Het feit dat die kwaad bevat, bijvoorbeeld.

   En nog een punt dat vaak genegeerd wordt. In veel gevallen gaat de eis voor zogenaamd bewijs voor het negatief te ver. Ik zou u niet durven vragen te bewijzen, in de zin van elk van bovengenoemde gevallen, dat Santa niet bestaat. Dit niettegenstaande, durf ik te wedden dat u niet gelooft in Santa. En ik wed dat u vindt dat uw ongeloof gerechtvaardigd is. Het bestaan van Santa, zou u kunnen zeggen, is niet onmogelijk, maar het is hoogst onwaarschijnlijk. Waarom?

   U zou kunnen wijzen op de houdbaarheid, als het ware, van soortgelijke kindergeloven. Misschien heeft u ooit wel geloofd in de tandenfee bijvoorbeeld, of in elfjes achter in de tuin, of in boze heksen en tovenaars, maar gelooft u daar nu niet meer in. En aangezien geloof in Santa wel iets heeft van hetzelfde soort bijgelovige nonsens, kwam er een punt in uw kindertijd waarop u het van de hand wees als niet meer geloofwaardig.

   U zou ontdekt kunnen hebben dat het huidig geloof in Santa  niet op bewijs van zijn bestaan gebaseerd is, maar op erkende mythes zoals die over de voorchristelijke heidense god Odin, of dat het enkel een verfraaiing is van historische verhalen over de vierde-eeuwse christelijke bisschop Sint Nicolaas van Myra.

   En er zijn zelfs nog krachtiger redenen die tot uw huidige ongeloof in Santa’s bestaan zouden kunnen leiden. Het is niet alleen omdat u nog nooit goed bewijs voor zijn bestaan bent tegengekomen, want u moet tenslotte toegeven dat er een element van waarheid is in het motto: “Afwezigheid van bewijs is niet hetzelfde als bewijs van afwezigheid.” Het is eerder zo dat een cumulatief argument opgebouwd kan worden voor het niet bestaan van Santa. U redeneert dat als hij zou bestaan, u redelijkerwijze zou mogen verwachten dat hiervoor veel bewijzen tevoorschijn zouden moeten zijn gekomen, maar dit in feite nooit deden.

   De hypothese dat Santa bestaat genereert heel veel redelijke verwachtingen, welke allen onvervuld blijven. Als Santa bestond, zou het bijvoorbeeld redelijk zijn te verwachten dat hij roetige voetafdrukken zou nalaten als hij van de schoorsteen naar je bed liep. Het zou redelijk zijn te verwachten dat iemand hem werkelijk gezien had, snel genoeg achter zijn rendieren door de lucht racend om ieder goed kind in de christelijke wereld te bezoeken en daar enige tijd aan te besteden, en dat alles binnen de tijdsruimte van slechts één avond. Je zou verwachten dat iemand in staat zou zijn je een geloofwaardige verklaring te geven over hoe hij de wetten van de natuur op die manier kon verbreken. Enzovoort.

   Dit soort van overwegingen voor bewijs, wil ik benadrukken, zijn veel krachtiger dan die welke enkel te maken hebben met simpel gebrek aan bewijs. Het bestaan van Santa is onaannemelijk, onwaarschijnlijk zelfs, aangezien er cumulatieve rationele verwachtingen over zijn bestaan zijn, die geen van allen vervuld worden. Ik noem dit het argument van Cumulative Unfulfilled Rational Expectations, afgekort CURE. (Cumulatieve Onvervulde Rationele Verwachtingen). (Vert.: Een treffend acroniem in dit verband, als u beseft dat “cure” ook genezing betekent.)

   In het volgende zal ik mij soms beroepen op de kracht van CURE argumenten als genezing voor degenen die volgens mij lijden aan een onaannemelijk geloof in het bestaan van God – een waanidee, zoals Richard Dawkins dat noemt.

   Samen genomen met natuurlijke verklaringen voor de oorzaken van dergelijk geloven, en de bestaansgeschiedenis van soortgelijke geloven, leveren CURE argumenten zo ongeveer het sterkst mogelijk bewijs dat geboden kan worden voor atheïstisch ongeloof in enige god, waarvan het concept in zich zelf consequent, en consequent met onbetwistbare feiten is. Dus mag u van mij verwachten de overeenkomsten  tussen geloof in Santa en geloof in God te benadrukken – alsook de overeenkomsten tussen Santa en veel van de hoofdpersonen die een rol spelen in de Bijbel, in het bijzonder Mozes en Jezus.


DE CONCEPTEN VAN NATURALISME EN SUPERNATURALISME

   Ten derde, de termen “naturalisme” en “supernaturalisme” vereisen enig nader commentaar. 

   Naturalisme (soms bekend als metafysisch materialisme) is een filosofische – meer specifiek, een ontologische – theorie over de aard van de realiteit. Deze stelt dat de uiteindelijke bestanddelen van realiteit het soort dingen zijn waarmee natuurwetenschap zich bemoeit (subatomische deeltjes en hun basiseigenschappen), samen met complexen daarvan en hun daaruit voortvloeiende eigenschappen (eigenschappen van samenstellingen die de samenstellende delen niet bezitten). Naturalisme laat daarom geen ruimte voor het idee dat we geesten zijn die fysieke machines bewonen, oftewel het idee dat onze geest de dood van onze lichamen zou kunnen overleven. Het tegendeel te veronderstellen is – naar mijn mening - toe te geven aan wat ik het “Cheshire Cat drogbeeld” noem, zoals weergegeven in Lewis Carroll’s verhaal over de kat die vervaagde totdat alleen zijn grijns overbleef, in "Alice in Wonderland". Alsof een grijns een substantieel bestaan zou kunnen hebben, onafhankelijk van het fysieke gezicht waarvan het de eigenschap was!


SUPERNATURALISME STAAT IN TEGENSTELLING TOT NATURALISME

   Supernaturalisme heeft een dualistische ontologie. Het erkent het bestaan van de natuurlijke wereld, en is geneigd de autoriteit van de natuurwetenschappen te erkennen – natuurkunde, scheikunde, biologie en de rest - voor zover die gaat over de beschrijving daarvan. Maar het houdt vol dat er meer in de werkelijkheid steekt dan waarover gedacht wordt in de filosofie van de naturalist, en meer dan toegankelijk is voor wetenschappelijk onderzoek. Behalve de natuurlijke wereld zou er een bovennatuurlijke zijn: een wereld die bewoond wordt door zulke wezens als zielen die het lichaam ontstegen zijn, door God en zijn engelen, of Satan en zijn hordes.

   Sommige mensen zeggen dat metafysische theorieën als naturalisme en supernaturalisme in principe niet empirisch falsificeerbaar zijn. Maar dit is een sjibbolet, het product van oppervlakkig denken.

   Het is waar dat supernaturalisme niet empirisch falsificeerbaar is. Er bestaat bijvoorbeeld geen manier om de bewering te falsificeren dat de natuurlijke oorzaken van een fenomeen de middelen zijn waarmee God uitvoering geeft aan de verwezenlijking van zijn plan.

   Maar in contrast daarmee is het gemakkelijk een mogelijke situatie voor te stellen waarin naturalisme als onjuist kan worden aangetoond.

   Stelt u alleen al eens voor, dat het apocalyptische visioen van evangelische christenen zou gaan plaatsvinden, op een manier die iedere poging tot natuurlijk verklaring zou weerstaan, een uitleg in termen van massale misleiding bijvoorbeeld. Stelt u het zich eens in concreet detail voor. Iedereen in de wereld, sceptici zowel als gelovigen, hoort het oorverdovende geschal van trompetten. Iedereen ziet Jezus vanuit de hemelen neerdalen in een wolk van glorie. En in de grote tenhemelopneming, aan de komst waarvan ware gelovers nog steeds niet twijfelen, worden de trouwe gelovigen van over de hele aardbol zichtbaar omhoog genomen om zich met Jezus in de lucht te verenigen, auto’s zonder bestuurders achterlatend, echtgenoten zonder echtgenotes, ouders zonder kinderen, en de wereldbevolking permanent uitgedund. Als deze bevestiging van Jezus’ tweede komst zou plaatsvinden, zou ik mijzelf als het ware door God in het gezicht geslagen voelen, en zou ik ras op mijn atheïstische stappen terugkeren. Ik zou het misschien zelfs verstandig vinden te bidden voor een derde komst, voor gelovers achteraf, zoals ik.

   Het probleem met supernaturalisme is dat niets dat daar maar vaag op lijkt, ooit heeft plaatsgevonden. Haar hele bestaansgeschiedenis is zo onpeilbaar dat bij een frequentie interpretatie van de waarschijnlijkheidstheorie u het een waarschijnlijkheid toe zou willen kennen die nul benadert.

   Beschouw deze situatie als volgt. Van alle miljarden en miljarden gebeurtenissen, groot en klein, die iedere seconde van iedere dag om ons heen plaatsvinden, voor hoeveel daarvan denkt u een supernaturalistische verklaring nodig te hebben? Als een nieuwe gebeurtenis zich voor onderzoek presenteert – de gebeurtenis van een nieuw fenomeen in de kosmos bijvoorbeeld, of de plotselinge verschijning van een nieuw virus – waar zou u op wedden? Wat zou u meer waarschijnlijk achten? Dat er in principe een natuurlijke verklaring voor kan worden gegeven? Of dat het door een supernatuurlijk iets werd veroorzaakt? Wat zou u denken van iemand die op abstracte wijze redeneerde dat er voor iedere gegeven gebeurtenis maar twee verklaringen mogelijk zijn, een natuurlijke en een supernatuurlijke, en daaruit concludeerde dat er 50/50 kans is dat supernaturalisme bestaat? Of dat het een 50/50 gok is of God bestaat?

   Supernaturalisten maken vaak bezwaar tegen het feit dat de wetenschap zichzelf beperkt tot het zoeken naar uitsluitend natuurlijke oorzaken. Waarom, zo vragen zij, sluiten wetenschappers hun geest voor de mogelijkheid van bovennatuurlijke oorzaken? 

   Welnu, wetenschappers bezitten de capaciteit om van ondervinding te leren, en gezien in het licht van de hopeloze prestaties van supernaturalisten, oordelen zij het beter vanuit de aanname te beginnen dat een naturalistische verklaring opnieuw voor de hand ligt.

   In ieder geval zijn er te veel supernatuurlijke wezens, waarvan men de tussenkomst in principe kan inroepen – niet alleen die welke tot nu toe in de menselijke verbeelding tevoorschijn werden getoverd, maar bovendien nog talloze anderen. Denk alleen al aan de reeks mogelijke godheden die omvat worden binnen de groep religies die bekend staan als theïsme. Het Jodendom, Christendom en de Islam zijn nog maar het begin. Elk heeft weer zijn eigen sekten en afsplitsingen, ieder met hun eigen unieke voorstelling van God. Alleen het Christendom al kent meer dan 38.000 denominatische varianten. En er worden er iedere dag nog meer bijgemaakt. Supernaturalisten, als ze hun denken in het abstracte uitvoeren, moeten rekening houden met de mogelijkheid dat ieder van deze rivaliserende godheden kan worden ingeroepen als verklarende oorzaak, en dat ze a priori gelijkelijk waarschijnlijk zijn. Maar welke, indien enige, is de “ware” god?

   Let wel, er zijn ontelbaar veel mogelijke natuurlijke verklaringen die ook verbeeld kunnen worden. Dus het verschil zit hem niet alleen in aantallen. Het zit eerder in het feit dat natuurlijke verklaringen verantwoording verschuldigd zijn aan het tribunaal van ondervinding, en dat dit tribunaal iedere verklaring verwerpt die haar onderzoek niet doorstaat.

   In regelrecht contrast daarmee, aanvaarden supernaturalistische hypotheses eenvoudig geen enkel bewijs om tegen ze te tellen. Daardoor is er geen manier die bewijzen af te zonderen die vals zijn. En een hypothese die in overeenstemming is met alles dat zou kunnen gebeuren, kan in feite niet verklaren waarom dit gebeurt in plaats van dat. Dit is de logische gedachte die achter de methodologische praktijk ligt, dat om voor wetenschappelijke status in aanmerking te komen, een hypothese falsificeerbaar moet zijn, dat wil zeggen dat de onwaarheid ervan aangetoond moet kunnen worden. Alleen dan kan de filterende praktijk van de wetenschap die hypotheses elimineren die door bewijs worden weerlegd, en ons op die manier dichter bij de waarheid brengen. Er bestaan geen dergelijke praktijken voor de evaluatie van supernaturalistisch geloof.

   Supernaturalistische bewijzen zijn door de mand gevallen. De begraafplaats voor goden is nog niet vol. Maar de godheden van de antieke Egyptenaren, de Vikingen, de Azteken en soortgelijke, die eens allemaal een rol speelden in het opvullen van de hiaten in het menselijk begrip van hoe de natuur werkt, zijn heen gegaan. Er zijn nog maar relatief weinig van deze hiaten overgebleven.

   En, ga ik nu beargumenteren, het helpt niet om die hiaten op te vullen met de overlevende goden.

   Om mijn punt te maken zal ik ten eerste de argumenten beschouwen die gebaseerd zijn op openbaring (argumenten voor het soort god waarvan beweerd wordt dat die in de Bijbel is geopenbaard), en ten tweede, argumenten uit rede en ondervinding (argumenten die zich beroepen op niet geopenbaarde redenen om in God te geloven).


ARGUMENTEN UIT OPENBARING

   Voor bijna twee millennia werd de westerse beschaving gedomineerd door Gods Woord, de Bijbel. En zelfs nu nog wordt God, als geportretteerd in de Bijbel, vereerd door meer dan de helft van de wereldbevolking.  

   God, de bijbelse God, wordt verondersteld alwetend te zijn, almachtig en moreel volmaakt; en de Bijbel wordt verondersteld zijn autobiografie te zijn.  

   Als dat nu het geval is, dan zou daaruit moeten volgen dat alles wat de Bijbel voorschrijft voor ons geloof, datgene is wat we zouden moeten geloven. Zo’n god moet altijd alleen zeggen wat waar is, nooit wat onwaar of zelfs maar misleidend is. Als de Bijbel het woord van een goddelijk wezen is, en niet van menselijke wezens, moet die het ultieme ijkpunt zijn voor waar geloof. Dit is de onderliggende redenering voor de doctrine van onfeilbaarheid, dat de Bijbel geen fouten bevat over feitelijke zaken of morele zaken.

   Een overtuigend argument kan voor deze stelling aangevoerd worden. Zoals prof. Gleason Archer het stelt:

  "ls de geschreven openbaring vergissingen bevat, dan kan deze nauwelijks nog voldoen aan haar beoogde doel, welk is om op betrouwbare wijze de wil van God aan de mens over te brengen, voor zijn verlossing. Waarom dit zo is? Omdat een aantoonbare vergissing in één deel, tot de mogelijkheid leidt dat er vergissingen kunnen staan in andere delen van de Bijbel. Als de Bijbel een mengsel van waarheid en fouten blijkt te zijn, dan wordt het een boek als alle anderen."  

   Hij doet een beroep op de gevaren van glad ijs. Als je toegeeft dat bepaalde delen onwaar zijn, hoe kun je dan beoordelen welke delen waar zijn? Het risico is dat als de Bijbel niet voor onfeilbaar wordt houden, dat wij GLEASON ARCHER                         het dan zijn en niet God, die de scheidsrechters worden over de bijbelse waarheid. En wij zijn natuurlijk feilbaar.

 

   U zou kunnen denken dat de doctrine van onfeilbaarheid het product is van simplistisch zwart-wit fundamentalistisch denken. U zou kunnen denken dat degenen die dit uitdragen weinig weten over de manier waarop de Bijbel was samengesteld of dit negeren, of over de grillen van de geschiedenis die indertijd leidde tot zijn heiligverklaring in 382 n.C. U zou kunnen denken dat ik een stropop opricht om de God van de Bijbel makkelijker te kunnen neerhalen.

   Maar dat doe ik niet. Veel van de knapste hedendaagse christelijke filosofen onderschrijven dit doctrine expliciet. Onder hen treffen we zulke bekenden aan als William Alston, Peter van Inwagen en Alvin Plantinga. Allen zijn, zoals Plantinga het stelt, 'mensen van het Woord, die de Heilige Schrift accepteren als speciale openbaring door God zelf.' Naar zijn mening: 'De Heilige Schrift is onfeilbaar: de Heer maakt geen vergissingen; wat hij voorschrijft voor ons geloof is wat wij behoren te geloven.' En van Inwagen zegt, 'Ik accepteer volledig de leer van mijn denominatie dat de Heilige Geschriften van het Oude en Nieuwe Testament het geopenbaarde Woord van God zijn.' Alston is van mening dat 'een groot deel van de geschriften bestaat uit verslagen over communicaties tussen God en mens'. Hij zegt ook dat God doorgaat zichzelf te openbaren aan 'oprechte christenen' van vandaag, op manieren die variëren van verhoord gebed tot gedachten die zomaar in iemands geest opkomen.

   Menen deze lieden dit echt? Wat zou hun uitvlucht zijn wanneer ze geconfronteerd worden met 2Kronieken 4:2, dat een verkeerde waarde geeft voor de mathematische constante pi (de verhouding tussen omtrek en diameter van een cirkel)? Wat zouden ze zeggen over de talloze inconsistenties die de Bijbel bevat? Bijvoorbeeld, tussen 2Samuel, dat zegt dat de Heer David opdroeg: 'Ga in Israël en Juda een volkstelling houden' en 1Kronieken waarin staat dat het Satan was, niet de Heer, die opdracht gaf. Hoe zouden ze de wetenschappelijke absurditeiten verantwoorden, zoals een schepping in zes dagen, de onveranderlijkheid van soorten, en de wereldwijde overstroming (een gebeurtenis die door sommige bijbelse genealogen gecalculeerd werd te hebben plaatsgevonden op 27 februari 2267 v.o.j., en die, zoals de Australische geoloog Ian Plimer aangeeft, 'hatelijk genegeerd' werd door de Egyptenaren van die tijd)? Ik kan mij niet voorstellen wat hun antwoorden zouden zijn. Ze roepen onfeilbaarheid uit tot algemeen doctrine zonder acht te slaan op zijn specifieke toepassingen.

   Toch zijn er verscheidene listigheden waarop zij zich zouden kunnen beroepen. 

   Ze zouden kunnen toegeven dat de Bijbel – zoals we die nu hebben – inderdaad enige fouten van wiskunde, logica, kosmologie, geologie en historie bevat, maar volhouden dat die ontstaan zijn uit verbastering van sommige verloren gegane originele geschriften die God vroeger onfeilbaar had doorgegeven aan schriftgeleerden. Ze zouden zich kunnen beroepen, zoals Alston schijnt te doen, op een onderscheid tussen die delen van de Heilige Schrift die onfeilbaar zijn en die welke dit niet zijn – zonder te zeggen waar die scheidslijn ligt, natuurlijk! Maar deze vragen blijven nog steeds van kracht: Welke delen van de Bijbel, als die er zijn, zijn waar en welke niet? En wie, behalve een aan vergissingen onderhevig mens, wordt verondersteld hierover te beslissen?

   Ze zouden hun toevlucht kunnen zoeken tot het figuratieve. Dat was St. Augustinus’ truc om met christelijke ignoramussen af te rekenen die de wetenschap van zijn dagen afwezen. Hij schreef: 

  "Vaak weet een niet-christen iets over de aarde, de hemelen, en andere delen van de wereld, over de bewegingen van de sterren en zelfs hun afmetingen en afstanden, …. en over deze kennis is hij zeker uit rede en ondervinding. Het is dus aanstootgevend en schandelijk voor een ongelovige om een christen nonsens te horen spreken over deze dingen, en te beweren dat wat hij zegt gebaseerd is op de Heilige Schrift."

   Augustinus zou het wel gehad kunnen hebben over de verdedigers van het huidige zogenaamde “Wetenschappelijk Creationisme”. Naar zijn mening verdienden zij het om uitgelachen te worden voor wat hij noemde hun “uiterst dwaze en duidelijk onware verklaringen.” Augustinus zou zich in zijn graf omdraaien als hij gehoord zou hebben van de bewering van de negentiende-eeuwse Philip Gosse dat God de fossielen op hun geplaatst gelegd zou hebben om ons 'geloof op de proef te stellen.' En hij zou zich nog een keer omdraaien als hij de recente creationistische bewering hoorde dat God het universum pas een paar duizend jaar geleden geschapen zou hebben, met het licht van de verre sterren al onderweg. En als Augustinus nog steeds met ons zou zijn, zou hij er zelfs samen met mij op kunnen wijzen dat dit soort listigheden van God een grote bedrieger maken, en niet alleen maar een groot ontwerper.

   Maar het figuratieve stelt ons voor ernstige problemen. Als passages die letterlijk fout zijn verondersteld worden alleen allegorisch geïnterpreteerd te worden, waarom heeft God ze dan niet in de eerste plaats in een onschuldige, allegorische vorm gesteld?

   Dit stelt bijvoorbeeld Peter van Inwagen voor een probleem.

   Peters excuus voor God die liegt dat hij het universum geschapen heeft binnen de tijd en op de manier zoals die wordt weergegeven in Genesis hoofdstuk 1, is dat God slechts twee keuzen had. Of hij zou dit soort vereenvoudigd verslag kunnen geven, dat begrijpelijk zou zijn voor de voorwetenschappelijke mensen waarmee hij communiceerde, of hij had gedetailleerd wetenschappelijk verslag kunnen doen, iets dat iedereen verbluft zou hebben tot aan laat in de twintigste eeuw toe. Nu is Peter een zeer knappe kop. Dus ik weet nog niet zeker aan wie ik een gebrek aan verbeelding moet toekennen: aan hem of aan God.

   Ik zou er zelf geen problemen mee hebben om op een versie van het scheppingsverhaal te komen die zowel begrijpelijk zou zijn voor voorwetenschappelijke geesten, als vatbaar voor interpretatie in het licht van het huidige wetenschappelijk inzicht. Hier komt die: 

   "In den beginne schiep God een grote vuurbal. Vanuit dat vuur kwamen na verloop van tijd de hemelen en een veelvoud aan sterren voort. Onder die sterren was onze zon, die omcirkeld werd door veel planeten, inclusief onze eigen aarde. En uit de wateren en de klei in die aarde groeiden de zaden van alle leven. Na verloop van tijd groeiden die zaden uit in vele verschillende vormen. Sommigen groeiden uit tot planten.  Sommigen groeiden uit tot dieren. En anderen bleven zo klein dat het oog van de mens ze niet kon zien.
   Zoals de eikel de eik wordt, zo brachten veel van de vroegste planten en dieren nieuwe vormen van planten en dieren voort. En zoals de eik zijn takken uitstrekt, hebben deze nieuwe vormen van leven zich in vele richtingen vertakt. In het verloop van de tijd zijn veel van deze vertakkingen weer gestorven en hebben hun skeletten in de rotsen achtergelaten. Maar velen vertakken zich nog tot aan deze dag toe.
   Vanuit de vroegste zaden van leven ontstonden aan de uiteinden van deze takken de vruchten van vandaag: de grassen en de oogst van het veld, de dieren die zich hieraan voeden, en de mens die zich voedt aan beiden. En gelijk een oogwenk zich verhoudt tot de levensduur van vele generaties van mensen, zo verhoudt de levensduur van vele generaties mensen zich tot de tijd die voorbij gegaan is sinds de zaden van het leven ontstonden op het gezicht der aarde. En God was voldaan over alles dat gegroeid was uit de grote vuurbal die hij had geschapen. Want het was allemaal verlopen zoals hij het gepland had, en het behoefde zijn verdere hulp of begeleiding niet meer." 

   Mijn verhaal, in tegenstelling tot dat van God, zou niet geleid hebben tot de veroordeling van Giordano Bruno, die op de brandstapel zijn eind vond voor het suggereren dat ons zonnestelsel niet het enige is. Het zou niet geleid hebben tot de veroordeling van Galileï, die huisarrest kreeg opgelegd omdat hij de kosmologie van Copernicus steunde. Het zou niet geleid hebben tot de verwerping van Darwin, wiens naam nog steeds een gruwel is voor nietswetenden die de onfeilbaarheid van de Bijbel aanhangen. Het zou niet geleid hebben tot de anti-intellectuele, antiwetenschappelijke dogma’s van fundamentalistische joden, christenen en moslims. Het zou niet geleid hebben tot de achterlijke instellingen die vandaag de Verlichting dreigen te ontmantelen en ons terug te voeren naar de duistere middeleeuwen.

   Als God alle eeuwigheid tot zijn beschikking heeft gehad om daarin zijn verhaal op te maken, en het nog steeds zo verkeerd had, waarom had ik dan minder dan een uur nodig om op mijn probleemloze versie te komen?

   Wist God dan niet dat de meeste van zijn lezers zijn woorden letterlijk zouden uitleggen? Als dat zo is, dan is hij niet alwetend. Of maakte hij zich geen zorgen over hun onbegrip? Als dat zo is, dan is hij niet volmaakt goed. Of had hij de taalkundige competentie niet om precies te zeggen wat hij bedoelde? Als dat zo is, dan is hij niet almachtig.

   Tegenwoordig geloven de meeste liberale joden, christenen en moslims niets meer van Gods scheppingsverhaal.

   Hun redenatie is niet alleen dat er geen bewijs bestaat voor de waarheid van zijn verhaal. Het is dat als Gods verhaal waar zou zijn, er dan ook massa’s bewijs voor die waarheid zouden moeten bestaan, dat zulk bewijs nog niet aan het licht gekomen is, en dat er wel overweldigend veel wetenschappelijk bewijs bestaat voor zijn onwaarheid. Bovendien realiseren velen zich nu dat de scheppingsverhalen in de Bijbel gemodelleerd werden naar eerdere scheppingsmythes, naar door mensen verzonnen mythes, in plaats van naar goddelijke openbaring.

   Maar hoe staat het dan met de bijbelse verhalen over Mozes en de uittocht? En met de geboorte, dood en wederopstanding van Jezus? Zijn die meer van ons geloven waard?

   Om redenen veel uitvoeriger dan ik hier kan schetsen, denk ik van niet.

   Kijk in de eerste plaats eens naar het geval van Mozes en de uittocht van de kinderen van Israël uit Egypte. Het bijbelboek Exodus vertelt ons dat de kinderen van Israël voor 430 jaren in het land van Egypte woonden voordat ze door de zee ontsnapten, en daarna veertig jaar lang door de Sinaï woestijn rondzwierven. Toch is het soort bewijs dat ieder rationeel mens redelijkerwijze zou verwachten als dit verhaal waar zou zijn, totaal afwezig. Het verhaal wordt op een ahistorische wijze verteld: geen data bijvoorbeeld, en geen identificatie van welke farao verondersteld werd hen te hebben laten gaan. Egyptische historici, die opmerkelijk zijn voor de details die ze vastlegden over belangrijke personages en gebeurtenissen, hebben niets te melden over enige van deze gebeurtenissen, of over de rampen waarvan de Bijbel beweert dat die hen toen troffen.

   Archeologen kunnen geen spoor vinden van meer dan een miljoen mensen die destijds in Egypte woonden of in de Sinaï, wanneer “destijds” ook maar geweest moge zijn. Bovendien hebben eigentijdse Israëlische archeologen als Israël Finkelstein geconcludeerd dat het hele scenario een schandelijke fabel is. De Hebreeuwen kwamen niet naar het land van Kanäan vanuit Egypte. In plaats daarvan waren zij stammen uit het Kanäanitische hoogland die geleidelijk aan de rest van Kanäan innamen, stammen wier hoofdzakelijke contacten met Egyptenaren beperkt waren tot de periode dat de Egyptenaren hun land bezetten, in plaats van zij het hunne. En wat de persoon van Mozes betreft, de grote held van de Thora: onderzoek toont aan dat zijn verhaal gemodelleerd is naar de veel oudere mythen over figuren zoals Bacchus, Prometheus en Sargon.

'Heeft er ooit een persoon als Mozes bestaan?' vroeg Voltaire, een deïst van verbazingwekkende eruditie en kritisch intellect. Zijn conclusie? Dat het verhaal van de bijbelse god over Mozes en de uittocht zowel 'absurd als barbaars' is.  

   Dat ben ik met hem eens. Het is zuivere mythe. Maar het is niet een onschuldige mythe. Fundamentalistische joden citeren het als rechtvaardiging voor hun wrede en barbaarse bezetting van Palestina, het Groot-Israël waarvan de Bijbel zegt dat God het hen gegeven heeft. En Palestijnen lijden daar onnoemelijk onder terwijl ik dit zeg.

   En wat te denken van de zogenaamde historische Jezus? Ook hier weer missen de verhalen – want er bestaan vier verschillende en inconsistente versies van – op merkwaardige wijze enige solide historische ondersteuning. We VOLTAIRE                                  kennen de data van Jezus’ geboorte en dood niet, of van enige van de gebeurtenissen die verondersteld worden plaats te hebben gevonden gedurende zijn leven. Werd hij geboren toen Herodus koning was, in 7 v.o.j. misschien? Of werd hij veertien jaar later geboren, in de tijd toen Augustus Caesar aan Cyrenius opdracht gaf een volkstelling te houden voor belastingdoeleinden? Het evangelie van Mattheüs zegt het eerste, dat van Lukas het laatste.

   Waarom heeft Josephus of enig andere tijdgenoot de massamoord op de zuigelingen niet weergegeven die Herodus zou hebben laten uitvoeren toen hij over Jezus’ geboorte hoorde? Waarom heeft Seneca, of Pliny de Oudere, de wereldwijde duisternis niet gerapporteerd die gepaard ging met Jezus’ dood? Waarom heeft geen van de meer dan zestig seculiere historici en geschiedschrijvers die tussen de jaren 10 en 100. leefden, enige van de daden van deze Godmens beschreven? Waarom was het niet eerder dan ongeveer zestig tot negentig jaar na zijn geboorte dat summiere verhalen over zijn carrière verteld werden door de pseudonieme auteurs van de vier evangeliën?

   Waarom heeft Jezus zijn eigen autobiografie niet geschreven, waarin hij zijn verhaal in de eerste persoonsvorm zou kunnen hebben verteld? Als hij een incarnatie van God was en om de toekomst van de mensheid gaf in deze wereld , en niet alleen in een koninkrijk dat nog moest komen, waarom leverde hij dan bijvoorbeeld geen permanente bijdragen aan wetenschap en geneeskunde, in plaats van obscurantistische belemmeringen tegen het begrijpen van fenomenen zoals mentale ziekten? Als hij werkelijk in vlees en bloed heeft bestaan, waarom geloofden zo veel vroege christenen – de Docetisten – dat hij niet meer was dan een geest of verschijning? Als hij werkelijk een incarnatie van God was, waarom was er dan een stemmenmeerderheid in de Raad van Nicea in 325 nodig om zijn status te bevestigen? Waarom is de Jezus-mythe gemodelleerd naar talloze andere mythe van stervende en wederopstaande godheden als Osiris, Adonis, Tammuz, Odin en Mithras? 

   Stel uzelf genoeg van deze vragen, over wat u redelijkerwijze mag verwachten het geval te zijn, maar dat toch niet is, en u ziet voor uzelf de kracht van mijn CURE argumenten voor zijn niet-bestaan: mijn cumulatieve zaak van onvervulde rationele verwachtingen. 

   'Was er een historische Jezus?' Albert Schweitzer stelde de vraag in zijn "The Quest of the Historical Jesus" uit 1922. ("De zoektocht naar de historische Jezus").  Maar een antwoord zal ons ontgaan tenzij en totdat men ons duidelijke criteria verschaft over wat zelfs maar telt als een positief antwoord. Als u mij vraagt of er ooit een gewone man – een reizende goochelaar misschien, of de figuur die weergegeven wordt in de kostelijke roman van C. K. Stead "My Name was Judas" – die ongeveer in die tijd leefde en over wie de mythen geleidelijk groeiden, ben ik agnostisch. Maar als u mij vraagt of een wonderdoener bestond die aan de omschrijving in de Bijbel voldoet, kan ik vol vertrouwen zeggen dat het antwoord nee is. Over het historisch bestaan van die Jezus ben ik overtuigd atheïstisch. Blijkbaar geeft de Talmoed het leven en de dood weer van een man waarvan de beschrijving lijkt op de bijbelse Jezus. Maar die Jezus – Jezus Ben Pandira – werd aan een boom opgehangen op de vooravond van het joodse paasfeest Pascha tijdens de regering van Alexander Jannaeus in ongeveer 100 v.o.j. Ik laat het aan diegenen over die nog steeds hopen de historiciteit van Jezus te bevestigen, om te zeggen of Ben Pandira in aanmerking kan komen als de historische persoon naar wie zij zoeken.  

   Ik zeg hier natuurlijk niets nieuws. Deïsten als Voltaire, Thomas Jefferson en Thomas Paine hebben het eerder gezegd. De menselijke geest, schreef Paine, werd “achteruitgezet” door in zo’n god te geloven.  

   De intellectuele geloofsbrieven van de heidense goden, zoals ik al eerder zei, bleken hopeloos te zijn. Hetzelfde geldt voor de intellectuele kwalificaties van de bijbelse god. We hebben goede gronden, gebaseerd op rede en ervaring, om de beweringen van die god als wetenschappelijk en historisch fraudulent af te wijzen. Als God de Heilige Schrift als deel van zijn curriculum vitae zou overleggen aan een selectiecommissie die haar huiswerk had gedaan, dan zouden zij hem als een charlatan afwijzen. Het is daarom bedroevend dat meer dan de helft van de wereldbevolkinghem tot hoogste autoriteit in de citadel van hun geloof benoemd heeft.

   Hoe staat het met de morele kwalificaties van de bijbelse god? Die zijn nog veel slechter dan die van de Huitzilopochtlis van het heidendom. Slechter zelfs dan die van Satan, bijbelse personificatie van het kwaad.

   Waarom dit harde oordeel? Antwoord: God leverde de reden hiervoor in zijn curriculum vitae.

   Voor diegenen die het nog nooit gelezen hebben, of die het wel gelezen hebben, maar de inhoud vergeten zijn of met de mantel der liefde hebben bedekt, bied ik een paar herinneringen.

   Ten eerste heeft deze god zichzelf niet alleen de kwalijke rol van de heidense goden toegekend als directe veroorzaker van natuurlijke fenomenen als aardbevingen, vulkanische uitbarstingen, overstromingen, blikseminslagen, teisteringen en hongersnoden. Deze god pocht er ook voortdurend over die te gebruiken om te verwonden, te verminken, te verhongeren of te verdrinken, en op andere manieren miljoenen en miljoenen mensen te vermoorden (“ieder levend ding op het gezicht van de aarde”, volgens Genesis). Ziekten en rampen zijn Gods wapens van massavernietiging. Tenminste, dat vertelt hij ons.  

   Ten tweede beveelt deze god, in de rol van Opperbevelhebber van zijn uitverkoren volk, en als rolmodel voor zijn volgelingen, de afslachting zonder mededogen van honderdduizenden vrouwen, kinderen en zuigelingen; vergoelijkt hij slavernij en menselijke brandoffers; dreigt hij van mensen kannibalen te maken die hun ouders, echtgenoten, echtgenotes en kinderen opeten; om ongeboren kinderen uit hun moeders buik te laten scheuren, en blijkt hij zich te verlustigen in dit vooruitzicht.

   Ten derde stelt deze god, in de persoon van zijn zoon Jezus, het gemeenste van alle mogelijke lotsbestemmingen in het vooruitzicht voor de meerderheid van de mensheid: marteling voor onbeperkte duur in het vuur van de hel.

   Voor de goede orde, er zijn minstens dertien passages alleen al in Mattheüs, waarin Jezus spreekt over het lot van degenen die naar de hel gaan – een lot dat hij beschrijft als 'eeuwig', als 'vurig', als een plaats van 'onblusbaar vuur', als een plaats waar 'geween is, en knarsen van tanden'. Paulus, in 2Thessalonicen, kijkt reikhalzend uit naar de tijd wanneer, in zijn woorden, '…. Jezus, de Heer, vanuit de hemel verschijnt. Dan komt hij in een vlammend vuur en omringd door engelen, door wie hij zijn macht manifesteert; dan straft hij hen die God niet erkennen….'  En Johannes van Patmos, auteur van Openbaring, schildert een beeld van de hel in al zijn voyeuristische obsceniteit als hij ons vertelt dat al degenen wiens naam niet in het boek van leven geschreven stonden – dat wil zeggen allen waarvan Jezus 'vanaf het begin' wist dat ze niet in hem zouden geloven '….in de vuurpoel zouden worden gegooid', een plaats waarin alle ongelovigen in zijn woorden 'de wijn van Gods woede moeten drinken, die onverdund in de beker van zijn toorn is geschonken. Hij zal in vuur en zwavel worden gepijnigd, onder de ogen van de heilige engelen en van het Lam.' (Let wel, dat wil zeggen van Jezus zelf!) 'De rook van die pijniging zal opstijgen tot in eeuwigheid.'

   Is het een wonder dat christenen die God op zijn woord geloven, zichzelf gemarteld hebben met angst over hun eigen eeuwige vooruitzichten, dat ze afvalligen op de brandstapel hebben verbrand teneinde de zielen van die afvalligen te behoeden voor eeuwige verdoemenis, of zuigelingen tegen de rotsen de hersens hebben ingeslagen zodat ze geen kans kregen om ongelovigen te worden? Is het een wonder dat televangelisten in staat zijn de vrees voor het hellevuur te gebruiken om geld in hun kluizen te brengen?

   Hoe komen Gods beschrijvingen van zijn eigen karakter overeen met het geloof dat hij oneindig goed is? Of dat hij de bron is van wat sommigen “De Morele Wet” noemen? Dat doen ze niet.

   Denk eens aan het effect dat deze god op u en mij zou kunnen hebben als we zouden voldoen aan de bijbelse moraal. Denk hierbij in het bijzonder aan de lange lijst van overtredingen – minstens vierendertig – waarvoor het Oude Testament de doodstraf voorschrijft. Deze omvatten een koppige en opstandige zoon te zijn,het slaan of uitschelden van zijn vader en moeder,het ontheiligen van de sabbat,een vrouw te zijn die niet kan bewijzen een maagd te zijn voor het huwelijk, een vrouw te zijn die niet luid genoeg protesteerde toen ze verkracht werd, een godslasteraar te zijn, overspelig te zijn, enige andere goden te vererenof homoseksueel te zijn. Gods aanbevolen straf? Steniging, meestal.

   Wie zou nu nog, kunt u zich afvragen, dit soort moreel primitivisme serieus nemen? Wel, veel moslim fundamentalisten doen dit zeker – de Taliban bijvoorbeeld. En veel christelijke fundamentalisten ook – de Reconstructionisten bijvoorbeeld. Een aanzienlijk en steeds meer invloedrijk deel van de Southern Baptist Convention omvattend – zelf al de machtigste beweging voor evangelisch christendom, eisen de Reconstructionisten, net als hun moslimbroeders, dat hun land een theocratie wordt en geven ze zonder met de ogen te knipperen toe dat het uitvoeren van Gods bevelen onvermijdelijk zou resulteren in de dood van tientallen miljoenen van hun medeburgers. En – God sta ons bij! – zij hebben banden met het Witte Huis van Bush. En met de rechtervleugel van de Republikeinse Partij.

   Het zijn niet alleen de ultrafundamentalisten van theïstische religies die Gods voorschriften serieus nemen. Zelfs de liberale tak van de christelijke kerk – zoals vertegenwoordigd door de Church of England en zijn Episcopale tak – maken zich zorgen genoeg over Gods geboden om zich het hoofd te breken over sommige daarvan, in het bijzonder over wat hij heeft te zeggen over homoseksuelen: dat ze een 'gruwel' zijn die gedood moeten worden in deze wereld, om het volgende leven in de hel te besteden. Vandaar het vooruitzicht van weer een grote scheuring in het christendom en het pathetische excuus door de homoseksuele bisschop Gene Robinson, dat de kerk 'nog steeds probeert Gods wil uit te zoeken' over dit onderwerp. Robinson en aartsbisschop Rowan Williams (die aan de andere kant van het debat staat) horen de Bijbel lezen. Die heeft al lang geleden Gods wil bekend gemaakt.

   Is God van gedachten veranderd over iets hiervan? Als dat zo is, heeft hij het voor zichzelf gehouden. Toch beweert Alston dat God nog steeds met 'oprechte christenen' communiceert. Zou het kunnen zijn dat al die oprechte joden, christenen en moslims die – ongeveer tweeduizend jaar lang – op kruistochten zijn gegaan met Gods woord op hun lippen, alleen naar zichzelf luisteren, niet naar God? Waarom heeft niemand van hen ooit gemeld dat hij God duidelijk hoorde zeggen: 'Stop! Jullie hebben me verkeerd begrepen.'

   De bijbelse god is niet wat St. Anselmus dacht dat hij was: datgene waarvan niets groter of moreel volmaakter kan worden voorgesteld. Uit zijn eigen mond veroordeelt God zichzelf als datgene waarvan niets gemener, niets kwaadaardiger kan worden voorgesteld.

   'God is liefde' is een macabere grap. Het aardigheidje 'Doe aan anderen wat je zou willen dat anderen aan jou doen' is weinig meer dan propaganda om Gods ware natuur te verdoezelen. De gouden regel kunnen we toejuichen. Maar die is toch wel sterk, vindt u niet, komende uit de mond van iemand die de meesten van ons naar de hel zou sturen? Geen morele wederkerigheid hier!

   De god van de Bijbel is een gevaarlijke godheid en verdient te sterven. Dat wil zeggen, geloof in de bijbelse god is gevaarlijk voor iemands mentale en morele gezondheid en dient uit de herinnering te vervagen. Hij is ook gevaarlijk voor de toekomst van de mensheid.

   Ons met walging afkerende van de bijbelse god, laten we nu eens kijken naar een paar van de overige bovennatuurlijke entiteiten waaraan de titel “God” is verleend. 


ANDERE BOVENNATUURLIJKE GODEN

   Theologen en filosofen van religie nemen vaak afstand van de bijbelse god door in meer abstracte zin te spreken over wat zij 'de god van theïsme' of 'de god van deïsme' noemen. Argumenten van openbaring terzijde stellend, bieden zij argumenten vanuit rede en ondervinding voor het bestaan van een ontwerpende en scheppende God.

   Wanneer die in hun gebruikelijke filosofische dracht gepresenteerd worden, spreken hun argumenten maar zelden aan. Maar als men wetenschappelijke autoriteiten zover krijgt deze te propageren, en media publiciteit te geven, dan zijn de spraakmakende massa’s allemaal in beroering om het laatste nieuws over God te horen. 'Heb je gehoord dat Francis S. Collins (hoofd van het Human Genome Project) wetenschap pas nog 'de taal van God' genoemd heeft?''Wist je dat Oxford mathematicus John C. Lennox vorig jaar (2007) nog stelde dat het theïsme is, niet atheïsme, dat het meest comfortabel binnen de bevindingen van de wetenschap past?'  

   Ik ga een snelle blik werpen op een drietal design en creatie argumenten in hun mooie nieuwe jasjes, en aantonen hoe sleets die zijn. Ze steunen allen, geloof ik, op naïeve en foute concepties van toeval en waarschijnlijkheid.

   De zogenaamde Intelligent Design theorie is het eerst aan bod, en microbioloog Michael Behe’s argument voor onherleidbare complexiteit. Veel attentie is dat niet waard. Anderen meer bekwaam dan ik – inclusief mensen als Francis Collins, een theïstische evolutionist – hebben hiermee al afgedaan en zijn autopsie gepubliceerd.

   "Geen empirische wetenschap, maar religieuze argumenten,' hebben andere wetenschappers gezegd. 'Geen goede argumenten, maar slechte, een opgewarmde versie van het argument van onwetendheid, het god van de hiaten argument. Een argument waarvan de zwakte al herhaaldelijk aangetoond werd door het invullen van hiaten van het soort waarvan Behe voorspelde dat die voor altijd open zouden blijven. Een argument dat afhankelijk is van een waardeloze notie van toeval. Een argument dat, als het solide zou zijn, tot de conclusie zou leiden dat God een klungelaar is die de vaardigheid mist om dingen vanaf het begin efficiënt op te zetten."

   ID haalt God erbij om te verklaren hoe complexe levensvormen konden ontstaan uit eenvoudigere. Maar hoe ontstonden die eenvoudigere levensvormen dan in de eerste plaats?

   Dit is waar een tweede argument voor God van stal wordt gehaald: een argument voor de onwaarschijnlijkheid van biogenesis.

   De voorstanders gaan uit van de aanname, dat vanuit een naturalistisch oogpunt, leven alleen kan zijn begonnen als resultaat van “puur toeval” of “willekeurige” chemische reacties. Daarna beweren ze dat de waarschijnlijkheid dat alle benodigde elementen willekeurig samen komen in de juiste volgorde, om zoiets als een eenvoudige proteïne te vormen – laat staan het eerste zelfreplicerende organisme – verstandsverbijsterend klein is. Ze zeggen dat de waarschijnlijkheid daarvan nog veel kleiner is dan de waarschijnlijkheid dat een aap die willekeurig op de zesentwintig toetsen van een oude typemachine ramt, tevoorschijn komt met een pagina van Shakespeare; kleiner dan de waarschijnlijkheid (zoals gecalculeerd door de astronoom Sir Fred Hoyle) van een blinde die Rubiks kubus oplost terwijl hij iedere seconde één willekeurige beweging maakt; en kleiner dan de waarschijnlijkheid van een tornado die over een schroothoop raast waarop stukken en beetjes van een vliegtuig liggen, en dan een Boeing 747 in zijn kielzog achterlaat, volledig geassembleerd en vliegklaar. Tenslotte pronken ze met de conclusie dat het voorvallen van zo’n toevalstreffer niets minder dan wonderbaarlijk zou zijn, en dat biogenesis alleen teweeggebracht kan worden door ingrijpen van God.

   Maar laten we ons niet laten verblinden door al dit mathematisch vuurwerk.

   Laten we, als logische analogie, het begin van leven voor een gegeven menselijk individu beschouwen. Begin met de aanname dat wij allen het leven beginnen als resultaat van willekeurige chemische interacties tussen de ongeveer drie miljard basis paren waaruit onze ongeveer 20.000 genen zijn opgemaakt. Voeg hieraan toe de componenten van onze rest DNA (ongeveer 97% van het totaal).

   Neem ook de componenten van mitochondrisch DNA in aanmerking. Houd er verder rekening mee dat het lichaam van een typisch volwassen individu gevormd wordt door ongeveer 100 triljoen cellen, en dat onze hersens alleen al 100 biljoen neuronen tellen, waarvan elk ongeveer 7.000 synaptische verbindingen vormt met andere neuronen, en dat zelfs de hersens van een driejarig kind ongeveer 1.000 triljoen synapsen hebben.

   Laten we nu een goede wiskundige vragen om de a priori waarschijnlijkheid te calculeren van alle voorgaande ingrediënten willekeurig gerangschikt, om een gezond pasgeboren kind te produceren. Mijn gok is dat een wiskundige die gek genoeg zou zijn om verder te gaan met de aanname dat al deze factoren onafhankelijk zijn, de waarschijnlijkheid zo 'verstandverbijsterend klein' zou vinden, dat een negen maanden durende zwangerschapsperiode op astronomische schaal tekort zou schieten voor de tijd die dan beweerd zou worden benodigd te zijn om alle arrangementen juist te krijgen. De waarschijnlijkheid dat de opmaak van een gegeven individu zou zijn wat die is, zou niet minder dan een mirakel zijn. Nog een voortplantingsdaad van de Heilige Geest misschien?

   Ik betwijfel of zelfs de meest lichtgelovige creationist de redenatie van dit parallelle argument zou accepteren. Het is een feit dat niemand die ook maar het geringste weet van embryologische theorie ooit de oorspronkelijke veronderstelling zou accepteren, dat menselijk leven ontstaat uit slechts willekeurige chemische reacties.

   Op gelijke wijze zal niemand die ook maar het kleinste beetje over de evolutietheorie weet de veronderstelling accepteren dat biogenesis enkel toegeschreven kan worden aan het blote toeval. Darwin en zijn opvolgers hebben nooit gezegd, noch steun verleend aan iets dat dit ook maar in de verte benadert. Toeval zou een rol kunnen hebben gespeeld. Maar de wetten van natuur- en scheikunde deden dat ook. 

   Het probabilistische argument tegen naturalistische verklaringen voor biogenesis is frauduleus. We hebben goede wetenschappelijke redenen te veronderstellen dat de oorsprong en samenstelling van een menselijk embryo niet slechts resultaat zijn van een willekeurige worp van onze prenatale DNA dobbelstenen. Op gelijke wijze beschikken we over goede wetenschappelijke redenen om aan te nemen dat de oorsprong en samenstelling van het eerste levende organisme niet enkel resulteerde uit willekeurige worpen van de prebiotische moleculaire dobbelstenen.

   Het is aantoonbaar, dat als “toeval” betrokken is in een van deze gevallen, het dat alleen in die zin van dat woord is waarin de “toevallige” uitkomst van een bepaald spel roulette een functie is, niet een verstoring van Newtons natuurwetten, maar van onze gebruikelijke onbekendheid met de exacte omstandigheden – de oorspronkelijke condities – waarop ze van toepassing zijn. Ik zeg ”gebruikelijke onbekendheid” omdat, zoals het boek van Thomas A. Bass "The Eudaemonic Pie" (in het Verenigd Koninkrijk bekend als "The Newtonian Casino") aantoont, kunnen spelers welke een inbreuk op die onbekendheid maken door de toepasselijke data in te voeren in een roulette simulatie op een computer, de waarschijnlijkheid van winnen substantieel vergroten. Kansberekeningen zijn, of horen te zijn, gevoelig voor informatie over de oorspronkelijke condities van het betrokken systeem op enig gegeven tijdstip. Toch ontbreekt dit soort informatie-input in a priori schattingen voor de waarschijnlijkheid van biogenesis.

   Maar hoe komt het dat de aanvangsomstandigheden en wetten van het fysische universum toevallig zo waren dat die een planeet als de onze konden produceren die levensvriendelijk is? 

   Eén antwoord luidt als volgt. A priori moeten we oordelen dat de waarschijnlijkheid dat die zijn wat ze blijken te zijn oneindig klein is – zo klein dat de beste uitleg waarom ze zo zijn is dat God ze op die manier heeft opgezet, om zijn plan voor het universum te kunnen uitvoeren. Dat is de essentie van het derde probabilistische argument voor het bestaan van een supernatuurlijk wezen, een argument waarnaar soms gerefereerd wordt als het argument van afstemming.

   Dit argument kan aangekleed worden in termen van een ontzagwekkende reeks van bewijzen uit de hedendaagse natuurkunde en kosmologie. Om de details hoeven we ons niet te bekommeren. Het volstaat om het op deze wijze samen te vatten:

   Als er complete symmetrie zou hebben bestaan tussen materie en antimaterie in de eerste momenten na de oerknal, dan zouden die elkaar geannihileerd hebben, en zou het universum bestaan hebben uit niets meer dan pure straling, zodat melkwegen, sterren, planeten en mensen nooit zouden hebben bestaan.

   Als de totale massa en energie in het universum, of de sterkte van de zwaartekracht constante ook maar de miniemste fractie zou afwijken, dan zou de mate van haar expansie het huidige bestaan van melkwegen, sterren en planeten niet mogelijk hebben gemaakt: als die sneller was geweest hadden die zich niet kunnen vormen; als die trager zou zijn geweest zou het hele universum al ingestort zijn. 

   We kunnen een hele reeks van universa voor de geest roepen, waarvan ieder verschilt van alle anderen in de exacte waarde van zijn fysische constanten. Dus de waarschijnlijkheid dat één daarvan ons universum zou blijken te zijn is extreem klein. Dat ons universum werkelijk bestaat is een feit dat balanceert op wat Collins noemt 'een meskant van onwaarschijnlijkheid'. De beste verklaring voor de verwezenlijking van ons specifiek universum is dat het geselecteerd werd uit die grote reeks door een wezen niet in het universum, maar op een of andere wijze daar “buiten”, een supernatuurlijk wezen zoals God. Het zou daarom God zijn die een universum selecteerde waarvan de parameters zo fijn op elkaar afgestemd waren dat het te zijner tijd leven zou produceren, en wezens zoals wij. En – zoals het antropische principe ons op triviale wijze voorhoudt – als ons universum niet uitverkoren zou zijn geweest, zouden wij hier niet zijn om er over te spreken.

   De tekortkomingen van dit argument horen duidelijk te zijn.

   Verbeeldt u, als een logische analogie, een wereldwijde loterij waarin ieder lid van de werelds huidige populatie van net over 6,6 miljard een speler is, die ieder een dollar heeft ingezet. Aan ieder persoon wordt een balletje toegewezen met zijn of haar eigen nummer erop geschreven; de balletjes worden in een reusachtige lottomachine geplaatst; en na talrijke omwentelingen valt er precies één balletje uit. Het is duidelijk dat het aantal verschillende fysieke parameters voor elk van de balletjes – zijn exacte locatie en momentum bijvoorbeeld – bij het begin van het proces enorm groot is en de waarschijnlijkheid dat mijn balletje het winnende wordt ongelooflijk laag is. Toch gaat er iemand winnen. Stel dat ik het ben. Ik win 6,6 miljard dollars. Maakt de onwaarschijnlijkheid van mijn winnen het overeenkomstig waarschijnlijk dat de hele zaak van te voren was opgezet? In het bijzonder, maakt dat het overeenkomstig waarschijnlijk dat de hele zaak was opgezet en precies afgesteld door God? Ik denk het niet. 

   Iedereen die het argument van precieze afstelling nog steeds serieus neemt, moet een aantal knap moeilijke vragen beantwoorden. Hier zijn er drie van.

   Ten eerste, als u denkt dat God het universum zodanig heeft afgesteld dat hij ons tot bestaan kon brengen, waarom deed hij dat dan niet al vanaf het eerste begin, ongeveer op de manier die de Bijbel het voorstelt? Waarom liet hij de tijd voor ongeveer 14 miljard jaar voortkruipen om zijn doel te bereiken? Als u gelooft in een god van onbeperkte bekwaamheid die van plan is ons te scheppen en ons zover te brengen dat we in hem geloven zodat hij met ons kan communiceren, welk scenario lijkt u dan het waarschijnlijkst: dat van de Bijbel, of dat van wetenschappelijke kosmologie? Oppervlakkig gezien, is het Bijbel verhaal veel aannemelijker. Toch is dat scenario aantoonbaar fout. Onze rationele verwachtingen over wat een dergelijke god zou doen worden weer niet vervuld.

   Ten tweede, als u het precieze afstelling argument accepteert voor Gods bestaan, dan bent u logischerwijze verplicht de beide andere probabilistische argumenten te verwerpen: het Intelligent Design argument van onherleidbare complexiteit, en het argument van de onwaarschijnlijkheid van biogenesis. Allebei deze andere argumenten stellen dat God het universum niet vanaf het begin goed genoeg afgesteld heeft om het gewenste resultaat te verzekeren. Het argument van precieze afstelling zegt dat hij dat wel deed.

   Nu betekent dit, dat als u het argument van precieze afstelling accepteert, u dan moet toegeven dat dit het verhaal van naturalisme onaangetast laat. Er was geen God nodig om complexe organismen te scheppen uit eenvoudige. Of de eerste levende dingen uit niet-levende. Waarom dan, op dit punt van de zoektocht naar verklaring, zou u een soort uitleg inroepen waarvan u nooit eerder de noodzaak had ingezien? Denkt u echt dat uw begrip verrijkt is door op deze wijze het risico van een reuzensprong voorbij het bekende in het onbekende te maken? Voorbij het natuurlijke in het bovennatuurlijke, voorbij het doorgrondelijke in het ondoorgrondelijke, voorbij het begrijpelijke in het onbegrijpelijke?

   Dit brengt mij tot een derde punt. Zou het aan de wil van God toeschrijven van de fijn-afstelling van fysische constanten werkelijk enige vorm van uitleg inhouden? Als ik, als antwoord op de vraag waarom ik de loterij won, zou zeggen: “Omdat het Gods wil was”, zou u dat antwoord dan als echte uitleg beschouwen? Ik betwijfel het. Dit is een pseudo-uitleg: die kan gegeven worden onverschillig wie gewonnen had. Op gelijke wijze, als iemand op de vraag waarom alleen ons universum datgene is welk bestaat, uit de enorme reeks mogelijke universums met andere fysische constanten, zou antwoorden “Omdat God het op die manier wilde”, zouden we ons realiseren dat ook dit een pseudo-uitleg is, omdat die gegeven zou kunnen worden onverschillig welk universum hij gekozen had. En als we onze zoektocht naar opheldering nog verder zouden doordrijven, door te vragen “Waarom wilde God het op die manier?” zouden we geen ander antwoord krijgen dan iets over de ondoorgrondelijkheid van Gods wil. Kortom, de regressie van verklaringen zou doodlopen. Dus waarom zouden we in de eerste plaats aan een zoektocht voorbij het natuurlijke beginnen? Probeer u nog verder te wagen, en u krijgt al helemaal geen verklaringen meer, slechts de incantatie van een lege vorm van woorden.

   De intellectuele casus voor het geloven in God als de ontwerper van het universum is failliet.

   En hetzelfde geldt als we ons over de morele overwegingen buigen.

   Ieder argument van fijn-afstelling moet niet alleen rekening houden met het enkele feit dat ons universum levenondersteunend is. Het principe van totaal bewijs vereist dat ook rekening wordt gehouden met het feit, waar Hobbes op wees, dat het leven van Gods schepselen “armzalig, smerig, liederlijk en kort” is; dat ook rekening moet worden gehouden met wat religiefilosofen het probleem van natuurlijk kwaad noemen. Waarom zou God het universum nauwkeurig afstellen en ons dan blootstellen aan alle virussen, bacteria en parasieten die ons bedreigen, die ziekten en lijden veroorzaken, en in veel gevallen de dood? Waarom zou hij ons plagen met ziekten als kanker en Alzheimer? Waarom leverde zijn fijn-afstelling van onze planeet al die natuurrampen op – al die “acts of God”, (vert.: Engelse juridische term voor ‘onvermijdelijke gebeurtenis’) zoals die zo toepasselijk genoemd worden – die hun tol eisen van onze levens: aardbevingen, tsunami’s, cyclonen, overstromingen en de rest?

 

  Mark Twain, in zijn postuum gepubliceerde "Letters from the Earth" ("Brieven vanaf de aarde"), heeft al deze ontwerper-schepper goden in moreel perspectief geplaatst. Rampen en ziekten – wat ik Gods massavernietigingswapens heb genoemd – aanduidend als de hoofd bataljons van 'het grote leger van de Schepper' die tegen ons optrekken onder aanvoering van God, hun hoogste bevelhebber, schreef hij: 

   "De christen gaat uit van deze letterlijke propositie, deze definitieve propositie, deze onbuigzame en onwrikbare propositie: God is alwetend en almachtig." 

   Dit het geval zijnde, kan er niets gebeuren zonder dat hij op voorhand weet dat het gaat gebeuren; kan er niets gebeuren zonder zijn toestemming; kan er niets gebeuren dat hij wenst te voorkomen. Dat is stellig genoeg, nietwaar? Dat maakt de Schepper duidelijk verantwoordelijk voor alles dat gebeurt, is het niet zo?

   Twain richtte zijn aanklacht tegen de christelijke god, de zichzelf incriminerende god van de Bijbel. Maar hij zou die evengoed gericht kunnen hebben tegen iedere ontwerpende en scheppende god welke mensen zich verbeeld hebben. Als een dergelijke god zou bestaan, zou die het verdienen berecht en veroordeeld te worden voor misdaden tegen de menselijkheid.

   Dus heb ik een paar laatste vragen voor u. Ziet u uit, net als ik, naar de dag waarop al de goden naar hun graf zijn gegaan – een dag waarop een tweede Herdenkingsdienst gehouden kan worden, en alle geloof in hen voor altijd wordt uitgewist? 

  Indien niet, waarom niet?

________


© Dr. Raymond D. Bradley 


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort