visitors on myspace
VLOOIENBETEN - 2 | POSITIEF ATHEÏSME <>

VLOOIENBETEN - 2

image7313

PAULA KIRBY 

(VERVOLG VAN VLOOIENBETEN - 1)






JOHN CORNWELL:
"DARWIN'S ANGEL: AN ANGELIC RIPOSTE TO THE GOD DELUSION"
                                                                                           
[Darwin’s engel: Een engelachtig weerwoord op ‘God als misvatting’]


   Laat het voldoen te zeggen dat ik oprecht geschokt was toen ik dit boek las: niet alleen over het compleet ontbreken van enig argument, maar over de ongelofelijk rancuneuze, verdraaide en verwrongen aard van de beschuldigingen die worden gemaakt. Wel, Richard Dawkins wordt er door apologeten van beschuldigd te verdraaien waarin zij geloven, dus was het misschien redelijk hetzelfde op zijn beurt te verwachten? Maar nee – in het geval van Cornwell is het zelfs geen vervorming van Dawkin’s argumenten meer; het is vervorming met als enig oogmerk pure persoonlijke belediging.

   Cornwell (of eigenlijk, Cornwell in de vermomming van Dawkins’ beschermengel – hij heeft zelfs het morele lef niet om persoonlijk zijn aanval te maken) probeert bij iedere gelegenheid om Dawkins onverbeterlijk narcistisch over te laten komen. Neem dit bijvoorbeeld: “Ik was verheugd dat u die schitterende lofuiting (Cornwell is gek op dat woord en gebruikt het vaak, met een sarcasme dat hoorbaar is ondanks de schriftelijke vorm) van wijlen Douglas Adams [….] voor uw openhartige moed die u ‘zo graag met anderen deelt’, zoals u vertelt.” Als we even naar Gam kijken zien we – voor het geval u in twijfel zou zijn – dat wat Dawkins ‘graag met anderen deelt’ Adams’ improviserende rede is waarin hij het idee aanvalt dat religieus geloof door een muur van respect beschermd dient te worden. Adams refereert inderdaad aan Richard Dawkins – maar slechts terzijde, en het woord “moed” wordt gebruikt noch gesuggereerd, en zou zelfs niet in deze context passen.

Dit is pure boosaardigheid

   Dit is pure boosaardigheid. Net zoals Cornwell’s herhaaldelijke spottende opmerkingen over Dawkins’ beweerde neiging zichzelf te citeren in plaats van anderen, om zijn argumenten te steunen: “U citeert uzelf (wie anders?) ….” is maar één voorbeeld. Cornwell maakt dit punt zo aanhoudend, dat ik speciaal naar voorbeelden van zulk gedrag door Dawkins gezocht heb toen ik onlangs Gam opnieuw las. Heb ik die gevonden? Nee. In feite staan op haast ieder van de 420 pagina’s van de paperback-editie referenties naar andere auteurs, en maar heel weinig referenties naar Dawkins’ overige werken. De “Geciteerde of aanbevolen boeken” sectie aan het eind refereert aan 169 boeken, waarvan er 7 door Richard Dawkins zijn. Wat narcisme betreft, vergelijkt het waarschijnlijk gunstig met het vermommen als een engel.                                        

   Dit was het eerste van de vier boeken die ik gelezen heb, en de eerste keer dat ik in aanraking kwam met de aanhoudende beschuldiging dat atheïsme tot een herhaling moet leiden van de gruweldaden zoals die door Hitler en Stalin werden bedreven, en ik was absoluut ontzet door de klinkklare, weerzinwekkende, cynische exploitatie van menselijke misère om een goedkoop (en oneerlijk) punt te scoren. Drie van zulke boeken verder ben ik nu een geharde oudgediende: niemand van hen verzuimt deze truc, hoewel Wilson hem slechts terloops noemt. Ik heb het hiervoor al als speciaal onderwerp behandeld.

   In veel opzichten vond ik Cornwell’s boek het meest verontrustende van de vier: soms klinkt hij als bijna letterlijk krankzinnig. En nergens meer zo als wanneer hij zijn ultieme paranoia door laat schemeren, zoals hier: “Ik kan het niet helpen dat het opvalt dat sommige van uw meest vurige volgelingen religie al als een soort virusinfectie gekaraktiseerd hebben, een HIV van de geest, die om drastische en definitieve oplossingen vraagt – quarantaine, liquidatie.” Waar krijgt hij in hemelsnaam zulke ridicule beweringen vandaan? (Deze interpretatie van atheïsten die religie beschouwen als een virus dat uitgeroeid dient te worden is ook zo’n thema dat met eentonige voorspelbaarheid in alle vier boeken tevoorschijn komt – voor alle duidelijkheid, de bewering die Dawkins werkelijk maakt is dat religieuze denkbeelden zich op dezelfde manier verspreiden als virussen dat doen. Nergens noemt hij, of suggereert hij zelfs maar quarantaine, liquiditatie, uitroeiing of een van de andere exotische fantasieën die in de koortsachtige verbeelding van deze gelovigen op de loer liggen.)

   Het is eenvoudig onmogelijk deze vier boeken achter elkaar te lezen, en niet getroffen te worden door de buitengewone mate van paranoia die daaruit te voorschijn komt. Deze auteurs lijken vastbesloten zichzelf als vervolgden te beschouwen, en nog ergere vervolging in de toekomst te voorspellen. En dit is niet alleen kenmerkend voor deze vier schrijvers; onlangs nog heeft een van de meer evangelische christenen als zijn overtuiging op http://www.richarddawkins.net/ weergegeven dat hij nog gedurende zijn leven in de gevangenis zal belanden vanwege zijn christelijke geloof. In aanmerking nemend, dat waarop deze angsten ook maar gegrond kunnen zijn, die niet tot de inhoud van Gam behoren, of tot de bedoelingen van iedere atheïst die ik ken, waar komen ze dan vandaan en waarom hebben ze zo’n greep op de hersens van gelovigen gekregen?

   Ik zou willen stellen dat dit puur wensdenken is. Misschien lijkt dit onwaarschijnlijk; waarom zou iemand vervolging wensen? Maar als we de vervolging in herinnering roepen die de vroege christenen leden – opsluiting, publieke geseling, andere vormen van marteling, uiteen gereten worden door leeuwen of langzaam geroosterd worden boven hete kolen (en voor ogen houdend dat de geschiedenis vol voorbeelden is van christenen die anderen wiens geloof niet precies gelijk aan het hunne was, aan soortgelijke martelingen onderwierpen) – wordt duidelijk dat de bespotting en het openlijke scepticisme dat het ergste is waaraan zij in de westelijke gemeenschap blootstaan, inderdaad maar een zwakke beproeving zijn. Het kan aspirant-discipelen in de 21ste eeuw vergeven worden dat zij voelen tekort te schieten vergeleken met hun meer heroïsche voorgangers. 

   Het is niet uitsluitend de Koran die het martelaarschap verheerlijkt; ook de Bijbel maakt duidelijk dat te worden vervolgd deel uitmaakt van de taakomschrijving van een serieuze christen. Kijkt u maar eens naar deze citaten:

   “Gelukkig wie vanwege de gerechtigheid vervolgd worden, want voor hen is het koninkrijk van de hemel. Gelukkig zijn jullie wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich, want je zult rijkelijk worden beloond in de hemel; zo immers vervolgden ze vóór jullie de profeten.” (Mattheüs 5:10-12)

   “Wij spreken dan ook in de gemeenten van God vol trots over uw standvastigheid en trouw onder de vervolgingen en onderdrukking die u moet doorstaan.” 2 Thessalonieërs 1:4)

   “Jij daarentegen bent mij trouw gevolgd in mijn leer, mijn levenswijze, streven, geloof, geduld, liefde, volharding, en je hebt hetzelfde lijden en dezelfde vervolgingen ondergaan die mij in Antiochië, Ikonium en Lystra hebben getroffen. Ik heb ze allemaal doorstaan, de Heer heeft mij steeds weer gered. Allen die vroom en in eenheid met Christus Jezus willen leven, zullen worden vervolgd. Slechte mensen en oplichters zullen van kwaad tot erger vervallen; het zijn bedriegers die zelf bedrogen worden.” (2 Timotheüs 3:10-13)

   De instructies voor een christen zijn duidelijk. Lijdt voor uw geloof! Wordt vervolgd! Als u niet vervolgd wordt, doet u uw best niet! Maar helaas, wat is dat moeilijk voor ze, als ze omgeven worden door mensen die hun geloof tolereren, zelfs als ze dat niet werkelijk goedkeuren. Dan is er maar één oplossing mogelijk, en dat is de zeer bescheiden kritiek waaraan ze worden blootgesteld te verheffen tot de meest venijnige vorm van vervolging. Schrijf dan over de wens religie te verbieden, weg te vagen, uit te bannen, te vernietigen. Beweer dan dat diegenen die een geloof  aanhangen gevangen zullen worden gezet, alle rechten ontnomen, fysiek aangevallen. Dat ze gedwongen zullen worden hun kinderen af te staan. Roep de verschrikkingen van de Holocaust en de Goelag Archipel weer op in de verbeelding van gelovigen. 

   Hoe kun je anders in een liberale democratie enige kans maken op beloning voor vervolging?

   Iedereen die Gam gelezen heeft voordat hij Cornwell’s boek leest moet wel tot de conclusie komen dat hij heel bewust alles dat Dawkins daarin geschreven heeft, verdraait en vervormt. Hoe zou men anders een bewering als de volgende kunnen verklaren: “U heeft een vurige belofte van ultiem geluk afgegeven, als uw lezers u alleen maar willen vertrouwen” of, “U houdt vol dat alle religieus gelovigen per definitie fundamentalistisch zijn, en dat zelfs de zachtaardigste, meest tolerante vorm van geloof onvermijdelijk tot de zelfmoord aanslag leidt.” Wat een schunnige nonsens! Wat Dawkins werkelijk schrijft is dat “zelfs milde en gematigde religie helpt een geloofsklimaat te scheppen waarin extremisme op natuurlijke wijze gedijt” en “De leer van ‘gematigde’ religie, hoewel op zichzelf niet extremistisch, is een open invitatie tot extremisme” en “Als kinderen geleerd zou worden vragen te stellen en na te denken over hun geloof, in plaats van hen te leren de superieure deugd van geloof zonder vragen te accepteren, zullen ze waarschijnlijk geen zelfmoord aanslagen plegen.” Zou het werkelijk voor een ontwikkelde geest mogelijk zijn om in alle oprechtheid het een met het ander te verwarren?

   En wat Cornwell’s argumenten betreft die het bestaan van God moeten steunen…. wel, misschien komt er binnenkort nog een boek van hem uit waarin hij dit behandelt. In Darwin’s Angel geeft hij die in ieder geval niet. Op zeker punt schrijft hij: “Het woord ‘god’ geeft uitdrukking aan een diversiteit van betekenissen, afhankelijk van culturele, filosofische, etnische, en historische achtergronden” – en dat is ongeveer hoe specifiek hij wordt. Nauwelijks verrassend misschien, als het volgende waar is: “Als een persoon over een god denkt, of God, komt iedere voorstelling van dat denkbeeld als een nieuwe daad van verbeelding, of herinnering, in plaats van als een stuk geopenbaarde en veranderende informatie.” Vaagheid is duidelijk een deugd volgens Cornwell; elders schrijft hij: “Voor religieus gelovigen is het bovendien niet hun geloof in God, maar God, die hen goed maakt; Gods aanwezigheid, wiens goedheid het egoïsme, de ijdelheid, en de gewelddadigheid van het menselijke hart temt.” Neem niet de moeite om bewijs te vragen voor deze bewering, want die komt niet.

   “Verbeelding” is een woord dat een prominente rol speelt in dit boek; de indruk die het op mij heeft nagelaten is dat Cornwell suggereert dat onze verbeelding op zichzelf bewijs is voor de werkelijkheid van God – maar daarin kan ik mij vergissen; het hele boek is zo’n brei van betekenisloze retoriek dat het heel goed mogelijk is dat ik verkeerd begrijp wat hij werkelijk probeert te zeggen. Er is echter geen vergissing mogelijk over wat zijn persoonlijke animositeit tegen Richard Dawkins betreft: “U wordt ook verontrust door de dimensie van verbeelding, niet? Het ligt zo dicht bij kunst, muziek, poëzie – dingen die gemaakt zijn in plaats van feiten die herleidelijk kunnen zijn uit natuurkunde, scheikunde en biologie.” Nog afgezien van de bonkerigheid van het taalgebruik (“herleidelijk kunnen zijn”?), is dit een verbazingwekkende beschuldiging aan het adres van de auteur van Unweaving the Rainbow! ( De regenboog ontweven).

   Zelfs na herlezing van dit boek om mijn geheugen op te frissen, blijf ik uiteindelijk bij mijn oorspronkelijke beoordeling hiervan: wie heeft nog demonen nodig met zulke engelen?


ANDREW WILSON, 

DELUDED BY DAWKINS? A CHRISTIAN RESPONSE TO THE GOD DELUSION                                                                                    

[Misleid door Dawkins? Een christelijk antwoord op God als misvatting]

   Voor het lezen van zijn boek was Andrew Wilson een totaal onbekende naam voor mij, maar een Google zoektocht leidde mij naar het volgende commentaar op de blogsite van een “hervormd charismatisch persoon, door Gods ontzagwekkende genade”: “Andrew Wilson uit King’s Eastbourne heeft een oorverdovende afbraak geschreven van Dawkins’ God als misvatting, het is lang maar beslist de moeite waard gelezen te worden. Het is ook grappig. Dat helpt.”

   Nu, zo lang is het eigenlijk ook weer niet: 112 pagina’s alles bij elkaar, waarin inbegrepen een voorwoord dat pas op blz.6 begint, met nog eens een volledige pagina die gegeven wordt voor een enkel Bijbelcitaat tussen iedere twee hoofdstukken. Waardoor er slechts 94 bladzijden overblijven voor zijn werkelijke argumenten. Voeg hier het feit aan toe dat het formaat van de gebruikte letters ongewoon groot is en dat die ongewoon genereus gespatieerd zijn; en dat bijna iedere pagina nogal overvloedige voetnoten bevat (soms meer dan de helft van de betreffende pagina in beslag nemend, en vaak eenvoudig bestaande uit Bijbel referenties), en u begint er een idee van te krijgen dat dit echt een weinig substantieel boekje is. Is het echter “een oorverdovende afbraak van Dawkins’ God als misvatting”?

   Wilson presenteert zijn geloofsbrieven als aanklager van Dawkins al vanaf de eerste pagina’s, waarop hij bijna zijn bloedvaten laat barsten in zijn enthousiasme om woorden als “arrogant”, “schel”, “agressiviteit”, “fundamentalist”, “overmoedig”, “getier” enzovoort te gebruiken. Zijn kennis van het oeuvre van Dawkins schijnt zich te beperken tot de titels van zijn boeken – wat op zichzelf nog niet zo erg zou zijn ware het niet voor het feit dat hij beweert: “Richard Dawkins heeft veel van zijn loopbaan besteed met het aanvallen van geloof in God, in het bijzonder de christelijke God. Hij heeft er boeken over geschreven ….” Heeft hij dat echt? Ik zou ze graag willen lezen. (Ik denk dat Wilson de titel “A Devil’s Chaplain” gezien heeft, en daaruit zijn eigen – incorrecte – conclusies over de inhoud heeft getrokken.) 

   Wilson besteedt veel tijd aan de bewering dat veel van Dawkins’ punten in Gam irrelevant zijn voor de centrale kwestie of er een god is of niet. Dit mag technisch wel correct zijn (het bestaan of niet van religieuze wetenschappers is op zichzelf geen bewijs voor of tegen God), maar het gaat volledig aan het feit voorbij dat Dawkins hier eenvoudig reageert op beweringen die theïsten regelmatig maken. Als theïsten blijven proberen Einstein als een van de hunnen te claimen, en dat dit zou betekenen dat God wetenschappelijk aanvaardbaar is, dan moet dat weerlegd worden en kan dit niet worden afgedaan als irrelevant. 

   De hervormde charismatische criticus die hierboven werd geciteerd zegt dat Wilson’s boek grappig is, en ik moet bekennen dat ik er wel enige humor in vond, hoewel zeker niet als zodanig bedoeld. Wilson beweert dat er een overtuigend argument bestaat dat de waarheid van het christendom absoluut bewijst, en hij beklaagt zich erover dat Dawkins dat zelfs niet eens behoorlijk bespreekt in Gam. Hier werd mijn nieuwsgierigheid natuurlijk behoorlijk gewekt, en gretig las ik verder: “Wat nog het ergste is, is dat Dawkins het grootste deel van het boek besteedt aan het maken van punten die niet direct relevant zijn voor de kwestie of er een god is of niet […..] of met het aanvallen van slechte redenen om te geloven dat dit zo is, terwijl het meest definitieve argument dat christenen sinds 30 jaar na Christus gebruiken, de wederopstanding van Jezus, zelfs niet besproken wordt.” Dit, beweert Wilson, “is vernietigend voor Dawkins’ argument, misschien zelfs dodelijk.” Hij gaat verder, “Misschien is hij niet echt bereid in te gaan op de wereldschokkende gebeurtenissen van Pasen, behalve door te zeggen dat dit niet gebeurd kan zijn omdat dode mensen niet op kunnen staan. Als dit zo is, is zijn standpunt net zo onwrikbaar, net zo fundamentalistisch, als dat van veel van de mensen dat hij weerlegt met schrijven van dit boek.”

   Ik zei toch dat het grappig was.

   Wilson’s fundamentele premisse hier is een vergissing. Hij praat alsof God als misvatting over maar één misvatting zou gaan, terwijl het in werkelijkheid over twee misvattingen gaat; ten eerste de misvatting om te geloven dat God bestaat, en ten tweede de misvatting te denken dat geloof in God een goed ding op zichzelf is. Misschien dat Wilson niet op deze tweede misvatting wil ingaan, maar om te beweren dat hij beter dan Dawkins weet wat Dawkins probeert te bereiken met zijn boek is toch wel sterk.

   Moge dit zijn zoals het is, de vier punten die Wilson als de moeite waard beschouwd om op in te gaan zijn deze: ontkenning van het bovennatuurlijke, logica, Heilige Schrift en onwaarschijnlijkheid. Ik zal ze elk kort behandelen.


ONTKENNING VAN HET BOVENNATUURLIJKE

   Wilson neemt stelling tegen het atheïstische wereldbeeld, en zegt dat onze aanname dat de natuurlijke wereld die wij met onze fysieke zintuigen waarnemen alles is wat er is, “eenvoudigweg geen ontwijfelbare status toegekend kan worden”. Hij gelooft in wonderen, zowel die in de Bijbel weergegeven worden, en die welke hij beweert te hebben waargenomen in zijn eigen kerk. Op één punt klinkt hij verbazend Cornwell-achtig als hij schrijft: “Het christelijke begrijpen van een wonder is als iets dat de schepping in staat stelt meer volledig zichzelf te zijn, de geschapen orde te herstellen en het van de gevolgen van zonde te verlossen.” Hopelijk heeft dat de kwestie voor ons allen verklaard.

Congregation 10

   Hij gaat verder met een opsomming van drie “wonderen” waarvan hij beweert binnen een maand persoonlijk getuige te zijn geweest: een genezen pols, een genezen schouder, en genezen gezichtsvermogen – allemaal in een oogwenk genezen, met getuigen, als resultaat van gebed. Misschien trap ik nu in de val van de cirkelredenering waarvan Wilson atheïsten beschuldigt, maar ik heb er geen probleem mee te zeggen dat ik absoluut niet geloof in deze beweerde wonderen. Niet dat ik hem van leugens verdenk; ik twijfel er geen moment aan dat hij overtuigd is van de geloofwaardigheid van zijn bewering. Maar nee, ik geloof niet dat wonderen gebeuren, en daarom geloof ik niet dat deze wonderen gebeurd zijn. Mijn interpretatie zou volkomen psychologisch zijn: we weten nu boven alle twijfel verheven dat de hersens een enorme rol spelen in de fysieke gezondheid van het lichaam; verandering aanbrengen in wat de hersens geloven over de staat van gezondheid is vaak voldoende om ziekte te verwekken of te genezen. Ik bezocht de website van Wilson’s kerk (King’s Church, Eastbourne) en, nadat ik bekomen was van het zien van een foto van hem, en me realiseerde dat hij niet ouder dan ongeveer 23 kan zijn (en dat verklaart veel), kon ik niet helpen een foto op te merken van de congregatie waarop ze allen in hysterische aanbidding met hun handen omhoog geheven staan. (Heb ik misschien alleen maar teveel David Robertson gelezen, of vinden anderen zichzelf ook onweerstaanbaar herinnerd aan het Nazi saluut als ze een menigte christenen zien met één arm diagonaal boven het hoofd geheven?) Mijn punt is dat deze foto een intense, emotionele atmosfeer suggereert, een atmosfeer waarin mensen actief verwachten dat genezing inderdaad zal plaatsvinden; in feite precies die atmosfeer waardoor het brein ervan overtuigd kan raken dat genezing heeft plaatsgevonden, waardoor dat vanzelfsprekend dan ook gebeurt. Of het nu de genezing was of het oorspronkelijke probleem – of beiden – die hun oorsprong in psychologie hadden doet nauwelijks ter zake.


SPECIAAL ONDERWERP: WONDEREN

   Dus waarom ben ik zo onvermurwbaar dat dit geen wonderen waren in de zin van Wilson? Wel, stel u eens voor dat zij dat wel waren. Dat zou betekenen dat God had ingegrepen om bepaalde individuen op hun verzoek te genezen. Dat zou betekenen dat hij in staat was mensen op verzoek te genezen. En naar we mogen aannemen zou hij dan in staat zijn mensen zonder zo’n verzoek ook te genezen. Dat zou dan onvermijdelijk weer betekenen dat in alle andere gevallen van nog meer bezeerde polsen, pijnlijke schouders of verminderd gezichtsvermogen in de wereld – problemen die pijn veroorzaken, de vrijheid van beweging aantasten, lijden veroorzaken, misschien depressies etc. – hij eenvoudig zou verkiezen om die niet te genezen; die aantasting van de levenskwaliteit van mensen te laten voortduren omdat hij zou verkiezen zijn genezende krachten niet uit te oefenen. Ieder mens die bij machte is lijden te verminderen of weg te nemen maar verkiest om dat niet te doen zou terecht beschuldigd worden van ongevoeligheid, gebrek aan menselijkheid, empathie zelfs. Zij zouden het soort persoon zijn waarmee u niet wilt omgaan. Hetzelfde moet van toepassing zijn op iedere god die zich op dezelfde manier gedraagt.

   En wat een triviale oorzaken van lijden heeft deze almachtige God gekozen om zijn macht aan te tonen, een pijnlijke pols, een stijve schouder, migraine. Zou er niemand zijn die stervend aan kanker is die voorrang gekregen kon hebben voor toegang tot deze genezende krachten? Geen kind dat op het punt staat wees te worden door aids? Geen paren die totaal verslagen worden door achtereenvolgende miskramen? Niemand die door brand ingesloten is en vergeefs bidt voor tijdige redding? Geen gemartelde gevangene kermend van pijn? Geen jong meisje gillend van ondraaglijke pijn als haar genitaliën afgesneden worden namens de god van haar ouders? Schaam je, Andrew Wilson – en schaam je voor je god met zijn feesttrucjes! 

   Bovendien, Wilson’s definitie van een wonder (als hiervoor gegeven) zou betekenen dat deze verwondingen of fouten ontstaan zouden zijn als resultaat van zonde (de erfzonde, nemen we aan, in plaats van de individuele zonde, hoewel hij niet specificeert). Ook hier weer is zo’n idee inherent weerzinwekkend en niet passend in enig systeem van gerechtigheid of moraliteit dat ieder fatsoenlijk menselijk wezen als zodanig zou erkennen.

   Een god die zich op deze grillige en ongevoelige wijze gedraagt zou uiterst verachtelijk zijn.


LOGICA

   Wilson wijdt niet minder dan twee pagina’s aan dit hoofdstuk! Daarin kondigt hij twee antwoorden aan op Dawkins’ argument dat God niet zowel alwetend als almachtig kan zijn omdat de twee elkaar wederzijds uitsluiten: ten eerste, dat logici zich dit al duizenden jaren bewust zijn (hij citeert de bijbelboeken Numeri en 1 Samuel om zijn punt te scoren). U zult, net als mij, voelen dat dit een nogal nodeloze inspanning is, daar het geen deel vormt van Dawkins’ argument dat dit bezwaar nieuw is.

   Wilson’s tweede antwoord is een citaat van C S Lewis (wie anders?), die zegt “Je kunt wonderen aan hem toeschrijven, maar nonsens niet.” Wilson schijnt te denken dat Lewis dit punt niet duidelijk genoeg maakt, want hij voegt daaraan toe: “Kan God dingen doen die logisch onmogelijk zijn? Nee. Kan hij dingen doen waarvan hij niet wist dat hij ze ging doen? Nee. Kan hij ophouden goed te zijn, of heilig, of glorieus? Nee. Maar om uit deze zaken af te leiden dat God niet almachtig is, of (nog idioter) dat God onmogelijk is, is het ontwikkelen van theologie op basis van een nogal dwaas en pedant begrip van het woord “almachtig”.

   Wel, zulke beweringen zijn mogelijk als je niets hebt om je beschrijving van een entiteit op te baseren; je bent vrij om woorden toe te voegen, woorden te verwijderen, de betekenis van woorden naar hartenlust te wijzigen. Laten we niet vergeten dat er geen theoloog bestaat, levend of dood, die ooit overtuigend aangetoond heeft dat God sowieso bestaat; toch weerhoudt dit hen er niet van om adjectief op adjectief op dit totaal onbewezen wezen te stapelen. Ze kunnen alles beweren waar ze zin in hebben – niemand kan bewijzen dat zij zich vergissen. Als zij verkiezen te geloven dat “almachtig” eigenlijk niet “almachtig” betekent, kan dit nooit aan de werkelijkheid getoetst worden. Dit is Alice through the Looking Glass taal, en Alice through the Looking Glas logica.


DE HEILIGE SCHRIFT

   Dit is Wilson’s langste hoofdstuk, hetgeen niet verrassend is, wetend wat we zover van hem te weten zijn gekomen. Hij geeft geen bibliografie, maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hij Lee Strobel onrecht doet door niet naar hem te refereren – dit hoofdstuk draagt heel duidelijk het stempel van Lee Strobel’s boek The Case for Christ over zich. Het enige punt dat Wilson duidelijk zelf maakt is zijn onenigheid met Dawkins’ (naar mijn mening) nogal genereuze toevoeging aan Lewis’ beroemde “gek, slecht of God” bewering over Jezus, bewerende dat als Jezus zich echt vergist zou hebben (als gesuggereerd door Dawkins), dat dan onder “gek” zou vallen. OK. Laat dat zo zijn.

   Wilson vervolgt met argumenten aan te voeren voor de historische betrouwbaarheid van de Evangeliën, waarbij hij er weinig ter zake doende op wijst dat de delen waarop Dawkins doelt om de onbetrouwbaarheid aan het licht te stellen, toch al niet de basis vormen van veel huidige christelijke preken. Hierbij wordt het feit over het hoofd gezien dat als delen van de Evangeliën niet betrouwbaar zijn, de betrouwbaarheid van de nog minder geloofwaardige verhalen onvermijdelijk ondermijnd wordt; vraag dat maar eens aan een advocaat die ooit de geloofwaardigheid van een getuige onderuitgehaald heeft om vrijspraak voor zijn cliënt te bereiken.

   Wilson ziet het Nieuwe Testament als steun voor een geloof in God “omdat a) het een compilatie is van 27 afzonderlijke documenten door verscheidene auteurs uit de eerste eeuw van het christelijke geloof, die zowel argumenteren voor, als afhankelijk zijn van, het historische feit van Jezus’ wederopstanding, en b) deze documenten de verschillende manieren tonen waarop de vroege discipelen leerden te aanvaarden wat er gebeurd was, met inbegrip van hun geleidelijke realisatie dat Jezus God zelf was.”

   Wel, als we het aan zichzelf refereren moeten accepteren als onaantastbaar bewijs, dan moeten we ook accepteren dat de Koran bewijs is dat Mohammed Gods laatste en volmaakte boodschapper is.

   Wilson is van oordeel dat zijn pleidooi voor de letterlijke waarheid van de wederopstanding versterkt wordt door het feit dat “we geen documenten hebben die het tegendeel beweren” –- hetgeen een nogal verleidelijk beeld oproept van de Jeruzalem Times die op de voorpagina de vetgedrukte kop draagt: “Gekruisigde man blijft dood” en een krantenverkoper die opgewonden roept: “Laatste nieuws!”

   Verder vindt hij dat de ontdekking van de Dode Zee boekrollen in 1947 Dawkins’ argument ontkracht dat de bijbelboeken die we tegenwoordig hebben inaccurate kopieën zijn van de originelen, en daarom niet betrouwbaar zijn. Wat Wilson nalaat te bevestigen echter, is het tientallen jaren lange tijdsverschil tussen de beweerde gebeurtenissen en het zelfs maar opschrijven daarvan. De aller-vroegste van Paulus’ brieven kan niet minder dan twintig jaar na de beweerde gebeurtenissen geschreven zijn, en mogelijk zelfs later. Dit is meer dan lang genoeg voor mondelinge overlevering om het verhaal onherkenbaar te verminken en voor het gerucht van wederopstanding post te doen vatten in de geesten van lichtgelovige lieden. Paulus heeft Jezus nooit ontmoet. (Nee, Andrew Wilson, een beweerde bovennatuurlijke ontmoeting die meer geloofwaardig uitgelegd kan worden als een epileptische aanval telt niet.) Daarom is zelfs de vroegste weergave in het Nieuwe Testament niet gebaseerd op eigen ondervinding van de gebeurtenissen die weergegeven worden als gebeurd zijnde tijdens het leven van Jezus.

   Dan volgen verscheidene pagina’s van Courtier's Reply waarop ik niet in zal gaan, culminerend in de nogal buitengewone bewering dat “het historisch bewijs, zowel in de Bijbel als daarbuiten, wijst naar het feit dat Jezus opstond uit de dood.” Ik kan haast niet wachten om het bewijs van buiten de Bijbel te horen, maar ongelukkigerwijs moet ik dat toch, want Wilson vergeet het toe te voegen.

   Lee Strobel is weer helemaal aanwezig bij de behandeling van de lege graftombe (blijkbaar is er “maar één plausibele verklaring voor de lege graftombe, laat staan voor de talloze wederopstanding verschijningen waar we van weten. En dat betekent dat de wederopstanding werkelijk gebeurd is”) en de schijnbaar onverklaarbare bereidheid van de discipelen om vervolgd, gemarteld en vermoord te worden voor het uitdragen van iets waarvan ze wisten dat het niet waar was.

   Wat het eerste punt betreft moet Wilson zich wellicht eens proberen te herinneren wat plausibel ook alweer betekent; wat het tweede betreft, hier bederft psychologie het verhaal weer. We weten niet dat de wederopstanding plaatsvond, en we weten niet dat na de wederopstanding verschijningen plaatsvonden. We weten alleen dat het Nieuwe Testament beweert dat die plaatsvonden. Natuurlijk is de kans dat die werkelijk gebeurden zeer minuscuul, om niet te zeggen onbestaanbaar. Maar hoe moeilijk zou het zijn voor een ontvankelijk en hysterisch jong persoon – of het nu één van de verscheidene vrouwen was die in de Evangeliën genoemd worden als de eersten die de herrezen Jezus ontmoette of één van de discipelen – zich te verbeelden, in hun koortsachtige, neerslachtige conditie, dat deze man wiens charisma hun leven zo gedomineerd had in de afgelopen drie jaren, die zo’n onwereldse indruk op ze had gemaakt, die ze ervan overtuigd had dat hij inderdaad de Messias was – hoe moeilijk zou het voor een menselijke geest zijn die op deze wijze voorbereid was, om zich te verbeelden dat hij of zij de wederopgestane Jezus had gezien? En dan die boodschap over te brengen naar de geloofsgenoten, wiens geesten op de zelfde wijze voorbereid waren?


088

...HIER STAAT IN HET GOEDE BOEK DAT JEZUS DE DOOD OVERWON... ©www.bandoli.no


   De hersenen zijn een invloedrijk orgaan, zoals we al gezien hebben, en die zouden er geen moeite mee hebben zichzelf van de waarheid te overtuigen van het beeld dat het zelf gecreëerd had. Bedenk ook dat in de antieke wereld wederopstanding een soort cliché was voor de aanduiding van helden en andere bijzondere mensen – en hun indruk van Jezus was inderdaad heel bijzonder. Vergeet ook niet dat de verhalen over de ontdekking van de lege graftombe, en Jezus’ verschijningen aan zijn discipelen na zijn dood voor tientallen jaren niet opgeschreven werden; meer dan genoeg tijd voor ze om een leven op zichzelf te gaan leiden. 

   Dit is pure speculatie natuurlijk – maar we zijn zelf getuige geweest (te vaak met tragische gevolgen) van het effect van een charismatische leider op zijn al te goedgelovige volgelingen. De Andrew Wilsons en David Robertsons van deze wereld zullen geen moment van hun stuk gebracht worden door deze suggestie, maar ze kunnen niet beweren dat de wederopstanding de enig mogelijke, of zelfs de meest plausibele verklaring is voor de gebeurtenissen die op de kruisiging volgden. 


ONWAARSCHIJNLIJKHEID

    Er staat zeer weinig in dit laatste hoofdstuk dat niet al eerder behandeld is in de bespreking van David Robertsons boek, dus zal ik deze argumenten hier niet herhalen.

   Wilson is duidelijk niet een fan van evolutie (dat zal niemand verrassen) en doet zijn best om argumenten tegen natuurlijke selectie te vinden in een sectie getiteld “Onherleidbare complexiteit en de illusie van ontwerp”, maar het is duidelijk dat hij voor zijn argumenten hier een creationistisch leerboek of website geplunderd heeft, want gretig verklaart hij de bombardeerkever als zijn “persoonlijk favoriete” voorbeeld van complexiteit dat niet gemakkelijk binnen Darwin’s uitleg past. In aanmerking nemend dat geen van de andere hier besproken boeken dit onderwerp benadert, zal ik Wilson’s voetnoot volledig citeren:

   “De bombardeerkever heeft een zeer ongebruikelijk verdedigingsmechanisme. Hij heeft buisjes in zijn staart waarin twee verschillende chemicaliën zijn geborgen, en wanneer deze chemicaliën vermengd worden, veroorzaken die een explosie. Hij heeft ook een derde substantie, een stof die voorkomt dat een explosie plaatsvindt voordat voordat de chemicaliën een ruimte achterin binnengaan; op dit punt wordt een enzym toegevoegd en vindt een explosie plaats die een 100°C straal uit zijn achterste afvuurt op zijn vijanden, en zichzelf zo ongeveer een meter voortstuwt. Het is niet duidelijk hoe natuurlijke selectie, waarvan vereist is dat iedere stap een verbetering moet zijn, ooit een bombardeerkever kon produceren die zichzelf niet ogenblikkelijk opgeblazen zou hebben.”

   Grappig genoeg refereert Wilson twee voetnoten verder aan één van Dawkins’ andere boeken, The Blind Watchmaker. Jammer dat hij het niet gelezen had ook, want als hij dat gedaan zou hebben zou hij het volgende hebben gevonden, in antwoord op een iets meer gedetailleerde versie dan de hierboven vermelde van hemzelf: 

   “De verklaring dat ‘deze twee chemicaliën, wanneer samengebracht, letterlijk exploderen’ is eenvoudig niet waar, hoewel die regelmatig worden herhaald door de hele creationistische literatuur heen…. Het is waar dat [de bombardeerkever] een kokend heet mengsel van waterstofperoxide en hydroquinone naar vijanden spuit. Maar waterstofperoxide en hydroquinone reageren niet heftig op elkaar tenzij een katalyst wordt toegevoegd. Dat is wat de bombardeerkever doet. Wat de evolutionaire voorlopers van dit systeem betreft, zowel waterstof peroxide als verscheidene soorten quinonen worden voor andere doelen in de lichaamschemie gebruikt. De voorouders van de bombardeerkever pasten eenvoudig de chemicaliën toe die al voorhanden waren voor een ander doel. Dat is vaak hoe evolutie werkt.”

   Wilson’s laatste aanval is op het antropische principe en kosmologische onwaarschijnlijkheid. Hij doet nog een aanval op Dawkins’ volharding dat een scheppende god geëvolueerd moet zijn vanuit iets dat minder complex is, jammerende dat God eeuwig is en daarom vrijgesteld van dit argument. Hij vervolgt met een demonstratie van zijn minder verfijnde greep op het antropische principe, om daarna te wijzen op de “astronomisch onwaarschijnlijke” kans dat het leven bij toeval ontstond, en te beweren dat Dawkins op een of andere manier probeert het uitzicht te vertroebelen om op die manier de betekenis en/of mate van die onwaarschijnlijkheid bewust te kleineren.

   Een korte blik op de betreffende hoofdstukken van Gam zal aantonen dat, verre van het kleineren van de betreffende onwaarschijnlijkheden, Dawkins daar juist de aandacht op vestigt, zeggend dat de onwaarschijnlijkheid van het ontstaan van leven “een uitermate onwaarschijnlijke gebeurtenis is geweest, vele ordes van grootte onwaarschijnlijker dan de meeste mensen beseffen”. Wilson citeert verscheidene statistieken om aan te tonen dat die onwaarschijnlijkheid zelfs groter is dan Dawkins suggereert – maar ongelukkigerwijze noemt hij geen referenties, en zoals we al gezien hebben bij het voorbeeld van de bombardeerkever raakt hij nogal opgewonden in de nabijheid van creationistische argumenten.

   Eigenlijk maakt dat echter niets uit; want Dawkins stelt dat, onverschillig hoe onwaarschijnlijk het ook is, leven maar eenmalig hoefde te ontstaan. En dit in een universum dat, zoals we gezien hebben, veel uitgebreider en ouder is dan we kunnen bevatten. Wilson’s spottende keuze van beschrijving als “astronomisch onwaarschijnlijk” is onbedoeld toch passend; want we hebben hier inderdaad te maken met astronomische schalen, betreffende de ruimte en tijd die beschikbaar waren om leven te voorschijn doen komen. De kansen dat iets buitensporig onwaarschijnlijks gebeurt in een gebied van pakweg 1000 vierkante kilometer binnen een tijdperk van laten we zeggen 100 jaar, zijn enorm veel geringer dan de kans dat iets buitensporig onwaarschijnlijks plaatsvindt in een gebied zo groot als ons universum en binnen een tijdperk van 14 miljard jaar. Het is begrijpelijk dat het menselijk brein moet worstelen om dit te bevatten – maar wat duidelijker en duidelijker wordt met iedere nieuwe ontdekking is dat het verwerpen van inzichten in de wetenschap van kosmologie – op basis van menselijke ideeën van logica – zeer bekrompen en kleinzielig is.

   In zijn Conclusie is Wilson het oneens met Robertson, en zegt hij dat Gam “stimulerend, goed geschreven, amusant en strijdlustig” is, en “het waard is serieus genomen te worden”. Hier geen vermaning aan de lezer om niet de moeite te nemen het zelf te lezen! Na een korte herhaling van zijn belangrijkste argumenten, en de opwekking aan christenen om “de intellectuele strijd te strijden” en “redelijke argumenten” aan te voeren om atheïsten onderuit te halen (ik neem aan dat hij hier denkt aan zijn rationeel, intellectueel argument voor de wederopstanding?), suggereert hij dat Dawkins “een  raadsel blijft” en ondanks zijn blijkbaar vertrouwen in wetenschap om “de troost te bieden die nu door religie geboden wordt” en “zijn blijkbare frustratie over het idee van een oneindige God” – “hij nog steeds zoekend kan zijn”! De aanleiding tot dit nogal verrassende commentaar is een interview dat Richard gaf na de publicatie van Gam, waarin hij zei dat “[een bovennatuurlijke intelligente ontwerper] lijkt me een waardig idee. Weerlegbaar – maar niettemin groots genoeg om respectabel te zijn…. Als er een God bestaat, is hij heel veel groter en en heel veel meer ondoorgrondelijk dan alles dat enig theoloog of enige religie ooit heeft voortgebracht.”

   Vreemd genoeg ziet Wilson hierin een reden om te suggereren dat Dawkins heimelijk naar God zou kunnen verlangen, terwijl hij op de voorgaande pagina hem ervan beschuldigt “net zo fundamentalistisch als de religieuze fanatici die hij tracht te bestrijden” te zijn. Maar dan, een pagina is een lange tijd in christelijke apologie.


ALISTER MCGRATH MET JOANNA COLLICUTT MCGRATH, 

THE DAWKINS DELUSION? ATHEIST FUNDAMENTALISM AND THE DENIAL OF THE DIVINE

[Het Dawkins waanbeeld? Atheïstisch fundamentalisme en de ontkenning van het goddelijke] 

   Zoals ik al in mijn begin opmerkingen zei, had ik verwacht dat McGrath’s boek de zwaargewicht onder de vier zou zijn, het boek dat het meest waarschijnlijk was om diepzinnige en mogelijk uitdagende argumenten te bieden. Ik had het niet meer verkeerd kunnen hebben. Ondanks McGrath’s bewering in de inleiding dat zijn doel was “kritisch in te gaan op de argumenten die in Gam gepostuleerd worden” bevatten zijn 65 pagina’s (72 als men de introductie meetelt) niet één enkel positief argument om het christendom te verdedigen. Niet één. De lezer bereikt het eind met absoluut geen idee wat McGrath’s religie is – tenzij het zijn haat voor Richard Dawkins is. Het zijn, heel eenvoudig, 72 pagina’s van gemene, verwrongen, vervalste, voorspelbare ad hominem aanvallen door het hele boekje heen. U zult opgemerkt hebben dat alle vier boeken zulke elementen bevatten (hoewel dat van Wilson iets minder dan de anderen) en dat ze allen op hun eigen manier meer of minder mijn weerzin en woede opwekten. Dat van McGrath is ongetwijfeld het ergste, het meest schandelijke van allen. Om die reden kan ik het als zodanig niet bespreken – er is tenslotte geen enkel argument om op in te gaan. Ik zal simpel een aantal van zijn commentaren citeren, zodat u voor uzelf kunt zien tot welke diepte hij bereid is te gaan.

   Voordat we echter vertrekken op onze onvermijdelijk lelijke en onplezierige reis, wil ik het enige beetje plezier en vermaak die ik uit dit overigens wanhopig vervelende boekje kreeg met u delen: tegen de tijd dat we onderaan blz.2 beland zijn, heeft McGrath ons niet minder dan zes keer verteld dat hij vroeger atheïst was! Het staat op de achterkant, de titelpagina, drie keer in de inleiding van zeven pagina’s, en wanneer het voor de zesde keer verschijnt op bladzijde 2, beginnen we ons echt af te vragen waarom hij dat zo’n dwingend argument vindt. Misschien is het omdat dit het enige dat hij heeft is om hem overeind te houden door de rest van het boekje.

   Hier – tot stichting maar niet tot vermaak – zijn sommige citaten uit zijn tekst: 

   “[We] moeten diegenen die het niet met ons eens zijn over zulke kwesties met volledig intellectueel respect behandelen, in plaats van ze als leugenaars, schurken en charlatans weg te zetten.” (En waar doet Dawkins dat, mogen we ons afvragen?)

   “Terwijl Gould tenminste probeert het bewijs te evalueren, biedt Dawkins slechts de atheïstische equivalent van gladde hel-en-verdoemenis preken, waarbij turbo-retoriek en zeer selectieve manupilatie van feiten zorgvuldige, op feiten gegronde overwegingen vervangen.”

   “Er zijn veel pseudo-wetenschappelijke speculaties …”

   “Toen ik God als misvatting las, was ik zowel bedroefd als verontrust. Hoe, vroeg ik me af, kon zo’n begaafde populariseerder van de natuurwetenschappen, die vroeger zo gepassioneerd betrokken was met de objectieve analyse van bewijs, veranderen in zulk een agressieve anti-religieuze propagandist, met een klaarblijkelijke verachting voor bewijs dat niet in zijn straatje past? Waarom werden de natuurwetenschappen zo misbruikt in een poging atheïstisch fundamentalisme te bevorderen? (mijn nadruk)

   “Terwijl dit verbitterde boek met retorische passie en kracht geschreven is, maskeert de schelheid van zijn beweringen slechts de vermoeide, zwakke en steeds opnieuw gebruikte argumenten.”

   “God is een waanidee – een ‘psychotische delinquent’ uitgevonden door krankzinnige, misleide mensen. Dat is de slotconclusie van God als misvatting.”

   [Over religieus misbruik van kinderen:] “Na de belachelijk onjuiste voorstellingen van religie gelezen te hebben die zo’n treurigstemmend onderdeel van God als misleiding vormen, vrees ik heel erg dat secularisten alleen hun eigen dogma’s door de strot van dezelfde goedgelovige kinderen zullen duwen.”   

   “Ik wil niet onaardig zijn, maar deze hele benadering klinkt heel oncomfortabel als de anti-religieuze programma’s die in het onderwijs van Sovjet kinderen gebouwd werden gedurende de 1950s…”

   “Er bestaat inderdaad een noodzaak voor de gemeenschap om na te denken over hoe het zijn kinderen onderwijst. Maar er kan geen enkele reden voor bestaan om ze Dawkins’ favoriete dogma’s en vervormingen op te dringen.”

   “God als misvatting, meer nog door zijn tekortkomingen dan door zijn prestaties, versterkt de noodzaak voor topkwaliteit religieus onderwijs in het publieke domein, om tegenwicht te bieden aan de primitieve karikaturen, vooringenomen vooroordelen en pertinent onjuiste voorstellingen die nu op agressieve wijze uitgevent worden door het atheïstische fundamentalisme.”

   “Een van de meest karakteristieke onderdelen van Dawkins’ anti-religieuze polemiek is zijn weergave van het pathologische als normaal zijnde, van de randverschijnselen alsof die de kern vormen, van zonderlingen als zouden die in de meerderheid zijn. In het algemeen werkt dat goed voor zijn beoogd gehoor, waarvan aangenomen mag worden dat die weinig van religie afweten, en dat zelfs nog minder kan schelen. Maar het is niet aanvaardbaar. En het is zeker niet wetenschappelijk.”

   “Het is weer één van die vervelende voorbeelden van de eindeloos uitgekauwde en verouderde argumenten die zo karakteristiek zijn geworden voor het atheïsme van de laatste jaren.”

   “Zijn ongerijmde behandeling van Luther toont aan hoe Dawkins zelfs het voorwendsel van rigoureuze – op bewijzen gebaseerde – geleerdheid laat varen."

   “In zijn boek gooit Dawkins de conventies van academische geleerdheid overboord; hij wil een propagandastuk schrijven, en beschouwt dientengevolge de accurate weergave van religie als een ongemakkelijk beletsel voor zijn belangrijkste agenda, zijnde de intellectuele en culturele vernietiging van religie. Het is een onaangename eigenschap die hij deelt met andere fundamentalisten.”

   “Er bestaat bijvoorbeeld geen bezwaar tegen te geloven dat Darwin’s evolutietheorie momenteel de beste verklaring biedt voor het beschikbaar bewijs; maar dat betekent nog niet dat die correct is.”

   “Deze rammelende potpourri is armzalig opgebouwd, waardoor het moeilijk is zijn basis argument te volgen…”

   “…..Dawkins’ schreeuwerige en simplistische argumenten….”

   Hier moet ik er op wijzen dat we nu nog maar pas pagina 9 van dit onbeschaamd slechte boek bereikt hebben. Ik wou dat ik kon zeggen dat het beter wordt naarmate McGrath beter op dreef komt, maar het gaat gewoon in hetzelfde stramien door in het hele boek. Ik heb dit boek in bed gelezen – het nam maar ongeveer een uur om het door te komen; maar daarna lag ik, ziedend van woede en verontwaardiging, wakker tot vijf uur in de ochtend! En niet, moet ik daar snel aan toevoegen voordat sommige christenen proberen hiervan in hun eigen denkwereld een beeld te vormen, omdat ik afkeur dat Gam aan kritiek en uidaging onderworpen wordt, maar omdat McGrath’s pogingen daartoe resulteren in niets meer dan het uitstorten van zelfingenomen, zelfbevredigend venijn.

   En, sprekend over zelfingenomenheid, een verdere broodnodige aanleiding voor vrolijkheid wordt geboden door McGrath’s blije zelfverheerlijkende toon; schrijvend over een door hem gegeven lezing zegt hij: “De lezing was niet bijzonder opmerkelijk. Ik had eenvoudig aangetoond, door rigoureuze toepassing van wetenschappelijke, historische en filofische argumenten, dat Dawkins’ intellectuele zaak tegen God geen kritisch onderzoek kon doorstaan.” Even verder schrijft hij: “Ik was streng en heel behoorlijk kritisch over dit pseudo-wetenschappelijk idee in Dawkins’ God…”, waarbij hij de woorden “al zeg ik het zelf” laat echoën in de geest van de lezer, ook al staan ze niet op de pagina. In de sectie “Voor verder lezen” achterin, beveelt McGrath slechts één boek over christelijk geloof aan, het als volgt beschrijvend: “Het meest wijd gebruikte tekstboek over christelijke theologie, waarin uiteengezet wordt wat christenen geloven en waarom, duidelijk en onpartijdig, is Alister E. McGrath, Christian Theology: An Introduction….”!

   Nogmaals het boek doorspeurende, kwam ik bij toeval op nog een voorbeeld van McGrath’s verachtelijke drogredeneringen: “[Dawkins] stelt keihard dat hijzelf, als een goede atheïst, nooit een vliegtuig tegen een wolkenkrabber zou vliegen, of een afschuwelijke daad van geweld of onderdrukking zou plegen. Goed voor hem. Ik ook niet. Toch zijn er mensen in allebei onze kringen die dat wel zouden doen.” Ja, humanisten worden vanzelfsprekend over de hele wereld gevreesd voor hun neiging om massamoorden te plegen uit naam van verdraagzaamheid en menselijk welzijn.

   Net als Wilson schroomt McGrath niet om te suggereren dat Dawkins wel eens “een atheïst zou kunnen zijn die van zijn geloof dreigt te vallen”. En net als Robinson wordt duidelijk uit wat hij schrijft dat McGrath zich goed bewust is dat veel van zijn lezers christenen zullen zijn die Gam niet gelezen hebben – waardoor zijn verdraaiing van de inhoud nog schandelijker wordt.

   Dit is een waarlijk verachtelijk boek en een misdadige verspilling van papier, inkt en tijd. Het is nog slechter zelfs dan dat van John Cornwell – de enige betekenisvolle prestatie waarop dit boek zich kan beroemen.

    Had ik u trouwens al verteld dat McGrath vroeger een atheïst was?


BIBLIOGRAFIE

Baggini, J., "Atheism: A Very Short Introduction", Oxford University Press, 2003 

Cornwell, J., "Darwin's Angel: An Angelic Riposte to The God Delusion", Profile Books, 2007 

Dawkins, R., "The God Delusion", Bantam Press

Harris, S., "The End of Faith: Religion, Terror and the Future of Reason", The Free Press, 2005 

Hawking, S., "A Brief History of Time: From the Big Bang to Black Holes", Bantam Books, 1988 

Hitchens, C., "God is Not Great: The Case against Religion", Atlantic Books, 2007 

Robertson, D., "The Dawkins Letters: Challenging Atheist Myths", Christian Focus Publications, 2007 

Stenger, V. J., God: "The Failed Hypothesis. How Science Shows That God Does Not Exist", Prometheus Books, 2007 

McGrath, A. with Collicutt McGrath, J., "The Dawkins Delusion? Atheist fundamentalism and the denial of the divine", SPCK, 2007 

Wilson, A., "Deluded by Dawkins? A Christian Response to The God Delusion", Kingsway, 2007

_____

Bron: http://richarddawkins.net/articles/2285


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort