visitors on myspace
EVOLUTIE: WERKELIJKHEID VERSUS MYTHE | POSITIEF ATHEÏSME <>

EVOLUTIE: WERKELIJKHEID VERSUS MYTHE

image7313Peter

PETER VAN MONTFOORT






“Er bestaat nauwelijks enig deel van wetenschap, of iets in de natuur, dat deze misleiders en belasteraars van de wetenschap, priesters genaamd, en ook christenen en joden, op enig moment niet hebben geperverteerd, of getracht te perverteren met als doel bijgeloof en bedrog.” – Thomas Paine, 1737-1809


Op 24 november 1859 publiceerde de Engelse natuurwetenschapper Charles Darwin (1809-1882) zijn nu algemeen aanvaarde, maar toen nog revolutionaire evolutietheorie met het boek 'On the Origin of Species by means of Natural Selection, or the preservation of the favoured races in the struggle for life'. (Over het ontstaan der soorten door middel van natuurlijke selectie, of het behoud van de begunstigde rassen in de strijd om het bestaan). 

   De eerste oplage van 1250 exemplaren was al op de eerste dag uitverkocht, want in de wetenschappelijke wereld was de belangstelling voor Darwins stelling al een jaar eerder gewekt. Darwin had toen samen met Alfred Russell Wallace, die eveneens uit eigen waarneming en onderzoek door rationeel denken tot dezelfde onvermijdelijke conclusies was gekomen, zijn theorie voor het eerst toegelicht voor collega-wetenschappers in de Linnaean Society te Londen. 

DISPLAY IN NATURAL HISTORY MUSEUM, LONDEN

   Zonder een beroep te doen op het door niemand controleerbare “bovennatuurlijke” van de Bijbel, berustte Darwins nieuwe theorie op drie voor ieder waarneembare en natuurlijke fenomenen, samengevat in het algoritme Variatie, Selectie en Reproductie.

Variatie: Geen twee mensen, dieren of planten zijn identiek. Dank zij de huidige wetenschap weten we nu dat deze verschillen veroorzaakt worden door minimale, willekeurige verschillen in de volgorde van de bouwstenen van het genotype (het DNA) tussen individuen onderling. Sommige van deze verschillen bevoordelen de overlevingskansen en daarmee vaak de levensduur van het individu, andere benadelen die.

Selectie: Hiermee wordt natuurlijke selectie bedoeld. Het biotoop, de natuurlijke leefomgeving van het individu, is bepalend voor welke verschillen voor- dan wel nadelig zijn voor de overlevingskansen van dat individu in zijn specifieke biotoop.

Reproductie: Doordat het meest aan zijn biotoop aangepaste individu langer (over)leefde en er vaak beter in slaagde een partner te vinden, konden zijn gunstige eigenschappen tijdens die langere levensduur op relatief meer nakomelingen erfelijk worden overgedragen. Die nakomelingen konden ze op hun beurt aan nog meer nageslacht overdragen. Allen verschilden natuurlijk ook weer onderling in hun DNA en werden zo biologisch bevoor- of benadeeld, ad infinitum. Dit cumulatieve ontwikkelingsproces via erfelijkheid heeft zich in uiterst minieme stapjes over talloze generaties afgespeeld sinds ca. 3,7 miljard jaar geleden de eerste primitieve levensvormen op aarde verschenen.

    Het is uiterst belangrijk te beseffen dat deze kleine variaties in het DNA door het toeval bepaald worden, dus volkomen willekeurig zijn. Hier vindt geen gerichte sturing naar een gewenst doel plaats. De natuur denkt niet, plant niet en kent geen moraal. Ze is uitsluitend gericht op het behoud van zichzelf, van materie en energie. Dit ter attentie van die fundamentalistische apologeten die – in de verdediging gedwongen door alle bewijzen vóór evolutie - een uitweg zoeken voor hun fictieve God door deze dan ook maar zijn aandeel in de evolutie toe te schrijven. Kennelijk beseffen deze lieden niet dat ze daarmee hun god geen dienst bewijzen. Dit zou immers betekenen dat deze dan uitermate inefficiënt en ondoelmatig zou hebben gewerkt om zijn doel te bereiken. Want als dat doel de mens was – zoals zij hun gehoor steevast voorhouden - zou hij daar dus bijna 3,7 miljard jaar voor nodig hebben gehad (Volgens DNA-onderzoek verscheen de eerste moderne mens pas circa 200.000 jaar geleden). Fokkers van hondenrassen en andere gedomesticeerde diersoorten hadden aanzienlijk minder tijd nodig om het door hen gewenste doel te bereiken. Ook kwekers van plantenrassen presteren nog dagelijks veel beter. Maar zij bestaan... dat helpt natuurlijk.

   Met het publiceren van zijn originele theorie getuigde Darwin niet alleen van grote innerlijke moed, maar gaf hij ook uitdrukking aan zijn maatschappelijke betrokkenheid en wetenschappelijke integriteit. Want juist doordat Darwin aan de universiteit van Cambridge theologie had gestudeerd, was hij zich maar al te goed bewust van het feit dat zijn conclusies niet strookten met de gangbare Bijbelse mythologie zoals die toen algemeen aanvaard werd, bij gebrek aan betere informatie. Toch presenteerde Darwin met zijn stelling voor veel serieuze wetenschappers een veel plausibelere verklaring voor de biologische herkomst van de grote verscheidenheid aan soorten die op aarde leven, en werd daarmee ook duidelijk dat de mens niet los van andere diersoorten gezien kon worden. Zijn stelling was zo logisch en elegant in haar directheid en eenvoud, dat die Darwins vriend de bioloog T.H. Huxley deed verzuchten, “Wat dom dat ik daar zelf niet op ben gekomen!” Door zijn nimmer aflatende steun en felle verdediging van Darwins gedachtegoed zou Huxley later hiermee de bijnaam ‘Darwins Buldog’ verwerven.

   Uiteraard tastte Darwin met zijn stelling wel de fundamenten aan van datgene waarop de geestelijkheid haar profitabele gezag altijd al had gebaseerd, namelijk het beweerde bestaan van een god die circa zesduizend jaar (!) geleden alle levensvormen geschapen zou hebben, zoals dat in de Bijbel verhaald wordt. En omdat deze god perfect zou zijn (en welke god is dat niet?) zou dus ieder dier toen al gelijk in zijn perfecte, en dus onveranderlijke vorm zijn geschapen; zoals in de Oudheid ook Plato, zij het op andere gronden, al meende. Darwin kon dus verwachten dat zijn stelling fel bestreden zou gaan worden, waarschijnlijk niet zo zeer door wetenschappers, maar vooral door de geestelijkheid die zich terecht in haar broodwinning bedreigd zou voelen.

   Want in duidelijke tegenstelling tot alles wat de kerk altijd als absolute waarheid – want immers vastgelegd in “Gods Woord” - had gepresenteerd, berustte zijn stelling op de intelligente interpretatie van waargenomen en door ieder controleerbare feiten en omstandigheden, en de rationele conclusies die hij daaruit had getrokken. Ook al eerder, in de zestiende en zeventiende eeuw, was de scheppingsmythe onder druk komen te staan, toen wetenschappers in Amerika en Australië diersoorten ontdekten die niet in de bijbel werden genoemd, en die daar niet op eigen gelegenheid heen gezwommen konden zijn. De christelijke geestelijkheid, nimmer om een antwoord verlegen en met achttien eeuwen ervaring in misleiding achter zich, was al snel met de “verklaring” voor deze verontrustende waarneming gekomen: in die werelddelen had God weer afzonderlijke scheppingsdaden verricht!

    Stelt u zich de toenmalige situatie eens voor. Darwin leefde in het negentiende-eeuwse Engeland met zijn staatsgodsdienst, de Anglicaanse of Presbyteriaanse Kerk. Aan het hoofd van die kerk staat - al sinds Hendrik de Achtste zich in 1534 uit onvrede over de beslissingen van de toenmalige paus van de Roomse Kerk afscheidde - de regerende vorst. In Darwins tijd was dit Koningin Victoria. Van die staatskerk hadden de aartsbisschoppen en bisschoppen niet alleen geestelijke, maar ook aanzienlijke politieke macht. Die dankten zij aan hun recht op zetels in het Hogerhuis. Daar, naast hun exclusieve voorrecht te mogen bepalen hoe “Gods wil” voor henzelf en de kerk het meest profitabel kon worden geïnterpreteerd, beslisten zij ook nog eens mee over het lot van alle door de volksvertegenwoordiging in het Lagerhuis genomen democratische beslissingen. In een dergelijke samenleving was het dus niet verwonderlijk dat het christelijke geloof al eeuwenlang het wereldbeeld van de bevolking had bepaald. En bij gebrek aan tegenkrachten, was dit geloof een geaccepteerde factor in de samenleving geworden.

   Overigens kreeg die staatsreligie van het overgrote deel van de Engelse bevolking slechts de aandacht die het verdiende, dat wil zeggen, bitter weinig. Religie was er nu eenmaal, zo vond men, net zoals het weer. Alleen was het weer duidelijker, want dat was voor iedereen waarneembaar. Daar kreeg men geen meningsverschillen over, dus daar had men geen uitleg van een geestelijke bij nodig. En, in tegenstelling tot het voor iedereen waarneembare weer, had niemand ooit nog een God gezien. Ook was het de kritische enkeling al opgevallen dat Gods goedertierenheid niet bepaald rechtvaardig verdeeld was. Daar profiteerden de bisschoppen in hun paleizen toch kennelijk meer van dan de werkende bevolking door wie deze parasieten moesten worden onderhouden. 

   Een bijkomende factor die in de Engelstalige wereld aan de Bijbel nog een schijn van respectabele historiciteit had verleend, werd bewerkstelligd door de Ierse aartsbisschop James Ussher (1581-1656). Deze had namelijk tweehonderd jaar eerder al eens het “precieze” moment van de schepping - en hiermee dus ook de leeftijd van de aarde - bepaald aan de hand van een nauwgezette studie van de Bijbelse chronologie. Ook hier zien we weer een mooi voorbeeld van religieuze logica, dat wil zeggen conclusies trekken uit een nooit door andere bronnen bevestigd relaas, een relaas dat door rationele denkers als hoogst onwaarschijnlijk moet worden beschouwd op grond van zijn tegenspraak tot waarneembare natuurlijke fenomenen. Die schepping zou volgens Zijne Hoogwaardige Excellentie hebben plaatsgevonden op zondagmorgen, 23 oktober, 4004 v.C. Zijn geïnterpreteerde chronologie, die geloofwaardigheid aan het scheppingsverhaal scheen te verlenen, werd daarna zelfs in de marges van de volgende druk van de King James Bible opgenomen. En zoals bekend, als men een stelling maar vaak genoeg verkondigt, en die ook nog door zelf toegevoegde data in “Gods Woord” kan steunen, wordt die vroeger of later wel door het minder kritische deel van het publiek voor waar aangenomen. Een tactiek die bij gebrek aan echte argumenten, ook vandaag nog door veel apologeten wordt toegepast. 

   Zo maakte het Reformatorisch Dagblad nog zeer recentelijk (op 14-08-2013) gretig gebruik van wat Ussher zo’n 350 jaar eerder dacht te hebben berekend. Nadat het RD in alle ernst haar gelovige lezers had voorgehouden dat de zondvloed op zondag 7 december 2349 v.C was begonnen en tot vrijdag 18 december 2348 v.C had geduurd, concludeert ze: “Kennelijk is de wereldwijde vloed een historisch feit waaraan gewoon een datum gehangen kan worden...”. Tja, Jezus zei het al, “Zalig zijn de eenvoudigen van geest...”.

   Maar natuurlijk kon Darwins hypothese – geleidelijke aanpassing van de soorten aan hun omgeving door een lange serie van uiterst kleine en toevallige veranderingen die erfelijk aan volgende generaties werden doorgegeven - alleen maar aannemelijk worden als de leeftijd van de aarde aanzienlijk hoger zou zijn dan die door Ussher op dubieuze gronden gebaseerde zesduizend jaar.

   Het feit dat ook toen al door diverse geologen veel fenomenen in de natuur waren gevonden die alleen verklaard konden worden door een veel langere bestaansgeschiedenis van onze planeet, was nog niet tot het grote publiek doorgedrongen. Zo hadden in het begin van de negentiende eeuw geologen als Charles Lyell zich al gerealiseerd dat het rivieren veel langer dan slechts zesduizend jaar gekost moest hebben om hun beddingen door de rotsen uit te slijten. Bovendien ontdekte men bij opgravingen fossielen van dieren die al lang uitgestorven waren, en die veel langer dan zesduizend jaar geleden geleefd moesten hebben. Zo vond bijvoorbeeld in het jaar 1811 de toen nog maar 12-jarige Mary Anning het gefossiliseerde skelet van een Ichthyosaurus; een reeds lang uitgestorven in het water levend reptiel, waarvan wetenschappers nu kunnen aantonen dat het tussen 5 en 120 miljoen jaar geleden moet hebben geleefd. Maar buiten de wetenschappelijke wereld waren de logische consequenties van deze ontdekkingen nog niet bekend. En natuurlijk had vooral de kerk geen belang bij het verspreiden van zulke “godslasterlijke” ideeën. Die zouden immers haar gezag ondermijnen.

   De geestelijkheid had nu dus alle reden om ontzet te zijn over Darwins ontdekking. Want hier kwam plotseling een wetenschapper met een boek waarin al die “zekerheden” waaraan zij hun comfortabel bestaan dankten, toch op zijn minst in twijfel werden getrokken. Hier werd aan de poten van hun stoelen gezaagd! Dit was niet alleen godslasterlijk, want dat was maar bijzaak; het was vooral potentiële broodroof.  En als geen ander beseften juist zij dat de Almachtige zelf niet bij machte zou zijn adequaat op deze impliciete aanval op zijn geloofwaardigheid te reageren. Zij moesten zich dus wel roeren. In grote morele verontwaardiging sloeg men alarm.

                                                                                                     'SOAPY SAM' WILBERFORCE                            'DARWINS BULDOG' HUXLEY                                               

   Degene die zijn afkeer van de realiteit destijds het meest eloquent kon verwoorden was de toenmalige bisschop van Oxford, Samuel Wilberforce (1805-1873), bij zijn critici bekend als ‘Soapy Sam’ door de reputatie die deze had opgebouwd als groot orator. Op 30 juni 1860 vond in de hal van de British Association in de Universiteit van Oxford een debat plaats tussen ‘Soapy Sam’ Wilberforce  en ‘Darwins Buldog’ Huxley over Darwins evolutietheorie. In een legendarisch geworden woordenstrijd trachtte Wilberforce Darwins ideeën belachelijk te maken. Maar Huxleys eenvoudige wetenschappelijke eerlijkheid bracht Wilberforces bisschoppelijke arrogantie en obscurantisme voor alle aanwezigen zo overtuigend ten val, dat de pretentie van de kerk om wetenschappers te kunnen dicteren hoe ver zij in hun conclusies mochten gaan, hiermee voor eens en altijd werd verslagen. De autonomie van de wetenschap in de westelijke wereld was vanaf dat moment overtuigend en voorgoed bevestigd. Zelfs het merendeel van de aanwezige vertegenwoordigers van de kerk moest toegeven dat Wilberforce een verpletterende nederlaag had geleden. 

    Aanwezigen die het dichtst by Huxley zaten toen deze opstond om Wilberforce van repliek te dienen, schijnen hem te hebben horen mompelen “De Heer heeft hem aan mij overgeleverd”.

    Er bestaat nog een ooggetuigenverslag van dit memorabele debat. In 1898 verscheen in het oktobernummer van MacMillans Magazine een artikel onder de kop ‘A Grandmother’s Tales’. Ingebed tussen herinneringen aan Florence en een incident in de bibliotheek van Merton, vertelt de auteur: 

   “Ik had het geluk aanwezig te zijn bij die gedenkwaardige gelegenheid in Oxford toen Mr. Huxley bisschop Wilberforce trotseerde. Er waren er zovelen van ons die dat graag wilden bijwonen dat we moesten verhuizen naar de grote bibliotheek van het Museum. Nog steeds kan ik het Amerikaanse accent horen van Dr. Drapers inleiding toen hij vroeg, “Zijn wij een toevallig samenvallen van atomen?” En zijn daaropvolgende uiteenzetting die ik me herinner als nogal droog. Daarna verrees de bisschop, en in een lichtelijk bespottende toon verzekerde hij ons in bloemrijke taal dat hij niets zag in het idee van evolutie; rotsduiven waren wat rotsduiven altijd geweest waren. Toen, zich met glimlachende arrogantie tot zijn antagonist wendend, verlangde hij te weten, was het door zijn grootvader of zijn grootmoeder dat hij zijn afkomst van een aap claimde?

   Hierop stond Mr. Huxley langzaam en doelbewust op. Als een slanke rijzige figuur, streng en bleek, zeer rustig en zeer ernstig stond hij voor ons, en sprak die ontzagwekkende woorden – woorden waarvan niemand nu meer zeker is, noch naar mijn mening zich kon herinneren direct nadat ze geuit werden, want hun betekenis benam ons de adem, hoewel ze ons geen twijfel lieten over wat ze betekenden. Hij schaamde zich niet een aap als voorouder te hebben gehad, maar hij zou zich schamen verwant te zijn aan een man die grote gaven misbruikte om de waarheid te verhullen. Niemand twijfelde aan wat hij bedoelde en het effect was ontzagwekkend.”


EEN DEFINITIE

   Wanneer fundamentalistische gelovigen met het begrip evolutietheorie geconfronteerd worden is hun gebruikelijke reactie meestal: “Ja, maar dat is alleen maar een theorie, nietwaar?” Hiermee doelen zij dan nadrukkelijk op de op de vijfde(!) plaats staande betekenis die Van Dale’s woordenboek vermeldt, namelijk die van de veronderstelling die (nog) niet door feiten gestaafd wordt. Vaak doelbewust, gaan zij hiermee aan de primaire betekenis van het woord voorbij, en proberen zo de betekenis van een wetenschappelijke theorie waarvoor al al zoveel bewijzen zijn gevonden, alsnog te ontkrachten. 

 Voor een goed begrip en neutrale uitleg van de term theorie vinden we in Van Dale’s ‘Groot woordenboek der Nederlandse taal’ de volgende definities:


theorie’ (<Gr.-Lat.) v. (-ën), 1. systeem van denkbeelden of hypothesen waarmee waargenomen feiten of verschijnselen kunnen worden verklaard of voorspellingen worden gedaan: de theorie van Huygens betreffende het licht; economische, esthetische theorieën; theorie der fouten....................................... ………………………………………………...........................                                           

5. stelling, bewering, opvatting ……   


  En juist die eerste betekenis illustreert zo prachtig het verschil tussen wetenschap en religie, tussen het weten en het alleen maar geloven op gezag van anderen. Misschien is dat ook juist wel de motivatie voor die neerbuigende reactie van gelovigen waarbij doelbewust voorbij gegaan wordt aan de primaire betekenis van het woord, want een vergelijking van die meerdere betekenissen valt overduidelijk in het voordeel van de wetenschap uit. Juist die wetenschappelijke theorie tracht een rationele, natuurlijke verklaring voor waargenomen  feiten of verschijnselen te bieden. Over nooit waargenomen fenomenen hoeft men zich immers geen theorie te vormen. Zo’n theorie stelt ons ook in staat te voorspellen wat er zal gebeuren als die fenomenen zich onder gelijke omstandigheden weer opnieuw zouden voordoen. En bovendien juicht de wetenschap het altijd weer toe als later een nog betere verklaring voor het waargenomen fenomeen wordt geboden. Vergelijk dit eens met religieuze intolerantie voor de afvallige die een dogma of doctrine in twijfel trekt.

   Wat Van Dale hierboven niet vermeldt is dat een wetenschappelijke theorie bovendien falsifieerbaar moet zijn. Dat wil zeggen dat het mogelijk moet zijn een experiment te bedenken dat de eventuele onhoudbaarheid van die stelling aan het licht zou kunnen brengen. En wanneer iemand dan feiten ontdekt die de tot dan toe gangbare theorie weerspreken, worden in de wetenschap die feiten niet ontkend of verdoezeld, maar gaat men juist zoeken naar een beter sluitende verklaring waarbinnen ook die nieuw waargenomen feiten passen. Zodat we met nog grotere zekerheid kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren als die verschijnselen zich onder dezelfde omstandigheden opnieuw voordoen.

    Wanneer iemand bijvoorbeeld stellig zou volhouden dat het op donderdag altijd regent in Giethoorn, is het vrij eenvoudig deze stelling te falsifiëren door op een aantal donderdagen Giethoorn te bezoeken. Maar als iemand beweert dat alle goden groen zijn, hebben we geen enkele mogelijkheid zijn ongelijk te bewijzen. De grote filosoof Bertrand Russell gaf in dit verband eens het voorbeeld van een denkbeeldige porseleinen theepot in een omwentelingsbaan in het heelal. Deze theepot zou zo klein zijn dat zelfs de krachtigste telescopen die niet konden waarnemen. Russell voegde daaraan toe dat als dit ‘feit’ dan op scholen aan ontvankelijke kinderen onderwezen zou worden, en bovendien iedere zondag vanaf de kansel verkondigd zou worden, dit niet weerlegbaar zou zijn. Want er zou geen enkele methode bestaan om het tegendeel te bewijzen.

   En even terzijde, zo is onder anderen ook de theorie die Newton formuleerde met betrekking tot de zwaartekracht (of liever, van de wederzijdse aantrekkingskracht tussen objecten) ‘alleen maar’ een theorie. Maar nog nooit heeft enig gelovige, staande aan de rand van een afgrond, ook maar een ogenblik getwijfeld aan de juistheid van die theorie. Integendeel, dan heeft men plotseling een diep en onwankelbaar vertrouwen in die theorie van Newton.

   Waar de gelovige zich vaak op beroept om zijn gelijk te halen, staat in schril contrast met wetenschappelijke theorieën. Bij gebrek aan een beter argument baseert de gelovige zijn mening dan op het kerkelijke dogma. We kijken weer even wat de onvolprezen meneer Van Dale hierover weet te melden:


dog’ma (Gr.), o. (-‘s, -ta), 1. vastomlijnd, aan geen beredenering meer onderworpen geloofsartikel; iedere waarheid waarvan de katholieke kerk plechtig heeft verklaard dat zij door God geopenbaard is en derhalve door de mens geloofd moet worden: het dogma der onfeilbaarheid; - oneig.: politieke, economische dogma’s, leerstellingen die hun geloofwaardigheid aan zichzelf of aan het gezag van een leermeester ontlenen; -2. geloofsleer, geheel van geloofsartikelen: dat behoort tot het calvinistisch dogma; - het dogma regeert, het blind geloof regeert, er wordt niet onderzocht of verkondigde stellingen waar zijn.


WAAROM IS DIE EVOLUTIETHEORIE ZO ANGSTAANJAGEND?

   Waarom is dit idee van evolutie zo angstaanjagend voor veel christenen? Waarom trachten ze zo wanhopig deze theorie te bestrijden? Duidelijk, omdat dit alles weerlegt wat de Bijbel al op de eerste bladzijde van het boek Genesis over de oorsprong van de mens stelt. Hoe zou u zich voelen als u al uw hele leven lang uw diepste overtuiging op de onfeilbaarheid van dit boek gebaseerd zou hebben? En als men u dan zou vertellen hoe de allereerste woorden al op mythe blijken te berusten, hoe betrouwbaar zou de rest dan nog voor u kunnen zijn? Zou u dan voor de rest van uw leven uw moraal nog steeds op dat onbetrouwbare boek kunnen baseren? Kunt u zich de teleurstelling, de boosheid, de onzekerheid, al die verwarrende emoties voorstellen die dan ontstaan?

   Want het is nogal wat, wat de gelovige hier uit handen wordt geslagen. Volgens die verontrustende evolutietheorie zou de mens in zijn huidige vorm dus niet al sinds het ontstaan van de aarde bestaan hebben, en niet ver boven alle andere diersoorten verheven staan – “geschapen naar Gods gelijkenis” nog wel –, maar slechts, net als alle andere dieren op aarde, via ontelbare kleine stapjes en over een periode van miljarden jaren, geleidelijk uit de eerste bacteriële levensvormen geëvolueerd zijn. U zult het de auteurs en redacteuren van de Bijbel moeten nageven, ze beschikten wel over psychologisch inzicht. Zou ook uw ego niet beter bevredigd worden als u uw oorsprong tot een goddelijke daad terug zou kunnen traceren, in plaats van tot een reeks toevallige mutaties uit een pissebed?


"We zijn gewoon een gevorderd ras apen op een kleine planeet van een heel middelmatige ster. Maar we kunnen het universum begrijpen. Dat maakt ons heel bijzonder." – Stephen Hawking


   Herman Philipse beschrijft in zijn “Atheïstisch manifest” precies het effect van zo’n confrontatie. In de geest van de gelovige ontstaat dan grote cognitieve dissonantie. De duidelijk waarneembare werkelijkheid blijkt de tot dan toe diepste overtuiging te weerspreken. De christen raakt hierdoor in grote geestelijke verwarring. Die mag niet onderschat worden. Die werkelijkheid tast de wortels aan van iemands levenslange overtuiging, en slaat hem alle “zekerheden” uit handen.

    “Is dan de wereld waarin ik leef niet de wereld die men mij altijd heeft voorgehouden? Als dat dan al niet waar is, wat kan er dan nog meer mis zijn met alles dat ik voor waar hield? Ben ik dan niet door God naar Zijn Gelijkenis geschapen? Superieur aan alles dat op deze aarde leeft? Hoe betrouwbaar is dan alles wat Bijbel en geestelijkheid mij verder nog altijd hebben voorgehouden?” zo vraagt de gelovige zich dan af in zijn totale vertwijfeling. Laten we daar begrip voor opbrengen. Want hem of haar werd altijd voorgehouden diep verdorven geboren te zijn, immers belast met de “erfzonde”. Alleen door de geboden van Bijbel en geestelijkheid levenslang te volgen, zou hij of zij voor eeuwige marteling in “het hiernamaals” behoed kunnen worden. Het is een geestelijke last die men een leven lang bij zich draagt.

    Als men zelf zou moeten gaan nadenken, in plaats van op de geestelijkheid te vertrouwen, en de verspreiding van die nieuw ontdekte waarheid dan toch niet te bestrijden blijkt, zoekt men liever zijn gemoedsrust in ontkenning, en in steun bij medegelovigen. Gezamenlijk zoekt men dan zijn toevlucht in wat professor Herman Philipse zo treffend de “collectieve koppigheid” noemt, de gezamenlijke ontkenning die hardnekkig overeind wordt gehouden en die zich afsluit voor elk redelijk argument. Zoals de bekende filosoof en vrijdenker Thomas Paine (1737-1809) al zei, “...to argue with a man who has renounced his reason is like giving medicine tot the dead.” (“...met een man argumenteren die zijn verstand heeft afgezworen is als het toedienen van medicijnen aan een dode.”)

   Eén van de tactieken die deze ontkenning moet ondersteunen, is om de “moraal” van de evolutietheorie aan de kaak te stellen. Boosaardig vertaalt men dan Darwin’s stelling van ‘the survival of the fittest’ als ‘het recht van de sterkste’. Bij implicatie geeft men hiermee aan dat alleen de ongelovige – die immers toch al immoreel is omdat hij de Bijbel niet als Gods Woord erkent – een dergelijk immoreel idee kan verspreiden. De voorbeeldige moraal van de Schepper die volgens de mythe al zijn schepsels verdronk, sprak hen altijd veel meer aan omdat hen is afgeleerd zelf te denken. “Zalig zijn de eenvoudigen van geest....” 

   Terwijl iedere middelbare school leerling die zijn Engels geleerd heeft, wel weet dat dit idee de overleving van de meest geschikte inhoudt. En natuurlijk is het voor ieder rationeel denkend mens wel duidelijk dat natuurlijke processen per definitie niet over een moraal kunnen beschikken. Moraal is voorbehouden aan de denkende mens.

   Uiteraard verandert deze ontkenning niets aan de waarheid. Evolutie bestaat, evolutie is haast zo oud als de wereld zelf, het is een zichzelf instandhoudend mechanisme. Evolutie is het voortdurende proces van uiterst langzame, uiterst geleidelijke veranderingen in de biologische opbouw van ieder levend wezen. Evolutie kent geen emoties, geen morele waarden. Het sturende principe is de overleving van de meest geschikte soorten, soorten die zich via die heel geleidelijke toevallige veranderingen, beter hebben aangepast aan hun natuurlijke omgeving. En daardoor langer konden leven en daardoor meer nakomelingen konden voortbrengen, die op hun beurt dan ook weer - door die overgeërfde eigenschappen - meer nakomelingen produceren, met die beter aan hun omgeving aangepaste eigenschappen. Een proces dat al ongeveer 3,7 miljard jaar gaande is, en waarvan ook de mens één van de vele op toeval berustende producten is. 

 Wel moet erkend worden dat die uit een lange reeks toevalligheden ontstane mens nu de hoogst ontwikkelde diersoort is geworden. Want geen enkele andere diersoort heeft tot nog toe zoveel schade aan onze planeet kunnen toebrengen. 

   Dat geeft te denken ....

_____


AANBEVOLEN LITERATUUR


Richard Dawkins - 'Het grootste spektakel ter wereld' 

Jerry Coyne - 'Why Evolution Is True'


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort