visitors on myspace
EEN MOREEL ARGUMENT VOOR ATHEÏSME | POSITIEF ATHEÏSME <>

EEN MOREEL ARGUMENT VOOR ATHEÏSME

image7313

RAYMOND D. BRADLEY








VOORWOORD VOOR FILOSOFEN


   Het argument dat ik ga presenteren is hoofdzakelijk bestemd voor een niet-filosofisch gehoor. Dus professioneel geschoolde filosofen kunnen zich over het feit verwonderen dat ik weinig zeg over de God van de filosofische traditie, en veel over de God van de kansel en de kerkbank.

 Aan hen bied ik twee korte verklaringen.

    Ten eerste: Er bestaat ruim precedent voor wat ik doe. Socrates bijvoorbeeld, onderzocht de religieuze overtuigingen van zijn tijdgenoten – vooral het geloof dat we horen te doen wat de goden bevelen – en toonde aan dat ze zowel slecht gefundeerd waren als conceptueel verward. Ik wens in zijn voetstappen te treden, maar niet in zijn lot te delen. Een glas wijn, niet vergif, zou mijn verkozen beloning zijn.

   Zodoende, net als Socrates, neem ik aanstoot aan de God van het populaire geloof, niet de God van de natuurlijke theologie. En aangezien God, in de ogen van de meeste westerlingen, overwegend de God is van de joodse en christelijke geschrifte , heb ik geen andere keus dan vrijelijk uit de Bijbel te citeren om zodoende de theïstische gelovigen die mijn doelwit zijn rechtstreeks te confronteren, en beschuldigingen dat ik mijn bronnen verkeerd begrepen of geciteerd zou hebben, een slag voor te zijn.

   Ten tweede: Het is een feit dat de meeste religiefilosofen van naam die in academische journaals als Faith and Philosophy publiceren, zelf gelovers in de God van de Bijbel zijn, niet alleen in de God van de filosofen. Om een paar namen te noemen, denk ik aan mensen als William Alston, Peter van Inwagen, en Alvin Plantinga. Zij zijn allen, zoals Plantinga het uitdrukt, 'mensen van het Woord die de Heilige Schrift zien als een speciale openbaring van God zelf'.  Geen van allen is afkerig van het citeren uit de Bijbel.

   William Alston bijvoorbeeld, beweert: 'een groot deel van de Heilige Schrift bestaat uit weergaven van communicaties tussen God en mens,' en stelt dat God zichzelf nog steeds openbaart aan de 'oprechte christenen' van nu, op manieren die variëren van beantwoorde gebeden tot gedachten die plotseling in de geest opspringen.  SOCRATES                          Peter van Inwagen bekent: 'Ik accepteer volledig de leer van mijn denominatie dat de Heilige Geschriften van het Oude en Nieuwe Testament het geopenbaarde Woord van God zijn.'  En Alvin Plantinga houdt vol: 'De Heilige Schrift is onfeilbaar: de Heer maakt geen vergissingen; dat wat hij aanbeveelt dat wij moeten geloven is wat we horen te geloven.'  Deze opvattingen typeren het soort theïsme, dat wil zeggen Bijbels theïsme, dat ik voornemens ben te weerleggen.

   Nu voor mijn argument ten gunste van atheïsme.


INTRODUCTIE

   'Als er geen God is, is alles toegestaan.' Zo sprak één van Dostojewsky’s figuren in 'Crime and Punishment'. Hij beweerde dat als God niet bestond, morele waarden dan een zuiver subjectieve zaak zouden zijn die bepaald zouden worden naar de grillen van individuen, of door stemmen te tellen in de sociale groep waartoe men behoort; of dat morele waarden misschien zelfs totaal illusoir zouden zijn en moreel nihilisme de overhand zou hebben. Kortom – zo luidt het argument – als er objectieve morele waarden zijn, dan moet God bestaan.

   In tegenstelling hiermee, beweer ik dat als er objectieve morele waarheden bestaan, dat God dan niet bestaat. Ik bied een moreel argument voor atheïsme.


A - PUNTEN VAN OVEREENSTEMMING MET THEÏSTEN

   Op vier punten, twee terminologische en twee substantiële, ben ik het met mijn theïstische opponenten eens.

   Ten eerste: Ik ben het met hen eens over wat we bedoelen met de term ‘God’ wanneer zij stellen, en ik ontken, dat God bestaat. We hebben het niet over zo maar een God. We hebben het bijvoorbeeld niet over Baal (god van de Kanäanieten), of Aton (god van de Egyptenaren), of Zeus (god van de Grieken), of Brahman (god van de Hindoes), of Huitzilopochtli (god van de Azteken). Deze waren allen, samen met nog ongeveer 200 anderen die genoemd worden in werken over vergelijkende religies, oppergoden. Elk werd vereerd en gehoorzaamd door miljoenen. Toch, zoals H. L. Mencken het stelt in zijn essay “Memorial Service” uit 1922: 'zijn allen dood.' 

   Hoewel de term “theïsme” soms in zo’n breed verband wordt gebruikt dat die het geloof omvat in alle soorten bovennatuurlijke goden, of goden die zich aan mensen openbaren, zal ik die gebruiken – zoals de meeste filosofen en theologen tegenwoordig doen – in een wat nauwere zin. Het theïsme waarover ik wil spreken is niet slechts het geloof in de ene of andere god. Het is het geloof in de god van de orthodoxe joodse, christelijke en islamitische tradities. Het is geloof in een god die zich van die anderen onderscheidt in twee opzichten. Het eerste is dat hij heilig is (dat wil zeggen, geestelijk volmaakt, zonder zonde). Het tweede is dat hij zich aan ons openbaart in de Heilige Schrift. Het is aan zijn heiligheid te danken dat hij als waardig van verering en gehoorzaamheid wordt beschouwd. En het is te danken aan zijn openbaring aan ons in de Heilige Schrift dat we zijn aard kennen en weten wat hij wil dat wij doen, of waarvan wij ons moeten onthouden.

   Zo opgevat is de God van het theïsme een robuust bovennatuurlijk wezen. Hij hoort daarom niet geïdentificeerd worden met de metafysisch ontkrachte God van liberale theologen als Paul Tillich en bisschop Robinson, voor wie God iets is als “onze diepste betrokkenheid” en de Bijbel slechts een door mensen gemaakte fabel, of op zijn best een quasihistorische roman. Noch moet de God van theïsten geïdentificeerd worden met het onkenbare wezen van deïsten als Voltaire en Thomas Paine voor wie God een hypothetische entiteit was, alleen in het leven geroepen om de oorsprong en aard van het universum te verklaren, en de Bijbel een moreel en intellectueel bedrog, aan de goedgelovigen opgedrongen door profeten, pausen, priesters en predikers. In de strikte betekenis van het woord, was ieder van de vier pas genoemde denkers een atheïst. En, in dezelfde zin, ben ik dat ook. Maar ik zie geen noodzaak voor enig soort god. Ik zie alleen semantische vertroebeling in de liberale vermomming van humanistische sentimenten (die ik toejuich) met kwezelachtig gepraat over God (wat ik betreur). En ik zie alleen maar misleidende conclusies in de veronderstelling dat we het bestaan van iets kunnen verklaren door de hypothese dat er nog iets anders bestaat; want die aanname vormt het begin van een traject van oneindige regressie.

   Ten tweede: Ik denk dat theïsten het met mij eens zullen zijn over wat we bedoelen, als we over objectieve moraliteit spreken. We bedoelen dan een verzameling morele waarheden die waar zullen blijven, onverschillig wat enig individu of sociale groep denkt of wenst. De notie van objectieve moraliteit is tegengesteld aan alle vormen van moreel subjectivisme. Deze notie stelt, in de eerste plaats, dat we morele waarden hebben die hetzij juist, dan wel onjuist zijn; dat ze niet slechts uitdrukking zijn van emoties, zoals het zuchten van plezier of pijn. Ze stelt, in de tweede plaats, dat de juistheid of onjuistheid van onze morele beoordelingen een functie is van of de objecten van morele beoordeling, de uitvoerders en hun daden, de morele eigenschappen bezitten die wij aan ze toeschrijven; dat hun juistheid of onjuistheid niet enkel een functie is van de gedachten, gevoelens, of standpunten van individuen of de conventies van de gemeenschap. En ten derde houdt dit in dat er best nog morele waarheden zouden kunnen bestaan die nog wachten op onze ontdekking, door openbaring (wat theïsten betreft) of door redenatie en ondervinding – samen misschien, met onze veranderende biologie – (wat mij betreft).

   Ten derde: Ik ga instemmen met mijn theïstische opponenten in het stellen dat op zijn minst sommige morele principes objectief waar zijn. We moeten toegeven dat meningsverschillen over morele zaken – bijvoorbeeld over toelaatbaarheid van abortus of de doodstraf – vaak sterke emoties oproepen. Maar dit betekent nog niet dat zulke meningsverschillen niets meer zijn dan emotionele uitbarstingen. Want we accepteren het als feit in de morele psychologie dat we zowel overtuigingen als gevoelens hebben over zulke kwesties. En aangezien niets als overtuiging telt, tenzij die waar of onwaar is, concluderen we dat onze morele overtuigingen – zoals overtuigingen over de vorm van de aarde en de ouderdom van het universum – hetzij waar of onwaar zijn. Noch volgt, uit het fenomeen van morele geschillen, dat de waarheid of onwaarheid van morele beoordelingen bepaald moet worden door ieder individu of door het tellen van stemmen. Want we stellen dat het relativistische standpunt over waarheid in morele kwesties niet beter verdedigbaar is dan het relativistische standpunt over waarheid in feitelijke zaken.

   Ten vierde: Ik verwacht dat theïsten het met mij eens zijn als ik een aantal concrete voorbeelden geef van morele principes waarvan ik aanneem dat die objectief waar zijn.

   De vereiste van objectiviteit is strikt: die houdt in dat ze universeel horen te zijn, in die zin dat er geen uitzonderingen op bestaan – dus van toepassing zijn voor alle personen, plaatsen en tijden. Bijgevolg, in mijn optiek, is het principe dat het moreel verboden is andere personen te doden niet objectief waar, aangezien – zoals bijna iedereen zal toegeven – het uitzonderingen toestaat, zoals het ter verdediging doden van iemand die uzelf of iemand van uw gezin wil vermoorden. Zoals het staat is het dus onwaar. We kunnen een prima facie verplichting hebben geen andere personen te doden. Maar intellectualistische denkers zullen toegeven dat situaties bestaan waarin dit principe terzijde geschoven dient te worden, op grond van zwaarder wegende morele overwegingen. Als we morele principes willen leveren die geen verdere kwalificaties vereisen, is het nodig die dusdanig te formuleren dat ze rekening houden met deze andere overwegingen.


B - VOORBEELDEN VAN OBJECTIEVE MORELE WAARHEDEN

   Hier zijn nu een paar voorbeelden van morele principes waarvan ik aanneem dat ze paradigma’s van objectieve morele waarheden zijn:

Principe 1: Het is moreel verkeerd om opzettelijk en genadeloos mannen, vrouwen en kinderen af te slachten die onschuldig zijn aan ernstig kwaad.

   Een bijzonder flagrante schending van dit principe vindt men in het genocide beleid van de Nazi SS, die in opdracht van Hitler zes miljoen Joden afslachtte, samen met talloze zigeuners, homoseksuelen, en andere zo genoemde “ongewensten”. Het is geen excuus, volgens mij, dat ze zelf geloofden dat ze een kankergezwel in de gemeenschap uitsneden, of dat zij, zoals Hitler in 1933 verklaarde, slechts met de Joden deden wat de christenen al tweeduizend jaren predikten.  Nog een, meer eigentijdse, inbreuk op dit principe vindt men in de genocide praktijken van Milosevic JODEN UIT WARSCHAU  WORDEN NAAR HUN DOOD GEDREVEN    en zijn handlangers voor wie het geen excuus was dat zij slechts vroegere onrechtvaardigheden rechtzetten, of door etnische zuiveringen de fundaties legden voor een meer stabiele gemeenschap.

Principe 2. Het is moreel verkeerd om zijn leger van jonge vrouwelijke gevangenen te voorzien, met het vooruitzicht die als seksslavinnen te gebruiken.

   Dit principe, of verwante gevoelens, geeft grond aan onze morele weerzin tegen het beleid van het Duitse en Japanse opperbevel die seksueel aantrekkelijke jonge vrouwen, vooral maagden, selecteerden om hun soldaten zogenaamde “vertroosting” te bieden. En het doet niet ter zake, zeg ik, dat veel gemeenschappen historisch zulke vertroostingen beschouwd hebben als acceptabele oorlogsbuit.

Principe 3. Het is moreel verkeerd om mensen tot kannibalisme op hun vrienden en gezin drijven.

   Misschien kunnen we ons situaties voorstellen – zoals het vliegtuigongeluk in het Andes gebergte – waarin kannibalistisch gedrag verontschuldigd zou kunnen worden. Maar om mensen hun eigen gezinsleden op te laten eten – zoals van veel Polynesische stammen beweerd wordt dat ze gedaan hebben - om ze te straffen, of om hun vijanden af te schrikken, is onvergeeflijk.

Principe 4. Het is moreel verkeerd om mensenoffers te brengen, door verbranding of op andere wijze.

 Natuurlijk weten we dat mensenoffers gebruikelijk waren onder de stammen waartegen de kinderen van Israël vochten, en – aan de andere kant van de Atlantische Oceaan – voor de Azteken en de Inca’s. Maar dit, zult u hopelijk met mij eens zijn, maakt die praktijk nog niet acceptabel, zelfs niet als die beoefend werd om de goden waarin zij geloofden, tevreden te stellen.

Principe 5. Het is moreel verkeerd om mensen eindeloos te martelen vanwege hun overtuiging.

 Misschien kunnen we ons situaties voorstellen waarin het toelaatbaar zou zijn iemand die zelf martelt te martelen, bijvoorbeeld om informatie te verkrijgen over de verblijfplaats van gevangenen die anders zullen sterven ten gevolge van letsel dat hij hen heeft toegebracht. Maar gevallen zoals dat van paus Pius V, die toezag hoe de Roomse Inquisitie een niet conformerende religieuze geleerde verbrandde omstreeks 1570, zijn buiten alle morele proporties; hij kan niet vrijgepleit worden op grond van het feit dat hij dacht daarmee de ziel van de dissident te behoeden voor het eeuwige hellevuur.

   Ik neem aan dat wat al deze voorbeelden betreft, theïsten en andere moreel verlichte personen het met mij eens zullen zijn. En verder neem ik graag aan dat theïsten het met me eens zullen zijn als ik stel dat iemand die daden verricht, veroorzaakt, opdraagt of goedkeurt die enige van deze principes schenden – de vijf die ik voortaan “onze” principes zal noemen - niet alleen kwaadaardig is, maar met afschuw beschouwd dient te worden.


C - GODS SCHENDINGEN VAN ONZE MORELE PRINCIPES

   Maar nu komt de spil waar mijn moreel argument tegen theïsme om draait. Want, zoals ik nu zal aantonen, de God van de theïsten – zoals hij verondersteld wordt zich te openbaren in de joodse en christelijke Bijbels - pleegt zelf daden, of beveelt anderen die te plegen, of keurt die goed, die elk van onze vijf principes overtreden.

   In een schending van principe 1 bijvoorbeeld, verdronk God zelf het hele menselijke ras behalve Noach en zijn gezin. [Gen.7:23]; hij bestrafte koning David voor het uitvoeren van een volkstelling die hijzelf bevolen had, en stemde toen in met het verzoek van David dat anderen bestraft zouden worden in plaats van hem zelf, door het zenden van de pest die 70.000 mensen doodde [2Samuel 24:1-15]; en hij gaf opdracht aan Jozua om oud en jong te doden, kleine kinderen, maagden en vrouwen (de inwoners van zo’n 31 koninkrijken) toen die zijn praktijken van etnische zuiveringen uitvoerde in de landen die orthodoxe joden nog steeds beschouwen als deel van Groter Israël (zie Jozua, vooral hoofdstuk 10). En dit zijn er dan nog maar drie, van de vele honderden van Gods schendingen van principe 1.

   Als inbreuk op principe 2, na soldaten opdracht te hebben gegeven alle Midjanitische mannen, vrouwen en jongens zonder genade te vermoorden, stond God de soldaten toe alle 32.000 overlevende maagden voor zichzelf te gebruiken. [Numeri 31:17-18]

   Als schending van principe 3, zegt God herhaaldelijk dat hij mensen tot kannibalisme op hun eigen kinderen, echtgenoten, vrouwen, ouders en vrienden gedreven heeft of zal drijven, omdat zij hem niet gehoorzaamd hebben. [Leviticus 26:29, Deuteronomium 28:53-58, Jeremia 19:9, Ezechiël 5:10]

   Als schending van principe 4, stond God Jefta toe zijn enige kind prijs te geven als brandoffer aan God. [Richteren 11:30-39]

   Tenslotte, in overtreding van principe 5, zal Gods eigen zoenoffer het “Lam” Jezus, toezien als hij de meeste leden van het menselijk ras voor eeuwig en altijd martelt, hoofdzakelijk omdat zij niet in hem geloofd hebben. Het boek Openbaring vertelt ons dat “iedereen van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, het boek van het lam dat geslacht is” [Openbaring 13:8] naar de hel zal gaan, en daar “zal hij de wijn van Gods woede moeten drinken, die onverdund in de beker van zijn toorn is geschonken. Hij zal in vuur en zwavel worden gepijnigd, onder de ogen van de heilige engelen en van het lam. De rook van die pijniging zal opstijgen tot in eeuwigheid. Wie het beest en zijn beeld aanbidden, of wie het merkteken van zijn naam draagt, ze krijgen geen rust, overdag niet en ’s nachts niet.” [Openbaring 14:10-11]


D - EEN LOGISCH DILEMMA VOOR THEÏSTEN: EEN ONVERENIGBAAR VIERTAL

   Deze – en talloos andere – passages uit de Bijbel betekenen dat theïsten geconfronteerd worden met een logisch dilemma dat regelrecht het hart van hun overtuiging raakt dat de God van de Bijbel heilig is. Zij kunnen niet zonder onderlinge tegenspraak geloven in alle vier deze stellingen:

   (1) Iedere daad die God verricht, veroorzaakt, beveelt of goedkeurt, is moreel toelaatbaar.

   (2) De Bijbel openbaart ons veel van de daden die God verricht, veroorzaakt, beveelt of goedkeurt.

   (3) Het is moreel ontoelaatbaar voor iemand om daden te verrichten, te veroorzaken, te bevelen of goed te keuren die in strijd zijn met onze morele principes.

   (4) De Bijbel vertelt ons dat God in feite daden verricht, veroorzaakt, beveelt of goedkeurt die in strijd zijn met onze morele principes.

   De moeilijkheid is dat deze stellingen een inconsequent viertal vormen, in zoverre dat men met iedere drie ervan op geldige wijze de onjuistheid van de overblijvende stelling kan aantonen. Zodoende kan men alleen op coherente wijze (1), (2) en (3) volhouden door (4) prijs te geven; (2), (3) en (4) volhouden als men (1) prijsgeeft; en zo verder.

   Het probleem voor een theïst is te beslissen welke van deze vier stellingen op te geven, teneinde de minimale vereiste voor waarheid en rationaliteit te handhaven, dat wil zeggen een logische samenhang. Tenslotte, als iemand tegenstrijdige overtuigingen koestert, dan kunnen niet al die overtuigingen waar zijn. Een rationele discussie met personen die zichzelf tegenspreken is onmogelijk; als onderlinge tegenspraak toelaatbaar wordt, is alles mogelijk.

   Maar welke van de vier stellingen zal onze theïst ontkennen?

   Het ontkennen van (1) betekent toe te geven dat God soms daden pleegt, veroorzaakt, beveelt of goedkeurt die moreel ontoelaatbaar zijn. Maar dat zou betekenen dat God zelf immoreel is, of zelfs, afhankelijk van de enormiteit van zijn misdaden, dat hij boosaardig is. Het zou de ontkenning inhouden dat hij heilig is en aanbidding waardig; en verder nog, dat zijn heiligheid de basis van moraliteit is.

   Het ontkennen van (2) betekent voor de theïst het prijsgeven van de belangrijkste grondslag van religieuze en morele epistemologie (manieren om religieuze en morele kennis te verwerven). Want als (2) onjuist zou zijn, rijst de vraag hoe we verondersteld worden van Gods bestaan te weten, laat staan hoe we morele begeleiding van hem krijgen. Het is per slot van rekening een onderscheidend kenmerk van theïsme, als tegengesteld aan deïsme, te stellen dat God zichzelf aan ons openbaart en van tijd tot tijd ingrijpt in de menselijke geschiedenis. En de Bijbel, volgens theïsten, is de belangrijkste weergave van zijn geopenbaarde ingrepen. Als de Bijbel, met zijn verhalen van Mozes en Jezus, niet zijn geopenbaarde en naar men mag aannemen ware woord is, hoe moeten we dan van hem weten? Als God zichzelf niet openbaart door de Oudtestamentische Mozes of de Nieuwtestamentische Jezus, door wie openbaart hij zich dan? Toegegeven, een theïst zou kunnen claimen dat God zich ook openbaart op andere manieren dan door de Bijbel: de rede, traditie en religieuze ervaringen zouden daar voorbeelden van zijn. Maar het ontkennen dat de Bijbel zijn belangrijkste communicatiemethode is, betekent het ontkennen dat we de belangrijkste figuren in Judaïsme en christendom zelfs maar zouden kennen. Los van de Bijbelse geschiedenis zouden we weinig of niets weten over Mozes of Jezus, aangezien het dubieus is of seculiere historie iets betrouwbaars te zeggen heeft over één van beiden. En behalve door de Bijbelse weergave zouden we niets weten over de zogenaamde Tien Geboden die God verondersteld wordt aan Mozes te hebben gegeven, of van de ethische principes die Jezus verondersteld wordt geleverd te hebben in zijn preken en vergelijkingen.

   Het ontkennen van (3) zou de vaststelling betekenen van het moreel toelaatbaar zijn om onze vijf morele principes te schenden. Daarmee zouden we ons op één lijn stellen met monsters als Ghenghis Khan, Hitler, Stalin en Pol Pot. Het zou het loslaten van alle pretentie tot een geloof in objectieve morele waarden zijn. Het is zelfs zo dat als het toelaatbaar zou zijn de vijf bovenstaande principes te overtreden, het dan moeilijk wordt in te zien welke daden dan niet toelaatbaar zouden zijn. De ontkenning van (3) zou dan gelijkwaardig zijn aan een omarming van moreel nihilisme. En geen theïst die gelooft in de Tien Geboden of de Bergrede, zou daarmee instemmen.

   Dat laat alleen (4) nog over. Maar (4) te ontkennen is voorbij te gaan aan feiten die vast te stellen zijn door iedereen die de moeite neemt te lezen: objectieve feiten over wat de Bijbel werkelijk zegt.

   In het volgende zal ik bepleiten dat zowel (3) als (4) waar zijn, en daarbij theïsten confronteren met de noodzaak hetzij (1) of (2) prijs te geven – de twee voornaamste grondslagen van theïstisch geloof. Mijn argumenten zullen aantonen dat als God zou bestaan, hij dan of niet heilig is, of de Bijbelse geschriften niet zijn geopenbaarde woord zijn.

   Ik zal echter de tegenargumenten moeten behandelen van diegenen die God en de Heilige Schrift verdedigen tegen kritiek als de mijne. Theïstische apologeten gebruiken twee hoofdstrategieën. Eén is proberen aan te tonen, in tegenspraak met (4), dat de Bijbel niet echt zegt wat ik beweer dat die zegt, of dat niet alles echt betekent wat daar staat. Deze tactiek vereist dat een nieuwe betekenis wordt verzonnen voor bepaalde passages, waardoor ze geen aanstoot meer kunnen geven. De andere tactiek is proberen aan te tonen, in tegenspraak tot (3), dat onze morele principes hetzij niet van toepassing zijn op de in (4) beschreven situaties, of dat daarop uitzonderingen bestaan die God vrijspreken van de schending ervan.

   Ik zal deze twee apologetische strategieën behandelen als ze ter sprake komen in verband met de waarheid van (4) of (3), in die volgorde.


E - EEN VERDEDIGING VAN (4): WAT DE BIJBEL IN FEITE ZEGT OVER GODS SCHENDINGEN VAN ONZE MORELE PRINCIPES

   Principe 1, en de slachting van onschuldigen

   Ten eerste: beschouw het verhaal, in Genesis hoofdstukken 6 en 7, over de zondvloed en de ark van Noach. Het is voldoende bekend om hier niet in detail hoeven te treden. Het volstaat te zeggen dat vanwege de slechtheid die God op aarde zag, hij besloot – in zijn eigen woorden - “Ik zal de mensen die ik geschapen heb van de aarde wegvagen, dacht hij, en met de mensen ook het vee, de kruipende dieren en de vogels, want ik heb er spijt van dat ik ze heb gemaakt.” [Genesis 6:7] De enige menselijke uitzonderingen waren Noach en zijn gezin.

   Ten tweede: kijk eens naar het vreemde verhaal van God die koning David opdracht geeft een volkstelling te houden. Het is vreemd om drie redenen. Zoals het verhaal wordt weergegeven in 2Samuel, hoofdstuk 24, wordt ons verteld dat God David de opdracht gaf: “Ga in Israël en Juda een volkstelling houden.”; dat nadat hij aan die opdracht had voldaan, David tot de vreemde conclusie kwam dat hij daarmee “ernstig gezondigd” had; dat God David toen de keuze gaf uit drie bestraffingen: zeven jaren hongersnood in het rijk, drie dagen de pest in het land, of drie maanden op de vlucht voor zijn vijanden; dat onze edele koning honger en de pest voor anderen verkoos, liever dan zichzelf aan gevaar bloot te stellen; en dat God dat verzoek inwilligde: “Diezelfde morgen nog liet de HEER in Israël de pest uitbreken, die duurde tot de vastgestelde tijd. Van Dan tot Beërsheba vonden zeventigduizend mensen de dood.” Het is raadselachtig dat een rechtvaardige God David zou willen bestraffen voor het gehoorzamen aan zijn bevelen. Het is nog raadselachtiger dat een heilige God zijn wraak op anderen koelde door zeventigduizend mensen te doden. En het is nog veel raadselachtiger dat als het verhaal opnieuw verteld wordt in 1Kronieken, hoofdstuk 21, we zien dat het Satan was, niet de Heer die David “aanzette” de volkstelling te houden. De onverenigbaarheid is al erg genoeg, daar één van de verhalen onwaar moet zijn. Maar het is nog veel erger dat in beide versies het de Heer is – niet Satan – die diegenen doodt die niets met Davids veronderstelde zonde te maken hadden.

   Ten derde: overweeg het geval waarin God Jozua beveelt om praktisch iedere inwoner van het land Kanäan af te slachten. Het verhaal begint in hoofdstuk 6 van het boek Jozua, waarin wordt verteld hoe de held en zijn leger de oude stad Jericho veroveren, en daar “doodden alles wat erin was, zowel mannen als vrouwen, zowel kinderen als bejaarden, zowel runderen en schapen als ezels.” Daarna, in hoofdstukken 7 tot en met 12, worden we vergast op een huiveringwekkende kroniek van de 31 koninkrijken en alle steden daarin, die ten prooi vielen aan Jozua’s en Gods genocidale beleid. Keer op keer lezen we de frases “vernietigde iedere persoon die daarin was” en “er bleef niemand over die nog ademde”. En als verklaring voor het feit dat slechts één van de inheemse volken vrede sloot met de indringers, wordt ons verteld “De HEER had namelijk alle volken zo eigenzinnig gemaakt dat ze hoe dan ook oorlog tegen Israël wilden voeren. Daarom hoefden de Israëlieten die volken niet te sparen en konden ze die vernietigen.” [Jozua 11:20]. De aanleiding voor het moorden was dus door God zelf bekonkeld.

   Wat moreel zo zorgwekkend is in deze drie gevallen, is dat God blijkbaar geen gewetensbezwaar heeft tegen het bevelen van de afslachting van personen die, in de normale betekenis van deze woorden, “geen ernstig kwaad hebben gedaan.” Het is tenslotte een simpel empirisch feit dat pasgeboren baby’s, laat staan de nog ongeborenen,  de capaciteiten nog niet bezitten om dingen te doen die bestraffingen rechtvaardigen zoals verdrinking, aan het zwaard geregen worden, uit hun moeders baarmoeder gescheurd te worden  of te sterven aan een van God gezonden pest. Toch vertelt de Bijbel ongegeneerd dat ook zij onder de talloze slachtoffers van Gods daden of bevelen vielen.

   Principe 2, en gevangen maagden aan de troepen geven.

   Het boek Numeri, hoofdstuk 31, begint met de Heer die Mozes beveelt, “Spoor de Israëlieten ertoe aan wraak te nemen op de Midjanieten” en vertelt dan verder dat twaalfduizend krijgers– in opvolging van Gods bevel – “alle mannen doodden” [vers 7] en ze “namen de Midjanitische vrouwen en kinderen gevangen” [vers 9]. Maar, lezen we verder, toen werd Mozes woedend op de bevelhebbers. “U hebt de vrouwen in leven gelaten?!" zei hij.

   “Juist zij waren het die de Israëlieten, op aanraden van Bileam, destijds bij de Peor verleid hebben tot ontrouw aan de HEER, en dat veroorzaakte de plaag die de gemeenschap van de HEER getroffen heeft. Doodt daarom alle kinderen van het mannelijk geslacht en alle vrouwen die met een man hebben geslapen, maar laat meisjes die nog nooit met een man hebben geslapen in leven.” [vers 15-18]

   Nu moeten we toegeven dat nergens in dit verhaal van afslachting en slaven vangen we expliciet verteld worden dat de troepen van Gods leger de gevangen maagden voor hun eigen seksuele plezier gebruikten. Dus is het niet verrassend dat sommige apologeten gebruik maken van dit verzuim om te kunnen beweren dat principe 2 in het geheel niet werd overtreden. Een van deze apologeten beweert blijmoedig dat de soldaten ze alleen als “echtgenotes of dienstmeisjes” in bezit namen. Want, zo verzekeren zij ons, “de wet van God was dat iedereen die seksuele relaties had buiten een heteroseksueel huwelijk ter dood gebracht werd” en dat “iedere man die geslachtsgemeenschap had …. gedwongen werd de vrouw te trouwen en nooit meer van haar te scheiden.”  

   Maar dat snijdt geen hout. De Bijbelt verhaalt van talloze gevallen van zo genoemde “mannen van God” die met ongehuwden naar bed gingen – en soms zelfs met de al gehuwden – zonder door God of mens daarvoor bestraft te worden. Voorbeelden hiervan zijn Abrahams seksueel verkeer met zijn Egyptische slavin Hagar; koning Davids overspelige relatie met Batsheba; en koning Salomo, het product van die relatie, en zijn 300 concubines.

   Men moet wel buitengewoon naïef zijn om te veronderstellen dat van de twaalfduizend soldaten er geen een was die geen seksueel voordeel nam van de 32.000 maagden – meer dan twee per persoon – die God ze gegeven had om voor zichzelf te gebruiken.

   Principe 3, en mensen dwingen hun gezinsleden te kannibaliseren 

   Er bestaan op zijn minst vijf passages waarin God zijn volk vertelt dat als zij hem niet gehoorzamen, zij gestraft zullen worden door tot zulke erbarmelijke omstandigheden te worden gereduceerd dat zij elkaar zullen kannibaliseren: zonen, dochters, echtgenoten en echtgenotes, vaders, moeders en broeders, om nog maar te zwijgen van gewone vrienden.  Vooral het boek Jeremia is veelzeggend. Daarin, in hoofdstuk 19, vers 9, claimt de Heer directe aansprakelijkheid voor deze verschrikkingen als hij beweert: “Ik laat de mensen het vlees van hun eigen zonen en dochters eten; men zal elkaars vlees eten, zo’n gebrek zal er zijn….”

   Voor deze passages hebben apologeten twee belangrijke rationalisaties te bieden. Eén is dat God zijn uitverkoren volk alleen maar bedreigt met het lot dat hen zal treffen als ze niet aan zijn geboden voldoen. Een tweede is dat hij alleen maar het lot voorspelt dat hen zal treffen in toekomstige belegeringen door hun vijanden. Het probleem met de bedreiging hypothese is dat in ieder van deze gevallen de kinderen van Israël in feite niet aan zijn geboden voldeden ondanks de bedreigingen. Dus, als God niet deed wat hij dreigde te doen, waren zijn bedreigingen loos en faalde hij herhaaldelijk zich aan zijn woord te houden. En het probleem met de voorspellingshypothese is dat als de zaken niet gelopen waren zoals hij voorspelde, dan zou wat hij zei een leugen zijn geweest. Maar in ieder geval kan geen van beide verklaringen helpen voor de Jeremia passage, waarin God niet slechts voorspelt waartoe de vijanden van de Israëlieten hen zullen drijven, maar zegt wat hij zelf hen zal aandoen. Het feit kan niet ontkend worden dat als Gods woord waar is, hij anderen veroorzaakt principe 3 te schenden.

   Principe 4, en het goedkeuren van het offeren van kinderen

   In het boek Richteren, hoofdstuk 11, worden we vergast op een waarschuwend verhaal over een onbezonnen belofte en zijn consequenties. Jefta, zo wordt ons verteld, was een machtige man die door God werd gebruikt om de traditie van Jozua voort te zetten door het land te zuiveren van een ander etnisch volk, de zonen van Ammon. We lezen dat Jefta de Heer beloofde: “Als u de Ammonieten aan mij uitlevert, dan zal het eerste dat me bij mijn behouden thuiskomst tegemoet komt voor u zijn; dat zal ik als brandoffer aan u opdragen.” [verzen 31-32]

   Het schijnt dat de Heer dit volkomen acceptabel vond. Hij hield zich aan zijn kant van de overeenkomst, door de Ammonieten en hun twintig steden aan Jefta uit te leveren. Toen was het de beurt aan Jefta om zijn belofte na te komen. Maar helaas was het zijn dochter die het huis uit kwam om hem te begroeten. Jefta realiseerde zich dat hij niettemin vrede met God moest houden. Zodoende lezen we “Toen die twee maanden voorbij waren keerde ze naar haar vader terug, en hij bracht zijn gelofte ten uitvoer.” In andere woorden, Jefta hield zich aan zijn belofte door zijn geliefde dochter als brandoffer aan zijn onverbiddelijke Heer te offeren. Op deze wijze verdiende Jefta zich een eervolle vermelding in de brief aan de Hebreeën  waar hij vermeld wordt samen met ongeveer vijftien andere mannen van “groot geloof” zoals Noach, Abraham, Mozes, Samson, David en Samuel.

   Het beste excuus voor dit afschuwelijke verhaal is dat het een soort fabel van Aesopus is, een door mensen bedacht verhaal met het oogmerk ons een les te leren over de noodzaak goed na te denken voordat we verplichtingen aan anderen aangaan, vooral als dat een god is. Maar zo’n vergoelijking kan nauwelijks acceptabel zijn voor een in de Bijbel gelovende theïst. Maar in ieder geval horen we niet verrast te zijn dat de Heer Jefta’s offer accepteerde. Tenslotte heeft God zelf – geloven christelijk theïsten – zijn eigen zoon Jezus als bloedoffer geofferd voor de vergissingen van het mensdom.

   Principe 5, en de eeuwige marteling die God in petto heeft voor diegenen die niet geloven dat Jezus Heer en Verlosser is

   Het lot van Jefta’s dochter verbleekt tot onbetekenendheid wanneer we dat vergelijken met dat welk de christelijke God in petto heeft voor oprechte atheïsten als ik zelf; en niet alleen voor atheïsten, maar voor al diegenen die Jezus Christus niet aanvaarden als hun verlosser. Jezus, die de dubieuze eer geniet de doctrine van hellevuur en verdoeming te hebben uitgevonden, beschrijft hun lot met intense verbeelding. In de evangeliën karakteriseert hij dit in termen die evangelisten zo bewonderen: “onblusbaar vuur”, “vurige hel”, “foltering”, “in vuur verbrand”, “vurige oven”, “geween en geknars van tanden”, “eeuwig vuur”, en “eeuwig vuur dat bestemd is voor de duivel en zijn engelen”.

   Aannemend dat Jezus wist hoe te zeggen wat hij bedoelde, is het lot van ongelovigen duidelijk. Het is niet een definitief heenzenden in vergetelheid. Het is niet slechts het lijden van een ziel die van God gescheiden is. Het is de marteling en het helse lijden van een herrezen lichaam, waarvan de foltering zich onderscheidt van dat ondergaan door de slachtoffers van de Inquisitie, door het feit dat het niet slechts minuten duurt, maar voor alle eeuwigheid doorgaat. In tegenstelling tot Auschwitz, biedt de Hel geen einde voor diegenen van ons die haar ovens moeten vullen. Niemand zal aan haar verschrikkingen ontsnappen, en haar folteringen – verricht voor het oog van goddelijke toeschouwers – zullen zonder einde doorgaan.  

   Wanneer dit vurig lot gereserveerd zou blijven voor gewetenloze massamoordenaars of de andere voortbrengers van het kwaad dat de menselijke historie geteisterd heeft, zou zo’n overtreding van principe 5 al erg genoeg zijn. Maar Openbaring 13:8 voorspelt dat dit lot ten beurt zal vallen aan “iedereen van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, het boek van het lam dat geslacht is.” En Openbaring 20:15 bevestigt de voorspelling, wanneer die ons vertelt dat “Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.” Wie zijn zij die op deze wijze zijn voorbestemd voor eeuwige verdoemenis? Zij zijn al diegenen die – zoals aanhangers van de evangelische leer het graag uitdrukken – niet “wederboren” christenen zijn. Volgens Lucas, de veronderstelde auteur van Handelingen: “Jezus is de steen die door u, de bouwlieden, vol verachting is weggeworpen, maar die nu de hoeksteen geworden is. Door niemand anders kunnen wij worden gered, want zijn naam is de enige op aarde die de mens redding biedt.” [Handelingen 4:11-12] En Paulus maakt het ons nog duidelijker, wanneer hij ons vertelt: “en u, die nu onderdrukt wordt, samen met ons van alle last bevrijden wanneer Jezus, de Heer, vanuit de hemel verschijnt. Dan komt hij in een vlammend vuur en omringd door engelen, door wie hij zijn macht manifesteert; dan straft hij hen die God niet erkennen (mijn nadruk) en het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen. Ze zullen voor eeuwig worden verstoten, ver van de Heer en van zijn kracht en majesteit.” [Thessalonicen 1:7-9]

   Op dit punt, zal bij sommigen van ons het idee opkomen dat aangezien het een noodzakelijke voorwaarde is voor het geloven in de naam van Jezus, dat men zowel die naam gehoord heeft als de betekenis ervan begrepen. En dat dus iemand die nog nooit van het evangelie gehoord heeft, dan naar de hel moet gaan. Hierin ligt natuurlijk de motivatie voor zendelingen. Maar hoe moet het dan met diegenen die leefden in tijden en plaatsen waarin de naam van Jezus onbekend was? Zijn al degenen die leefden voor de tijd van Christus al bij voorbaat verdoemd? En hoe moet het dan met hen die geleefd hebben, of nog leven, in onwetendheid van het christelijk verhaal? Zijn zij – de meerderheid van de wereldbevolking – veroordeeld voor gebrek aan geloof in iets waarvan zij wegens historische of geografische redenen geen kennis kunnen hebben?

   Deze meedogenloze conclusie is wat de Bijbel impliceert. In ieder geval heeft Jezus het zelf met gelijkmoedigheid geaccepteerd: “Ga door de nauwe poort naar binnen. Want de brede weg, die velen volgen, en de ruime poort, waar velen door naar binnen gaan, leiden naar de ondergang. Nauw is de poort naar het leven, en smal de weg ernaartoe, en slechts weinigen weten die te vinden.” [Mattheüs 7:13-14]. De uitsluiting van de meeste menselijke wezens – ongeacht hoe vroom hun leven – voor de enige reden dat ze niet geloven in Jezus als Verlosser, is gevolg van het feit dat de meeste mensen die de aarde tot nu toe bewoond hebben zelfs nooit van hem gehoord hebben. Als we Jezus zelf serieus moeten nemen, kan maar weinig troost worden gevonden in een suggestie door Paulus, dat sommigen gered kunnen worden als resultaat van een zogenoemde algemene openbaring. Zoals een van de knapste christelijke apologeten, William L. Craig, erkent, zullen zulke uitzonderingen op de regel “verlossing door geen andere naam” op zijn best zeer zeldzaam zijn. Dit is waarom Craig het feit niet verbloemt dat in zijn optiek, en die van Jezus, zelfs de meest oprechte gelovigen van andere wereldreligies “verloren zijn en sterven zonder Christus.”  

   Al dit gepraat over de aantallen personen die in de hel gemarteld zullen worden doet echter niet ter zake. Net zo min als de vraag of de helse martelingen eindig of oneindig van duur zijn. Als er zelfs maar een persoon zou zijn die de marteling van de verdoemde moet ondergaan, dan wordt daarbij het morele principe dat we als principe 5 koesteren, door God zelf geschonden.

   En door Gods inbreuk op dit principe – samen met dat op onze andere morele principes – wordt zijn veronderstelde heiligheid duidelijk aangetast. Net zo als het onsamenhangend zou zijn om te beweren dat Hitler moreel perfect was ondanks het feit dat hij mensen naar de gaskamers stuurde voor de “zonde” van niet de juiste ouders te hebben, zo zou het onsamenhangend zijn te veronderstellen dat God moreel perfect is ondanks het feit dat hij mensen in de hel laat roosteren voor de “zonde” van niet het juiste geloof te hebben. Integendeel, iedereen die zich aan zulke gruweldaden bezondigt is, om het maar duidelijk te zeggen, gewoon kwaadaardig. Geen wonder dus, dat God van zichzelf zegt “…. die vrede maakt en onheil schept….” [Jesaja 45:7]  

   Het is opmerkelijk dat, vergeleken met God, Satan in de hele Bijbel wordt weergegeven als een betrekkelijk toonbeeld van deugd. Satan is schuldig aan slechts drie misdragingen.

   In de eerste plaats, volgens een passage die de morele toon van de Bijbel bepaalt, verleidt Satan – in de vermomming van een slang – Eva met de verboden vrucht van morele verlichting, een vrucht van wat beschreven wordt als “de boom van de kennis van het goed en het kwaad”.  Men mag veronderstellen dat het een goed ding van Satan was, om haar op die manier op het pad naar morele ontwikkeling te sturen. Maar God wilde niet dat haar “de ogen zullen opengaan”, zoals Genesis 3:5 het stelt; hij wilde blinde gehoorzaamheid. Dus reageert God op kenmerkende wijze. Hij straft niet alleen Eva, voor een daad waarvan zij niet eerder wist dat die verkeerd was dan tot nadat ze die verricht had. Hij straft Adam ook, en al hun nakomelingen, inclusief u en ik. Hij legt op ons allen de last van wat theologen de Oerzonde noemen: hij ziet er op toe dat niemand van ons zijn leven met een schone lei kan beginnen.

   Satan verschijnt opnieuw in 1Kronieken, waarin hij precies dezelfde rol vervult die aan God was toebedeeld in 2Samuël. Dus waarin deed hij het deze keer verkeerd? Als het goed genoeg voor God is om David te gelasten een volkstelling te houden, kan het dan verkeerd zijn als Satan dit doet?

   Satans derde verschijning is in het boek van Job, waar hij het leven moeilijk maakt voor Gods beschermeling. Maar dat, moeten we opmerken, is alleen omdat God hem had uitgedaagd dit te doen. 

   Daarna doet Satan haast niets van dubieuze aard behalve het in verleiding brengen van God zelf, in de persoon van Jezus, tijdens zijn veertig dagen in de woestijn – een oefening die voorbaat tot nutteloosheid gedoemd was.

   Wat opmerkelijk is, gezien de slechte reputatie die Satan sindsdien geniet, is dat Satan in tegenstelling tot God, geen enkele van de belangrijke morele principes nummers 1-5 schendt. 


F - EEN VERDEDIGING VAN (3): DE ONTOELAATBAARHEID VAN GODS SCHENDINGEN VAN ONZE PRINCIPES

   De tweede apologetische strategie is te beweren dat uitzonderingen op onze principes toelaatbaar zijn, en dat als daar rekening mee wordt gehouden, God van schuld wordt vrijgesproken.

   Het belangrijkste onder de apologetische listigheden in deze categorie is wat ik de Soevereiniteit Uitzondering zal noemen. In de woorden van één apologeet, kan gesteld worden dat “God soeverein is over het leven” en dat hij daarom met ons naar verkiezing alles kan doen “in overeenstemming met zijn wil”.  Maar dit argument bevat een fatale dubbelzinnigheid over het woord “kan”. Het is triviaal waar dat als God – zoals theïsten geloven – soeverein almachtig is, hij dan kan doen wat hij maar wil, in de zin van de macht te hebben om zoiets te doen. Maar macht, moeten we bedenken, verschaft nog geen recht. Er volgt zeker niet uit dat God morele principes “kan” schenden, in de zin van het moreel aanvaardbaar of terecht zijn voor hem om dit te doen. Als dat het geval zou zijn, zouden de morele monsters uit de menselijke geschiedenis die soeverein over hun imperium regeerden, op gelijke wijze onschuldig zijn aan enig misgrijp.

   Een tweede tactiek is te beweren dat God is uitgezonderd van de beperkingen van onze principes. Het zou gezegd kunnen worden dat hoewel die bindend zijn voor mensen, ze niet bindend zijn voor God. Maar hiermee zouden we een dubbele norm invoeren, en daardoor de universaliteit van morele principes aantasten. Het zou de moraliteit relativeren tot individuen of tijden, en haar de absolute en objectieve geldigheid ontzeggen waartoe theïsten zich zo verplichten. Maar erger nog, voor de zaak van theïsten, het zou Gods heiligheid ter discussie stellen. Want heilig is wat heilig doet. Dat wil zeggen, als iemand terecht als moreel perfect omschreven kan worden, hun daden van machtiging, van opdracht, van toestemming dan ook moreel perfect moeten zijn. Te zeggen dat God heilig is ondanks de kwaadaardige dingen die hij doet, zou een spel met woorden zijn: het zou het woord “heilig” zijn gewoonlijke betekenis ontnemen en het een synoniem voor “kwaadaardig” maken.

   Een derde truc is te beweren dat in alle gevallen die we bekeken hebben, God in overeenstemming handelt met wat sommigen houden voor het doorslaggevende morele principe, namelijk dat zonde bestraft dient te worden. Want hieruit volgt – samen met de theologische doctrine van de Oerzonde, de doctrine dat ieder menselijk wezen, zelfs de nieuw verwekte foetus in de baarmoeder, sinds Eva de zonde geërfd heeft, of op zijn minst de aanleg tot zonde – dat God het recht heeft, en niet slechts de macht, ons te bestraffen op de manier die hem past. Zoals één apologeet het uitdrukt: “Aangezien het loon van zonde de dood is, heeft God het recht levens te geven en te nemen.”  De kwalijke vooronderstelling van deze doctrine terzijde latend: dat zonde geërfd wordt door onze genen of via onze veronderstelde zielen; en dat we terecht verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor geërfde en nog onbewezen aanleg tot zonde. Er bestaat een veel belangrijker bezwaar tegen deze hele apologetische bewering. Want veronderstel dat we toegeven aan de ongeloofwaardige bewering dat het door ons universeel gebrek aan menselijke onschuld is dat God verontschuldigd kan worden voor zijn genocidale praktijken. Dan zullen we moeten zeggen dat er totaal geen omstandigheden bestaan, zelfs geen onschuld van de slachtoffers, waarin het moreel verkeerd is om mannen, vrouwen en kinderen af te slachten. We zouden principe 1 los moeten laten als objectieve morele waarde, aangezien het totaal zonder betekenis zou zijn, en nergens toepassing zou kunnen vinden. En dat zou ons, net als God, de vergunning geven om iedereen waar we zin in hadden genadeloos af te slachten. Alles wat we dan hoeven te doen is ons beroepen op de vrijstelling: bestraffing voor de oerzonde. Tenslotte, tenzij we het relativisme van een dubbele standaard aan gaan nemen, als het goed genoeg voor God is, moet het goed genoeg voor ons zijn.

   Als zelfs maar één van de bovengenoemde uitzonderingen op onze principes zou deugen, zouden deze principes geen morele waarheden zijn maar morele leugens. Op zijn best zouden het slechts prima facie morele verbodsbepalingen zijn, verboden die – om ze objectief bindend te maken – op zulke manieren gekwalificeerd moeten worden dat ze vergunning zouden geven voor sommige van de moreel meest afschuwelijke gedragingen waaraan enig persoon zich schuldig kan maken. Kortweg, als die opnieuw geformuleerd worden om God te accommoderen, kunnen ze net zo goed de Duivel en andere verpersoonlijkingen van het kwaad accommoderen.


G - CONSEQUENTIES VOOR THEÏSME: DE ONWAARHEID VAN TEN MINSTE ÉÉN VAN DE HOEKSTENEN VAN THEÏSME, (1) OF (2)

   Laten we op dit punt nog eens terugkeren naar het inconsistente viertal waarvan ik zei dat het zulke problemen opleverde voor theïstisch geloof. Ik heb aangetoond, ten eerste, dat (4) waar is, dat wil zeggen dat de Bijbel ons inderdaad vertelt dat God onze morele principes overtreedt; en, ten tweede, dat (3) waar is, dat wil zeggen dat het moreel onaanvaardbaar is voor iemand – ook voor God – deze principes te overtreden. Maar als ik gelijk heb, dan hebben theïsten geen uitweg uit hun logische dilemma die niet de hele kern van hun theïstisch geloof vernietigt.

   Ze hebben een keus. Ze moeten, op straffe van tegenspraak, ten minste één, zo niet beide stellingen prijsgeven, hetzij (1) het geloof dat al Gods daden moreel toelaatbaar zijn, of (2) het geloof dat de Bijbel ons openbaart wat veel van deze daden zijn. Maar toch, zoals we gezien hebben, als ze (1) prijsgeven, dan geven ze daarmee hun geloof in Gods heiligheid prijs; terwijl als ze (2) prijsgeven, ze daarmee het geloof in de Bijbel als zijn openbaring prijsgeven.

   Hiermee laat ik mijn zaak tegen theïsme rusten: mijn moreel argument voor atheïsme.


H - EEN LOGISCH GEVOLG VAN MIJN ARGUMENT: DE LEUGEN VAN DE THEÏSTISCHE THEORIE VAN ETHIEK

   Maar voor ik afsluit, wil ik aandacht vragen voor een logisch gevolg van mijn argument. Kijk nog eens naar het inconsistente viertal waardoor het hele bouwwerk van theïsme instort. Maar vervang deze keer stellingen (1), (2), (3) en (4) van het oorspronkelijke inconsistente viertal door hun respectievelijke logische gevolgen:

   (1)* Iedere daad die God ons opdraagt te doen is moreel toelaatbaar.

   (2)* De Bijbel openbaart ons veel van de daden die God ons opdraagt.

   (3)* Het is voor iedereen moreel ontoelaatbaar daden te plegen die principe 1 schenden.

   (4)* De Bijbel vertelt ons dat God ons opdraagt daden te verrichten die moreel principe 1 schenden.

   Dan ontstaat een parallel logisch dilemma voor het theïstische geloof dat God, zoals geopenbaard in de Bijbel, de bron is van objectieve moraal, of op zijn minst een betrouwbare gids is voor wat we moeten doen en laten.

   In plaats van het argument nog een keer te doorlopen, zal ik deze verdere aanklacht tegen theïstisch geloof presenteren door eerst uit de Bijbel te citeren en dan een serie vragen te richten aan diegenen die, net als filosoof Alvin Plantinga, beweren dat “wat [de Heer] voorstelt voor ons geloof is wat we horen te geloven.” Want het moet overduidelijk zijn dat, als Plantinga en andere Bijbelse theïsten gelijk hebben, dan – aangezien het geloven dat wat de Heer voorstelt ook het geloof van wat we horen te doen omvat – dat als de Heer zegt dat we iets moeten doen, we dat ook horen te doen. 

   Neem 1Samuel 15:3 waarin de Heer zijn volk gebiedt:

   “Trek daarom op tegen de Amalekieten en versla ze. Wijd al hun bezittingen onvoorwaardelijk aan de HEER. Spaar ze niet, maar dood alles en iedereen: mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen ….”

   (a) Waren de woorden “dood alles en iedereen: mannen en vrouwen, kinderen en zuigelingen” precies de woorden van de Heer die u vereert?

   (b) Is het voorstelbaar dat uw Heer hetzelfde bevel kan uitvaardigen in onze tijd?

   (c) Als u zou geloven dat u dat bevel kreeg van uw Heer, zou u dan kunnen en willen gehoorzamen?

   Als uw antwoord op vraag (a) “Nee” is, ontkent u de autoriteit van Gods zogenaamde woord, de Bijbel. Als u vraag (b) met “Nee” beantwoordt – misschien omdat u denkt dat uw Heer zijn leven gebeterd heeft – ontkent u dat Gods bevelen de soort algemene toepasbaarheid hebben die een noodzakelijke voorwaarde zijn voor hun overeenstemming met morele waarheden, laat staan dat ze de bron hiervan zijn. En als u “Nee” antwoordt op (c), moet u van mening zijn dat het soms juist, of zelfs verplicht is, om ongehoorzaam aan God te zijn. Dan geeft u daarmee toe dat morele waarheden onafhankelijk zijn van Gods dictaten, en daarmee zelfs in tegenspraak kunnen zijn. U geeft dan toe dat ethiek, zoals de meeste filosofen al lang volhouden, autonoom is; en dat we daarom zelf over onze moreel moeten nadenken.

   Maar als u “Ja” antwoordt op iedere vraag, dan stel ik dat uw geloof in de God van het Bijbelse theïsme niet slechts een vergissing is, maar moreel weerzinwekkend. Want, in de woorden van mijn vriend John Patrick, die afstand deed van zijn ambt in de Presbyterian Church in Nieuw Zeeland toen hij ontdekte hoeveel van zijn gemeenteleden ook “Ja” antwoordden op alle drie vragen: “de doctrine dat de Heilige Schrift het woord van God inhoudt, het hoogste gezag over geloof en plicht, heeft de macht om overigens zachtaardige, zorgzame en van nature liefhebbende mensen te veranderen in een groep die bereid is genocide goed te keuren in de naam van de Heer die zij aanbidden.

_____


Bron:http://www.infidels.org/library/modern/raymond_bradley/moral.html


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort