visitors on myspace
GEDACHTEN OVER DE SCHEPPING, ONTWIKKELING EN INSTANDHOUDING VAN GODEN | POSITIEF ATHEÏSME <>

GEDACHTEN OVER DE SCHEPPING, ONTWIKKELING EN INSTANDHOUDING VAN GODEN

Peterimage7313

PETER VAN MONTFOORT





"Filosofie begint met verwondering" - Plato


De gedachte dat goden zouden bestaan vond haar oorsprong waarschijnlijk aarzelend, toen de evolutie van de mens tot dat stadium gevorderd was waarop het menselijk brein ver genoeg ontwikkeld was om hem zich van zijn bestaan bewust te doen zijn, en hij zijn omgeving kon beoordelen binnen de grenzen van zijn toen nog beperkte kennis. Daar hij ook gezond nieuwsgierig was, begon die mens zich toen ook af te vragen waarom de wereld was zoals die was, en vooral waarom die zo uitermate geschikt bleek te zijn voor het bestaan van de mens.

   In 1998 presenteerde wijlen bestseller-auteur Douglas Adams (‘A Hitchhiker’s Guide to the Galaxy’) zijn gedachten over dit onderwerp, voor een gehoor van Oxford wetenschappers. In zijn dissertatie gaf Adams zijn ideeën weer over de mogelijke oorsprong van onzichtbare, maar machtige goden in de geest van de primitieve mens.

De illusie dat de mens de maat is van alle dingen, is zo oud als de mensheid zelf

   Volgens Adams is het niet geheel onlogisch te veronderstellen dat onder onze vroegste voorouders het idee kon ontstaan dat er ergens wezens moesten bestaan die alle voorzieningen in de hen omringende natuur geschapen moesten hebben. Het was een logische gevolgtrekking. Want de primitieve mens was zich er al van bewust dat vele nuttige zaken zoals vuur, kleding, voedsel en beschutting nooit uit zichzelf ontstonden, maar altijd actie door hemzelf vereisten, waarmee de mens dus schepper van deze zaken werd. Volgens dezelfde logica moest er ook een schepper zijn van dingen zoals de zon, de maan, de regen, de grond waarop hij zich bevond, het voedsel dat op vier poten voorbij kwam of in de rivier zwom, of gewoon in bomen hing en ieder jaar weer aangevuld werd. Kortom, er moest een maker bestaan van al die dingen die zo nuttig voor zijn bestaan bleken, maar die de mens niettemin zelf nooit zou kunnen maken. Bovendien scheen het redelijk om aan te nemen dat deze mysterieuze en onzichtbare schepper al die dingen speciaal ten gunste van zijn soort gemaakt had, omdat die allemaal zo nuttig waren voor juist zijn bestaan. De illusie dat de mens de maat is van alle dingen, is immers zo oud als de mensheid zelf. Dit idee van goden was toen, en is voor velen nog steeds, een geruststellende gedachte omdat men dan ook de eigen verantwoordelijkheid kan delegeren aan deze geniale onzichtbare wezens die ons zo voortreffelijk schijnen te verzorgen. 


   En zo begon de mens zijn goden te scheppen. En omdat er altijd al mensen hebben bestaan die er brood in zien van hun medemens te profiteren, waren er ook toen al lieden die beweerden dat zij de gedachten van die goden konden lezen en aan de mensen doorgeven. Aldus ontstond een aparte kaste, die nu bekend staat als de geestelijkheid. In ruil voor hun inspanningen om de wil van die god of goden aan hun medemensen bekend te maken, moesten zij natuurlijk wel door hen onderhouden worden. En al vroeg kreeg een van dit soort lieden in de joods/christelijke gemeenschap een geniale inval. Hij keerde de zaak om. Niet de mens zou  god hebben geschapen, God had de mens geschapen! We moeten het toegeven, als marketing gimmick is het nog steeds onovertroffen.


   Omdat het bestaan van goden zo'n logische conclusie leek, kreeg het idee veel navolging en verspreidde het zich in talloze variaties onder de zich ontwikkelende gemeenschappen over de gehele bewoonde wereld. Zodoende projecteerden de oude Grieken bijvoorbeeld op hun goden die eigenschappen die in hun cultuur als ideaal werden beschouwd, zoals wijsheid, schoonheid, moed en kracht. Ook besloten zij dat deze goden in staat moesten zijn om soms de menselijke gedaante aan te nemen om zo met de mens in contact te komen, teneinde hem te adviseren en bij te staan. Op deze manier schiepen zij denkbeeldige wezens die overigens net als zijzelf aan emoties onderhevig waren, zoals vreugde, woede, jaloezie en soms ook wraakzucht. Dit maakte deze fantomen beter herkenbaar, waardoor hun bestaan zo veel waarschijnlijker leek.


   Auteurs uit die tijd hebben ons een aantal schitterende figuren uit de Griekse mythologie nagelaten, zoals de oppergod Zeus met zijn gemalin Hera, die op de berg Olympus woonden samen met een groot aantal andere goden en godinnen. Talloze verhalen over hen zijn voor het nageslacht bewaard gebleven, met daarin veel figuren en gebeurtenissen die nog steeds in onze taal zijn opgenomen. We denken daarbij aan begrippen als de ‘Tantalus kwelling’, de ‘Augias stallen’, een ‘Gordiaanse knoop’, etc. In hetzelfde stramien liet Homerus ons zijn poëtisch heldendicht de “Odyssee” na, waarin de held Odysseus aan vele gevaren en beproevingen wordt blootgesteld tijdens de terugreis naar zijn koninkrijk Ithaka, na zijn bijdrage te hebben geleverd aan de overwinning op Troje. Gelukkig kwam de godin Athene ‘met de schitterende ogen’, dochter van Zeus, vaak tot de redding van deze begunstigde sterveling. 

ZEUS                                       Het zijn verhalen die blijvend indruk op ons maken omdat ze zoveel menselijker, zoveel beschaafder, zo oneindig veel sympathieker zijn dan de verhalen over de barbaarse wandaden van de Hebreeuwse God en zijn ‘uitverkoren volk’ zoals die in de Bijbel worden weergegeven.

   Want deze god werd immers gecreëerd door een primitieve Semitische stam die tijdens het Bronzen Tijdperk in de woestijnen van het Midden-Oosten rondzwierf. Deze onbeschaafde horde had een god geschapen geheel overeenkomstig  de bij hen gangbare morele normen, en zo een god ontwikkeld met karaktertrekken die ver inferieur bleven aan die welke de meer beschaafde geesten in het oude Griekenland hun goden hadden toegedicht. Deze woestijngod was niet alleen een megalomanische massamoordenaar, hij was vooral ook een jaloerse en onzekere maniak die geen competitie duldde. Dientengevolge werd hun religie een bijgeloof primair gebaseerd op vrees in plaats van op idealisme. Hun leer was niet gericht op verheffing van de mens, of zelfs maar op vredige samenleving met elkaar en andersdenkenden, maar geheel op de volledige onderwerping aan het verschrikkelijke monster dat hun priesters hadden geschapen. Onnodig te zeggen, betekende dit ook onderwerping aan die zelfde priesters, want daar zij zijn scheppers waren, konden alleen zij bepalen wat hun god van zijn onderdanen verwachtte.


   Bij gebrek aan een beter idee, en eeuwenlang bevorderd door nijvere propaganda van op eigen belang gerichte priesters, zou deze illusie van onzichtbare scheppers door de eeuwen heen wereldwijd het denken gaan overheersen in vele gemeenschappen. Zo werd Iedere god geschapen in overeenstemming met lokale gewoonten en morele normen, maar was iedere god wel  oppermachtig en eeuwigdurend. In iedere god werd diep geloofd, en iedere god stierf roemloos en onbetreurd toen de gemeenschap die hem geschapen had was uitgestorven. De religie van de Semitische god - en de daarvan afgeleide christelijke en moslim religies - zouden echter nog onbetwist overleven tot in de eerste helft van de negentiende eeuw. Het was pas toen dat een originele en moedige denker als Charles Darwin, zelf christelijk opgevoed, the theorie opstelde dat het niet de Aarde was die geschikt voor de mens was gemaakt, maar dat de mens geschikt voor de condities van deze Aarde was geworden, als gevolg van een natuurlijk proces van evolutie en selectie.

   Natuurlijk weersprak dit idee volledig het tot dan toe aangehangen christelijk waanbeeld dat er een god zou moeten bestaan om al die verscheidene soorten te scheppen. Sindsdien hebben wetenschappers zoveel aanvullend bewijs gevonden om Darwins theorie te steunen (en wordt er nog steeds meer voor gevonden) dat die theorie nu vrijwel universeel aanvaard wordt omdat ze zo elegant de ontwikkeling, of het eventueel uitsterven, verklaart van alle diersoorten op deze planeet, inclusief de menselijke soort.  Bovendien hoeft deze theorie niet overeind gehouden te worden door beweerde bovennatuurlijke wonderen, maar is ze wel degelijk gegrond op gezond verstand en aantoonbaar bewijs.

   En toch, zelfs nu nog vinden veel mentaal achtergebleven fundamentalisten dit moeilijk te geloven. Waarschijnlijk de belangrijkste reden waarom dit antieke geloof in de Semitische woestijngod nog tot nu toe kon overleven, is dat vanaf de vroegste tijden zelfbenoemde priesters allerlei gunstige eigenschappen aan dit denkbeeldige wezen gingen toeschrijven. Het feit dat deze creatie volkomen denkbeeldig is, vergemakkelijkte dit bedrog aanzienlijk. Aan het absolute niets kan men immers alles toeschrijven dat opportuun is voor het nagestreefde doel.  En aangezien de geestelijkheid hun schepping zowel almacht als alwetendheid had toebedacht, begonnen mensen zich vanzelfsprekend ook tot dit waanbeeld te wenden voor troost en bescherming. Want niet alleen hielden priesters de goedgelovigen voor dat dit Opperwezen in alles voorziet wat ze voor dit leven nodig hebben, maar ze kwamen op een geniaal idee. Ze vonden niets minder uit dan nóg een leven na dit leven! Dit was werkelijk briljant! De enige zekerheid in ons leven is immers dat het tot een definitief einde zal komen, en dat niemand ooit nog uit de dood zal terugkeren. Dus dit bedrog zou nooit en kon nooit ontmaskerd worden. Deze onverantwoordelijke lieden creëerden twee vormen van nabestaan. De voorkeur verdiende een verblijf in de hemel in eeuwigdurende gelukzaligheid, maar dat kon alleen verdiend worden door complete overgave aan de geestelijkheid en hun voorschriften. Het alternatief was eindeloze foltering in een vurige hel voor diegenen die zich niet gewonnen gaven. Mensen die zelf denken weten echter dat er voor ons helemaal geen nabestaan is weggelegd, en dat de dood eeuwige rust betekent. Gelukkig maar, want een eeuwigheid gaat op de duur toch vervelen.

   Nu is het makkelijk genoeg om al die verschrikkelijke dingen te verzinnen zonder daar verantwoording voor te moeten afleggen, maar het probleem is natuurlijk om die ideeën ook voor anderen aannemelijk te maken. Dit kon alleen maar door mensen er van te overtuigen dat die door de geestelijkheid geschapen god zijn wil aan de mensen bekend had gemaakt. Om het daartoe in staat te stellen, moest dit hersenspinsel het spreken geleerd worden, of op zijn minst, het schrijven en het verzenden van een brief naar de mensheid. U ziet het probleem ...

   Onverwacht schoot een zeer onwaarschijnlijke kandidaat, zij het indirect, te hulp.  Het was de Romeinse  keizer Constantijn - die voor alle zekerheid geen risico's nam en in alle goden geloofde - in het jaar 313 besloot om aan de nieuw opkomende christelijke sekten gelijke rechten te verlenen als die van alle andere in het uitgebreide Romeinse Rijk gangbare godsdiensten. Als bekwaam regeerder, keurde hij de manier af waarop de verscheidene Jezus sekten met elkaar over details kibbelden, en zag hij de noodzaak in van schriftelijk vastgelegde principes voor deze nieuwe religie. Om daarin te voorzien gaf hij in het jaar 331 opdracht aan bisschop Eusebius van Ceasaria om 50 exemplaren van een Bijbel te leveren voor de kerk van Constantinopel. Dit was geen geringe opgave, in aanmerking nemend dat over de voorgaande 1600 jaren niet minder dan 66 boeken over deze god geschreven waren door minstens 40 verschillende auteurs, die het geen van allen met elkaar eens waren.

    Desalniettemin, volledig bewust van de nadelige gevolgen voor de gezondheid van eenieder die niet aan des keizers wensen voldeed, kwam die Bijbel tenslotte toch tot stand, ondanks onverminderd onderling gekrakeel. Vanaf dat moment verklaarden geestelijken gretig dat ieder woord daarin “Gods eigen Woord” was, daar hij zijn wil aan de schrijvers geopenbaard zou hebben. En zo - ondanks het totale gebrek aan logica in de teksten - was deze laatste hindernis genomen. Nu had men iets concreets om op terug te vallen. 

   Bovendien werden ook - om nog enige betekenis toe te kennen aan deze overigens nogal schamele woestijngod - grote delen van eerdere religies in die regio “geleend” en in die Bijbel opgenomen, zoals de mythes van schepping, paradijs en zondvloed. Archeologische vondsten van kleitabletten met allegorische afbeeldingen hebben die "geleende" afkomst sindsdien overtuigend aangetoond. Niettemin kon vanaf dat moment deze misleiding volledig geëxploiteerd worden om de macht van de priesters te vergroten en het volk dom te houden, en van de geestelijkheid afhankelijk te blijven voor de grote vragen in het leven. 

   En om de vrees voor God in de geesten van goedgelovigen te bestendigen, wordt sindsdien grote nadruk gelegd op zijn blinde jaloezie en wraakzucht jegens afvalligen, zoals de Bijbel die zo duidelijk tot uitdrukking brengt. En, om het effect daarvan te maximaliseren worden kinderen vanaf jeugdige leeftijd - wanneer ze nog volledig vertrouwen op wat volwassenen ze bijbrengen - geïndoctrineerd met zijn verbale geweld.

   Om enig inzicht te verschaffen in de mentaliteit en ethiek die zijn primitieve scheppers projecteerden op hun woestijngod, hebben we hieronder enige verhelderende teksten uit “Gods Woord” gekozen. We moeten er echter wel op wijzen dat deze teksten gelukkig niet de mentaliteit en ethiek van hedendaagse christenen weergeven. Waarom niet? Omdat de meeste christenen hun Bijbel niet kennen, of niet kritisch durven lezen en begrijpen. 

OVER PEDAGOGIE

    'Bloedige striemen doen het kwaad verdwijnen, slagen zuiveren het innerlijk.' (Spreuken 20:30)

    'Een kind is geneigd tot dwaasheid, de stok wijst het terecht en weerhoudt het ervan.' (Spreuken 22:15)

    'Onthoud een kind geen onderricht, van stokslagen gaat het niet dood. Sla het met de stok, en je redt het van het dodenrijk.' (Spreuken 23: 13-14)

    'Als ouders een opstandige, onhandelbare zoon hebben, die niet naar hen luistert en ook na hardhandige bestraffing nog niet wil gehoorzamen, dan moeten zijn vader en zijn moeder hem meevoeren naar de stadspoort en hem aan de oudsten voorgeleiden. Ze moeten tegenover de stadsoudsten verklaren: Onze zoon is opstandig en onhandelbaar. Hij wil niet naar ons luisteren. Hij is een losbol en hij drinkt te veel. De inwoners van de stad moeten hem dan stenigen tot de dood erop volgt. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren. Het hele volk van Israel moet erdoor worden afgeschrikt.' (Deuteronomium 21: 18-21)


OVER EERBIED VOOR HET LEVEN

   'Diezelfde nacht trok een engel van de HEER ten strijde en doodde in het kamp van de Assyriërs honderdvijfentachtigduizend man. De volgende ochtend zag men niets dan lijken liggen.' (2 Koningen 19:35)

    'Er stierven op die dag twaalfduizend mannen en vrouwen uit Ai, want Jozua hield zijn zwaard uitgestrekt totdat alle inwoners van Ai waren gedood.' (Jozua 8:25-26)

    'Maar daarbinnen, in de steden van het land dat de HEER, uw God, u als grondgebied zal geven, mag u geen mens in leven laten. Alle Hethieten, Amorieten, Kanäanieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten moet u doden, zoals de HEER, uw God, u heeft opgedragen.' (Deuteronomium 20:16-17)

    'De HEER kwam Israel te hulp, hij leverde de Kanäanieten aan hen uit. De Israëlieten doodden hen allen en vernietigden hun steden. Die plaats kreeg de naam Chorma.' (Numeri 21:3)

   'Jozua had op dezelfde dag Makkeda ingenomen en de koning en alle inwoners gedood. Hij bracht iedereen die er woonde om, hij liet geen mens in leven. Met de koning van Makkeda deed hij hetzelfde als hij met de koning van Jericho had gedaan. Vervolgens trok Jozua met het hele leger van Makkeda naar Libna. Hij viel Libna aan, en de HEER leverde ook die stad en haar koning aan Israel uit. Jozua doodde iedereen die er woonde, hij liet geen mens in leven. Met de koning van Libna deed hij hetzelfde als hij met de koning van Jericho had gedaan. Vervolgens trok Jozua met het leger van Libna naar Lachis. Hij sloeg het beleg voor die stad en viel haar aan. De HEER gaf Israel Lachis in handen; Jozua nam de stad in op de tweede dag van het beleg en hij doodde iedereen die er woonde, zoals hij in Libna had gedaan. Horam, de koning van Gezer, kwam Lachis te hulp, maar Jozua versloeg hem. Hij doodde hem en zijn soldaten tot er niemand meer over was. Vervolgens trok Jozua met het leger van Lachis naar Eglon. Ze sloegen het beleg voor die stad en vielen haar aan. Ze namen Eglon in een dag in en doodden alle inwoners. Jozua bracht iedereen die er woonde om, zoals hij in Lachis had gedaan. Vervolgens trok Jozua met het leger van Eglon naar Hebron. Ze vielen Hebron aan, namen die stad in en doodden er evenals in Eglon de koning en alle inwoners. Jozua liet ook van de omliggende steden geen mens in leven, hij bracht iedereen om. Op zijn terugtocht ging Jozua met het leger naar Debir. Hij viel die stad aan, nam haar in en veroverde ook de omliggende steden. Hij doodde de koning en alle inwoners. De Israëlieten brachten iedereen om, Jozua liet geen mens in leven. Wat hij met Hebron en Libna en de koningen ervan had gedaan, deed hij ook met Debir en zijn koning. Zo veroverde Jozua het volgende gebied: het bergland, de Negev, het heuvelland en de streek van de rotskloven. Hij liet geen enkele koning in leven, hij bracht iedereen die er woonde om, zoals de HEER, de God van Israel, had opgedragen. Jozua trok van Kades-Barnea tot aan Gaza en van het hele gebied rond Gosen tot aan Gibeon, en hij doodde er iedereen. Hij veroverde de gebieden van al die koningen op een veldtocht doordat de HEER, de God van Israel, voor Israel streed.' (Jozua 10:28-42)


OVER RUIMHARTIGHEID

   'Zo zal het gaan bij de voltooiing van deze wereld: de engelen zullen erop uittrekken en de kwaadwilligen van de rechtvaardigen scheiden, en ze zullen hen in de vuuroven werpen, waar ze zullen jammeren en knarsetanden.' (Mattheus 13:49-50)

   'De HEER koestert woede tegen alle volken, zijn toorn ontbrandt tegen heel hun legermacht. Hun wacht de vernietiging, hij heeft hen voor de slacht bestemd. Gesneuvelden blijven onbegraven liggen, de stank van hun lijken stijgt op; de bergen druipen van hun bloed.' (Jesaja 32:2-3)

   'Maar de bevolking van Bet-Semes werd gestraft, omdat ze naar de ark van de HEER hadden gekeken. Er stierven zeventig inwoners van de stad. En het volk treurde, want de HEER had hen zwaar getroffen.' (1 Samuel 6:19)

   'David antwoordde: Ik ben in het nauw gedreven! Liever vallen wij in handen van de HEER, want groot is zijn mededogen, dan dat ik in mensenhanden val. Diezelfde morgen nog liet de HEER in Israel de pest uitbreken, die duurde tot de vastgestelde tijd. Van Dan tot Beërsheba vonden zeventigduizend mensen de dood.' (2 Samuel 24:14-15)

   'De HEER zei tegen hem: Maak een ronde door Jeruzalem, en zet een merkteken op het voorhoofd van iedereen die jammert en klaagt om de gruwelijke dingen die er in de stad gebeuren. Tegen de zes anderen hoorde ik hem zeggen: Ga achter hem aan, trek ook door de stad en dood iedereen. Jullie moeten geen medelijden tonen, jullie mogen geen medelijden kennen. Oude mensen, jonge mannen en vrouwen, moeders en kinderen, jullie moeten ze allemaal ombrengen, behalve de mensen die het merkteken dragen. Begin bij mijn heiligdom. En ze begonnen bij de zeventig oudsten, die voor de tempel stonden. Hij zei tegen de mannen: Dood alle mensen in de voorhoven zodat de tempel onrein wordt, en ga dan naar buiten! Ze gingen naar buiten en trokken moordend door de stad.' (Ezechiël 9:4-7)


OVER RESPECT VOOR VROUWEN

   'Schoonheid bij een vrouw zonder verstand is een gouden ring in de snuit van een varken.' (Spreuken 11:22)

   'De gastheer ging naar buiten en zei tegen hen: Mensen, bega toch geen schanddaad. Zoiets kunt u niet doen: deze man is bij mij te gast! Ik heb hier mijn dochter, die nog maagd is, en de bijvrouw van mijn gast; laat me die naar buiten sturen. Neem hen maar en doe met hen wat u wilt, maar doe deze man hier zoiets schandelijks niet aan.' (Richteren 19:23-24)

   'Vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt blijven, zoals ook in de wet staat. Als ze iets willen leren, moeten ze het thuis aan hun man vragen, want het is een schande voor een vrouw als ze tijdens een samenkomst spreekt.' (Korintiërs 14:34-35)

   'Een vrouw dient zich gehoorzaam en bescheiden te laten onderwijzen; ik sta haar dus niet toe dat ze zelf onderwijst of gezag over mannen heeft; ze moet bescheiden zijn.' (Timotheüs 2:11-12)

   'Bovendien zullen ze er een gewoonte van maken hun tijd te verdoen door overal op bezoek te gaan; en dat niet alleen, in hun bemoeizucht praten ze ook over dingen die geen pas geven.' (1 Timotheüs 5:13)

   'Ook wil ik dat de vrouwen zich waardig, sober en ingetogen kleden. Ze moeten niet opvallen door een opzichtige haardracht, dure kleding, goud of parels.' (1 Timotheüs 2:9)

   'Dus stuurden de Israëlieten twaalfduizend van hun beste soldaten naar Jabes, met als opdracht: Dood alle inwoners van Jabes: mannen, vrouwen en kinderen. Let wel, dood alle mannen, maar van de vrouwen alleen degenen die met een man hebben geslapen. In Jabes bleken vierhonderd jonge meisjes nog nooit met een man te hebben geslapen. Zij werden overgebracht naar de verzamelplaats in Silo in Kanäan.' (Richteren 21:10-12)

   'Dit zegt de HEER: Je eigen familie zal een bron van ellende voor je worden. Je zult moeten aanzien dat ik je vrouwen aan een ander geef, aan iemand van je eigen familie. Die zal met je vrouwen slapen op klaarlichte dag.'   (2 Samuel 12:11)

   'Daarom geef ik hun vrouwen weg, hun akkers geef ik aan veroveraars. Want iedereen, van groot tot klein, is op eigen voordeel uit, van profeet tot priester, ieder pleegt bedrog.' (Jeremia 8:10)

   'Maar als het wel waar is en de maagdelijkheid van het meisje niet kan worden aangetoond, moet zij naar haar ouderlijk huis worden teruggebracht en daar voor de deur door de andere inwoners van de stad worden gestenigd tot de dood erop volgt. Want zij heeft onder het volk van Israel een schanddaad begaan door met iemand te slapen terwijl ze nog bij haar vader thuis woonde. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren.' (Deuteronomium 22:21)

   'Luister, ik heb twee dochters die nog nooit met een man geslapen hebben. Die zal ik bij jullie brengen, doe met hen wat jullie willen. Maar laat die mannen met rust, ik heb hun niet voor niets een veilig onderkomen geboden.' (Genesis 19:8)


OVER SLAVERNIJ

   'Wanneer iemand zijn slaaf of slavin met een stok slaat en hij of zij sterft ter plekke, dan moet er vergelding plaatsvinden. Als de slaaf of slavin nog enkele dagen in leven blijft, gaat de eigenaar vrijuit; door het verlies van zijn eigendom is hij genoeg gestraft.' (Exodus 21:20-21)

   'Als slaven en slavinnen kun je mensen kopen uit de omringende volken, of vreemdelingen die bij jullie wonen of de nakomelingen die zij in jullie land hebben gekregen. Die slaven en slavinnen zijn je eigendom, je kunt hen als erfelijk bezit aan je nakomelingen nalaten; zij zullen voor altijd als slaaf voor je blijven werken. Maar je volksgenoten, de Israëlieten, je eigen verwanten, mag je nooit als slaven afbeulen.' (Leviticus 25:44-46)

   'Wanneer iemand uit uw volk, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf of slavin aan u verkoopt, moet deze u zes jaar lang dienen; in het zevende jaar moet u hem of haar de vrijheid teruggeven.' (Deuteronomium 15:12)

   'Wanneer iemand zijn dochter als slavin verkoopt, kan zij niet vrijkomen zoals de mannelijke slaven.' (Exodus 21:7)


OVER MENSENOFFERS

   'Hij beloofde de HEER: Als u de Ammonieten aan mij uitlevert, dan zal het eerste dat me bij mijn behouden thuiskomst tegemoet komt voor u zijn; dat zal ik als brandoffer aan u opdragen.... Toen Jefta terugkwam in zijn woonplaats Mispa, werd hij met reidansen en trommelspel verwelkomd. Zijn dochter ging voorop. Zij was zijn enige kind, andere zonen of dochters had hij niet.... Toen die twee maanden voorbij waren keerde ze naar haar vader terug, en hij bracht zijn gelofte ten uitvoer.' (Richteren 11:30-31,34, 39)

   'Toen nam hij zijn oudste zoon, zijn troonopvolger, en offerde hem als brandoffer op de stadsmuur. Dat wekte zo veel ontzetting bij de Israëlieten dat ze de aanval staakten en naar hun eigen land terugkeerden.' (2 Koningen 3:27)

   'Sta de eerste opbrengst van de druivenoogst zonder uitstel aan mij af, en geef mij ook je eerstgeboren zoon.' (Exodus 22:29)


 Commentaar: De gewoonte om mensenoffers te brengen was overgenomen van de eerdere regionale religies. Op andere plaatsen in dezelfde bijbel keurt God echter deze gruwelijke gewoonte weer af, niet uit morele overwegingen maar omdat men daar mensenoffers aan zijn concurrent de god Baäl brengt:

'....maar volgde het voorbeeld van de koningen van Israel. Hij ging zelfs zo ver dat hij zijn zoon als offer verbrandde volgens het gruwelijke gebruik van de volken die de HEER voor de Israëlieten had verdreven.' (2 Koningen 16:3)

   'Ze veronachtzaamden alle geboden van de HEER, hun God. Ze goten twee beelden in de vorm van een stierkalf en maakten een Asjera paal. Ze aanbaden de hemellichamen en dienden Baäl. Ze verbrandden hun zonen en dochters als offer, deden aan waarzeggerij en probeerden voortekens te lezen. Zo tergden ze de HEER door zich erop toe te leggen te doen wat slecht is in zijn ogen.' (2 Koningen 17:16-17)


OVER KINDERLIEFDE

   'Van Jericho ging Elisa naar Betel. Toen hij naar de stad omhoog liep, rende een troep kinderen op hem af die hem uitlachten en schreeuwden: Kaalkop, kaalkop! Zet hem op, zet hem op! Elisa keek om, en toen hij de kinderen zag, vervloekte hij ze in de naam van de HEER. Meteen kwamen er twee berinnen uit het bos, die twee-en-veertig van de kinderen verscheurden.' (2 Koningen 2:23-24)

   'Gelukkig hij die jouw kinderen grijpt en op de rotsen verplettert.'  (Psalmen 137:9)

   'Hun kinderen worden voor hun ogen doodgeslagen, hun huizen geplunderd, hun vrouwen verkracht.' (Jesaja 13:16)


OVER KANNIBALISME

   'Toen hebben we mijn kind gekookt en opgegeten. Maar toen ik de volgende dag tegen haar zei dat nu het hare aan de beurt was om opgegeten te worden, bleek dat ze haar kind verstopt had.' (2 Koningen 6:29)

   'Als jullie hierna nog niet naar mij willen luisteren en tegen mij in blijven gaan, zal ik van mijn kant nog eens zo hard tegen jullie in gaan en je zevenvoudig voor je zonden straffen: Jullie zullen je eigen zonen en dochters opeten.' (Leviticus 26:27-29)

   'Ik laat de mensen het vlees van hun eigen zonen en dochters eten; men zal elkaars vlees eten, zo een gebrek zal er zijn, tot zo grote wanhoop zal de vijand die hun naar het leven staat, hen gedurende het beleg drijven.' (Jeremia 19:9)

   ' ....dat u de zonen en dochters die u van de HEER, uw God, hebt gekregen, zult eten, uw eigen vlees en bloed; tot zo grote wanhoop zal de vijand u tijdens het beleg drijven. De gevoeligste, zachtaardigste man zal zijn eigen broer of de vrouw die hij bemint of de kinderen die hem resten nog geen stukje vlees van zijn kinderen gunnen, maar ze helemaal alleen opeten, omdat hij niets anders heeft; tot zo grote wanhoop zal de vijand u tijdens het beleg drijven.' (Deuteronomium 28:53-55)


OVER VERDRAAGZAAMHEID

   'Maar als u de HEER, uw God, niet gehoorzaamt en zijn geboden en wetten, zoals ik ze u vandaag heb voorgehouden, niet nauwkeurig naleeft, zullen deze vervloekingen u treffen:

   De HEER zal u met de pest treffen, tot u geheel en al bent weggevaagd uit het land dat u in bezit zult nemen.

   De HEER zal u treffen met tering en ontstekingen, met koorts en waanzin, met droogte, korenbrand en meeldauw, die u zullen achtervolgen en te gronde richten.

   De HEER zal u treffen met zweren als Egypte destijds, met builen, uitslag en schurft, met ongeneeslijke ziekten.

   De HEER zal u treffen met krankzinnigheid, blindheid en verstandsverbijstering.

   U zult gek worden van alles wat u voor uw ogen ziet gebeuren.

   De HEER zal u treffen met vreselijke, ongeneeslijke zweren aan knieën en dijen, die u ten slotte van voetzool tot kruin bedekken. Al deze vervloekingen zullen u treffen en u achtervolgen tot er niemand meer over is, omdat u de HEER, uw God, ongehoorzaam bent geweest en de geboden en wetten die hij u voorhield niet hebt nageleefd.

   U zult er voortdurend op uw hoede moeten zijn, want u zult uw leven niet zeker zijn en dag en nacht het ergste vrezen.' (Deuteronomium 28:15,21,22,27,28,34,35,45)

   '....als je mijn bepalingen naast je neerlegt en mijn regels minacht, als je door mijn geboden niet na te leven het verbond met mij verbreekt, dan zal ik van mijn kant jullie het volgende aandoen: Ik zal een verschrikkelijk onheil over jullie brengen, tering en slopende koortsen zullen het licht in je ogen doven en je de adem afknijpen. Je zult je land inzaaien, maar voor niets, want je vijanden zullen ervan eten.

   Als jullie mij dan nog niet willen gehoorzamen, zal ik de straf voor jullie zonden zevenmaal zo zwaar maken: Ik zal wilde dieren op je afsturen, die je van je kinderen zullen beroven en je vee zullen verscheuren. Ze zullen het volk zo uitdunnen dat de wegen er verlaten bij liggen.

   Als jullie hierna nog niet naar mij willen luisteren en tegen mij in blijven gaan, zal ik van mijn kant nog eens zo hard tegen jullie in gaan en je zevenvoudig voor je zonden straffen: Jullie zullen je eigen zonen en dochters opeten.' (Leviticus 26:15,16,18,22,27-29)


NASCHRIFT

   We laten het aan de lezer over zijn conclusies te trekken over het beschavingspeil van de bedenkers van deze god. De gelovige lezer zal er waarschijnlijk toch uit opmaken dat een ieder die de geboden van deze liefdevolle God niet volgt, wel een uiterst immoreel mens moet zijn.

_____


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort