visitors on myspace
MOET GOD NAAR DE HEL? | POSITIEF ATHEÏSME <>

MOET GOD NAAR DE HEL?

Peterimage7313

PETER VAN MONTFOORT





'Ik weet niet of God bestaat, maar het zou beter voor Zijn reputatie zijn als Hij niet bestaat.'   Jules Renard - Frans schrijver 1864 - 1910


Ter verduidelijking - en geruststelling voor de gelovige lezer - de vraag is retorisch. De steller van bovenstaande vraag is namelijk atheïst en weet dus wel dat het één noch het ander bestaat, God noch de hel. Voor hem is de vraag slechts ironisch bedoeld, en niet om te kwetsen. Hij weet dat als zelfs maar één van beide factoren toch zou blijken te bestaan, de vraag dan evengoed nog steeds van alle betekenis verstoken zou blijven. Want zelfs als bijvoorbeeld het bestaan van de hel zou worden bewezen, dan kunnen we nog steeds niet iets dat niet bestaat daarheen verwijzen, noch naar enige andere plaats. En evenmin kunnen we een God, noch enig ander denkbeeldig wezen, zelfs als die zou blijken toch te bestaan, naar een niet bestaande plaats verwijzen.

   Maar wat, zal de gelovige lezer nu vragen, als toch zou blijken dat beiden bestaan? Want we hebben immers niet bewezen dat geen van beide factoren bestaan. Correct, maar iets dat zonder bewijs wordt aangenomen, mag ook zonder bewijs worden afgewezen. Van die lezer vragen wij nog enig geduld. Want als die God werkelijk zou bestaan, zullen we zijn karakter moeten beoordelen op grond van wat hij in “Gods Woord” aan zijn biografen heeft “geopenbaard”. Dat gaan we straks dus raadplegen, zodat ook zij een grond hebben waarop zij hun oordeel kunnen baseren. Daarna kunnen zij zich dan serieus over deze vraag buigen. 

   En aangezien de vraag dus volkomen zinloos is voor allen die nog onbelemmerd over hun rationeel intellect beschikken, wordt die vraag hier ook niet in concreto beantwoord. Ze wordt alleen maar in die vorm gegoten om het voor gelovigen duidelijk te maken dat we de hypothetische God van de drie monotheïstische godsdiensten eens langs de meetlat van onze hedendaagse, seculiere, moraal willen leggen, zodat we deze figuur als hedendaagse zelfstandig denkende volwassenen kunnen beoordelen. Zoals wij ook werkelijk bestaande personen op hun daden en karakter beoordelen, en onze omgang met hen daarop afstemmen. Want, gezien wat christenen ons altijd  zo enthousiast vertellen over hun God, kunnen wij ons zo moeilijk voorstellen waaraan hij zijn eeuwenlange populariteit te danken heeft. Terwijl we toch weten dat het gros van de christenen gelukkig niet zo moordlustig is als de God van het Oude Testament. Of zo jaloers en wraakzuchtig. En met dat onderzoek hopen we ook een inzicht krijgen in wat christenen zelf beroert, wat hun morele maatstaven dan wel zijn, als ze deze God zo bewonderen (of is het toch meer vrezen?), waarom ze zo kritiekloos in hem geloven, waarom ze hun leven willen inrichten naar zijn veronderstelde voorschriften.

   Het is typerend voor de christelijke eigenwaan, en voor anderen enigszins vermakelijk, dat veel christenen nog steeds menen dat atheïsten — enkel en alleen omdat dat die weigeren in hun god te geloven — daarom ook amoreel moeten zijn. Hechten zij dan totaal geen waarde meer aan evolutionair aangeboren en door opvoeding verder gevoede moraliteit, of aan seculiere wetten die gegrond zijn op door ons allen gedragen ethische waarden, die gericht zijn op bescherming van de samenleving? Zij schijnen alleen aan Gods simpele verlanglijstje De Tien Geboden belang te hechten, hoewel vooral God zelf het daarin voorkomende gebod: 'Gij zult niet doden', op werkelijk magistrale schaal veelvuldig overtreedt. 

   Maar misschien zien zij dat gebod slechts als een concurrentiebeding van hun God. Een hypothese die door veel verhalen in de Bijbel aannemelijk wordt gemaakt. Want er bestaat geen grotere antireclame voor het christelijk geloof dan juist die Bijbel. Maar die hebben de meeste christenen waarschijnlijk nog nooit goed gelezen. In ieder geval niet helemaal, waarschijnlijk alleen die delen die door dominee worden aanbevolen.

   Atheïsten wordt dus een amorele instelling toebedacht omdat zij één god afwijzen, terwijl christenen zelf toch ook al die talloze andere goden al lang geleden afgewezen hebben. Atheïsten zijn slechts nog een klein stapje verder gegaan, en geloven in geen enkele god meer. Volgens christenen geldt voor hen dus 'God noch gebod'. Het eerste deel is absoluut waar, het tweede gelukkig niet. Dat maakt een vergelijking tussen de idealen van die Oudtestamentische God — zoals die door primitieven in het Bronzen Tijdperk gemodelleerd werd naar voorbeeld van concurrerende godheden van die tijd — en onze huidige seculiere moraal juist zo interessant.

   In dit verband is de karakterbeschrijving van deze god zo treffend, zoals Richard Dawkins die in 'God als misvatting' weergeeft. We citeren:

   "De God van het Oude Testament is zo’n beetje het onaangenaamste personage dat de literatuur ooit heeft voortgebracht. Hij is jaloers en er nog trots op ook; hij is een kleingeestige, onrechtvaardige, onverzoenlijke regelneef; een haatdragende, bloeddorstige pleger van etnische zuiveringen; een vrouwenhatende, homofobe, racistische, kinderen en volkeren uitmoordende, drammerige, megalomane, sadomasochistische, onvoorspelbaar boosaardige dwingeland."

   Dat is een hard oordeel, en christenen zullen hier verontwaardigd op reageren, maar als een wetenschapper van naam — die gewend is iedere bewering met bewijs te moeten steunen — en die bovendien begiftigd is met de onberispelijke manieren van de Britse "upper class", zulk een oordeel uitspreekt dan is het de moeite waard hier aandacht aan te besteden. Verderop in dit artikel zullen we zien waarop dit oordeel gebaseerd is. Dan wordt de in de titel gestelde vraag toch wel relevant. Juist voor christenen. Want zij worden door hun geloof in bovennatuurlijke zaken van het nadenken over dergelijke vragen weerhouden. En zouden zij, tot schrik van hun geestelijkheid, toch zelf eens beginnen te denken, dan wordt hen voorgehouden dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn. En dat de mens van nature zondig is. Dat die kritische gedachten die in onbewaakte ogenblikken soms zijn twijfel voeden, door de “Duivel” werden ingegeven. Ook al bent u nog zo'n goed mens, en zich van geen kwaad bewust, dan rust toch nog de vloek van de "erfzonde" op u. Dat komt door die appel die de mythische Eva gestolen had, weet u nog wel? Hiermee eindigt dan elke discussie nog voordat die zelfs maar kan beginnen. Hier wordt iedere mentale activiteit de pas afgesneden. Alle geestelijke creativiteit werd en wordt bij gelovigen direct in de kiem gesmoord. En die term 'in de kiem' mogen we gerust letterlijk opvatten, omdat religieuze indoctrinatie al vroeg in de nog ontvankelijke geest van het kind wordt gezaaid. Want als zo’n kind eenmaal zelf kan nadenken, lukt het waarschijnlijk niet meer.

   De hersens van dat kind zijn namelijk evolutionair al zodanig voorgeprogrammeerd dat het onvoorwaardelijk alles accepteert wat volwassen hersens op de zijne of hare overbrengen. Vooral in meer primitieve tijden werd het op die manier al vroeg bewust gemaakt van de gevaren die een vijandige omgeving bood, en die zijn of haar bestaan bedreigden. De volwassene had die gevaren vaak al ondervonden en herkend, en wilde zijn nakomelingen daartegen beschermen. Zo werd die ontvankelijkheid van de kindergeest een positieve factor in de survival of the fittest. Op die evolutionaire ontwikkeling van de menselijke geest lift de kerk nu mee. In naam van “God”.

   Maar moeten wij die religieuze indoctrinatie, die gelovige volwassenen hun kinderen met de beste bedoelingen aandoen, dan toch veroordelen? Want wij zien dan de nadelige gevolgen daarvan wel in, maar dat doen we dan wel vanuit onze rationele en volwassen optiek. Want die gelovige volwassenen waren natuurlijk eerst ook ontvankelijke kinderen, net zo leergierig als wijzelf, begaafd met net zulke hersens als u en ik, bij wie destijds door gelovige volwassenen werd ingeprent, net zoals bij henzelf vroeger al was ingeprent..... enfin, u begrijpt het wel.

   Ook moeten we bedenken dat we geen van allen ooit de keuze hebben gekregen om zelf te bepalen in welke gemeenschap we geboren wilden worden. Zodoende bepaalde het blinde toeval voor ons of we opgevoed zouden worden in een joodse, een christelijke, een moslim, een boeddhistische, een hindoe of een ongelovige traditie. En zo verwierven we een overtuiging — of liever, kregen die simpel opgelegd — die zijn oorsprong vond in het blinde toeval. Een wankele grondslag voor een levensovertuiging. Het is dan ook met goede reden dat de bedenkers van deze religie, en al hun opvolgers die daar sindsdien hun brood mee verdienen, u zoveel mogelijk het zelfstandig verder denken over dit onderwerp willen beletten. Het zou u de ogen kunnen openen.

   Want we zeiden het al, bij gelovigen werd het verder kritische nadenken over deze zogenaamde overtuiging in de kiem gesmoord, op basis van argumenten uit diezelfde religie. Deze religieuze afwijzing van het individuele kritische onderzoek bleef hen ook op volwassen leeftijd nog steeds belemmeren in hun geestelijke ontwikkeling. Een belemmering die bovendien ondersteund wordt door bedreiging met al de onmenselijke straffen waarvan beweerd wordt dat God die voor zijn onderdanen in petto heeft, als ze ook maar iets van zijn voorschriften zouden afwijken. Zie voor de gruwelijke voorbeelden die de bijbel ze voorschotelt, verderop in dit artikel. 

   Atheïsten, bij wie het aangeboren instinct tot nadenken niet ontkend werd maar juist aangemoedigd, zijn belangstellend naar een rationele verklaring voor de talloze fenomenen die ze dagelijks in de ons omringende natuur kunnen waarnemen. En met een dergelijke natuur in al zijn verwonderlijke en vaak nog onbegrijpelijke schoonheid, hebben zij geen behoefte aan bovennatuurlijke aannames over goden, of een hiernamaals. Zij weten dat ons bestaan eindig is.

   Bovendien heeft de wetenschap al vele verklaringen voor al die wondere zaken in de natuur ontdekt, verklaringen waardoor ons ontzag voor die natuur niet is afgenomen, maar juist vergroot werd. Omdat het verklaringen zijn die op concreet bewijs berusten, en zich niet hoeven te beroepen op het bovennatuurlijke.

   En zo zijn atheïsten ook gezond nieuwsgierig naar de voor hen onbegrijpelijke, maar duidelijk minder schitterende beweegredenen van religieus gelovigen. En dan zien zij dat christenen hun overtuigingen hoofdzakelijk aan een boek genaamd de Bijbel ontlenen. De dubieuze ontstaansgeschiedenis van dit boek is al door veel wetenschappers aangetoond, en wordt zelfs ook door veel vooruitstrevende theologen bevestigd. (zie o.a.: “De bijbel en het christendom”) elders op deze site. Niettemin, het boek bestaat helaas, en zijn noodlottige gevolgen voor de mensheid zijn al vaak aangetoond. Want in dat boek worden de daden, wensen en voorschriften van die fictieve hoofdfiguur God uitvoerig beschreven. En christenen baseren hun kijk op de wereld op dat deel daarvan dat hen het meeste aanspreekt, of dat hen door de geestelijkheid wordt aanbevolen.

   Hoewel we weten hoe de oorspronkelijke geschriften eeuwen geleden geschreven werden door onwetende mensen die hun angsten voor het onbekende nog projecteerden op geesten en demonen; dat die antieke geschriften veel verhalen bevatten die men van nog oudere religies in dezelfde regio had gekopieerd; dat die geschriften sindsdien talloze malen om opportune reden gewijzigd en aan hun doel aangepast werden; dat het bestaan van de hoofdpersoon nog steeds niet overtuigend bewezen kon worden, ondanks eeuwenlange inspanningen van theologen; dat deze fictieve figuur nog nooit blijk heeft kunnen geven van de aan hem toegedachte almacht (de Almachtige was het schrijven bijvoorbeeld niet machtig) zijn onzichtbare alomtegenwoordigheid (een eigenschap die hij deelt met lucht) zijn alwetendheid en al die andere vruchten van een bang gemoed; ondanks al deze bezwaren verplaatsen we ons voor dit gedachte-experiment in de geest van de gelovige. We nemen dus voor de duur van dit experiment aan dat deze figuur echt bestaat of bestaan heeft, dat zijn avonturen naar waarheid worden weergegeven in "Zijn Woord", maar we houden wel ons ethisch beoordelingsvermogen intact. Alleen dan kunnen we het karakter van God en zijn daardoor geïnspireerde verrichtingen beoordelen naar humane maatstaven. Want dat zijn de enige maatstaven die gelden.

   Dat vraagt nogal wat van het voorstellingsvermogen van de lezer, maar bedenk wel dat ongeveer twee miljard mensen op deze aarde daar kennelijk geen moeite mee hebben, dus moet het u — althans voor korte duur —met enige moeite ook wel lukken. Om u aan te moedigen geven we een voorbeeld: Eén of andere bisschop, zijn naam is ons ontschoten, jubelde nog vrij recent: "Hoe kan men het bestaan van God ontkennen, als alle keren dat we Zijn naam noemen, we Zijn bestaan bevestigen?" Tja .... 'Zalig zijn de eenvoudigen van geest', om maar eens een bijbeltekst te citeren. Maar u begrijpt het nu wel, verplaats u voor de duur van dit gedachte-experiment eens in deze geestesgesteldheid.

   De bijbel is een lijvig boek, en maar weinig gelovigen hebben het volledig gelezen, dus zullen we u ook niet met de volledige inhoud vermoeien. We beperken ons tot enkele van de meest populaire heldendaden van de hoofdfiguur, verhalen die veelzeggend zijn over zijn moraliteit, zoals deze, om te beginnen:

  "Toen God zag dat de aarde door en door slecht was, dat iedereen een verderfelijk leven leidde, zei hij tegen Noach: Ik heb besloten een einde te maken aan het leven van alle mensen, want door hen is de aarde vol onrecht. Ik ga hen vernietigen, en de aarde erbij.' (Genesis 6:12-13) 'Ik laat een grote vloed over de aarde komen, een watermassa die haar zal overspoelen, om alles onder de hemel waarin levensadem is te vernietigen; alles op aarde zal omkomen.' (Genesis 6:17) 'Veertig dagen en veertig nachten lang zou het op de aarde stortregenen." (Genesis 7:12)

   "De vloed overstroomde de aarde veertig dagen lang. Het water steeg en de ark werd opgetild, zodat hij van de aarde loskwam. Het water op aarde nam steeds maar toe, hoger en hoger steeg het, en de ark dreef op het water. Het water bleef voortdurend toenemen, zelfs de hoogste bergen kwamen onder te staan. Tot vijftien el daarboven reikte het water, de bergen stonden helemaal onder. Alles wat op aarde leefde kwam om, alles wat er rond wemelde: vogels, vee, wilde dieren, en ook alle mensen. Alles wat op het land leefde en ademde vond de dood. Alles wat op aarde bestond werd weggevaagd: de mensen, het vee, de kruipende dieren en de vogels, ze werden van de aarde weggevaagd. Alleen Noach bleef over, met alles wat bij hem in de ark was.' (Genesis 7:17-23)


   Nee, nu niet direct beginnen over de onwaarschijnlijkheid van dit verhaal, bijvoorbeeld dat er niet zoveel water in onze dampkring bestaat, en waar dat dan na afloop weer gebleven moet zijn. En dat de in het eerste vers aangekondigde vernietiging van 'de aarde erbij' de Almachtige kennelijk niet lukte, want die is er nog steeds. Of vragen  waaruit dan die door en door slechtheid van al die door God immers zelf geschapen mensen wel zou moeten bestaan, zodat iedereen — van zuigeling tot grijsaard — daarmee een martelend langzame verdrinkingsdood zou verdienen. Of hoe de onfeilbare en alwetende God alweer zo snel van mening kon veranderen, want eerder had hij vastgesteld dat alles goed was: 'God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was..... (Genesis 1:31) 

   Kan een alwetende en onfeilbare god nog wel van gedachten veranderen zonder daarmee te bewijzen niet over die kwaliteiten te beschikken? Nee, nu begint u zelf weer te denken, u moet nog wel even bij de les blijven, u moet vooral niet gaan denken, dat is zondig, u moet geloven. En het zou daarbij helpen als Gods goedertierenheid u al in de prille kinderjaren met de paplepel ingegoten zou zijn.

   U moet geloven, dat wil zeggen kritiekloos aannemen wat verdorven geesten in primitieve tijden hebben geschreven, en waar de geestelijkheid nog steeds haar bestaan aan dankt. U moet zich verdiepen in een voorstelling van mensen en dieren die vluchten voor het langzaam opkomende water, en die ten slotte na een opzettelijk door een "goedertieren" God verlengde lijdensweg, tergend langzaam verdrinken. U moet zich ook realiseren dat een "almachtige" God, als hij dat wilde, alle mensen ook in een enkel moment gelijktijdig zou kunnen laten sterven, zodat hen onnoemelijk veel lijden bespaard zou zijn gebleven. Want zelfs een verdrinkingsdood in een tsunami of andere vloedgolf zou nog betrekkelijk snel en genadig zijn geweest. Maar nee, de "barmhartige" God besloot er veertig dagen en nachten over te gaan doen, zo kon hij er langer van genieten.

   Dus die totale wereldbevolking, die hun noodlot zag aankomen, vluchtte in paniek uit hun onderkomens toen die begonnen te overstromen. Dakloos begonnen ze aan hun vlucht, met achterlating van voedselvoorraden, soms zelfs met achterlating van dierbare zieken en bejaarden, die niet meer tot vluchten in staat waren. Iedereen vluchtte wanhopig naar hogere gronden, als die mogelijkheid bestond tenminste, totdat ook die langzaam weer onder liepen en alle doorstane ontberingen weer vergeefs maakte.

   Stelt u zich die hele wereldbevolking voor, op de vlucht voor het gestaag rijzende water. Een grauwe massa van doorweekte, tot op het bot verkleumde, uitgehongerde  mensen, die wanhopig probeerde het wassende water voor te blijven. Water waarin de rottende lijken van eerdere slachtoffers ronddreven. Velen werden onder de voet gelopen door kuddes in paniek vluchtende dieren, anderen door de wanhopig voortrazende menigte. Sommigen trachtten zich te redden door in bomen te klimmen, totdat die ook geen plaats meer boden. Kunt u zich de wanhopige gevechten daar omheen voorstellen? Kunt u zich het lot van de daarbij onder de voet vertrapte zwakkeren voorstellen? Maar ook voor de tijdelijke overwinnaars betekende dat slechts uitstel van een zekere dood, want het water bleef rijzen totdat ook zij er weer door werden ingehaald, en ook zij zeer langzaam verdronken.

   En vanuit Zijn hemel keek de goedertieren God van de christenen toe, hoorde Hij de wanhopige jammerkreten van de tallozen aan, overzag Hij het immense lijden van alles dat leefde, alles dat hij zelf had geschapen, zag Hij dat het goed was, want Zijn wil geschiedde.....

   Zag Hij hoe miljoenen mensen in hun doodsstrijd elkaar vertrapten, mensen zoals u en ik, steeds hogerop gevlucht zolang er nog hoogte was, zolang hun afnemende krachten het nog mogelijk maakte. Zag Hij en hoorde Hij hoe steeds wanhopiger wordende moeders radeloos hun huilende kinderen omklemden, totdat uitputting en koude hun armen verlamde, en de vloed die niet begrijpende kinderen, gillend van angst in de stroom van rottende kadavers mee voerde. Zag Hij hoe zwangere vrouwen die het ongeboren leven nog in zich droegen, meedogenloos opgejaagd werden totdat uitputting ze overmande, en ze wanhopig huilend ten onder gingen. Zag Hij hoe velen hulpeloos moesten toezien hoe hun ouders, hun kinderen, hun dierbaren één voor één de strijd moesten opgeven, en voor de ogen van hun geliefden verdronken.

   En Hij zag dat het goed was....

   En nog steeds liet Hij het gestaag door regenen, vanuit een door grauwe wolken verduisterde hemel, bestuurd door Zijn Almachtige hand.

   Probeer u de scène voor te stellen, dag en nacht verduisterd door regenwolken, dag en nacht vervuld van angstkreten, waarin de voortdurende ongenadig neerstortende regen zich mengde met de afgrijselijke stank van het rottende vlees van miljoenen kadavers en opgezwollen drijvende lijken die bijna het gehele wateroppervlak bedekten. Veertig dagen en veertig nachten lang duurde dit onvoorstelbare lijden, dit weerzinwekkend wrede spel van God, totdat ten slotte, na deze totale marteling nog zo lang te hebben ondergaan, ook de meest sterke, de meest volhardende mens na een laatste vertwijfelde wanhoopskreet verdronk, door niemand meer gehoord behalve door deze meedogenloze God, die onverschillig toezag hoe ook die allerlaatste mens ten slotte de strijd opgaf en onder water verdween.

   Verdient deze God het om naar de hel te gaan? 

   En het gaat er nu niet om of het verhaal waar is of niet, (deze mythe komt trouwens ook al voor in het Sumerische Gilgamesj epos uit de 21e eeuw v.C. en in het nog oudere Babylonische Athrahasis epos, dus al heel lang voordat deze christelijke God werd uitgevonden), het gaat om de moraal die in dit bijbelse verhaal wordt weergegeven.

   Als u zich al dit ontzaglijke leed van langzaam stervende miljoenen maar bij benadering kunt voorstellen, als u de pleger van deze onmetelijke misdaad — de grootste ooit beschreven in fictie of feit — wilt bewonderen en aanbidden, is dat een goede graadmeter voor uw moraal.

   Maar er is meer, nog veel meer waarin u ook nog moet geloven om een goede christen te kunnen zijn, en waarvan u moet begrijpen dat het rechtvaardig is, omdat die God van u zo goed en rechtvaardig is. We richten ons opnieuw tot het Woord van de HEER:

   "Midden in de nacht doodde de HEER alle eerstgeborenen in Egypte, van de eerstgeborene van de farao, zijn troonopvolger, tot de eerstgeborene van de gevangene, en ook al het eerstgeboren vee. De farao, zijn hovelingen en alle andere Egyptenaren schrokken die nacht wakker, en in heel Egypte klonk een luid gejammer, want er was geen huis waarin geen dode was." (Exodus 12:29-30)

   "... in heel Egypte klonk luid gejammer ….." De schriftsteller vermeldt het vol trots, als één van Gods roemruchte wapenfeiten. Geen woord van afschuw over deze zinloze massamoord, geen woord van mededogen voor de zwaar getroffen, niet begrijpende nabestaanden. Bedenk wel dat hier ongeveer een kwart deel van de totale bevolking van Egypte werd uitgemoord, want niet alleen het oudste kind in huis, maar ook de vader, moeder, grootvader of grootmoeder die toevallig ook eerstgeborenen waren, werden hier gedood. Plus nog een groot deel van de veestapel. 

   Waren al deze mensen, van zuigeling tot grijsaard, en al die volkomen redeloze dieren dan misschien ook net zo 'door en door slecht' als de miljoenen slachtoffers van Gods eerdere wereldwijde genocide? Welnee, in dit geval waren zij slechts onbeduidende pionnen in Gods schaakspel, en bovendien  behoorden zij niet eens tot Gods uitverkoren volk, zodat hun levens niet waardevol waren. 

   Het ging hier alleen maar om een gebaar, weliswaar een goddelijk en imposant gebaar, maar toch niet meer dan dat. Een gebaar om de Egyptische farao te imponeren, en hem te overreden om de joden toestemming te geven zijn land te verlaten. De beschermende God van deze primitieve volksstam had namelijk in zijn oneindige wijsheid besloten dat massamoord op talloze onschuldigen de enig juiste methode was om zijn goddelijk doel te bereiken. Zo wil het verhaal tenminste. Over die oneindige en ondoorgrondelijke goddelijke wijsheid en goedertierenheid zijn veel gelovigen het nog steeds eens.

   En wat dacht u hiervan? We lezen, opnieuw in Gods Woord:

   "David antwoordde: Ik ben in het nauw gedreven! Liever val ik in handen van de HEER, wiens mededogen zeer groot is, dan dat ik in mensenhanden val. De HEER liet in Israel de pest uitbreken. Zeventigduizend Israëlieten vonden de dood." (1Kronieken 21:9-14)

   Hier toont de god die liefde is, aan koning David de mate van zijn zeer grote mededogen. Hij liet zeventigduizend leden van zijn uitverkoren volk onder helse pijnen sterven aan de pest. Omdat zij iets misdaan hadden dat zijn ongenoegen wekte? Welnee, zij niet, maar koning David wel. Hij had — in opdracht van diezelfde God trouwens — een volkstelling laten houden, en hij moest daarvoor worden bestraft. Ziet u wel hoe feilloos rechtvaardig een alwetende god kan zijn?

   In het licht van het voorgaande is het navolgende natuurlijk nog maar een klein incidentje dat nauwelijks mee mag tellen in Gods glorieuze heldenepos:

   "Maar de bevolking van Bet-Semes werd gestraft, omdat ze naar de ark van de HEER hadden gekeken. Er stierven zeventig inwoners van de stad. En het volk treurde, want de HEER had hen zwaar getroffen." (1 Samuel 6:19) 

   Maar het zou unfair zijn de indruk te wekken dat deze liefdevolle, genadige god zichzelf het alleenrecht op al het moorden toe zou eigenen. Hij spoort ook zijn volgelingen aan om zijn goede voorbeeld te volgen:

   "Wanneer iemand, uw volle broer, uw zoon of uw dochter, of de vrouw die u bemint, of uw beste vriend, u in het geheim probeert over te halen om andere goden te dienen, goden die u nog niet kende en ook uw voorouders niet, goden van de naburige volken, vlakbij of ver weg of waar ook ter wereld, luister dan niet naar zo iemand en geef niet toe; wees onverbiddelijk, heb geen medelijden met hem en houd hem niet de hand boven het hoofd. U moet hem ter dood brengen; samen met uw volksgenoten moet u hem stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moet u de eerste steen werpen. Dat is zijn straf, want hij heeft geprobeerd u te vervreemden van de HEER, uw God, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd." (Deuteronomium 13:5-9)

   Vervang het woordje 'HEER' door 'Allah' in bovenstaande tekst, en Osama Bin Laden zou zijn moraal zelf niet beter kunnen uitdrukken. Hij voegde de daad bij het woord, met gebruikmaking van moderne middelen, die God destijds nog niet ter beschikking stonden. Maar ook voor diegenen die zelf geen volle broer, geen vader of echtgenoot hebben die hen willen stenigen tot de dood erop volgt als zij zijn god niet dienen, heeft de goedertieren God nog een alternatief in petto:

   "Maar als u de HEER, uw God, niet gehoorzaamt en zijn geboden en wetten, zoals ik ze u vandaag heb voorgehouden, niet nauwkeurig naleeft, zullen deze vervloekingen u treffen:

   De HEER zal u met de pest treffen, tot u geheel en al bent weggevaagd uit het land dat u in bezit zult nemen.

   De HEER zal u treffen met tering en ontstekingen, met koorts en waanzin, met droogte, korenbrand en meeldauw, die u zullen achtervolgen en te gronde richten.

   De HEER zal u treffen met zweren als Egypte destijds, met builen, uitslag en schurft, met ongeneeslijke ziekten.

   De HEER zal u treffen met krankzinnigheid, blindheid en verstandsverbijstering.

   U zult gek worden van alles wat u voor uw ogen ziet gebeuren.

   De HEER zal u treffen met vreselijke, ongeneeslijke zweren aan knieën en dijen, die u ten slotte van voetzool tot kruin bedekken. Al deze vervloekingen zullen u treffen en u achtervolgen tot er niemand meer over is, omdat u de HEER, uw God, ongehoorzaam bent geweest en de geboden en wetten die hij u voorhield niet hebt nageleefd.

   U zult er voortdurend op uw hoede moeten zijn, want u zult uw leven niet zeker zijn en dag en nacht het ergste vrezen.' 

(Deuteronomium 28:15, 21, 22, 27, 28, 34, 35, 45)


   Waarde gelovige medemens, als dit de God is die zo zeer door u aanbeden wordt, dan ben ik dankbaar dat dit niet mijn god is. Als u uw moraal meent te moeten baseren op de geboden van dit in de verdorven geesten van primitieve wilden ontstane psychopathische monster, deze waanzinnig sadistische wellusteling, deze megalomane misantroop, als u meent dat er buiten zijn moraal geen betere moraal bestaat, dan bent u wel heel erg diep gezonken. Dan heb ik diep medelijden met u. Dan veracht en veroordeel ik de gewetenloze geestelijkheid die u zover heeft kunnen misleiden. Dan ben ik trots en dankbaar dat dit niet mijn god is, dat dit niet mijn morele maatstaven zijn, dat ik atheïst ben!

   En gelovige, besef dan vooral dat mijn levenshouding, evenals de uwe, paradoxaal genoeg óók door de Bijbel gemotiveerd is. En als ik daar andere conclusies uit trek dan de uwe, duidt dat niet op het ontbreken van een moraal mijnerzijds, maar op een verschil van mijn moraal met de uwe. En vanuit mijn moraal, die ik gelukkig deel met het overgrote deel van de mensheid, wijs ik uw God met grote afschuw af.

   Moet God naar de hel?

   Het antwoord is nee .... God is de hel.

_____


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort