visitors on myspace
DEBAT: IS GOD DE BRON VAN MORAAL? | POSITIEF ATHEÏSME <>

DEBAT: IS GOD DE BRON VAN MORAAL?

image7313

RAYMOND D. BRADLEY







Op maandag, 2 augustus 2010 organiseerde de Universiteit van Auckland, (Nieuw Zeeland) een debat tussen Emeritus Professor in de Filosofie Dr. Raymond Bradley, van 1964 tot 1969 professor en Hoofd van de Faculteit Filosofie aan deze universiteit, en Dr. Matthew Flannagan, met als onderwerp  “Is God de bron van moraal?”

   Dr. Raymond Bradley, van wie al eerder meerdere artikelen op deze site zijn gepubliceerd,  (zie hier)  schreef de tekst voor het volgende gezamenlijk communiqué als inleiding:

1. Matt en Ray willen dit een echt debat doen zijn, waarin zij om het zo te zeggen "de degens kruisen" over het onderwerp, en waarin niet - zoals vaak het geval is - langs elkaar heen wordt gepraat. Daarom zijn zij overeen gekomen hun openingsverklaringen vooraf schriftelijk uit te wisselen om het daarmee mogelijk te maken op elkaars argumenten in te gaan, en geen karikaturen te maken van wat de ander heeft gezegd. 

2. Ze zijn ook, vanaf het begin, overeengekomen dat ze de organisatoren en de supporters van ieder zogenaamd "kamp" vragen, geen eindverkiezing te houden over de kwestie of Matt of Ray, indien een van hen, het debat had "gewonnen". Zulke verkiezingen, geloven beiden, bevorderen oppervlakkig denken en veroorzaken een ongelukkige neiging voor supporters van de ene of de andere zijde om weg te gaan onder het kraaien van "Onze kant heeft gewonnen", om de kwestie daarna geheel te vergeten.

3. Matt en Ray zijn beiden filosofen die mensen willen aanmoedigen uitvoerig en serieus na te denken over de opgeworpen kwesties, en de bewijzen en argumenten te overwegen voor ieder van de tegenovergestelde standpunten. Beiden geloven in het advies van de Schotse filosoof David Hume: "proportioneer de kracht van je overtuigingen aan de kracht van de bewijzen."

imgres

   Dr. Matthew Flannagan die een PhD titel in Theologie van de Universiteit van Otago houdt, en een BA graad in Filosofie van de Universiteit van Waikato, zal als verdediger van de God van de Bijbel optreden.


OPENINGSVERKLARING VAN DR. BRADLEY

   Dr. Raymond Bradley, in de door hem aangenomen rol van openbaar aanklager opende het debat met een reeks duidelijk gespecificeerde aanklachten tegen de God van de Bijbel:

   “Ik kom niet om God te eren maar om hem te begraven, samen met de dode goden van nu vergeten religies. Niet om hem te eren als de bron van alles dat goed is in de wereld, en daarom als de ultieme gids voor de menselijke moraal, maar om hem aan te klagen als de openlijke bron van alles dat daarin verkeerd is. Als de christelijke God in zijn Heilige Schrift zegt dat hij de schepper van alle kwaad is, ben ik bereid hem op zijn woord te geloven.

   Ik zal de rol van aanklager op me nemen, door redenen te geven voor mijn instemming met Gods zelfbeschuldiging. En, nadat Gods proces in overeenstemming met de regels van moraal en logica is gevoerd, hoop ik hem eerst in een dwangbuis te zien worden gestopt, en daarna voor altijd in zijn graf, zodat hij niet langer het geloof van mensen kan beheersen.

   Matt zal namens God optreden als advocaat voor de verdediging van God, als wat theologen noemen een “apologeet”.


DE GODHEID IN DE BEKLAAGDENBANK

   Ik ga God beschuldigen in vier categorieën van aanklachten. Iedere categorie omvat tientallen, zo niet honderden of duizenden gevallen. Als God schuldig is aan zelfs maar één van die gevallen, zou dat alleen al grond zijn voor zijn veroordeling. Uitgaande van bewijzen die God zelf levert in zijn zogenaamde Heilige Schrift, stel ik dat hij schuldig is aan allen. 

A)   Misdaden tegen de menselijkheid

   Het was kenmerkend voor heidense religies om verschillende goden op te voeren als bovennatuurlijke oorzaken van natuurlijke fenomenen: aardbevingen, vulkaan uitbarstingen, overstromingen, blikseminslagen, de pest, hongersnood etc. De Bijbelse god neemt dezelfde rol over, alleen beweert hij alleen verantwoordelijk voor dit alles te zijn. Hij schept op over het veelvuldig toepassen van zulke natuurlijke gebeurtenissen, om te verwonden, te verminken, te verhongeren, te verdrinken en om op allerlei andere manieren miljoenen en miljoenen mensen uit te roeien. Ziektes en rampen zijn Gods massavernietigingswapens.

B)   Oorlogsmisdaden

   Deze god is schuldig aan de misdaad van genocide. Volgens het verhaal van Noach en de zondvloed heeft hij “ieder levend ding op het oppervlak van de aarde” uitgeroeid. En in zijn rol als Opperbevelhebber van zijn uitverkoren volk, is God schuldig aan etnische zuiveringen. Hij beveelt het afslachten, zonder medeleven, van honderdduizenden vrouwen, kinderen en zuigelingen. Hij keurt het meenemen van verweesde maagden goed, om als seksslavinnen gebruikt te worden door zijn overwinnende soldaten. Bovendien dreigt hij om ongeboren kinderen uit hun moeders baarmoeder te scheuren; en hij schijnt zich te verlustigen in het vooruitzicht.

C)   Het toestaan van moreel verval en moord

   Deze God schrijft de doodstraf voor bij minstens 15 beweerde overtredingen. Deze omvatten het een koppige en opstandige zoon te zijn (Deuteronomius 21:18-21), het slaan of schelden op zijn vader of moeder (Exodus 21:17, Leviticus 20:8), ontheiliging van de Sabbath (Exodus 31:14), een vrouw te zijn die niet kan bewijzen maagd te zijn voorafgaand aan het huwelijk (Deuteronomium 22:20-21), een vrouw te zijn die niet luid genoeg protesteerde toen ze verkracht werd (Deuteronomius 22:23-24), godslasteraar te zijn (Leviticus 24:16), overspelig te zijn (Leviticus 20:10-12), andere goden te aanbidden (Deuteronomium 13:6-9), of homoseksueel te zijn (Leviticus 20:13). Gods aanbevolen straf? Steniging, meestal.

   God vertelt ons onomwonden dat hij deze misdaden gepleegd heeft, en nog veel meer. En hij verontschuldigt zich er nooit voor, of toont zelfs maar enig spoor van berouw.

   Maar al deze misdaden verbleken tot onbeduidendheid, vergeleken met datgene waarvan ik hem nu ga beschuldigen. Want al deze misdaden zijn eindig van duur, terwijl de volgende daarentegen verondersteld wordt tot in alle eeuwigheid door te gaan.

D)   Misdaden van marteling

   Deze god, in de persoon van zijn zoon Jezus, pleegt de meest verdorven vorm van alle misdaden: marteling voor onbeperkte duur in het vuur van de hel. Voor wie, en waarom? Voor de meerderheid van het menselijk ras, vanwege de beweerde simpele overtreding van het er niet de juiste religie op na te houden. 

   Er staan minstens dertien passages in Mattheus alleen al, waarin Jezus spreekt over het lot van degenen die naar de hel gaan – een lot dat hij beschrijft als “eeuwigdurend”, als “vurig”, als een oord van “onblusbaar vuur”, als een plaats waar “geween en geknars van tanden” zal zijn. De apostel Paulus (2Thessaloniërs 1:7-8) kijkt verlangend uit naar de tijd wanneer, in zijn woorden, “Jezus, de Heer, vanuit de hemel verschijnt. Dan komt hij in een vlammend vuur en omringd door engelen, door wie hij zijn macht manifesteert; dan straft hij hen die God niet erkennen en het evangelie van onze Heer Jezus niet gehoorzamen.” En de auteur van Openbaringen beschrijft de hel in al zijn voyeuristische obsceniteit als hij zegt dat iedereen van wie de naam niet in het boek des levens was geschreven, “in de poel van vuur werd geworpen”, en als een plaats waar ieder ongelovige, in zijn woorden, “ook zal drinken van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid in de beker van zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam. En de rook van hun pijniging stijgt op in alle eeuwigheden, en zij hebben geen rust, dag en nacht, die het beest en zijn beeld aanbidden, en al wie het merkteken van zijn naam ontvangt.” (Openbaring 14:10-11). De uitdrukking “het Lam” verwijst naar Jezus, daar zijn theologen en geleerden het over eens. Het is goed te weten dat Jezus de eeuwigdurende martelingen van de verdoemden, dat wil zeggen van mij en vele anderen zal gadeslaan, en dat van een menigte ongelovigen zoals sommigen van u.

  Is het een wonder dat christenen die God op zijn woord geloven en zichzelf martelden met vrees over hun eigen eeuwigdurende vooruitzichten, afvalligen op de brandstapel hebben verbrand om hun zielen van eeuwige verdoemenis te redden, en kinderen tegen stenen de hersens hebben ingeslagen zodat ze niet de kans kregen om ongelovigen te worden? Toch wist God, omdat hij alwetend is, van dit alles.

   Is het een wonder dat televisie-dominees in staat zijn om die vrees voor hellevuur te benutten om hun zakken te vullen?

   Wie zou nu nog, zult u zich afvragen, dit soort morele primitiviteit serieus nemen? Wel, veel moslimfundamentalisten doen dit in ieder geval wel: de Taliban bijvoorbeeld. Gesteld kan worden dat de morele wetten die zij en andere moslimfundamentalisten ons proberen op te leggen, weinig meer zijn dan Islamitische versies van het Oude Testament, waaruit Mohammed zo vrijelijk zijn inspiratie putte.

   Voor veel christelijke fundamentalisten geldt hetzelfde – de Christian Reconstructionists bijvoorbeeld. Een aanzienlijk en steeds invloedrijker deel omvattend van de Southern Baptist Convention – zelf de grootste kracht voor evangelisch christendom  - extreem christelijk rechts, eisen net als hun moslim broeders dat hun land een theocratie wordt, en erkennen zonder met de ogen te knipperen dat het uitvoeren van Gods geboden onvermijdelijk zal resulteren in de dood van tientallen miljoenen van hun medeburgers: meer dan 45 miljoen is één schatting. Welkom tot een replica van de sharia wetten.

   Het zijn niet slechts de ultrafundamentalisten van theïstische religies die Gods geboden serieus nemen. Zelfs de betrekkelijk liberale tak van de christelijke kerk – als vertegenwoordigd door de Church of England en haar Episcopale afsplitsing – neemt Gods woorden serieus genoeg om over sommige daarvan verontrust te raken, vooral over wat hij zei over homoseksuelen: dat ze een abominatie zijn die in deze wereld gedood moeten worden en naar de hel horen te gaan. Vandaar het vooruitzicht op weer een grote scheuring in het christendom, en het pathetisch excuus door de homofiele bisschop, Bisschop Gene Robinson, dat de kerk nog “probeert uit te vinden wat Gods wil” hierin is. Robinson en Aartsbisschop Rowan Williams (die aan de andere zijde van het debat staat), moeten de Bijbel eens lezen. Die heeft al lang geleden verteld wat God wil.

   Is God van gedachten veranderd over enig van zijn dictaten? Als dit zo is, heeft hij dat voor zichzelf gehouden. Toch beweert William Alston, erkend christelijk filosoof en apologeet, dat God nog steeds communiceert met oprechte christenen. Zou het kunnen zijn dat al die oprechte christenen, die – ongeveer tweeduizend jaar lang – op kruistochten zijn gegaan met Gods woord op hun lippen, alleen naar zichzelf luisteren, en niet naar God? Waarom meldt geen van hen God ooit duidelijk te hebben horen roepen “Stop! Jullie hebben me verkeerd begrepen!”

   De Bijbelse god is niet wat St. Anselmus dacht dat hij was: datgene waarvan niets groter, niets meer moreel perfect kan worden voorgesteld. In zijn eigen verklaringen veroordeelt God zichzelf als datgene waarvan niets gemener, niets kwaadaardiger kan worden voorgesteld.

   “God is liefde” is een misplaatste grap. Het aardige,”Behandel anderen zoals uzelf behandeld wil worden”, is weinig meer dan verhullende propaganda over Gods ware aard. De Gouden Regel kunnen we toejuichen, als een goede vuistregel. Maar het is wel wrang, vindt u niet, als die uit de mond komt van iemand als Jezus, die de meesten van ons naar de hel wil zenden? Hier is geen morele wederkerigheid!

   Hoe stemmen Gods beschrijvingen van zijn eigen gedrag overeen met het geloof dat hij perfect goed is? Of dat hij de bron is van wat sommigen noemen “De morele wet”? Niet, dus.


DE PLAATSING VAN GOD EN ZIJN VERDEDIGERS IN EEN DWANGBUIS VAN LOGICA

   Het feit dat God zelf al zijn misdaden te boek stelt – vaak in beeldend en gruwelijk detail – weerspreekt het geloof dat hij almachtig, alwetend en perfect goed is. Zijn zelfonthulling plaatst God en zijn volgelingen, zoals Matt, in een logisch dwangbuis. Er bestaat geen enkele mogelijkheid te ontsnappen aan de volgende set van vijf, onderling inconsistente proposities:

1)  Wat God beveelt dat we moeten geloven – inclusief de overtuigingen van wat we horen te doen – is wat we moeten geloven of doen.

2)  In zijn Heilige Schrift stelt God dat we moeten geloven dat hij ieder van de vier types misdaden A, B, C en D heeft veroorzaakt, gepleegd, goedgekeurd of ons daartoe een bevel heeft gegeven waaraan wij moeten gehoorzamen.

3)  Het is moreel verkeerd om enige misdaad van het type A, B, C en D te veroorzaken, te plegen, goed te keuren of te bevelen.

4)  God is almachtig, alwetend en moreel perfect.

5)  Een moreel perfect wezen zou niets doen dat moreel verkeerd is. 

   Theïsten geloven in alle vijf. Het probleem is dat deze vijf stellingen een inconsistente set vormen, en wel zodanig dat iedere vier daarvan op geldige wijze de onjuistheid van de vijfde kunnen aantonen. Het is zo dat we alleen op coherente wijze aan (1), (2), (3) en (4) kunnen vasthouden als we (5) prijsgeven; alleen op coherente wijze aan (2), (3), (4) en (5) kunnen vasthouden als we (1) prijsgeven, enzovoort.

   Het probleem is om te beslissen welke van deze vijf stellingen opgegeven dient te worden om onderlinge tegenspraak te voorkomen.

   Het ontkennen van (1) zou de ontkenning betekenen van dat we horen te geloven wat hij zegt in kwesties van moraal, of in feitelijke zaken. Dit zou bijvoorbeeld ontkennen dat we moeten gehoorzamen aan Gods geboden, waarvan voorbeelden worden gegeven in categorie C. Dit zou ontkennen dat God de ultieme autoriteit is over wat waar is of onwaar is, wat goed is of fout.

   Het ontkennen van (2) zou het ontkennen betekenen van de autoriteit van de Heilige Schrift. Dit zou betekenen dat we zeggen dat of (a) God niet wist hoe te zeggen wat hij bedoelde, of (b) dat hij werkelijk meende wat hij zo duidelijk zei. Maar met het eerste alternatief zouden we zijn linguïstische bekwaamheid ontkennen, en dus zijn alwetendheid. Aan de andere kant, zou het tweede alternatief inhouden dat we ons moeten verlaten op menselijke uitleg over wat hij bedoelde. Dat is waar de kunst van de apologie van pas komt. Maar in dat geval wordt het woord van God het woord van de mens, afhankelijk van rivaliserende, subjectieve interpretaties. Alle voorwendsel van objectieve morele waarheid wordt dan losgelaten. Daarmee zouden we ons in de positie plaatsen van de primitieve mens die op medicijnmannen vertrouwt om uit te leggen wat de kippendarmen werkelijk betekenen.

   Met de ontkenning van (3) zou gesteld worden dat het moreel toelaatbaar is om de walgelijkste misdaden te veroorzaken, te plegen, goed te keuren of te bevelen. Het zou hetzelfde zijn als zich aan de zijde te scharen van monsters als Ghengis Khan, Hitler, Stalin en Pol Pot.

   De ontkenning van (4) betekent ontkenning van het feit dat de god waar we het over hebben die eigenschappen bezit die theologen beschouwen als de bepalende, en onderscheidende eigenschappen van de christelijke God. Kortom, het zou de ontkenning zijn van het kerngeloof van het theïsme.

   Tenslotte, de ontkenning van (5) zou de ontkenning van een waarheid als een koe zijn. Die ontkenning zou ons de vrijheid verschaffen om het woord “goed” te gebruiken alsof dat hetzelfde betekent als “slecht”. Het zou het spelen van woordspelletjes worden, zoals Humpty Dumpty die dacht dat hij woorden kon laten betekenen wat hij wilde dat ze betekenden – inclusief hun tegenovergestelde.

   Ik vraag mij af welke Matt gaat ontkennen om tegenstrijdigheid te vermijden? Laten we dat afwachten.

   Ik zal hem ook uitdagen de valse wetenschappelijke vooronderstellingen te bespreken van Gods genocide door middel van Noachs zondvloed, en de dubieuze historische vooronderstellingen bij de verhalen over de veroordeling  van ongelovigen tot eeuwige marteling in de hel door Jezus.


Redactie:

   De tekst van de openingsverklaring van Dr. Matthew Flannagan is hier helaas niet in geschreven vorm beschikbaar, en ook niet op diens website www.mandm.org.nz  Wel is hierop een gefilmde weergave van het debat te vinden, met een helaas povere geluidskwaliteit, dus moeilijk te verstaan. Gelukkig kunnen we niettemin toch uit Dr. Bradley’s “Eerste antwoord” duidelijk concluderen welke vorm dat verweer van Dr. Flannagan heeft aangenomen, omdat hij puntsgewijze daarop antwoordt.


DR BRADLEY'S EERSTE REACTIE

      Matt heeft duidelijk de ernst van mijn aanklachten tegen God niet helemaal begrepen. Die zijn:

(1)  Dat niemand boven de wet staat – de morele wet, in dit geval - zelfs God niet;

(2)  Dat de God van de Bijbel een door en door slechte God is, en dat zelf bekent;

(3)  Dat men aan de geboden van zo’n God niet hoeft te gehoorzamen alleen omdat hij ze uitvaardigt; net zo min als men aan de geboden van andere kwaadaardige goden zou moeten gehoorzamen.

   Matt beargumenteert het tegendeel van elk daarvan.

   Tegenover mijn eerste claim stelt Matt dat God boven de morele wet staat, aangezien het God is die deze wet bepaalt, of zoals hij het stelt, “hij heeft geen plichten.”

   Matt gebruikt dit als hij probeert te ontsnappen aan mijn logische dwangbuis door gebruik te maken van wat hij een ambiguïteit noemt in mijn claim dat het moreel verkeerd is om een van de misdaden van types A, B, C of D te veroorzaken, te plegen, goed te keuren of te bevelen.

   Hij stelt dat dit niet universeel toepasbaar is. Dit is niet van toepassing op alle personen, zegt hij, alleen op menselijke personen. God is vrijgesteld omdat – hoewel persoon – hij niet een menselijk persoon is.

   Matts strategie hier is verwant aan die welke vaak geboden wordt ter verdediging van staatshoofden: zij staan boven de wet, aangezien zij het zijn die de wet bepalen; en de wetten die zij voorschrijven zijn er alleen voor de anderen, niet voor henzelf.

   Maar dit maakt een aanfluiting van de objectiviteit van waarheid, welke inhoudt dat waarheid in het algemeen – waarheid over zowel morele als feitelijke kwesties – objectief is, niet relatief tot personen, tijd of plaats. Dit zou de morele wet relatief tot de status van een persoon maken.

   Ziet u, de doctrine van de objectiviteit van waarheid zegt dat waarheid in het algemeen niet gerelateerd is aan personen, plaatsen of tijden. Waarheid is absoluut, niet relatief; objectief, niet subjectief. Net zoals de waarheid van de heliocentrische hypothese – dat de aarde om de zon draait in plaats van andersom – niet afhankelijk is van wat iemand (zelfs God) zegt, of van de plaats en tijd waarin het gezegd werd, zo zijn morele claims – terecht of onterecht - niet afhankelijk van personen, plaatsen of tijd. Kortom, morele waarheden over wat men wel of niet hoort te doen zijn onafhankelijk van persoon, plaats of tijd. Daarom kunnen ze niet afhankelijk zijn – zoals Matt beweert – van de grillen van een bovennatuurlijke God.

   Matt negeert de notie van morele objectiviteit nogmaals, wanneer hij – trachtend aan de restricties van mijn dwangbuis te ontsnappen – de toepasbaarheid van Gods geboden relativeert met de bewering dat vele daarvan alleen van toepassing waren op mensen in het verleden, niet op ons vandaag.  

   Voor denkende personen roept deze vlucht in relativisme ernstige vragen op, waarvan sommige intens persoonlijk. Op welke personen zijn Gods geboden van toepassing, en voor wie zijn dat niet? En welke geboden? Moeten we zeggen dat God van gedachten veranderd is tussen toen en nu? Of zijn zijn geboden om overspeligen, homoseksuelen en ongelovigen als ik te stenigen nog steeds van toepassing? Als hij niet van gedachten veranderd is over het doden van ongelovigen, horen christenen hem dan nu nog te gehoorzamen? Of moeten we afwachten totdat één van Gods goeroes, zoals Matt, ons het antwoord kan geven?

   Matt probeert al deze praktische problemen te omzeilen door te argumenteren in het abstracte, dat God per definitie “almachtig, alwetend en volmaakt goed” is. Aldus gedefinieerd, stelt hij, is het niet logisch mogelijk voor een dergelijke God om enige gruweldaad, opgesomd in mijn vier categorieën, te veroorzaken, te plegen, goed te keuren of te bevelen.

   Maar deze zet van definiëring is logische oplichting. Je kunt iets definiëren als die eigenschappen bezittend die je maar wilt. Maar dat betekent nog niet dat iets met deze eigenschappen bestaat.

   Men kan het hoogste priemgetal definiëren als dat waarvoor geen hoger priemgetal bestaat. Maar het is logisch aantoonbaar dat een dergelijk getal niet bestaat. Men kan de perfecte Rolls Royce definiëren als de auto die duizend kilometer rijdt op 1 liter benzine, en bestaat! Maar het is empirisch aantoonbaar dat zo’n voertuig niet bestaat.

   Dus bestaat een moreel perfecte God? Misschien is er wel een God. Maar volgens empirische bewijzen, bezit de Bijbelse God die eigenschappen niet. Volgens Gods eigen verklaring in het boek Jesaja, is hij de schepper van het kwaad.

    Nu komen we aan bij mijn vier types misdaden. Matt probeert zelfs niet zijn cliënt, God, tegen alle vier te verdedigen. Tijdsbeperkingen in aanmerking genomen, kon hij dat ook niet. Dus probeert hij van zijn apologetische strategie het beste te maken door slechts drie voorbeelden daarvan uit te kiezen.

    De eerste hiervan is Gods gebod om de Kanaäniten uit te roeien door ze allen, inclusief zuigelingen, genadeloos af te slachten. Let nu eens op zijn tweevoudige strategie.Ten eerste zegt hij dat er andere passages in de Bijbel staan die het tegendeel bewijzen, namelijk dat sommige Kanaäniten – misschien een handvol - overleefden. Maar dat brengt ons van de regen van morele criminaliteit in de drup van contradictie. Vandaar zijn tweede truc, die van de  bewering dat God niet echt bedoelde wat hij zei; hij ging zich te buiten aan een beetje overdrijving. “Doodt hen allen” betekende alleen maar, “Doodt de meesten.” Maakt dat God iets minder schuldig aan genocide en etnische zuivering?

   Ten tweede, poogt Matt de kwestie van de doodstraf op gelijke wijze af te handelen, door te beweren dat God niet bedoelde dat iemand hem letterlijk zou nemen. Blijkbaar betekende “steniging” niet werkelijk steniging. 

   Ten derde, bekroont Matt zijn verdediging door te negeren wat de Bijbel over het hellevuur zegt. Ongelovigen als ik, zegt hij, zullen eeuwigdurend gemarteld worden niet alleen voor ons ongeloof, maar voor onze daden. Niet alleen is dat inconsistent met Handelingen 4:12, dat ons wil doen geloven dat geloof in de naam van Jezus de enige bepalende factor voor zaligmaking of verdoemenis is, het is ook inconsistent met  Efeziërs 2:8-91 (1), dat aangeeft dat daden noch voor, noch tegen tellen.

(1) “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme.” 

(Het evangelie van de Efeziërs, samen met Colossensen 3, Thessaloniërs 2, Titus 1 en 2 worden nog door weinig onderzoekers voor authentieke geschriften van Paulus gehouden. Velen stellen dat de enige echte Romeinen, Korintiërs 1 en 2, Galateeërs, Filippenzen, Thessaloniërs 1, en Philemon zijn.)


DR MATTHEW FLANNAGANS ANTWOORD

   Ik ben het helemaal met Ray eens dat we sofismen  moet vermijden.

1. Ray begon met het stellen dat niemand “boven de wet staat”, maar dat is de kwestie waarover we vanavond spreken. Je kunt geen posities innemen door een motto te citeren. En bovendien, er zijn mensen die boven de wet staan – Amerikanen zijn bijvoorbeeld niet gehouden aan de wetten van Nieuw Zeeland.

2) Ray vervolgde met een paar argumenten voor dit idee. Hij viel mijn standpunt aan dat God geen plichten heeft, en hij zegt dat dit relativisme inhoudt, dat dit de objectiviteit van waarheid ontkent. Daar ben ik het niet mee eens. Zeggen dat iets objectief is, is zeggen dat het waar is of onwaar, ongeacht of een menselijk persoon het accepteert of het er mee eens is. Het schijnt dat Ray objectiviteit zodanig wil definiëren dat iets waar of onwaar is ongeacht wat iemand er van vindt. Nu, als dit je definitie van objectiviteit is dan heb je een probleem, omdat niets in die zin objectief is. Niets is waar of onwaar ongeacht wat een alwetend wezen hiervan vindt, omdat een alwetend wezen onware proposities niet gelooft.

   In feite is Ray’s voorbeeld van de heliocentrische hypothese niet objectief in de zin die hij noemde. Hij zei dat die waar of onwaar is, ongeacht wat God zei of deed. Maar wacht even, als God bestaat is hij de schepper en instandhouder van het universum, hij schiep het heliocentrische universum en houdt het in stand. Dus verschil ik van mening, als God bestaat dan is de heliocentrische hypothese niet objectief waar in de sterke zin waar Ray over sprak.

3) Ray zei dat ik mijzelf tegensprak omdat ik de objectiviteit van waarheid accepteer en ik ook de goddelijke geboden theorie. Maar dat is niet waar. Ik heb nooit objectiviteit gedefinieerd als zijnde waar of onwaar, ongeacht wat iemand er van vindt. Ik heb objectiviteit altijd gedefinieerd als waar of onwaar, ongeacht wat mensen denken. Er is geen tegenstrijdigheid hier, alleen een onjuiste voorstelling.

4)  Ray vroeg “Matt zegt dat Gods geboden in de Bijbel voor sommige mensen bestemd waren, en niet voor anderen, hoe moeten we bepalen welke dat zijn?” Makkelijk. Lees de teksten en kijk naar de context.

5)  Daarna vroeg Ray “moeten we ze nu nog doden?” Ik heb dit behandeld in mijn openingsverklaring. Daarin heb ik er op gewezen dat uit juridische teksten van het antieke Nabije Oosten blijkt dat de geboden dit waarschijnlijk niet betekenden. Ik wees er op dat bij gerechtelijke voorschriften in het antieke Nabije Oosten en in de Thora, dergelijke sancties in het algemeen niet bedoeld waren om letterlijk uitgevoerd te worden, maar in de praktijk een geldelijke boete werd betaald om iemands leven vrij te kopen. Eenvoudigweg iets stellen waarop ik al gereageerd heb is niet echt een weerlegging.

6)  Ray zei dat ik deze positie probeer te omzeilen door “God is goed” te zeggen, maar in tegendeel zei hij dat – de definitie die ik gebruikte kwam van zijn tekst.

7)  Dan zei hij dat ik beweer dat God geen van de dingen kon doen die hij zei. Maar dat zei ik niet. Wat ik zei was dat er bepaalde daden zijn die een volmaakt goed wezen niet zou doen. Dat hield niet in dat een perfect goed wezen die dingen niet zou kunnen doen die hij zei. In feite denk ik dat Ray’s bewering hier – dat dingen als de pest of overstromingen of het doden van niet-strijders zodanig zijn dat een volmaakt goed wezen die nooit zou kunnen doen – gewoon  onwaar is. Een volmaakt goed wezen zou dit soort dingen niet kunnen veroorzaken tenzij daarmee een groter goed kan worden bereikt, of een groter kwaad kan worden afgewend.  

   Laat me u een voorbeeld geven. Tijdens WO II bombardeerden de geallieerden Duitse steden, en verwondden en doodden daarmee  duizenden vrouwen en kinderen. De vooraanstaande ethicus Michael Walzer heeft gesteld dat als we wisten dat de enige manier om de Nazis te verslaan het bombarderen van deze steden was, we dan gerechtvaardigd waren dit te doen. Het alternatief van niet bombarderen zou Europa en de wereld aan een groter kwaad hebben blootgesteld – bezetting en dominatie bij de Nazis. Dus laat me het op deze manier stellen, als je zeker wist dat de enige manier om één kwaad te vermijden is door een ander kwaad te doen, is het dan werkelijk onmogelijk voor een volmaakt goed wezen om daar zijn goedkeuring aan te hechten? Ben je bereid te verklaren dat het onmogelijk is voor een volmaakt wezen om dat te doen?

   Dus het punt is niet of slechte dingen gebeuren in een wereld die bestuurd wordt door een volmaakt goede God. Het punt is of er groter goed is, of een alles overstijgende reden die ze rechtvaardigt. Ray heeft vanavond niets gedaan om aan te tonen dat dit niet waar is.

8)  Ray gaat verder met zeggen dat je God op iedere manier die je maar wilt kunt definiëren, maar dat het op die manier definiëren van God nog niet bewijst dat hij bestaat. Daar ben ik het mee eens. Mijn argument was geen bewijs voor het bestaan van God, mijn argument was of God, op bepaalde manier voorgesteld, een houdbare basis voor moraal is (het onderwerp van dit debat) en in dit verband, is alles wat ik me moet afvragen hoe we God definiëren voor het doel van die vraag.

9)  Hij bespreekt dan de kwestie van de Kanaäniten, en mijn reactie daarop. Hij zei over de andere passages die suggereren dat dit niet letterlijk gebeurde, “wel, dat is een tegenstrijdigheid.” Nu is het een tegenstrijdigheid als je het letterlijk opvat, maar dat is precies mijn punt, je moet het niet letterlijk nemen. Bedoelt Ray dat we Egyptische krijgsgeschiedenis als tegenstrijdig moeten aannemen, of de Hettitische, aangezien dat soort “tegenstrijdigheid” gebruikelijk is in de antieke literatuur van het Nabije Oosten?

   Ray beweert dat ik gezegd heb dat het niet werkelijk betekent “doodt allen”, het betekent “doodt sommigen.” Maar dat is niet wat ik heb gezegd. Wat ik zei was dat het een figuurlijke manier van spreken was om “victorie” te zeggen, als we “winnen” bedoelen. Net zoals we zeggen “we gaven ze op hun donder” niet werkelijk betekent dat we ze sloegen, maar het een figuurlijke wijze is om “victorie” te zeggen. Als je je dat eenmaal realiseert kun je niet uit de tekst de conclusie afleiden dat “alle vrouwen en kinderen werden gedood”, of “sommige vrouwen en kinderen werden gedood”. De tekst zegt alleen maar dat ze wonnen. Dat is alles.

   En de tekst zegt niet dat sommigen overbleven. Dit is een sterk contrast in de tekst. De tekst zegt, als je het letterlijk neemt, “iedereen was vernietigd” en dan zegt ze “er waren enorme aantallen van ze, dus van sommigen konden we niet winnen.” Dit is niet een geval van een klein aantal, dit is een sterk contrast.

10) In reactie op mijn argumenten met betrekking tot de doodstraf zei Ray “God meende niet echt wat hij zei.” Maar heeft u gemerkt dat Ray’s rede vol metaforen was? Merkte u dat hij God in een logisch dwangbuis wilde plaatsen? Merkte u dat toen hij God wilde aanklagen voor het eeuwig martelen van mensen, zei dat het woord “Lam” Christus betekende? Dus Ray is best bereid om figuurlijke taal te gebruiken, en heeft dat in zijn rede ook gedaan. Moet ik nu zeggen dat Ray duidelijk niet meent wat hij zegt? Dat hij slecht in communicatie is omdat hij metaforische taal gebruikt?

11) Dan begint Ray over de hel. Hij zegt “goed verbrand worden voor korte tijd is niet erg aardig.” Maar zoals ik er al op wees, deze passages zijn uit parabellen. Ray herhaalt het idee dat deze mensen voor hun overtuigingen gedood worden, en gestraft worden omdat ze er nooit van gehoord hebben. Maar ik heb er specifiek op gewezen in mijn openingsverklaring dat de Bijbel niet zegt dat mensen om deze reden vernietigd worden.

12) Tenslotte komen we tot de kwestie van Noach’s zondvloed, en daar denk ik dat hij zijn kaarten op tafel heeft gelegd. Ray vroeg “ga je zeggen dat dit niet letterlijk waar is?” Merk op dat Ray creationist is. Ray veronderstelde een fundamentalistische lezing van het boek Genesis. Toen draaide hij om en zei dat de wetenschap bewijst dat het niet kon. In werkelijkheid zullen veel evangelische Bijbelonderzoekers u vertellen dat als je naar de eerste hoofdstukken van Genesis kijkt, en die vergelijkt met Babylonische literatuur uit dezelfde periode, het duidelijk wordt dat dit waarschijnlijk niet bedoeld is als historisch verhaal. Dit is niet nieuw voor Bijbelonderzoekers, maar het is blijkbaar nieuw voor Ray.

   Dus in reactie ben ik het er mee eens dat we spitsvondigheden moeten vermijden, we moeten argumenten op hun waarde beoordelen, en ik vind niet dat Ray’s argumenten waarde hebben. Hij heeft veel grappige dingen gezegd en dat waardeer ik. Hij heeft me beschuldigd van ontwijking. Hij heeft me van sofisme beschuldigd, en ik begrijp dat in de context van een debat zulke dingen gezegd zullen worden. Maar ik denk dat de substantie van wat hij zei niet slechts bestaat uit een onjuiste voorstelling van de Bijbel, maar dat hij in zijn antwoord ook mij onjuist voorstelde. 


NAWOORD VAN DE REDACTIE

   Het is aan de lezer om te beoordelen of Dr. Flannagan iets van Dr. Bradley's beschuldigingen heeft kunnen weerleggen, dus of hij een succesvol apologeet is die zijn cliënt, de God van de Bijbel overtuigend kon vrijpleiten van het ten laste gelegde. 

2)  Enkele dagen na het op 2 augustus, 2010 gehouden debat stuurde Dr. Bradley mij bovenstaand verslag van het verloop daarvan. Zoals daarin vermeld - en door mij gecontroleerd - was het schriftelijk verslag van de Openingsverklaring van Dr. Flannagan toen nog niet op diens website gepubliceerd. Hoewel beide partijen waren overeen gekomen reeds voor het debat de teksten van hun Openingsverklaringen onderling uit te wisselen, was de tekst van Dr. Flannagans Openingsverklaring in augustus 2010 nog niet gepubliceerd. Bijna drie jaar later, begin oktober 2013 ontving ik een verwijt van Dr. Flannagan dat ik de tekst van zijn verklaring - zoals die nu, hoewel onder voorbehoud, wel op zijn website was verschenen - niet in het verslag had opgenomen.

Kwestie van tactiek in de apologetiek?

 

_____


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort