visitors on myspace
VLOOIENBETEN - 1 | POSITIEF ATHEÏSME <>

VLOOIENBETEN - 1

image7313

PAULA KIRBY







VOORWOORD VAN DE REDACTIE:    In 2006 verscheen "The God Delusion" door Richard Dawkins. Het boek werd onmiddellijk een  bestseller, waarvan er alleen al in de oorspronkelijke Engelstalige editie tot op heden (2008) niet minder dan anderhalf miljoen (!) exemplaren hun weg naar de lezers vonden. Ook wereldwijd was de belangstelling groot, wat verklaard kan worden door het grote maatschappelijk belang dat gediend wordt door het ter discussie stellen van nut en noodzaak van een helaas nog wijdverbreid bijgeloof uit het Bronzen Tijdperk. En als dit waanidee dan ook nog eens wetenschappelijk kritisch ontleed wordt door een vooraanstaand evolutiebioloog als Richard Dawkins, een wetenschapper die er al herhaaldelijk blijk van heeft gegeven als geen ander in staat te zijn de overweldigende schoonheid van de natuur - waarvan wij allen immers deel uitmaken - op begrijpelijk wijze aan ons uit te leggen, dan is succes verzekerd. "The God Delusion" werd sindsdien dan ook in 31 talen vertaald.

   De Nederlandse vertaling door Hans van Riemsdijk wordt onder de enigszins aangepaste titel "God als misvatting" door uitgeverij Nieuw Amsterdam gepubliceerd. In ons zoveel kleinere taalgebied werden volgens recente opgave door de uitgever tot nog toe ca. 25.000 exemplaren verkocht, een aanzienlijk succes voor een non-fictie werk,door een hier bij het publiek wat minder bekende auteur.

Tenslotte hebben zij jarenlang  op dit onderwerp gestudeerd, met het doel dit waanidee zo massaal mogelijk te kunnen verspreiden

   Het was te voorzien dat een dergelijk succes  tot navolging zou oproepen, hetzij geïnspireerd door ideële dan wel door commerciële motieven. Ook was te begrijpen dat degenen die hier aan het twijfelen worden gebracht aan alles dat zij hun leven lang voor onwrikbare waarheid hebben gehouden, hierop soms emotioneel en irrationeel zouden reageren. En ten tijde van het schrijven van onderstaand commentaar door Paula Kirby waren er dan ook al bijna dertig (!) boeken als reactie daarop verschenen. Over impact gesproken! Maar wat de leden van de  geestelijkheid — de beroepsgroep die zich tenslotte het meest in hun broodwinning aangetast moet voelen — zouden kunnen tegenwerpen, is veel interessanter. Tenslotte hebben zij jarenlang  op dit onderwerp gestudeerd, met het doel dit waanidee zo massaal mogelijk te kunnen verspreiden. Van hen  zouden we dus degelijk gefundeerde weerleggingen van al Dawkins argumenten kunnen verwachten. Als die beschikbaar zouden zijn ....

   Onder al die boeken die door Richard Dawkins teweeg gebracht waren, kwamen ook vier boeken door geestelijken voor (zie onder). Eén van hen was dominee David Robertson, die vanuit zijn hemelhoog verheven positie onder het pseudoniem 'WeeFlea' (Kleine vlo) ook al vaak schampere commentaren op de persoon van Richard Dawkins en het atheïsme in het algemeen geplaatst had, op het forum van de officiële van de Richard Dawkins website. Paula Kirby begint haar bespreking met het boek van deze David Robertson, om redenen die zijzelf in haar artikel overduidelijk maakt. En het is amusant te ontdekken dat de Eerwaarde zich niettemin daardoor zo gestreeld voelt, dat hij daarna aan zijn beminde gelovigen kon uitleggen dat zijn gelijk zelfs door een publicatie op de Richard Dawkins website  bevestigd werd. Maar dat zegt natuurlijk meer over zijn persoon dan over zijn werken. En stelt u zich nu eens voor hoe verguld hij zal zijn dat zijn naam nu ook al op de website Positief Atheïsme genoemd wordt. Ja David, ik zal het direct maar toegeven, je bent geweldig in je goddelijke waarheid!

   Aangezien dit een zeer uitvoerig artikel is geworden, wordt deze vertaling hier eerst beperkt tot het commentaar op dit boek, om later in een vervolgartikel de bespreking van de overige drie boeken te kunnen publiceren. We geven het woord aan Paula Kirby.


VLOOIENBETEN

   U zult ongetwijfeld de (toegegeven, niet bijzonder geestige) mop wel eens gehoord hebben dat er twee versies van "God als misvatting" bestaan: één daarvan is gematigd, redelijk en uiterst overtuigend en wordt alleen door atheïsten gekocht, en de andere is venijnig, agressief en beledigend en wordt uitsluitend door christenen gekocht. Het is duidelijk dat religie een gevoelig onderwerp is, en dat het geloof van de lezer (of diens gebrek daaraan) zijn of haar reacties op enig geschrift over dit onderwerp sterk zal beïnvloeden. Om die reden zal ik direct vanaf het begin al mijn kaarten op tafel leggen: ik ben een atheïst, een groot bewonderaar van Richard Dawkins’ boeken en een enthousiaste bijdrager aan zijn website wanneer ik daar tijd voor heb.

   De eerste van deze bekentenissen ging echter al vooraf aan de eerste keer dat ik "The God Delusion" heb gelezen. Toen ik dit boek voor het eerst las was ik nog nooit iets van Richard Dawkins tegengekomen, en had ik zelfs nog nooit van zijn website gehoord. Ik was al enige jaren eerder opgehouden christen te zijn, en had geen rekening met het christendom te vereffenen behalve het feit dat ik er niet meer in geloofde. Ik had gehoord dat "God als misvatting" (hierna kortheidshalve als Gam aan te duiden) een weerzinwekkend, fel vijandig boek was, en verwachtte eigenlijk het precies om die reden te zullen verafschuwen. En ik was zeker geen onvoorwaardelijk enthousiast lid van de Richard Dawkins fanclub, en ook bestond er niets in mijn overtuigingen dat me belet zou hebben de verschrikkingen van "God als misvatting" in te zien, als die er zouden zijn.

   Welke andere vooropgezette meningen hoor ik op tafel te leggen voordat ik mijn recensie begin? De afgelopen paar jaren heb ik een aanzienlijk deel van mijn tijd besteed in debat met christenen, en ik moet eerlijk toegeven dat ik zowel de inhoud als de stijl van hun argumenten hoogst vervreemdend vond, en als resultaat daarvan groeide mijn atheïsme aanzienlijk. Eén christen wiens gedrag zeer zeker binnen de categorie ‘vervreemdend’ valt is degene die zichzelf ‘Wee Flea’ (Kleine Vlo) noemt op de website van de Richard Dawkins Foundation – niemand anders dan de David Robertson die nu juist het boek blijkt te hebben geschreven die ik hier ga recenseren. Daarom is dit nog een vooropgezette mening die ik moet bekennen: het is eenvoudig niet mogelijk zijn boek The Dawkins Letters op dezelfde manier te benaderen als ik een door iemand anders geschreven boek zou benaderen, iemand over wie ik me nog geen voorafgaand oordeel zou hebben gevormd. Het zou noch mogelijk – noch naar mijn mening gewenst zijn, - enige bewering die hij zou kunnen maken over de superioriteit van de christelijke moraal of het kwaad waarin een niet-christen moet afglijden te beschouwen, zonder die af te wegen tegen wat we al weten over zijn eigen, klaarblijkelijk christelijk geïnspireerde gedrag tegenover mensen op die site.

   Nogal tot mijn verrassing vond ik "The Dawkins Letters" het beste van de vier boeken die als reactie op Gam werden geschreven. Niet omdat ik Robertsons argumenten overtuigend vond – want dat vond ik niet; noch omdat niet zowat bezwijkt onder het gewicht van de verdraaiingen van wat Dawkins werkelijk zegt in Gam – want dat doet het wel; noch omdat het de neerbuigende toon en persoonlijke vijandigheid vermijdt die twee metgezellen karakteriseren – want dat doet het niet. Maar het was klip en klaar het beste omdat het tenminste probeert uit te leggen wat Robertson gelooft, en van de vier schrijvers levert Robertson veruit het beste gevecht, hoewel – en dit zal niet als een verrassing komen voor degenen die hem kennen van zijn Wee Flea bijdragen op de Richard Dawkins  Foundation website – niet altijd het zuiverste.

   Robertson richt tien brieven aan Dawkins, waarvan ieder ogenschijnlijk het overeenkomende hoofdstuk in Gam betwist, en pakt daarbij ook een “atheïstische mythe” aan. Deze worden gevolgd door een elfde brief, aan de lezer, over het onderwerp: ‘Waarom geloven?’ Goede vraag: ik weet dat we allemaal branden van nieuwsgierigheid om het antwoord te horen, maar ik ga de pret niet nu al bederven door het te vroeg prijs te geven. Er is ook een introductiebrief aan de lezer, waarin hij beweert dat veel van de essays in "A Devil’s Chaplain" religieuze geloven aanvallen (dat doen ze niet) en dat Dawkins een beroep doet op de onwetendheid van mensen (eerder het omgekeerde, zou ik zo denken) en waarin – hiervan zult u genieten - hij zijn boek opdraagt “aan de glorie van God en in herinnering aan de vele miljoenen die hun leven verloren in de oorlogen en het onrecht van de zo mislukte atheïstische 20e eeuw.” Als u nu een idee begint te krijgen waarop hij veel van zijn argumenten zal baseren, dan heeft u gelijk.


BRIEF 1: DE MYTHE VAN HET HOGERE BEWUSTZIJN

   Volgens Robertson beweert Dawkins dat degenen die zijn meningen delen een hogere staat van bewustzijn hebben bereikt en daarom “in feite intelligenter, rationeler en eerlijker zijn dan andere menselijke wezens”. Beweert Dawkins dit werkelijk ergens in zijn boek? Ik denk van niet, maar laten we een sterk verhaal niet bederven door op pedante wijze te staan op nauwkeurigheid. Bovendien is er nog veel meer waar dit vandaan kwam: bijvoorbeeld: “men gaat niet in discussie met ‘fundamentalisten’ of die mensen die in openbaring of het bovennatuurlijke geloven.” In werkelijkheid heeft Dawkins gezegd niet in openbaar debat te gaan met creationisten – wat niet helemaal hetzelfde is.

   Robertson probeert al vroeg een analogie te creëren tussen Dawkins’ kritiek op religie en de manier waarop intellectuelen de Joden en het Judaïsme bekritiseerden in het Duitsland van de dertiger jaren (er wordt van ons verwacht dat we hieruit opmaken dat Dawkins’ kritiek op religie nu dezelfde sinistere consequenties zal hebben). Dit is een thema dat steeds weer opnieuw te voorschijn zal komen in deze boeken. Kort daarna echter, compenseert hij dit stukje paranoia met een vraag van verbijsterende naïviteit: “Weten de meeste mensen niet al lang dat het heel goed mogelijk is een religie te verlaten en daaruit geen consequenties van enige betekenis te ondervinden?” Hij geeft toe dat in de Islam zo’n daad problematisch zou zijn, maar drukt verbazing uit dat iemand zou kunnen denken dat dit voor christenen moeilijk zou zijn. Als Robertson hierin oprecht is, zou hij eens meer om zich heen moeten kijken.

   Maar al snel slaat paranoia weer toe: “Een christen te zijn,” stelt hij, “is meestal een struikelblok op het pad van iemands gekozen carrière, in tegenstelling tot het atheïst zijn." Dit wordt gevolgd door de bewering dat “De National Secular Society veel meer publieke aandacht krijgt dan de grote meerderheid van christelijke kerken” en de klaagzang dat evangelische christenen nooit de kans gegeven zou zijn om een weerwoord uit te zenden op de tv-serie van Dawkins, "The Root of All Evil?" Misschien is Robertson niet bekend met het saaie dagelijkse stukje God op het Radio 4 programma Today – het meest bekende nationale ochtendnieuws programma in de UK – of zelfs met het neerbuigende equivalent daarvan op het luchtiger Radio 2; wellicht is het hem ontgaan dat zodra er enige suggestie is van een ethisch aspect aan een nieuwsitem, het een geestelijke is – niet de NSS – wiens opinie hierop onmiddellijk gezocht wordt.

   De brief eindigt met een vluchtige referentie naar Niall Ferguson’s studie over de geschiedenis van de twintigste eeuw en zijn “oorverdovende aanklacht tegen het falen van secularisme en ‘wetenschap’ om vrede op aarde te brengen” (in effect slechts een herhaling van de aantijging dat atheïsme moet resulteren in Stalin en Hitler, en een onderwerp dat ik later meer uitgebreid zal behandelen) en een snelle reclame voor de waarheid die uiteindelijk in Jezus Christus wordt gevonden. Biedt hij enig bewijs voor deze bewering? Nee, natuurlijk niet.


BRIEF 2: DE MYTHE VAN SCHOONHEID ZONDER GOD

   Het zal niemand die Wee Flea op de RDF website in actie heeft gezien verbazen te ontdekken dat zijn brief begint met een aanval op het “vitriool” in sommige reacties op zijn eerste brief toen die daar geplaatst werd, en hij suggereert dat de mensen daarachter “excentriek en extreem zijn, en hard toe aan een vorm van therapie”. Hij gaat verder met de bewering dat de video’s van Dawkins’ rondreis door de USA overeenkomsten vertonen met de ‘revival’ evangelistische rallies op televisie, en dat die volledig door Dawkins beheerst worden, dat hij degenen bespot die het niet met hem eens zijn en weigert constructief met hen in discussie te gaan. Nog afgezien van het feit dat de video’s niets tonen dat hierop lijkt, is het gebrek aan zelfkennis dat Robertson hier toont heel onthutsend: bespotting van degenen die het niet met je eens zijn? Weigering om constructief in discussie te gaan? Doet dit u aan iemand denken?


SPECIAAL ONDERWERP: ATHEÏSME ALS GELOOF 

   Het noemen van evangelistische rallies maakt dit misschien een goede plaats om de kwestie van religieuze terminologie op te klaren. Of deze schrijvers kunnen zich echt niet inleven in het concept van een leven dat niet beheerst wordt door de structuur en naleving van het christelijke geloof, of ieder van hen denkt dat het hilarisch grappig en origineel is om de terminologie van religie toe te passen op Dawkins en atheïsten in het algemeen. Daarom wemelt het in deze boeken dan ook van frasen als “atheïstische geloofsbelijdenis”, “ketterij”, “discipel”, “geloof”, “atheïstische kerk”en – vanzelfsprekend – “fundamentalist”. Het is duidelijk dat deze kleine geestigheden eindeloze pret voor gelovigen opleveren en ze een constante bron van vermaak verschaffen, en misschien moeten we hen zo’n moment van vrolijkheid niet misgunnen; tenslotte, zoals we zullen zien, bestaat er weinig ruimte voor luchthartigheid voor zover het hun eigen geloof betreft.

   Hoe dit ook moge zijn, is het wel toepasselijk om atheïsme als geloof te bezien? Het is duidelijk dat deze schrijvers het zo zien op grond van het feit dat wij evenmin bewijs voor ons standpunt kunnen leveren als zij dat voor het hunne kunnen; dientengevolge hebben we iets anders nodig – vertrouwen – om ons geloof daarin te rechtvaardigen. Er is echter een groot verschil tussen de standpunten van atheïsten en theïsten hier, en de filosoof Julian Baggini zegt het zo treffend in zijn boek "Atheism: A Very Short Introduction", dat ik hem volledig zal citeren:

   “Alleen religieus geloof vereist vertrouwen omdat alleen religieus geloof het bestaan aan de orde stelt van entiteiten waarvoor we over geen goede bewijzen beschikken om te kunnen geloven dat ze bestaan. Het is een simpele vergissing te veronderstellen dat alleen omdat dat wat atheïsten geloven ook ‘onbewezen’ of ‘onzeker’ is, zij ook vertrouwen nodig hebben. Vertrouwen vult de kloof niet tussen redenen om te geloven en zeker bewijs. Het is eerder iets dat geloven moet ondersteunen die de gebruikelijke steun van bewijs of argument ontberen. En dat is waarom, zoals de traditionele religieuze teksten ons vertellen, vertrouwen niet zo gemakkelijk is als gewoon geloven. Of, zoals de atheïsten ons vertellen, waarom vertrouwen dwaas is.”

   Het zinvolle van begrippen zoals ‘ketterij’, ‘geloofsbelijdenis’ en dergelijke steunt duidelijk op het bestaan van een aantal leerstellige kernbegrippen die, om zo maar eens te zeggen, de ‘bepalingen en voorwaarden’ van een ideologie omschrijven. Het atheïsme kan zich niet op dergelijke kernbegrippen beroepen, niet in het minst omdat het geen heilig wezen heeft die ze ons kan voorschrijven en de onfeilbaarheid ervan kan garanderen. Het enige dat atheïsten verenigt is het ontbreken van een geloof in een god of goden. Niets in deze simpele verklaring wijst op de soort opgelegde orthodoxie die het spreken over ‘geloofsbelijdenissen’ of ‘ketterij’ ook maar enigszins toepasselijk zou kunnen maken.

   Maar wat het fundamentalisme betreft dan? Is atheïstisch fundamentalisme zelfs maar mogelijk? Alweer, nee, om de eenvoudige reden dat het atheïsme geen fundamenten heeft waarover het fundamentalistisch kan zijn, tenzij men het niet geloven in een god of goden als zodanig wil beschouwen, maar dat begrip is niets meer dan de definitie van een atheïst. Als we kunnen zeggen dat het hebben (of het niet hebben) van een geloof hetzelfde is als er fundamentalistisch over zijn, dan rest ons geen andere keus dan te zeggen dat alle christenen ook fundamentalisten zijn. En dat ontdoet deze term dan gelijk weer van alle betekenis.

   Het is zeker mogelijk om een dogmatische atheïst te zijn, dat wil zeggen een atheïst die de mogelijkheid uitsluit dat hij het verkeerd heeft, net zo goed als het mogelijk is dogmatisch over ieder ander onderwerp te zijn, van politiek tot de juiste uitspraak van ‘fenomenaal’. De meeste atheïsten die ik ken echter – hoewel ze ervan overtuigd zijn dat de huidige beschikbare bewijzen ze gelijk geven – staan open voor de mogelijkheid dat het verschijnen van nieuw bewijs dit standpunt zou kunnen wijzigen. Velen hebben zelfs actief geprobeerd religie te begrijpen of te geloven. Er bestaat geen reden om aan te nemen dat atheïsten in het algemeen meer dogmatisch zijn dan iemand anders in de gemeenschap.

   Ook is het mogelijk een vijandige atheïst te zijn, een atheïst die alles haat dat met religie te maken heeft en die het graag als iets uit het verleden zou willen zien, maar ook dat maakt op geen enkele manier automatisch deel uit van de definitie van een atheïst. Bovendien hoeft vijandigheid niet het verlangen naar gewelddadige onderdrukking te betekenen; te zeggen dat het waarschijnlijk is dat zulke mensen hun doel door geweld trachten te bereiken is net zo dwaas als te suggereren dat het waarschijnlijk is dat ik (die een hekel aan voetbal heeft) daarom met een mitrailleur op het publiek in Hampden Park zou kunnen gaan schieten.

   Robertson vervolgt dan met het in herinnering roepen van zijn mislukte poging tot atheïsme, waarbij hij het met Dawkins eens is dat de goden van religie “toch wat triviaal waren, vergeleken met de schoonheid en gratie (van de natuurlijke wereld)”, maar voegt daar dan aan toe: “En ik zal je eens wat vertellen. Dat zijn ze ook. Maar toch kon ik ze niet vervangen door mensen.”

   Ja, lees dat nog eens. Hij suggereert hier dat atheïsten ofwel mensen als goden zien, dan wel ze in goden zouden willen veranderen. Zulk denken vind ik buitengewoon, niet in het minst omdat het er zo fundamenteel naast zit over waar atheïsten voor staan, namelijk dat goden totaal niet in ons wereldbeeld voorkomen. Maar ook omdat het niet de atheïsten zijn die de mens als een uitzonderlijk deel van het universum zien, en het niet de atheïsten zijn die de mens zien als ‘het toppunt van de schepping’. Als de evolutie ons al iets leert, dan is het wel dat niet alleen alle soorten het product zijn van eeuwigheden van ontwikkeling, en dat er daarom niets uitzonderlijks is aan één daarvan, maar ook dat ze dus geen van allen permanent zijn. Geen reden voor enige voorkeur hier! Het zijn niet atheïsten die beweren dat ze de van God gekregen heerschappij over alle creaturen op aarde hebben! En dan nog – we zijn geen voorstanders van het vervangen van een god waarin we niet geloven. Waarom zouden we het nodig vinden iets te vervangen waarvan we geloven dat we het nooit gehad hebben? Is het denkbeeld van een leven zonder enig soort god werkelijk zo onmogelijk te bevatten voor een gelovige? Blijkbaar wel.

   Robertson beweert ook: “Men kan schoonheid of kwaad, schepping of mensheid, tijd of ruimte niet verklaren zonder God. Tenminste, men kan dat wel, maar volgens mij is de materialistische, atheïstische uitleg onbevredigend in emotioneel, spiritueel en vooral intellectueel opzicht.” Dus het is toch wel mogelijk om al deze dingen te verklaren zonder God – maar Robertson voelt zich gelukkiger met de religieuze uitleg. Nou goed dan, maar laten we niet voorwenden dat dit dan een ‘intellectueel bevredigend’ antwoord betekent.

   Om zijn standpunt te ondersteunen, biedt Robertson een citaat van Jonathan Edwards (“één van de grootste filosofische geesten die Amerika ooit voortgebracht heeft”, beweert hij, hoewel hij niet zegt in wiens opinie, en verzuimt te vermelden dat de filosofie van Edwards sterk beïnvloed werd door het feit dat hij een Calvinistische theoloog was):

   “Want aangezien God oneindig het Grootste Wezen is, is hij dus.… oneindig het schoonste en meest excellente. Al de schoonheid die door de hele schepping heen gevonden kan worden is slechts een weerspiegeling van de diffuse straling van dat Wezen, dat oneindig vervuld is van helderheid en glorie. God is de grondslag van schoonheid en glorie.”

   Alles dat Robertson met dit citaat bereikt is dat hij het vergrijp om zijn eigen mening als feit te presenteren nog verder vergroot door de opinie van een ander ook weer als feit te presenteren. Waarom is het toch dat religieuzen zo’n moeite hebben met het herkennen van een kale aanname zonder enig spoor van verifieerbaar bewijs? Wat is het toch dat ze zo bevredigend vinden in een bewering als deze? Waarom is het dat zij het verlangen niet delen om tegen Jonathan Edwards (en anderen als hem) te zeggen, “Dat klinkt allemaal erg mooi, maar hoe weet je dat? Waarop baseer je deze bewering?”

   Robertson houdt van opinies die zonder voorbehoud als feiten gepresenteerd worden en leeft zich in dit boek verscheidene malen hierin uit; schaamteloos verwijst hij naar Salomo als “de wijste man die ooit geleefd heeft” – wat nogal een boude bewering is; en hij aarzelt niet om "Gilead", door Marilynn Robinson, “de beste roman van de afgelopen eeuw” te verklaren. Wat? Beter dan "Ulysses"? Beter dan "Darkness at Noon"? Beter dan "Mrs. Dalloway"? Beter dan "Die Blechtrommel"? Beter dan "Midnight’s Children"? Beter dan "Empress of Blandings"? – wel, waarom zou ik niet mijn eigen pleidooi houden voor een persoonlijke favoriet, als Robertson dat ook kan? Ik denk waarachtig dat men een geestelijke moet zijn voordat men zich bevoegd kan voelen om zijn persoonlijke opinie op deze manier als onweerlegbaar feit te presenteren. Dit is niet een goedkoop argument; deze benadering komt steeds weer terug in alles dat Robertson en andere gelovigen over religie beweren. Het doet er aan toe wanneer opinie als feit wordt gepresenteerd.

   Robertson vervolgt dan met de mededeling dat hij er niet van overtuigd is dat het gevoel van verwondering dat Dawkins zo mooi omschrijft “slechts een product is van ons natuurlijke zijn en omgeving”, maar dat hadden we van hem ook niet verwacht, wel? Het soort wensdenken dat we eerder zagen komt schaamteloos opnieuw tevoorschijn als Robertson een scheikundige citeert die zegt dat ”gevoelens van liefde, haat, schoonheid, spiritualiteit en dergelijke uiteindelijk ‘slechts’ chemische reacties zijn”. Robertsons reactie hierop: “Dit lijkt mij een uitermate deprimerende, minimalistische opvatting van het universum en het menselijke leven.” Vreemd genoeg gaat hij – na de bewering dat het atheïstische standpunt deprimerend is – verder met de duidelijk tegenstrijdige bewering dat dit ook op wensdenken is gebaseerd. Onderhand gaat hij helemaal aan het gegeven voorbij dat onverschillig waardoor onze zintuiglijke ervaringen beïnvloed worden, de gevoelens die ze opwekken hetzelfde blijven. Of liefde nu een onafhankelijke kracht is die ons geschonken wordt, of dat het een keten van chemische reacties is, het gevoel verliefd te zijn blijft in gelijke mate bedwelmend. Als dit zo is, welke reden hebben we dan om de opvatting van de scheikundige als “uitermate deprimerend” te beschouwen?

   Typerende Robertson verdraaiingen volgen – van het soort waaraan we gewend zijn geraakt door zijn bijdragen aan het forum op de RDF website – als hij beweert dat Dawkins brieven van christenen citeert die Einstein’s gebrek aan religie laken, alleen maar zodat hij “kan laten blijken of beweren dat christenen hetzij onwetend dan wel vol intellectuele en morele lafheid’ zijn”, terwijl het echter uit Gam volkomen duidelijk is dat die geciteerd worden om de bewering door veel christenen dat Einstein zelf gelovig was te weerleggen. Opnieuw vraag ik mij af – hoe kan een eerlijk mens zich dit niet realiseren?

   De brief nadert zijn voltooiing met een ontkenning van Dawkins’ stelling dat religie op vertrouwen gebaseerd is, niet op kennis. Robertson wil graag het tegengestelde beweren: “Vertrouwen zonder kennis is blind en dom. Het Bijbelse vertrouwen is in een persoon. Als men niets over de persoon weet, kan men geen vertrouwen in hem hebben” – maar natuurlijk verzuimt hij te verklaren hoe iemand in de 21e eeuw kennis van de persoon in kwestie kan hebben zonder vertrouwen; op zijn minst vertrouwen in de juistheid en betrouwbaarheid van zeer oude teksten. Teksten waarvan men alleen kan vertrouwen dat ze deze kwaliteiten bezitten als men gelooft in het evenzeer op vertrouwen steunende idee dat ze door God geïnspireerd waren. En nog helemaal los daarvan, als men kennis heeft is vertrouwen overbodig, en grote delen van de brieven van Paulus verliezen dan totaal hun betekenis.

   Dan komt de gekwelde klaagzang van “Hoe zou u zich voelen als ik een paar van de meer belachelijke en domme commentaren van sommige atheïsten op uw website zou nemen en die als voorbeeld zou gebruiken van hoe atheïsme de hersens aantast? Het zou niet fair of eerlijk zijn.” Deze overweging, het dient gezegd te worden, heeft Robertson er niet van weerhouden precies dat te doen op de pagina naast het titelblad van zijn boek. In feite is die amusant om te lezen, maar wij kennen natuurlijk de context waarbinnen hij zulke reacties over zich afroept. Gegeven het feit dat hij zo veel van zijn tijd op deze site wijdt aan het sarren van atheïsten, lijkt het een beetje onoprecht om te klagen als we terug bijten. 

   Tot slot stelt hij christelijke beweringen zo “fantastisch bevrijdend” te vinden (waarvan dan, vraag ik me af?) en dat die “het best bij de feiten passen zoals ik ze zie”. Het zou onaardig zijn om naar zijn gezichtsvermogen te informeren, maar iets minder onaardig om naar bewijzen voor die stelling te vragen. Die worden echter niet gegeven.


BRIEF 3: DE MYTHE VAN ATHEÏSTISCHE RATIONALITEIT EN TOLERANTIE

   Robertson beweert dat de positie van Dawkins eerder filosofisch en religieus is dan wetenschappelijk, en dat atheïsten unfair circulair zijn wanneer ze bewijs voor Gods bestaan eisen, maar tegelijkertijd volhouden dat alleen materieel bewijs telt. Hij betoogt dat dit God reduceert tot het niveau van een chemische reactie en dat de atheïstische premisse – dat alles neerkomt op een chemische reactie – zelf een onbewijsbare aanname is. O ja, en laten we niet vergeten dat zo’n geloof “leidt tot de absurditeit van de mens als God”. 

   De “mens als God” nonsens hebben we hiervoor al behandeld. Die boze geest komt voort uit de religieuze manier van denken, niet de atheïstische. Maar de vraag over waaruit bewijs bestaat is een geldige – en niet zo onmogelijk te beantwoorden als Robertson graag wil denken. Er is geen noodzaak met een chemische formule voor God te komen. Christenen beweren dat God ingrijpt in de wereld; dat zijn aanwezigheid waarneembaar is in het universum, in de natuurwetten, in beantwoorde gebeden, in persoonlijke openbaring, in ons bewustzijn van goed en kwaad. Als deze beweringen waar zijn, dan bestaat er geen reden waarom ze niet getest kunnen worden en waarom Gods aanwezigheid en invloed op al deze zaken niet gevonden zou kunnen worden. En toch, zoals Victor Stenger er op wijst in zijn bewonderenswaardige boek "God: The Failed Hypothesis", kunnen al deze vragen verkend en onderzocht worden, en er bestaat eenvoudig geen bewijs dat erop zou kunnen duiden dat in enig geval bovennatuurlijk ingrijpen noodzakelijk of aanwezig is. 


SPECIAAL ONDERWERP:   WAT ATHEÏSTEN ALS BEWIJS VOOR HET BOVENNATUURLIJKE ZOUDEN ACCEPTEREN: 

   Dit zijn slechts een paar voorbeelden van fenomenen (ze zullen u bekend zijn als u Stenger’s boek gelezen heeft) die elke redelijk natuurlijke verklaring zouden kunnen weerspreken. Er zullen er nog veel meer zijn.

   1) Als van één bepaald type gebed overtuigend aangetoond kan worden dat het beter werkt dan een ander type gebed. Als bijvoorbeeld de uitwerking van gebeden door christenen consequent en duidelijk beter zou zijn dan van gebeden door moslims of heidenen, of van mensen die gewoon hun vingers gekruist houden. Of als enig soort gebed aantoonbaar consequent en duidelijk effect heeft. Of als door een enkel gebed iets werkelijk buitengewoons bereikt werd, iets dat op geen enkele andere manier uitgelegd kan worden; het wetenschappelijk gecontroleerde opnieuw aangroeien van een geamputeerd been bijvoorbeeld.

   2) Als er een nieuwe planeet zou verschijnen (als tegengesteld aan het voor de eerste maal waargenomen worden, bijvoorbeeld dankzij betere instrumenten) in ons zonnestelsel. Dit zou de wet van het behoud van energie tegenspreken en duidelijk een niet natuurlijke oorzaak hebben.

   3) Als bewijs zou verschijnen dat het universum in een hoge staat van orde moet zijn begonnen, die noodzakelerwijze van buitenaf zou zijn opgelegd.

   4) Als er een waarneembaar astronomisch fenomeen zou bestaan dat de toevoeging van een bovennatuurlijk element nodig zou hebben om verklaard te kunnen worden.

   5) Als bijvoorbeeld de Bijbel specifieke informatie over de wereld zou bevatten die voor de wetenschap onbekend was ten tijde van de “openbaring”, maar die later door observatie bevestigd werd. Als er succesvolle voorspellingen van specifieke gebeurtenissen in onze tijd in zouden staan waarvoor geen andere aanvaardbare uitleg mogelijk is (dus niet slechts vage verwijzingen naar lijden/kwaad/ ontreddering.)

   6) Als iemand na een religieuze ervaring daarna nieuwe, verifieerbare kennis zou hebben die op geen enkele andere wijze verkregen kon zijn. Niet de gebruikelijke babbel over hoe we elkaar moeten liefhebben en onze cholesterol in de gaten houden, maar iets specifieks – het voorbeeld dat Stenger geeft is van iemand die in de twintigste eeuw al precies zou weten dat op 26 december, 2004 een tsunami in de Indische Oceaan honderdduizenden mensen zou doden. We zouden zulke voorkennis niet anders kunnen verklaren dan door iets dat buiten de materiële wereld bestaat.

   Dus laten we niet voorwenden dat er niets is dat atheïsten als bewijs voor Gods bestaan zouden accepteren; dat is gewoon niet waar. Datgene dat we niet als bewijs willen accepteren is gewoon geen bewijs. Robertson schrijft zelf in deze brief: “Ik ga Mohammed niet als profeet accepteren alleen maar omdat er een religie is die me dat zegt”. Hij schrijft ook dat ondervinding “niet de bepalende factor kan zijn in het vaststellen van wat de objectieve waarheid is.” Wel, deze verklaringen ga ik niet bestrijden, hoewel ze geen licht werpen op de vraag waarom hij dan denkt dat het christendom zo vanzelfsprekend objectief waar is.

    Volgens Robertson is religie niet schuldig aan het bloedvergieten in Noord-Ierland, Bosnië en Irak. Dat is niet alleen aantoonbaar fout, het is ook tamelijk schrikwekkend; hij schijnt te lijden aan een totaal blinde vlek voor wat zijn eigen religie betreft, en eenvoudig het leed niet te kunnen zien (of niet te willen erkennen) waarvoor het (niet altijd, maar wel vaak) verantwoordelijk is. Ik kan alleen maar aanraden dat hij Christopher Hitchen’s God is Not Great eens leest, waaruit hij iets anders zal leren. Om alleen eens het voorbeeld van Bosnië te nemen, is het belachelijk net te doen alsof het allemaal om etniciteit ging in plaats van om religie; alsof het diende om dit punt te benadrukken, sloten orthodoxe vrijwilligers uit Griekenland en Rusland, die hiervoor geen ander motief dan religie hadden, zich soms aan bij de Servische orthodoxe troepen. Orthodoxe troepen droegen grote kruizen op hun munitiegordels, en katholieken plakten plaatjes van de Maagd Maria op hun geweerkolven. Religie was geen onschuldige aanwezige bij deze gebeurtenissen, en nog minder een kracht voor vrede.

   Robertsons opgewekte stemming verdwijnt echter prompt bij beschouwing van de consequenties van het atheïsme: “Het probleem is dat jullie spot, gecombineerd met atheïstisch fundamentalisme en de verbittering en onredelijkheid van sommige van jullie eigen aanhangers, tot vervolging en onverdraagzaamheid leidt.” Let op – er worden geen prijzen uitgeloofd voor het raden van welke historische figuren in de volgende zin de kop opsteken. Ja, het is (sic) de verschrikkelijke Drie-eenheid van het atheïsme: Stalin, Pol Pot en Hitler. “Het atheïstische seculiere fundamentalisme is volgens mij meer onverdraagzaam en dwingend dan vrijwel alle religieuze standpunten.” 

   (Ik zal deze zaak als een speciaal onderwerp behandelen als deel van mijn reactie op brief 9.)

   Deze bewering wordt door een andere gevolgd die, zover mogelijk, nog opmerkelijker is: “Ik hou het er op dat het Bijbelse christendom het meest verdraagzame en praktische wereldbeeld is dat bestaat.” Voor het geval u hierdoor niet geheel overtuigd wordt, baseert hij zijn bewering op het feit dat het christenen door God verboden wordt om geweld te gebruiken; dat het christendom openstaat voor alle kennis omdat “alle waarheid Gods waarheid” is; en dat christenen alle mensen respecteren omdat alle mensen naar Gods gelijkenis zijn gemaakt.

   Trouwens, hebt u wel eens aan christenen gevraagd wat ze eigenlijk bedoelen als ze zeggen dat de mens naar Gods gelijkenis is gemaakt? En nog belangrijker, hebt u daarop ooit een antwoord gekregen waaruit iets verstandigs viel op te maken? Het begrip ‘gelijkenis’ is inherent visueel, dus te zeggen dat we naar Gods gelijkenis zijn gemaakt betekent dat God een fysiek voorkomen moet hebben, wat duidelijk onzinnig is, en het is niet onredelijk dat christenen protesteren wanneer zij de indruk krijgen dat een atheïst ze er van beschuldigt te geloven in iets zo fysiek als een oude baardige man in de lucht. 

   Dus misschien wordt het woord ‘gelijkenis’ poëtisch gebruikt, en zijn dus niet onze fysieke kenmerken naar Gods gelijkenis, maar slechts onze emoties en intellect? Maar ook dat snijdt geen hout, want het idee van een god die deze naam waardig is en die zelf ook onderworpen zou zijn aan hetzelfde soort kleinzielige, onbeduidende emoties die zoveel van de menselijke ervaringen vervullen is gewoon dwaas; zijn gevoelens moeten toch zeker van veel grandiozere schaal zijn. Op dezelfde manier is menselijk intellect inderdaad nogal speciaal, schijnt het; toch komt het zeker niet in de buurt van wat nodig zou zijn om een universum te scheppen, de natuurwetten te ontwerpen, het ontelbaar grote aantal soorten leven te creëren en dan ook nog eens mee te luisteren met elk gesprek, ooggetuige te zijn van iedere daad, ingewijde te zijn van iedere onuitgesproken gedachte en dan nog steeds op te merken wanneer een veer van een mus ter aarde valt.

   Misschien is het dan onze capaciteit om goed te zijn die onze gelijkenis met God bepaalt? Maar dat kan het ook alweer niet zijn, volgens de christenen zelf; want niet alleen waren de oorspronkelijke mensen vóór de zondeval vatbaar voor verleiding (wat God zeker niet kan zijn) maar, zoals we zullen leren uit Robertsons argumenten verder op, sinds die zondeval zijn we verdorven en ontaard, en vervuld van het zaad van het kwaad. Niets van dit alles klinkt erg goddelijk.

   Hoe hij ook maar “naar Zijn beeld en gelijkenis” wil interpreteren, moet het me toch van het hart dat zijn argument dat dit ons van het respect van christenen verzekert, meer indruk op me zou maken als ik niet recentelijk Sam Harris’ weergave (in The End of Faith) van de Inquisitie gelezen zou hebben, over de afschuwelijke en demonisch inventieve martelingen en moord op ketters, ‘heksen’ en dergelijke, die allemaal gepleegd werden door kerkelijk ingezegende priesters. Naar de gelijkenis van God gemaakt te zijn blijkt toch geen garantie te zijn tegen door christenen bedreven barbarij. 


endoffaith

BRIEF 4: DE MYTHE VAN DE WREDE OUDTESTAMENTISCHE GOD

   “Als ik het Oude Testament lees vind ik daar een wonderbaarlijke God – een God van genade, rechtvaardigheid, schoonheid, heiligheid en liefde, een God die hartstochtelijk meeleeft met de armen, met zijn volk en zijn schepping”, schrijft Robertson. Deze uiterst opmerkelijke bewering bewijst op zijn minst één van twee dingen; hetzij het verbazingwekkende vermogen van christenen om alleen dat te zien wat ze willen zien, en totaal onbewust te blijven van datgene dat minder vertroostend en minder welgevallig is, of de net zo verbazingwekkende gave om de betekenis van woorden aan te passen aan de eigen behoeften. Of beide, natuurlijk.

   Ik zou geneigd zijn mijn bespreking van deze brief hierbij te laten – tenslotte bewijst Robertsons bewering zelf al dat die fout danwel blijk van uiterste zinsbegoocheling is, dus wat kan ik daar nog aan toevoegen? – ware het niet dat hij in deze brief zo’n buitengewoon solipsisme demonstreert dat ik die niet ongenoemd kan laten.

   Hij maakt bezwaar tegen Dawkins’ beginparagraaf in hoofdstuk 2 van Gam. U kent die wel: “De God van het Oude Testament is aantoonbaar het onaangenaamste karakter in alle fictie….” Robertson vindt dit beledigend: “u impliceert dat ik geloof in deze wrede, grillige en verdorven god.” Hij gaat verder, “als u mijn gezin aanvalt, mijn vrienden, mijn gemeenschap, ben ik beledigd omdat een deel van mijn identiteit nauw met hen betrokken is …. Mijn identiteit is ook betrokken met de God van de Bijbel en in het bijzonder Jezus Christus. Daarom, als u hem aanvalt, valt u mij aan. Dus ga mij alsjeblieft niet neerbuigend behandelen.”

   Als we de klinkklare onbeschaamdheid van Wee Flea zelf nota bene, die zich over neerbuigend gedrag beklaagt even terzijde laten, laten we dan tenminste één ding duidelijk maken: David Robertson, deze paragraaf gaat niet over u. Gam gaat niet over u. Het universum werd niet geschapen met u in gedachte. Natuurlijk is onze identiteit nauw verbonden met al onze keuzes, voorkeuren en overtuigingen. Al deze – de voetbalclub waarvan we fan zijn, onze favoriete componist, onze voorkeur voor een vakantiebestemming, of we suiker in onze koffie willen – vormen deel van wie we zijn. Toch zou het belachelijk zijn om te suggereren dat het niemand moet worden toegestaan om iets te schrijven dat in tegenspraak met onze voorkeuren is, uit angst dat dit ons zou kunnen beledigen; en het is precies zo belachelijk om te suggereren dat aan religie in dit opzicht een speciale status verleend moet worden. Als Robertson in zijn boek schrijft dat atheïsten een “diepgaand deprimerende” wereldbeschouwing hebben, zou ik dat bestrijden op basis van de realiteit, niet op de basis dat mijn identiteit nauw betrokken is met mijn atheïsme, en dat hij daarom beledigend en neerbuigend is.

   Toch gaat hij nog verder: “Misschien verdien ik die beledigende opmerkingen.” Nee, David. Alweer, het gaat niet over jou! Het gaat alleen over jouw God die jou in gedachten heeft iedere seconde van iedere minuut van ieder uur … Ik ben bang dat wij eenvoudige mensen nooit aan je denken vanaf je ene irritante bijdrage aan de RDF website tot aan je volgende.

   Een paar pagina’s verderop vinden we nog een voorbeeld van Wee Flea-achtige verdraaiing van woorden: “Ik vind het fascinerend dat u denkt dat er iets voor te zeggen valt om het Boeddhisme niet als een religie, maar als een ethiek of levensfilosofie te zien. Wilt u daarom de filosofie accepteren die zegt dat gehandicapte mensen op die manier geboren worden omdat ze in een vorig leven slecht waren en dat ze alleen maar hun karma krijgen?”

   Hoe komt hij op deze vraag, gebaseerd op wat Dawkins schreef? Waarom zou het behandelen van Boeddhisme als een ethiek of filosofie de aanvaarding of goedkeuring van zijn aanspraken inhouden – in het bijzonder van zijn bovennatuurlijke aanspraken? (En trouwens, hoe weerzinwekkend ik de Boeddhistische verklaring voor een handicap ook vind, hoe zou het meer weerzinwekkend kunnen zijn dan de notie dat het veroorzaakt wordt door van de duivel bezeten te zijn, of van goddelijke bestraffing, of – mogelijk nog walgelijker – een gelegenheid voor anderen om hun Christusachtige medeleven te tonen?

   Komende bij het argument dat geloof in een god vergelijkbaar is met geloof in een theepot in een omwentelingsbaan in het universum en andere duidelijk (maar niet aantoonbaar!) verzonnen fenomenen, vraagt Robertson, “Denkt u nu echt dat het bewijs voor de God van de Bijbel op hetzelfde niveau is als dat voor de tandenfee?” Hij voegt daaraan toe: “Als het enige bewijs dat voor Jezus Christus bestaat hetzelfde zou zijn als dat wat voor het Vliegende Spaghetti Monster bestaat, dan zouden ik en miljoenen anderen niet in hem geloven. Dus laten we ons verdiepen in het bewijs dat wij in stelling brengen, en niet met dat wat alleen uw vooronderstelling bevestigt – dat er geen God bestaat.” Toch vertelt iets mij dat David Robertson dit argument niet helemaal zo overtuigend zou vinden als het geuit zou worden – want dat zou kunnen – door een moslima ter verdediging van haar geloof in Mohammed als Gods laatste en perfecte profeet, of door een Hindoe ter verdediging van zijn geloof in Vishnu. 

   De laatste regels van zijn brief versterken het idee van wensdenken waarop Robertsons geloof steunt: “Ik leef in een universum dat door een persoonlijke God geschapen is, de God van genade, logica, rechtvaardigheid, waarheid, schoonheid en liefde – de God wiens doeleinden en bedoelingen goed zijn. U leeft in een universum dat uit het niets verscheen, nergens heengaat en niets betekent. Misschien wilt u ons in het volgende hoofdstuk een reden geven voor dit zielloze, koude en deprimerende geloof.”

   Wel, ik vind een universum zonder ultiem doel helemaal niet zielloos (behalve in de strikt letterlijke betekenis), koud of deprimerend, dus misschien moet David Robertson zijn vrees voor het betekenisloze niet op anderen projecteren. En het kan best zijn dat hij zijn versie van het universum meer geruststellend vindt – maar hij moet ons dan nog steeds bewijs leveren dat die de werkelijkheid weergeeft. 


BRIEF 5: DE MYTHE VAN HET WETENSCHAP VERSUS RELIGIE CONFLICT

   Robertson is niet de enige van de vier apologeten die Dawkins beschuldigt van een “verbazingwekkend slecht” begrip van de christelijke theologie: dit hebben ze allen met elkaar gemeen, en dit zal ik hier wat uitvoeriger behandelen. 


SPECIAAL ONDERWERP: DE BIJBEL

   We zijn allen bekend met PZ Myers’ geïnspireerde "Courtier’s Reply" op beschuldigingen van onvoldoend begrip van de Bijbel en theologie, maar het lijkt mij dat er ook nog een andere kant aan deze kwestie is, en dat is dat Dawkins en andere atheïsten bewust weigeren om de Bijbel anders dan letterlijk te nemen. In eerste instantie kan dit misschien als moedwillig bot voorkomen, maar in werkelijkheid betekent dit niets anders dan het ontnemen van de speciale behandeling die de gemeenschap altijd aan geloof gegund heeft. We zijn tegenwoordig gewoon niet langer bereid om het volgende te lezen: “Luister dan niet naar zo iemand en geef niet toe; wees onverbiddelijk, heb geen medelijden met hem en houd hem niet de hand boven het hoofd. U moet hem ter dood brengen; samen met uw volksgenoten moet u hem stenigen tot de dood erop volgt, en zelf moet u de eerste steen werpen. Dat is zijn straf, want hij heeft geprobeerd u te vervreemden van de HEER, uw God, die u uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd” (Deuteronomium 13:8-10), en dan voor te wenden dat dit betekent: “God is liefde, God is goed, God is moreel.”

   En precies zo, wanneer Dawkins stelt dat alwetendheid en almacht elkaar wederzijds uitsluiten (en daarmee verontwaardigd gekrijs en spot van Robertson in deze brief uitlokt), en hij eenvoudigweg weigert in te gaan op het soort woordspelletjes en muggenzifterij dat theologen in staat stelt te draaien en kronkelen en te beweren: “Ah, ja, wel, dat is niet wat almacht in deze context betekent.” Hoeveel theologen hebben zich niet nutteloos hiermee bezig gehouden, hoeveel bomen zijn er niet geveld om zulke drogredenen te produceren en te verspreiden? En waarom zou een boek dat zoveel riemen papier heeft gekost, zoveel onenigheid oproept en zoveel interpretatie vereist voordat het enige duidelijkheid verschaft, in hemelsnaam als het woord van God moeten worden beschouwd?

   Want als God hoeft men zijn woorden niet te laten interpreteren, te vertalen of op een andere manier begrijpelijk te laten maken door zelfs maar één tussenpersoon, laat staan door hele universitaire faculteiten van zulke lieden. Je bent God, in godsnaam – je bent perfect en alwetend en almachtig. Je bent dan in staat om een boek te scheppen dat de wereld zal doen oplichten door zijn goedheid en waarheid en onmiskenbare goddelijke inzicht. Een boek dat alle mensen ogenblikkelijk zal aanspreken, in welke tijd ze ook leven. Een boek dat onvermijdelijk de harten en geesten aanspreekt van allen die het openen – zelfs zonder ook maar enige kennis van theologie!

   Als het noodzakelijk is om de Bijbel op een bepaalde manier te lezen, door een bepaalde bril, met de bereidheid om aan woorden betekenissen toe te kennen van iets dat ze niet betekenen, en niet te betekenen wat ze wel betekenen; als het niet eerder lukt om de Bijbel niet aanstootgevend te maken, niet weerzinwekkend, niet betekenisloos, dan na jarenlange diepgaande theologische studie, dan kan uw goedgunstige, almachtige en alwetende God het niet als een belangrijke manier beschouwd hebben om zijn boodschap over te brengen. En in dat geval is moeilijk in te zien waarom “bewijs” dat daarop gebaseerd wordt, erg serieus hoort te worden genomen.

   Als we verder gaan komen we tot een interessant inzicht in Robertsons idee van schoonheid: “Ik twijfel er niet aan dat menselijke wezens die geen gelovigen zijn grote kunstwerken kunnen maken – maar dat is omdat zij Imago Dei zijn – geschapen naar het beeld van God.” – Een non sequitur dus, iets dat gebaseerd is op een onbewezen aanname. Gegeven zijn verlangen om Nazi kenmerken toe te schrijven aan atheïsten, verrast het me dat Robertson zich liet gaan in de volgende opmerking, omdat die de Nazi vervolging van ‘ontaarde kunst’ zo in herinnering brengt: “De lelijkheid van veel moderne kunst is dat het zijn contact verloren heeft met het goddelijke en het wonder van de schoonheid.”

   Lelijkheid, net als schoonheid, ligt in het oog van de beschouwer, maar toch verklaart Robertson vol vertrouwen niet alleen dat veel moderne kunst lelijk is, maar ook waarom dat het geval is. (Op dit punt is het de moeite waard onszelf er aan te herinneren dat het atheïsten, en niet christenen zijn die in deze boeken van arrogantie beschuldigd worden!) Nadat hij eerder verklaard heeft dat ervaring geen betrouwbare factor is in het bepalen van de objectieve waarheid, probeert Robertson die nu toch te benutten alsof dat wel het geval zou zijn, met een lijst van soorten van persoonlijke ervaringen die “ons op zijn minst naar God wijzen: een beantwoord gebed, een gevoel van Gods aanwezigheid (‘God is waarlijk onder u’), het ondergaan van het wonderbaarlijke, inzicht in de waarheden en waarheidsliefde van de Bijbel, en de ervaring vervuld te zijn van de Heilige Geest, om er maar een paar te noemen.” 

   Ervaringen die allemaal, helaas voor zijn argument, op een perfect natuurlijke wijze verklaard kunnen worden door de gecombineerde invloed van psychologie en waarschijnlijkheid.

   “Het historisch bewijs voor de beweringen die Jezus gedaan heeft is heel duidelijk. De Evangeliën tonen dat expliciet aan,” zegt Robertson, op deze wijze opnieuw aantonend niet helemaal te begrijpen wat onder het begrip historisch bewijs moet worden verstaan.

   Aangezien hij zijn thema over menselijk kwaad later verder ontwikkelt, zal ik mijn commentaar daarop voor later bewaren.


BRIEF 6: DE MYTHE VAN DE GECREËERDE GOD EN HET NIET GESCHAPEN UNIVERSUM 

   1) Waarom is er iets in plaats van niets? Waarom is er God in plaats van niets? Trouwens, waarom zou ‘niets’ een meer natuurlijke conditie zijn dan ‘iets’? In feite toont onze beste huidige kennis van natuurkunde en kosmologie aan dat ‘iets’ meer natuurlijk is dan ‘niets’. De natuur is in staat complexe structuren op te bouwen door processen van zelforganisatie, en dit is hoe eenvoud tot complexiteit leidt. Veel eenvoudige systemen van deeltjes zijn onstabiel, en ondergaan spontane overgangen naar meer complexe structuren van lagere energie. Aangezien ‘niets’ het allereenvoudigste is, kunnen we niet verwachten dat het erg stabiel is. Het zou waarschijnlijk een spontane fase overgang ondergaan naar iets dat gecompliceerder is, zoals een universum dat materie bevat. De overgang van niets naar iets is een natuurlijke, waarvoor geen tussenpersoon nodig is. Zoals de Nobelprijs winnende natuurkundige Frank Wilczek het heeft gesteld: “Het antwoord op de aloude vraag [Waarom is er iets in plaats van niets] zou dan zijn dat ‘niets’ onstabiel is.” Een leeg universum vereist bovennatuurlijke interventie – een gevuld universum niet. Alleen door doorlopend ingrijpen van een tussenpersoon buiten het universum, zoals een God, zou een conditie van ‘nietsheid’ verklaard kunnen worden.

   2) De oerknal moet door God veroorzaakt zijn – die kun je op geen andere manier verklaren. Dit zou een overtuigend argument kunnen zijn als aangetoond kon worden dat met de oerknal de wet van het behoud van energie was overtreden. Echter waarnemingen noch theorie tonen dit aan. De negatieve energie van de zwaartekracht in het universum heft precies de positieve energie van de materie in het universum op, wat betekent dat de totale hoeveelheid energie van het universum nul is. Daarom is voor het bestaan van materie en energie geen overtreding van de wet van behoud van energie nodig. En omdat dit zo is, bestaat er totaal geen grond voor de veronderstelling dat er enig bovennatuurlijk element betrokken zou zijn geweest bij de “schepping”.

   3) Chaos. Als het universum een begin zou hebben gehad (zoals een schepping), dan zou het in een staat van hoge orde begonnen moeten zijn, die noodzakelerwijze van buitenaf opgelegd zou zijn. Stenger toont aan dat onze beste huidige kosmologische kennis aangeeft dat op Planck tijd (d.w.z. 6,4 x 10-44 seconde na de oerknal) het universum “geen structuur of organisatie had, ontworpen of niet. Het verkeerde in een staat van chaos.”

   4) Er moet een oorzaak geweest zijn.... Hoewel de alledaagse ervaring ons leert dat er voor ieder gevolg een oorzaak moet zijn, is alledaagse ervaring niet een betrouwbare gids als we een uitleg zoeken voor de vreemdere aspecten van het universum. “In feite is waargenomen dat fysieke gebeurtenissen op atomisch en subatomisch niveau geen duidelijke oorzaak hebben. Wanneer een atoom bijvoorbeeld zakt van een verwekt energieniveau tot een lager niveau en een foton uitzendt, een deeltje licht, dan vinden we daar geen oorzaak voor. Op dezelfde wijze is geen oorzaak aanwijsbaar voor het verval van een radioactieve kern.”

   5) Waar komen de natuurwetten dan vandaan? De wiskundige formuleringen van modellen tonen aan dat, mits ze voldoen aan de eisen van objectiviteit en universaliteit, de meeste natuurkundige wetten op natuurlijke wijze verschijnen. De wetten die niet onmiddellijk duidelijk zijn, kunnen op aannemelijke wijze worden verklaard als ontstaan zijnde door het proces van “spontane verbreking van evenredigheid”. De meeste natuurkundige wetten zijn verklaringen door mensen, die volgen uit de evenredigheden van de leegte waaruit het universum spontaan is ontstaan. In plaats van door hogerhand opgelegd, zoals de Tien Geboden, zien ze er precies zo uit als ze er uit zouden moeten zien als ze niet ergens vandaan opgelegd zouden zijn.

   6) Maar de precieze ‘afstelling’ van het universum dan? Stenger beweert dat “veel van de voorbeelden van nauwkeurige afstelling die in de theologische literatuur gevonden worden, eenvoudig het gevolg van natuurkundig onbegrip zijn”, vaak gebaseerd op het feit dat de ogenschijnlijke nauwkeurigheden die genoemd worden, in werkelijkheid afhankelijk zijn van de grootte van de eenheden waarin gemeten wordt en helemaal niet inherent zijn aan de fysieke parameters.

   Er kan zich geen leven op planeten ontwikkelen als hun ster niet een lange levensduur heeft. Stenger toont aan dat de levensduur van een ster van drie parameters afhankelijk is; hij heeft ontdekt dat zelfs als deze parameters willekeurig met een factor 10 vergroot of verkleind worden, meer dan de helft van alle sterren zelfs dan nog een levensduur zou hebben die lang genoeg zou zijn om de ontwikkeling van leven op hun planeten mogelijk te maken. Dus is er geen sprake van nauwkeurige afstelling.

   Nog een andere onvolkomenheid in het argument van precieze afstelling is dat de onderzoekers hiervan vaak slechts een enkele parameter veranderen, waarbij wordt aangenomen dat alle anderen dan ongewijzigd blijven; ze gaan dus uit van de onjuiste veronderstelling dat de parameters onafhankelijk van elkaar zijn. 

   De volgende paragraaf van Stenger zal ik hier volledig weergeven:

   “De fysicus Anthony Aguire heeft onafhankelijk de universa onderzocht die het resultaat zijn wanneer zes kosmologische parameters simultaan gewijzigd worden in hun orde van grootte, en ontdekte dat hij kosmologiën kon construeren waarin ‘het ontstaan aannemelijk was van sterren, planeten, en intelligent leven.’ Fysicus Craig Hogan heeft ook een onafhankelijke analyse gemaakt die tot dezelfde conclusies leidt. En theoretische fysici van de Kyoto Universiteit in Japan hebben aangetoond dat de zware elementen die voor leven vereist zijn in zelfs de vroegste sterren aanwezig zullen zijn, onafhankelijk van wat de exacte parameters voor de formatie van de ster ook maar geweest zullen zijn.”

   “Voor de productie van koolstof, zuurstof, en de overige basiselementen van leven is geen fijn-afstelling noodzakelijk. Zij zijn in feite elementen die deel uitmaken van die welke het gemakkelijkst gevormd worden door gewone nucleaire reacties.” 

   Stenger vermeldt ook nog de resultaten van een experiment uit 1952 dat aantoonde dat de moleculaire ingrediënten van leven gemakkelijk te produceren zijn.

   7) Het universum moet een doel hebben, en dat doel is door God bepaald. Nu, als dat zo is, en als dat doel de mensheid zou zijn, dan heeft God wel erg veel ruimte verknoeid waar nooit een mens zal verschijnen. (Aangezien het universum expandeert, is het verst verwijderde waarneembare sterrenstelsel op dit moment ongeveer veertig miljard lichtjaren van ons verwijderd. Dat is heel veel ruimte.) Hij heeft ook heel veel tijd verknoeid: mensen hebben bestaan voor niet langer dan een honderdste deel van één procent van de bestaansgeschiedenis van de aarde. Niets van dit alles wijst er op dat mensen een bijzondere, geplande betekenis in het universum hebben.

    De wetenschap heeft zeker nog niet alle antwoorden gevonden. Maar hoe waarschijnlijk is het dat de moderne wetenschap – die steunt op een ontzagwekkende fundering van rigoureus beproefde kennis en geholpen wordt door een onovertroffen instrumentarium – daarin nog niet geslaagd is, terwijl antieke mythen dat wel zouden zijn? Hoe meer we over deze wereld en het universum leren kennen, hoe minder die lijken op het beeld dat de Bijbel ons hiervan schetst.

   Robertson weidt uitvoerig uit over de onwaarschijnlijkheid dat leven kon ontstaan in het universum – of dat het universum zelfs wel geschikt voor leven zou zijn. Maar, net zo als met de lijst van religieuze wetenschappers, kreeg ik weer de indruk dat dit de bedoeling had de indruk te wekken dat Dawkins geprobeerd zou hebben deze zaak te omzeilen in Gam – wat hij natuurlijk niet heeft gedaan. Deze verdenking van slinks gedrag door Robertson wordt op geen enkele wijze verminderd door zijn citaat uit Stephen Hawking’s "A Brief History of Time", op de volgende bladzijde: “Het zou heel moeilijk te verklaren zijn waarom het universum precies op deze manier begonnen zou zijn, behalve als de daad van een God die de intentie had wezens als ons te scheppen.”

   Tjonge, wat een overtuigend citaat! Als zelfs Stephen Hawking denkt dat het universum bewijs is voor een scheppende God, wie zijn wij dan – wie is zelfs Richard Dawkins nog – om bedenkingen te hebben? Dit moet toch zeker de doorslag geven voor iedereen met gezond verstand en enige bescheidenheid? Maar wacht eens. Wat is dit? Bekend zijnde met de manieren waarop Robertson woorden verdraait en betekenissen verwringt op de RDF website, vertrouwde ik er toch niet helemaal op dat Hawking hier getrouw werd weergegeven, dus spoorde ik het citaat in "A Brief History of Time" zelf maar eens op. Het staat daar inderdaad, als geciteerd. Maar, het wordt gevolgd door wijdlopige argumentatie die aangeeft dat het universum in feite niet begon op “precies deze manier”, zoals in dit citaat genoemd, en dat hij gelooft dat een “onbegrensd” model meer accuraat is – d.w.z. dat het universum helemaal geen begin had. In feite culmineert Hawking’s hele hoofdstuk in de woorden: “Zo lang het universum nog een begin had, konden we veronderstellen dat het een schepper had. Maar als het universum werkelijk totaal op zich zelf staat [zoals hij zelf net beargumenteerd heeft], dus geen limieten of randen heeft, zou het begin noch eind hebben; het zou er gewoon zijn. Welke behoefte is er dan nog aan een schepper?”

   Wel, misschien heeft Robertson hier gewoon een beetje pech gehad. "A Brief History of Time" heeft de dubieuze reputatie te zijn uitgeroepen tot de minst gelezen bestseller aller tijden, dus heeft hij waarschijnlijk gedacht dat hij Hawking’s mening zoals die daarin wordt uitgedrukt, wel kon verdraaien. Maar toch, dergelijk gedrag is moeilijk in overeenstemming te brengen met het Negende Gebod, of wel soms?

   Het andere hoofdargument in deze brief (en het verschijnt natuurlijk ook in de andere boeken) is dat Dawkins de aard van de christelijke God totaal verkeerd begrepen heeft, als hij de waarschijnlijkheid van diens bestaan in evolutionaire termen bespreekt. Iedereen die tot zover gelezen heeft is ongetwijfeld bekend met Dawkins’ argument: dat natuurlijke selectie boven alle twijfel verheven aantoont dat complexe levensvormen over enorme tijdsperioden evolueerden uit eenvoudigere vormen van leven; de God die door christenen voorgesteld wordt moet buitengewoon complex zijn en kan daarom niet altijd al in deze vorm bestaan hebben. In andere woorden: wie heeft de ontwerper dan ontworpen?

   Dit lokt gehuil van protest uit van alle apologeten die hier besproken worden. Robertson beweert dat het een vraag is die van een zesjarige verwacht kon worden (wat, nogal amusant, suggereert dat zelfs een zesjarige die overduidelijke tekortkoming ziet in de God zoals die door christenen voorgesteld wordt), voordat hij ons gaat vertellen dat de vraag zelf dom is omdat “God niet gemaakt is. God is de schepper, niet de schepping. God staat buiten tijd en ruimte. [….] God schept ex nihilo. Dat is wat hem God maakt. [….] Christenen en andere theïsten beweren niet dat God geschapen is. Dat is het hele punt. Hij is nergens vandaan gekomen. Hij is er altijd geweest. Hij is niet geëvolueerd, en hij is niet gemaakt. [….] We geloven niet in een geschapen God. We geloven in een niet geschapen bovennatuurlijke macht. Ik ben bang dat u niets weerlegt als u argumenten tegen het bestaan van een geschapen God aanvoert.”(Kunt u hem hier niet bijna horen hyperventileren?) 

   Ja David, we weten dat je gelooft in een niet geschapen bovennatuurlijke macht. Het punt is: ongeacht wat je gelooft, zo’n wezen is eenvoudig onmogelijk, en Dawkins’ argument legt uit waarom. Dit is gewoon niet hoe het universum werkt. Complexe dingen ontstaan niet gewoon vanzelf, ze evolueren. Het blijven roepen wat je gelooft, als ware het een mantra – het toverstaf argument – komt in de verste verte niet tegemoet aan de uitdaging die Dawkins hier stelt. De God waarin jullie geloven is eenvoudig onmogelijk. Dit zal jullie er niet van weerhouden in hem te geloven – maar het simpele feit van jullie geloof vormt geen enkel argument tegen de onmogelijkheid dat dit geloof op een reële basis gebaseerd is.


BRIEF 7: DE MYTHE VAN HET INHERENTE KWAAD IN RELIGIE

   Eigenlijk zou deze brief “De mythe van weldadig atheïsme” moeten worden genoemd, aangezien Robertson geen poging onderneemt religie te verdedigen tegen de beschuldigingen die er in Gam tegen geuit worden, maar eenvoudig probeert ze om te keren, om daarmee te beweren dat atheïsme tot nog erger leidt.

   Dawkins’ aanvallen op religie zijn volgens Robertson gevaarlijk, een aansporing tot geweld en onverdraagzaamheid: “Als u religie als een virus beschouwt, wat hoort dan met een virus gedaan te worden? Het moet verdelgd worden. (Is dat eigenlijk wel zo? Werden virussen dan ook niet door God geschapen? Zo niet, waar kwamen ze dan vandaan? Zomaar een ideetje.) En: “Als u in het openbaar religie als een kwaad en als een virus gaat beschrijven, moet u niet verbaasd zijn als er mensen zijn die uw woorden horen en in praktijk gaan brengen op een manier die u niet zou willen.”

   Sorry, David – geef me even de pagina referentie waarop Dawkins beweert dat religie per definitie kwaadaardig is, wil je? Ik bedoel maar, ik weet zeker dat je hem geen woorden in de mond hebt gelegd, of een opmerking uit zijn verband hebt gerukt – dat doe je toch niet, wel? Hoewel, wacht even, wat is dit nu: twee zinnen verder schrijf je: “Gooien atheïsten geen bommen, of stichten ze geen brand? Probeer dat maar eens te vertellen aan de leden van de 77 kerken in Noorwegen die afgebrand werden toen een paar overijverige jonge atheïsten het denkbeeld hadden opgenomen van hoe gevaarlijk en kwaadaardig religie was.”

   Nu moet worden toegegeven dat Robertson niet specifiek beweert dat deze brandstichtingen als reacties op Gam uitgevoerd werden, maar context is veelbetekenend zoals hijzelf nooit nalaat ons te verzekeren, en deze zin staat wel in dezelfde paragraaf als die waarin hij waarschuwt dat de campagne van Dawkins onbedoelde gevolgen zou kunnen hebben – dus op zijn minst heeft hij niet voldoende duidelijk gemaakt dat deze daden niet een gevolg waren van zijn boek. Ik had nog nooit van deze serie brandstichtingen gehoord, was ontzet, en ging dit onderzoeken. Ik ontdekte dat ze in feite niet door een groep seculiere humanisten gepleegd waren, die tot uitzinnigheid opgezweept waren door het ideaal van een voorkeur voor rationeel denken (zoals het boek probeert te bevorderen), maar door een groep aanhangers van een zeer onaangenaam klinkend muziekgenre, “Black Metal” genaamd. Dit omvat een ideologie die misantropie, heidendom, Satanisme en nationalisme omarmt, en een nogal morbide obsessie voor sterfelijkheid. Hoewel ze ongetwijfeld ook antichristelijk in hun thema’s zijn, kunnen we gevoegelijk aannemen dat we onder de lezers van Gam maar heel weinig van zulke mensen zullen aantreffen, of onder atheïsten in het algemeen. Te suggereren dat dit niet zo zou kunnen zijn, is niet alleen oneerlijk maar ook dwaas. Trouwens, voor wie het mag interesseren, deze golf van brandstichtingen tegen kerken in Noorwegen vond plaats tussen 1992 en 1996, een volle 10 tot 14 jaar vóór de publicatie van Gam.

   Nog steeds niet helemaal voldaan met alleen maar het vergelijken van atheïsten met Black Metal hooligans, herinnert Robertson ons er ook nog aan dat Bakoenin en Lenin beiden ook beweerden dat religie “een virus is dat uitgeroeid dient te worden – dat zij beiden het doden van gelovigen aanbevolen en uitvoerden als een sociale verplichting.”Is het niet bizar? Is Robertson werkelijk niet in staat het onderscheid te zien tussen lompe gewelddadige misdadigers, door een totalitaire ideologie gedreven tot een surrogaat religie die gebaseerd was op een welhaast ‘goddelijke’ leider, en een beweging die er naar streeft een wereld te creëren die gebaseerd is op seculiere, humanistische, rationele en democratische waarden? Ieder van deze vier adjectieven is belangrijk, en elk daarvan kenmerkt en vergroot de afstand tussen de doeleinden van de ‘nieuwe atheïstische beweging’ (veronderstellend dat zoiets zou bestaan) en die van de zelfverheerlijkende, inhumane, krankzinnige en ondemocratische monsters waarmee Robertson en andere theïsten ons zo wanhopig proberen te associëren.

   Zou ik graag een wereld willen zien die vrij is van religie? Natuurlijk zou ik dat graag willen, maar als dat nog tijdens mijn leven gebeurt, zal dat zijn omdat religieuze extremisten nucleaire wapens te pakken hebben gekregen en ons daarmee allemaal opgeblazen hebben als teken van toewijding aan hun versie van god, en niet omdat atheïsten amok gemaakt hebben en ze allemaal uitgeroeid hebben.

   Niemand heeft in de verste verte gewelddadigheid, onderdrukking of ‘uitroeiing’ gesuggereerd hier – Robertson neemt aan dat we ons aan dezelfde soort gruweldaden te buiten zullen gaan waaraan de kerk zich eeuwenlang te buiten ging, maar het hele punt in Dawkins’ argument van de morele tijdgeest is dat we nu verder zijn; het feit dat de Kerk heksen op de brandstapel doodde en afvalligen martelden in een wanhopige poging om denkbeelden te onderdrukken die ze niet goedkeurde, betekent nog niet dat wij, moreel gevorderde 21e eeuwse atheïsten, ons tot dezelfde methoden aangetrokken zullen voelen. Wij geven de voorkeur aan overreding door een boek boven overreding door een brandijzer; het argument van logica, ratio en wetenschap boven het argument van de pijnbank. Als religie volgelingen verliest in een seculiere maatschappij zal dat zijn omdat a) het niet meer aan kinderen wordt opgedrongen door de staat en b) omdat voormalige gelovigen hun geloof opgegeven hebben. Niet door geweld, niet door dwang, niet door onderdrukking, niet door uitroeiing (het is gênant dat zulke klinkklare nonsens nog moet worden weerlegd), maar door debat en uitleg.

   Er bestaat niet het geringste vooruitzicht van een seculiere, humanistische staat die religie verbiedt (of zelfs maar probeert te verbieden) – of die nu in het openbaar of privé beleden wordt – en om iets anders te suggereren (vooral op basis van de geschriften van Richard Dawkins, die zo duidelijk overkomt als iemand met een sociaal geweten en een enorm gevoel van humaniteit) getuigt van paranoia, dan wel van regelrechte en schandelijke oneerlijkheid.

   En nu we het dan toch daarover hebben, Robertson schrijft (als hij zijn gebruik van het woord ‘fundamentalist’ verdedigt om Dawkins te beschrijven), “U debatteert niet”. Ook hier weer is dat een bewering waarmee hij ongestraft weg zou kunnen komen, gegeven dat zijn boek meest waarschijnlijk alleen gelezen gaat worden door christenen die Gam niet zelf willen lezen, maar alleen willen weten hoe ze argumenten daartegen kunnen vinden. Maar diegenen onder ons die de video’s op de site van de RDF gezien hebben, of op YouTube, of de BBC website – of (hé, dat is een idee), die Gam werkelijk gelezen hebben, weten dat dit pertinent onwaar is. Hoe kan Robertson zo’n beschuldiging maken in een boek dat voorwendt een antwoord op Gam te zijn, als Gam zelf refereert aan gevallen waarin Dawkins deelneemt aan precies zulke debatten als die waarvan Robertson beweert dat hij die ontloopt? De sectie onder de kop “Intermezzo in Cambridge” (hoofdstuk 4) gaat helemaal over een conferentie die hij bezocht – en waarin hij één van de sprekers was, en debatteerde – die gesponsord was door de Templeton Foundation! Dus wat is dat voor nonsens over een weigering om te debatteren?

   Ik hoop dat u ondertussen enig idee begint te krijgen van het bewijs waarop Robertson vertrouwt voor zijn geloof. Helaas deel ik dat vertrouwen niet, en dat maakt het lastig voor mij als ik zijn bewering tegenkom: “U definieert religieus geloof als het geloven in iets waarvoor geen bewijs bestaat – een definitie die niets meer is dan uw verzinsel en die niets met het christendom te maken heeft. Mijn eigen vertrouwen is op bewijs gebaseerd. Het moment dat u dat bewijs kunt ontkrachten, zal ik van geloof veranderen.” 

   Nu is Dawkins’ definitie gewoon de gangbare mening. Mijn New Oxford Dictionary of English definieert religieus geloof als: “sterk geloof in de doctrines van een religie, eerder op spirituele aanvaarding dan op bewijs gebaseerd” – en nee, spirituele aanvaarding is geen bewijs omdat het volkomen subjectief is en dus niet getest kan worden, en bovendien aan psychologische fenomenen van natuurlijke oorsprong toegeschreven kan worden. Als het geloof van Robertson op bewijs gebaseerd is, dan is zijn vertrouwen overbodig. Het is voor mij niet nodig te vertrouwen dat mijn werkgever mijn salaris deze maand zal uitbetalen, als ik over bewijs beschik dat het geld al op mijn rekening staat. En het is een moedig aanbod dat hij van geloof zal veranderen als Dawkins zijn bewijzen kan ontkrachten, maar het is nog steeds niet duidelijk welke bewijzen hij dan heeft. Er is geen bewijs voor dat God het universum geschapen heeft. Er bestaat geen bewijs voor dat leven niet kon ontstaan zonder God. Er bestaat geen bewijs voor dat het doel van dit universum is om menselijk leven mogelijk te maken. Er bestaat geen bewijs voor een leven na dit leven. Er bestaat geen bewijs voor de Hof van Eden, voor een boom der kennis van goed en kwaad of voor sprekende slangen. Er bestaat geen bewijs voor Israëlieten dwalende door de woestijn. Er bestaat geen bewijs voor een maagdelijke geboorte. Er bestaat geen bewijs voor een Wederopstanding, of een lichamelijke Hemelvaart. Er bestaat geen bewijs voor een ziel. Er bestaat geen bewijs voor beantwoord gebed. Er bestaat geen bewijs voor een miraculeuze tijdelijke opheffing van de natuurwetten. Er bestaat geen bewijs voor dat de Bijbel geschreven of geïnspireerd werd door God. Er bestaat geen enkel bewijs voor God – tenzij men het warme en geborgen gevoel dat “er iets meer dan dit moet zijn” mee telt. En zelfs dat kan verklaard worden in termen van een geest die voldoende ver geëvolueerd is om zich te bezinnen over kwesties die met zijn eigen bestaan te maken hebben, en zich treurig bewust te zijn van zijn eigen sterfelijkheid.

   Het laatste argument in deze brief waar ik op in wil gaan is Robertsons bewering dat de verzwakking van het christendom in Europa ons kwetsbaar zou maken voor de Islam die haar plaats dan zou innemen: “Secularisme kan zich niet weren tegen de Islam – het heeft de spirituele, morele of intellectuele kracht niet om dat te doen. Als u het christendom kon vernietigen (wat uw doel is), zou er een spiritueel en moreel vacuüm in West-Europa achterblijven dat door hetzij een nieuw fascisme of de Islam gevuld zou worden.”

   De nonsens even terzijde latend dat geloof in een niet bestaande godheid onze spirituele, morele of intellectuele kracht zou vergroten (een bewering die niet bepaald bevestigd wordt door zorgvuldige observatie van onze religieuze broeders en zusters, moet gezegd worden), slaat dit argument de plank volkomen mis. In het hart van wat Dawkins verdedigt ligt een opbloei van onze kritische faculteiten, een verhoogde vasthoudendheid in onze eisen voor bewijs, in overtuigingen die uit de ratio stemmen, en de afwijzing van ideologieën die gebaseerd zijn op kale emoties, op het bovennatuurlijke en die onlogisch zijn. 

   Robertson schreef zijn boek voordat deze zomer een terroristische aanslag op Glasgow Airport verijdeld werd. Ik vraag me af of de reactie van bagage afhandelaar John Smeaton aanleiding voor hem geweest zou zijn om eens beter na te denken over zijn weidse bewering dat alleen het christendom flink genoeg is om weerstand aan de islam te bieden? Smeaton overmeesterde één van de terroristen om de eenvoudige reden dat “Je moet niet denken dat je dit soort dingen in Glasgow kunt uithalen, jongetje.” Vrijheidszin, toewijding aan de democratie, en een regelrecht gevoel voor goed en kwaad zoals die ons allen aangeboren zijn, voldoen om krachtige weerstand aan de militante islam te verzekeren. Hiervoor is geen god nodig, evenmin als voor iets anders. 


BRIEF 8: DE MYTHE VAN MORALITEIT ZONDER GOD

   David Robertson is het niet eens met de manier waarop Dawkins het universum beschrijft. Hij citeert uit "The Blind Watchmaker": “Het universum dat we waarnemen heeft precies die eigenschappen die we kunnen verwachten als er geen ontwerp, geen doel, geen goed of kwaad aan ten grondslag liggen, maar niets dan blinde, meedogenloze onverschilligheid” – maar dan verdraait hij deze beschrijving om te kunnen schrijven: “Dit is dan de atheïstische basis voor de moraal – geen rechtvaardigheid, geen redelijkheid, geen doel, geen kwaad, geen goed, slechts blinde, meedogenloze onverschilligheid.”

   Ziet u hoe hij met één reuzensprong van een meedogenloos onverschillig universum naar meedogenloos onverschillige atheïsten kan springen? En dit ondanks het feit dat hij al eerder Dawkins’ evolutionaire uitleg voor ‘goed’ gedrag aanvaard heeft, gedefinieerd in termen van altruïsme ten opzichte van wezens die onze genen delen en de sociale groep waartoe we behoren, en wiens opinie over ons zijn weerslag vindt in hun gedrag tegenover ons, etc.

   Dit soort moraal schiet ver te kort bij Robertsons hoge normen: “het lijkt als moraal niet veel voor te stellen. Het is nog primair gericht op "The Selfisch Gene". Het gaat over mij, mij en het mijne. Als christen geloof ik dat de Bijbel ons leert dat menselijke wezens fundamenteel zelfzuchtig en egocentrisch zijn – de Bijbel laat het daar echter niet bij. Er is iets beters. Christus kwam om dat egocentrisme dat u verheerlijkt als basis van moraal aan te pakken en ons ervan te bevrijden.”

    Hij demonstreert hier onbegrip op twee fronten: in de eerste plaats neemt hij aan dat atheïsten hun moraal uit het universum willen putten, op dezelfde manier als waarop christenen hun moraal bij God zoeken. Hij heeft geleerd de grondslag voor moraal buiten zichzelf te zoeken, en neemt ten onrechte aan dat atheïsten dat ook doen. Maar moraal komt niet van het universum (of van God), die komt vanuit mensen en het soort gedrag dat het mogelijk maakt in sociale groepen naast elkaar te bestaan, grotendeels met succes.

   Ten tweede heeft hij de aard van "The Selfish Gene" niet begrepen. Het is niet een gen voor zelfzuchtigheid, zoals we zouden kunnen spreken van een gen voor allergie voor noten, maar het bespreekt eenvoudig het feit dat genen zelfzuchtig datgene zoeken dat de beste kansen voor replicatie biedt, ongeacht andere consideraties. Daaruit volgt nog niet dat de mens die deze genen in zich draagt, daarom zelf ook zelfzuchtig moet zijn, of dat iemand die de ontwikkeling van ‘zelfzuchtige genen’ beschrijft, zelfzucht moet verheerlijken. Robertson wordt hier echt door zijn wereldbeeld gegijzeld: zijn geloof beperkt en saboteert zijn begrip.

   Robertson ergert zich over het gebrek aan begrippen zoals “vrije wil, keuze of verantwoordelijkheid” in op evolutie gebaseerde gezichtspunten over moraal, en ook over het gebrek aan absolutisme in zo’n moraal: “als niets absoluut is, bestaat er geen ultieme standaard waartegen geoordeeld kan worden. En als er geen ultieme standaard bestaat, resteert dat alles mag, de sterkste wint, of de grillen gelden van een veranderende of misleide gemeenschap.” De logische drogredenen van het zoeken naar de absolute moraal in God werd volledig behandeld in Gam, dus de kortste recapitulatie zal hier voldoen: kiest God wat goed is omdat het goed is, of is goed alleen maar goed omdat God het gekozen heeft? In het eerste geval is ‘goed’ duidelijk onafhankelijk van God; in het laatste geval, is het hele concept van ‘goed’ totaal arbitrair. Zoals Julian Baggini duidelijk maakt, zou God in dit geval marteling kunnen kiezen en het daarmee als ‘goed’ kunnen definiëren. Maar alles in ons komt in opstand tegen die notie: we weten dat marteling niet alleen verkeerd is omdat God het niet gekozen heeft. Waarmee aangetoond wordt dat we God niet nodig hebben om ons in staat te stellen goed van kwaad te onderscheiden. Nee, een normale, gezonde mate van empathie voor anderen, en het eenvoudige begrip dat hun welzijn ook mee telt is alles dat nodig is om met moraal te beginnen.

   Robertson beweert dat het christelijke standpunt van moraal het kwaad verklaart (het is “omdat mensen verknipt” zijn); het verklaart het universum (d.w.z. waarom mensen het gevoel hebben dat zij zich eigenlijk op een bepaalde manier moeten gedragen, maar dan toch weer iets anders doen); en het verklaart hem zelf (“Als ik naar de verschrikkingen van de Holocaust kijk overkomt me het meest vernederende en vreselijke gevoel te realiseren dat niet alleen de Nazi’s mensen waren, maar ik ook. Hetzelfde kwaad dat tot zulke vreselijke gevolgen leidde bij de Nazi’s was ook, tenminste in de kiem, bij mij aanwezig.”)

   Hij vervolgt met het nogal uitvoerig beschrijven van biologen, die gedreven door hun op wetenschap gebaseerd inzicht van de mensheid, maatregelen aanbevelen die de grote meerderheid van ons weerzinwekkend zou vinden. Over Bill Hamilton bijvoorbeeld, “waaraan u veel verschuldigd bent bij het schrijven van uw boek "The Selfish Gene" – en waarvan u stelde dat zijn teksten gepassioneerd en helder zijn, en van groot inzicht getuigen” beweert Robinson dat die heeft “gepleit voor een radicaal programma van kindermoord, eugenetiek en euthanasie teneinde de wereld te redden.” Ik weet niets over Bill Hamilton, dus zou hij wel of niet deze ideeën op deze manier uitgesproken kunnen hebben. Aan de andere kant weet ik hoe David Robertson de woorden van Stephen Hawking verdraaid heeft (zie hierboven), en geeft hij geen referentie voor zijn opmerking hier, dus waarschijnlijk moeten we die bewering niet al te serieus nemen. Maar zelfs als Bill Hamilton de aan hem toegeschreven opvattingen huldigt, welke relevantie heeft dat dan nog met God als misvatting, een boek dat het volkomen duidelijk maakt dat Richard Dawkins die opvattingen niet deelt? Waarom zou het met instemming citeren van één gebied van iemands werk moeten inhouden dat men alles van die persoon onvoorwaardelijk accepteert en goedkeurt? Newton hield er vreemde ideeën over de alchemie op na, maar dat betekent nog niet dat hij ons op andere gebieden niets kon leren.

   Ik denk echter dat Robertson het Bill Hamilton voorbeeld hier om een andere reden gebruikt: om te accentueren wat hij ziet als de onvermijdelijkheid van het menselijk afglijden in het kwaad, als we God de rug toekeren. Dit staat zo centraal in wat hij in deze brief stelt, en naar ik geloof in zijn hele geval, dat het de moeite waard is zijn slotparagraaf volledig te citeren:

   “Het christelijke idee van moraal is niet, zoals de meeste mensen veronderstellen, dat de Bijbel ons een stel wetten geeft waarnaar wij moeten leven. Echte christenen zijn geen moralisten die denken dat als we hier een beloning geven en daar een kleine straf opleggen, dat ‘nette’ mensen zich dan beter zullen gedragen, en op de een of andere manier hun weg naar de hemel zullen verdienen. We weten dat we niet door wettelijke voorschriften of religie de mens goed kunnen maken. Ware christenen realiseren zich dat wat de Bijbel ons leert is dat er een absolute moraal bestaat – vergeleken waarmee we allen tekort schieten. En geen enkele hoeveelheid religie, goede werken of vrome daden zal ooit volstaan om ons goed te maken. Dat is waar genade, behoudenis, het kruis en al de prachtige waarheden van God in Christus tot uitdrukking komen. Door Christus heeft God zich met de wereld verzoend. Dat is waarom het Evangelie goed nieuws is. Niet omdat het ons een stel wetten verschaft waarnaar wij moeten leven, of religieuze rituelen die we moeten uitoefenen, maar omdat het over het grootste probleem in de wereld gaat – het probleem van het menselijke hart. Het is om die reden dat ik ieder jaar plichtsgetrouw naar "Schindler’s List" kijk om mezelf er aan te herinneren waarom ik een predikant van het Christelijke Evangelie ben. Ik wil de Duisternis niet alleen uitleggen. Ik wil die verslaan.”

   Zoals Robertson het ziet, zijn mensen inherent tot het kwade geneigd. (Herinnert u zich zijn opmerking elders dat “mensen verknipt zijn”?) Volgens hem hebben wij allemaal de capaciteit om Nazi’s te zijn en de ergst mogelijke wandaden te plegen. En is het alleen het christendom dat ons kan redden van het ergste dat we kunnen worden. Het is misschien niet zo dat atheïsten onvermijdelijk en inherent slechter zouden zijn dan christenen – maar eigenlijk meer dat zonder Christus er niets is dat atheïsten weerhoudt van hun aangeboren kwaad, of ze kan redden van de eeuwigdurende gevolgen daarvan.En hij noemt Dawkins’ kijk op het universum deprimerend!

   Wat Robertson hier naar voren brengt is zo uiterst weerzinwekkend, zo inherent gemeen, zo vol verachting voor het mensdom en – bij extensie – voor zichzelf, dat het me oprecht verdriet doet. Het is niet nieuw natuurlijk – meer dan één van mijn evangelisch christelijke kennissen heeft me wel eens verteld dat ze een “miserabele zondaar” zijn. Maar hoe droevig is het om dat te geloven. Hoe droevig is het om het door de leerstellingen van je religie verboden te worden om een relativerende en objectieve evaluatie van jezelf te maken en zo eerlijk mogelijk te bepalen wat je sterke en zwakke punten zijn. En nog belangrijker, te accepteren wie je bent, hoe je bent, zonder iets van deze masochistische vrees voor wat er onder de oppervlakte verborgen mag liggen.

   Nog los van de tragedie van het zichzelf en de rest van de mensen (en zelfs de rest van het universum) te beschouwen door zo’n vreugdeloze bril, is het hele punt dat hij maakt ook nog zo’n onverteerbare nonsens. Laten we dit eens nader bekijken. 


BEWERING NUMMER 1 – HET CHRISTENDOM VERKLAART HET KWAAD

   Wel, het is nu niet bepaald een waterdichte verklaring, wel? Volgens het Genesis verhaal, was het de ongehoorzaamheid van Adam en Eva aan slechts één enkel verbod die tot al het kwaad in de wereld leidde: natuurrampen, pijn, ziekten, de vervolger en de vervolgde, zelfzucht, wreedheid, de dood, alles. Alles dat er oorzaak van was dat de mens moest lijden sinds die tijd kan worden toegeschreven aan deze ene daad van ongehoorzaamheid (op aanstichting van een sprekende slang, zoals we allemaal natuurlijk wel eens tegenkomen als we het gras gaan maaien). Het lijden dat daar het gevolg van was, was zo ernstig dat God zijn enige zoon stuurde om de straf die wij verdienden op zichzelf te nemen, namelijk de dood door kruisiging. Die zoon stond toen weer op uit de dood om aan te tonen hoe hij namens ons de dood had overwonnen, en om het eeuwige leven aan te bieden aan diegenen die in hem geloven, omdat ze zijn boetedoening voor onze zonden aanvaardden.

the-garden-of-eden

   Er is zoveel in deze beweerde “uitleg” dat eenvoudig kolder is. De aarde was een afkoelende planeet met onstabiele tektonische platen en een breekbare korst al heel lang voordat de mens verscheen. Dientengevolge moeten aardbevingen, vulkanen, tsunami’s en al de andere natuurrampen die zoveel verwoesting en vernietiging veroorzaken, plaatsvinden met of zonder Adam en Eva. Om die toe te schrijven aan zo’n dwaas verhaal toont categorisch aan dat dit slechts een antieke mythe is, verzonnen voordat mensen in staat waren zulke fenomenen met meer werkelijkheidszin te verklaren.

   Pijn is niet een kwaad op zichzelf, maar een krachtig overlevingsinstrument. De zeldzame mensen die geboren worden zonder de mogelijkheid pijn te voelen neigen ertoe niet lang te leven. Daar hebben we geen “Adam en Eva” verklaring voor nodig.

   Veel ziekten zijn het gevolg van microscopische organismen: bacteriën en virussen. Als God alles geschapen heeft, heeft hij ook die geschapen. Voor welk doel dan, als het alleen maar door de ongehoorzaamheid van Adam en Eva veroorzaakt werd dat ze op de wereld werden losgelaten?

   De menselijke oorsprong van deze mythe wordt opnieuw duidelijk in het idee dat een perfecte wereld er een zou zijn zonder dood. De dood is erg droevig, zoveel staat vast, maar zonder dood zou er geen plaats zijn voor nakomelingen, geen plaats voor voedsel, geen ruimte om in te bewegen, geen zuurstof om in te ademen. Dood is datgene dat leven mogelijk maakt. De dood behoeft geen uitleg – tenzij je natuurlijk eerst gesteld hebt dat er een liefdevolle scheppende god bestaat.

   Dan resten ons nog zaken als zelfzucht, wreedheid etc., maar het feit dat al die andere rampen die ons als gevolg van die sprekende slang toegeschoven worden, een duidelijke wetenschappelijke verklaring hebben die de zondeval naar het rijk der fabelen verwijst, hoort ons er op bedacht te maken dat de uitleg voor deze fenomenen ook in de wetenschap gezocht dient te worden, in plaats van in antieke mythen. En inderdaad, de vakgebieden van genetica en psychologie stellen ons daartoe zeer goed in staat.

   Maar laten we eens voor een moment de mythe op gezichtswaarde aanvaarden, en accepteren dat de gehele schepping onder de last van het lijden gebukt bleef gaan die door de ongehoorzaamheid van Adam en Eva veroorzaakt werd. Waarom zou God dat toegestaan hebben? Hij is alwetend, dus moet hij zich op het moment dat het gebeurde gerealiseerd hebben dat het kwaad nu onvermijdelijk verankerd lag in de wezens die hij geschapen had, en dus net zo lang zou voortduren als zijn schepping zou bestaan. Op dat moment had hij dus twee opties: hij kan achterover leunen en het ontstane lijden gadeslaan, terwijl hij mensen die slechte daden deden beschuldigde en bestrafte (hoewel dat nogal onrechtvaardig zou zijn, aangezien het immers niet hun fout was dat Adam en Eva deden wat zij deden, en hen daarmee ontvankelijk voor het kwaad maakten), voordat hij uiteindelijk toegaf en Jezus stuurde om onze bestraffing op zich te nemen, en alles weer goed te maken. Of, hij had zijn werk tot dan toe eenvoudig kunnen beginnen. Let wel – we hebben het hier over minder dan een week werk om alles in het universum te scheppen. Dit was dus de keuze: een week van hard werk, of duizenden en duizenden jaren van menselijk lijden, gevolgd door een verschrikkelijke marteling van zijn zoon. Waarom wiste hij niet alles uit en begon hij opnieuw?

   De Bijbel vertelt ons dat hij op een bepaald moment daar wel eens aan gedacht had – vandaar het zondvloed verhaal. Maar, volgens het hele idee van die oorspronkelijke zonde, kon dat natuurlijk ook nooit werken, toch? Als de erfzonde niets te maken heeft met onze eigen daden, maar alles met het kwaad dat Adam en Eva in de wereld gebracht hadden, hoe zou het dan kunnen helpen om iedereen te vernietigen behalve Noach, om door hem en zijn nageslacht de wereld opnieuw te bevolken? Het is toch duidelijk dat ook Noach belast was met de erfzonde, dus bleef de hele inspanning alsnog futiel. Het zijn nutteloze symboolpolitiek en pathetische halve maatregelen – en dit door een god die verondersteld wordt alwetend en almachtig te zijn. Het verhaal raakt kant noch wal. De enige rationele en humane keus zou geweest zijn om het vervallen universum in één klap uit zijn lijden te verlossen. Om daarna terug naar de tekentafel te gaan, en pas opnieuw te beginnen nadat was uitgewerkt hoe het beter zou kunnen.

   Maar nog los daarvan, als het de zondeval was die het kwaad en lijden in de wereld gebracht heeft, en het de dood van Jezus aan het kruis was die ons van de gevolgen daarvan bevrijd heeft, waarom is er dan nog steeds zoveel kwaad en lijden in de wereld? Waarom zijn er nog steeds aardbevingen? Waarom is er nog steeds lijden? Waarom begaan sommige mensen nog steeds misdaden? Goed, misschien redt het christendom ons wel van de gevolgen van onze zonden in het hiernamaals, maar wat doet het voor dit leven? Religieuzen zien dit leven – het enige, korte leven waarvan we zeker zijn – telkens weer als een wegwerp artikel, dat van secundair belang is vergeleken met de serieuze zaak van een totaal onbewezen en uiterst onwaarschijnlijk leven in het hiernamaals.

   Er is nog een verdere inconsequentie in Robertson's argument. Hij ziet atheïsme als onvermijdelijk leidend tot monsterlijk slechte daden, maar beweert dan dat christendom niet in de eerste plaats over moraal gaat en dat er geen redenen bestaan om aan te nemen dat christenen meer ethisch zullen handelen dan niet-christenen. Het is gewoon zo dat christenen een ‘U verlaat de gevangenis’ Monopolykaart hebben, omdat Jezus hun bestraffing op zich genomen heeft. Dus in feite zijn de enige begunstigden van het christendom de christenen zelf (maar dan pas na hun dood, natuurlijk), niet de menselijke gemeenschap als geheel. Het is daarom maar moeilijk in te zien waarom hij zich zorgen moet maken over een gemeenschap zonder christendom. Toch kennen we allemaal de klaagliederen van diegenen die beweren dat het verval van gemeenschappelijke waarden een afspiegeling is van de afname van religie. In feite wordt deze hele brief “De mythe van moraliteit zonder God” genoemd. Er lijkt hier een fundamentele tegenstrijdigheid te bestaan: leidt het christendom tot beter gedrag (Robertson schijnt te zeggen dat dit niet het geval is, maar houdt onderhand wel vol dat atheïsme tot slecht gedrag leidt) of is dit gewoon een uitweg uit het dilemma dat we de gevolgen van ons slechte gedrag onder ogen moeten zien?

   Als dat laatste het geval is, lijkt me dat een zeer dubieuze moraliteit. In feite is het hele concept van verzoening als benadering van de moraliteit verwerpelijk, een idee dat alleen kon zijn ontstaan uit het geloof in bloedoffers van primitieve stammen – dus de overdracht van onze schuld op een onschuldig wezen. Nog helemaal los van de onrechtvaardigheid van het op deze manier belasten en vermoorden van een onschuldige – zoals Christopher Hitchens overtuigend heeft aangetoond – zou dit op enige manier uitgelegd kunnen worden als ontheffing van de verantwoordelijkheid voor onze eigen daden? Iemand anders zou de straf voor mijn misdaad namens mij wel op zich kunnen nemen, maar de verantwoordelijkheid voor de misdaad rust dan nog steeds bij mij, en bij mij alleen.

   Robertson beweert dat de atheïstische verklaring voor goed en slecht gedrag de vrije wil, keuzemogelijkheid en eigen verantwoordelijkheid uitsluiten, en dat die verklaring ons gedrag deterministisch laat bepalen door onze genen en door evolutionaire krachten die totaal buiten onze invloed staan. Hoe kunnen we op die basis dan nog verantwoordelijk worden gehouden voor ons gedrag? 

   Maar ik zou willen beweren dat de absurde fixatie van het christendom op “de erfzonde” net zo deterministisch is: volgens deze bespottelijke filosofie zijn mensen inherent slecht, niet vanwege iets dat ze wel of niet gedaan hebben, maar door de erfenis van Adam en Eva. En door dat inherente kwaad – dat niet onze keuze was, niet het gevolg van ons gedrag, maar gewoon iets waar we mee geboren zijn – verdienen we te sterven. Meer dan dat (want sterven doen we allemaal), verdienen we het om daarna eeuwigdurend in de hel gemarteld te worden. Echter, dat ongelukkig lot wordt ons bespaard door de zelfopoffering van iemand anders die we nooit gekend hebben, en over wiens beslissing we geen invloed hadden. Dus, net als Izaäk, zijn we slechts veroordeeld en vrijgesproken op basis van handelingen waarop we geen enkele invloed hadden.

   Dit is dus wat er van onze vrije wil, keuze en eigen verantwoordelijkheid overblijft, die worden in deze visie gereduceerd tot de vrijheid om in deze absurde, nachtmerrieachtige nonsens te geloven of niet te geloven.

   Moraliteit? Ik denk het niet. 


BEWERING NR. 2 – HET VERKLAART HET UNIVERSUM

   Zoals Robertson die verklaring presenteert, is die niet veel meer dan een herhaling van bewering nr. 1, omdat die gebaseerd wordt op het argument van C.S. Lewis dat alleen het christendom de vraag kan beantwoorden waarom mensen een aangeboren instinct voor goed of kwaad hebben, en toch volharden in het kwade. Volgens Lewis en Robertson kan dit alleen door de erfzonde verklaard worden, wat hun pure onwetendheid toont; menselijke wezens hebben een natuurlijk gevoel voor goed en kwaad omdat ze sociale dieren zijn, die andere mensen om zich heen nodig hebben om te kunnen overleven. Maar fysieke en emotionele nabijheid maakt het noodzakelijk om bepaalde regels na te leven, anders konden onze gemeenschappen niet voortbestaan, en in het algemeen leven we deze regels ook na. In gevallen waar we dit niet doen, is dat omdat er een concurrerende aandrang is: om onszelf te verbeteren, zelfs als dit ten koste van anderen gaat. Dit vergt geen vergezochte uitleg, we zijn tenslotte eenvoudig dieren die van andere dieren afstammen en er bestaat geen enkele reden waarom juist aan ons een eenvoudiger manier vergund zou zijn om gelukkig en vreedzaam samen te leven. Het feit dat we niet volmaakt zijn vraagt geen bijzondere uitleg – perfectie maakt geen deel uit van ons universum. Het ontbreken daarvan vormt alleen maar een probleem voor diegenen die stellen dat er een volmaakte schepper bestaat.

   En dit is bedoeld om het universum te verklaren? De nietige kwestie van het menselijke gedrag zou de kern van het universum raken, haar mysteries ontrafelen en onze nieuwsgierigheid bevredigen? Ik denk van niet. Overpeinzing van het universum werpt veel meer, en veel interessantere en diepgaande vragen op dan waarom mensen doen zoals zij doen (die vraag kan tenslotte zoölogisch behandeld worden, op dezelfde manier als waarop ieder ander dierlijk gedrag bestudeerd en verklaard kan worden). Het klinkklare narcisme van het idee dat menselijk gedrag de sleutel is tot de mysteries van het universum is ronduit verbijsterend. 

   De volgende informatie komt uit Victor Stenger’s boek "God, the failing hypothesis".De ster die het dichtste bij de aarde staat (na de zon) is Proxima Centauri. Die staat 40.000.000.000.000 kilometer bij ons vandaan. Ons Melkwegstelsel omvat een geschat aantal van 200-400 miljard andere sterren, en het onze is er slechts maar één van de ongeveer 100 miljard melkwegstelsels in het zichtbare universum. Het dichtstbijzijnde melkwegstelsel is 2,44 miljoen lichtjaren van ons verwijderd. Het verste waargenomen melkwegstelsel tot nu toe is 13,2 miljard lichtjaren ver. Als het expanderende oerknal model correct is, en het universum inderdaad nog steeds groeit, is dit stelsel nu 40 miljard lichtjaren ver weg. De afstand die licht in een jaar aflegt is 9,45.000.000.000.000 kilometer, dus als we die afstand met 40.000.000.000 vermenigvuldigen, krijgen we de afmeting van het universum. Het is een groot getal.

   Stel u voor één moment eens de klinkklare, adembenemende idiotie voor – om van de arrogantie nog maar niet te spreken – van het denken dat al die miljarden en miljarden sterren en sterrenstelsels op enige manier verklaard kunnen worden door onze aanwezigheid op aarde!

   Als u denkt dat het christendom de antwoorden over het universum kan leveren, kan ik alleen maar aannemen dat u de verkeerde vragen stelt.


BEWERING NR. 3 – HET CHRISTENDOM VERKLAART ROBERTSON ZELF

   Robertson beweert dat het christendom hem verklaart en gebruikt zijn gevoel van identiek te zijn aan de Nazi’s om die bewering te steunen. En dit is nog een probleem met het gebrek aan nuancering in het christelijk begrip van kwaad en “zonde”. Omdat alles dat “tekortschiet aan de glorie van God” in gelijke mate zondig is en een eeuwigheid in de hel verdient, en omdat zelfs een gevoel van verleiding om “zonde” te plegen, een even groot falen geacht wordt als het werkelijk plegen van “zonde”, kan er geen gevoel voor verhoudingen bestaan – en daarom geen rechtvaardigheid. In dit perspectief zijn een persoon die in de verleiding komt om een pen van kantoor te stelen maar dit niet doet, en een persoon die Joden verbrandt uit naam van het nationaal-socialisme, beiden in gelijke mate schuldig.

   Opnieuw, waar we hier mee geconfronteerd worden is overduidelijk niet ethisch, niet moreel en niet nuttig; het is een obstakel tot een gezonde, morele samenleving, niet een snelweg daarheen. Om jezelf ervan te overtuigen dat je diep in zondigheid gedompeld bent, dat je “besmet” bent, dat je net zo kwaadaardig bent als de grootste machtsbeluste, genocidale psychopaat, is jezelf van krankzinnigheid overtuigen. Te geloven dat alleen het vertrouwen in een godheid je weerhoudt van de ergst voorstelbare misdaden – en dit te geloven in weerwil van het onloochenbare feit dat geloof in een godheid deze misdaden direct veroorzaakt heeft, keer op keer in het verloop van de menselijke geschiedenis – duidt er op dat men slachtoffer is van een tragische mate van zelfverachting.

   Er is geen goed in dit gezichtspunt: geen vrede, geen schoonheid, geen liefde, geen ruimhartigheid (voor jezelf of anderen), geen verdraagzaamheid, geen gezond verstand. Geen vreugde, geen optimisme, geen gevoel voor verhoudingen. En zeker geen gevoel voor moraal.


BRIEF 9: DE MYTHE VAN DE IMMORELE BIJBEL

   Alweer een brief die eist dat de Bijbel op een aparte manier gelezen moet worden, en niet gewoon zoals ieder ander boek. Ik heb dit gegeven al eerder behandeld, dus wil ik mezelf niet herhalen. Robertson schrijft: “Ik twijfel er niet aan dat Jezus letterlijk uit de dood is opgestaan. Het was niet symbolisch of zoiets, het was niet als poëzie geschreven maar als verifieerbare geschiedenis, en het is een feit dat verscheidene malen wordt herhaald.” Al eerder in deze bespreking had ik gelegenheid Robertsons begrip van het idee “historisch bewijs” in twijfel te trekken – nu zien we hem beweren dat de wederopstanding verifieerbare historie is. Hoe we dit kunnen verifiëren? Door de Bijbel te lezen, natuurlijk. Waar het buiten de Bijbel geverifieerd kan worden? Uh …. vraag eens iets anders?

   Ongetwijfeld herinneren we ons het hoofdstuk in Gam dat gaat over de veranderende morele tijdgeest, en de manier waarop het gegeven dat onze morele normen met de tijd veranderen wordt toegelicht aan de hand van tenenkrommende citaten van mensen die in hun tijd als verlichte geesten werden beschouwd, maar die van hun post ontheven zouden worden als ze nu zulke standpunten zouden uitdragen. Onze morele Eerwaarde verdraait de bedoeling waarmee Dawkins dit schreef, met de bewering dat hij bereid is Washington en Jefferson te verontschuldigen voor het houden van slaven 250 jaar geleden, maar die praktijk te veroordelen in het Oude Testament 2000 jaar geleden.

   Verder schrijft Robertson dat Dawkins “probeert de afschuwelijke verklaringen van zulke verlichte en liberale atheïsten als H.G. Wells en Thomas Huxley te verdedigen” en gaat verder: “Om hen te verdedigen, verklaart u ‘Het is gebruikelijk dat goede historici verklaringen uit het verleden niet beoordelen naar de maatstaven van hun eigen tijd.’ Precies! Pas dat dan ook op de Bijbel toe.”

   Drie opmerkingen hier. Ten eerste is het overduidelijk uit Gam dat Dawkins niet in de verste verte probeert Washington, Jefferson, Wells of Huxley te verdedigen, in feite maakt hij zijn afkeer van hun opmerkingen meer dan duidelijk. Ten tweede, is het gebruikelijk dat goede historici het verleden niet beoordelen volgens de huidige normen, en de reden waarom dit in Gam naar voren wordt gebracht is niet om het onverdedigbare te verdedigen, maar om de stelling van Dawkins te ondersteunen dat onze morele normen veranderen – en verbeteren – met verloop van tijd. En ten derde, passen atheïsten dit principe inderdaad toe op de Bijbel: opgevat als de beste moraal waarmee een primitieve woestijnstam uit het Brons-tot-IJzer tijdperk op de proppen kon komen, is het misschien redelijk; opgevat als de beste moraal waar een volmaakte liefdevolle God op kon komen, is die totaal onaanvaardbaar. Ook hier weer, moeten christenen meer consequent zijn: of ze moeten met ons atheïsten instemmen dat de Bijbel en de “moraal” die daarin gepresenteerd wordt het product zijn van primitieve mensen, en daarom niet beoordeeld mogen worden volgens huidige maatstaven; of ze moeten stellen dat die eeuwigdurend en nog steeds geldig zijn – in welk geval wij geen andere keus hebben dan die te beoordelen volgens onze huidige morele normen. Ze kunnen het maar op één manier krijgen.

   “Toen ik dat las moest ik even stoppen en diep ademhalen. Heeft hij dat echt geschreven? Is hij echt zo brutaal dat hij denkt dat hij ongestraft zo’n grote leugen kan debiteren?” Nee, niet een uittreksel uit mijn aantekeningen op de avond dat ik las dat Robertson probeerde Stephen Hawking als creationist neer te zetten, maar Robertsons eigen reactie op Dawkins’ standpunt dat het soort denkbeelden over “inferieure rassen” dat H.G. Wells naar voren bracht, nu onaanvaardbaar zijn in de moderne samenleving als resultaat van verbeterd onderwijs, en “in het bijzonder het toegenomen begrip dat wij allen een gemeenschappelijke mensheid delen met mensen van een ander ras en de andere sekse – beide zeer on-Bijbelse denkbeelden die uit de biologische wetenschap stemmen, vooral de evolutieleer.” Robertson verdedigt zijn gekrenkte gevoelens met weer een referentie aan de Bijbelse leer dat alle menselijke wezens – van alle rassen en zowel mannelijk als vrouwelijk – naar het evenbeeld van God gemaakt zijn.

   Het nogal merkwaardige idee terzijde latend van God die op een menselijk wezen lijkt, om nog maar niet te spreken van op mensen van beide seksen en alle rassen lijkende (wat een nogal verontrustend beeld oproept), is de Bijbel nu niet bepaald consequent in het ten uitvoer brengen van de eigen leer. De Midianieten, de Amelekieten, de inwoners van Sodom en Gomorra – waren die ook niet allen naar het evenbeeld van God gemaakt? Heeft dit Jahweh ervan weerhouden hun vernietiging te eisen of persoonlijk uit te voeren? (Toch waren zij vermoedelijk ook slachtoffers van de zondeval – dezelfde mensen waarvoor God zijn eigen zoon een paar honderd jaar later zou opofferen; het is allemaal erg verwarrend.) En de bepalingen in de Bijbel over de juiste plaats van vrouwen, en de manieren waarop getoond wordt hoe zij als bezit worden behandeld – zelfs door mensen die als achtenswaardig gepresenteerd worden – en zonder enige mate van afkeur, getuigen allemaal van hun lagere status in Gods ogen. Het schijnt dat alle mensen wel naar Gods gelijkenis gemaakt zijn, maar sommigen dan toch meer dan anderen.

   Robertson geeft blijk van zijn afschuw dat de evolutieleer ons op dit punt wijzer gemaakt heeft, door ons op een al te voorspelbare omweg naar Stalin, Hitler, Mao en Pol Pot te geleiden. En het is hier dat hij de meest buitengewone bewering doet: “Het enige argument dat ik atheïsten heb horen gebruiken is dat, nou ja, Stalin was niet een atheïst want hij gedroeg zich onredelijk, en onredelijke mensen kunnen geen atheïst zijn! Dit is de ultieme cirkelredenering, en het heeft geen zin in de cirkel in te breken.” Robertsons boek werd in reactie op God als misvatting geschreven, dus moeten we aannemen dat hij het boek waarop hij reageert ook werkelijk gelezen heeft. Dus laten we voor de aardigheid eens kijken wat Gam over dit onderwerp echt zegt: “Het lijdt kennelijk geen twijfel dat Stalin inderdaad atheïst was.” (pag. 294) en “Stalin was een atheïst en Hitler waarschijnlijk niet, maar zelfs als hij het wel was, dan is de uitkomst van het Stalin/Hitler debat heel eenvoudig. Individuele atheïsten kunnen best slechte dingen doen, maar ze doen geen slechte dingen uit naam van het atheïsme. Stalin en Hitler deden buitensporig slechte dingen, uit naam van respectievelijk een dogmatisch en doctrinair marxisme, en van een waanzinnige en onwetenschappelijke rasveredelingtheorie, die doortrokken was van wagneriaans geraaskal.”(pag. 299). Aangezien Robertson dit gelezen moet hebben, en daar zelfs de meest bevooroordeelde interpretatie de verklaring “Het lijdt kennelijk geen twijfel dat Stalin inderdaad atheïst was” niet kan verdraaien tot “Stalin kan geen atheïst geweest zijn”, welk mogelijk excuus kunnen we dan nog bedenken voor zo’n schaamteloze verdraaiing? 


SPECIAAL ONDERWERP: HITLER EN STALIN 

   1) STALIN De Sovjet Unie onder Stalin was ongetwijfeld een erkend atheïstische staat, die toneel was van een aantal van de meest verschrikkelijke gruweldaden van de twintigste eeuw. Maar betekent dit dat alle atheïsten aanstaande Stalin’s zijn, of dat alle vegetariërs fascisten zijn omdat Hitler vegetariër was? Wat we bij het Stalinisme zien is tirannie en een dictatoriale staatsvorm, niet slechts atheïsme. Tirannie en totalitarisme zijn zeer zeker geen automatische consequenties van atheïsme, zoals het bestaan van miljoenen nette, humane, democratische atheïsten wereldwijd aantoont; noch, zoals de geschiedenis duidelijk bewijst, zijn tirannie en totalitarisme exclusief voor het atheïsme. Julian Baggini laat zien hoe het Sovjet communisme altijd nog twee stappen verwijderd bleef van de kernbegrippen van atheïsme: “In de eerste plaats was het communisme er slechts één van de atheïstische gezinde overtuigingen, en zeker niet de meest populaire daarvan. En in de tweede plaats was het Sovjet communisme, met zijn actieve repressie van religie, een misvorming van het originele Marxistische communisme, dat de onderdrukking van religieuzen niet aanbeval. [….] Het Sovjet communisme was daarom zelfs niet eens een logische extensie van het Marxisme, laat staan een logische extensie van atheïstische kernwaarden, die in het geheel niet communistisch zijn.”

   Christopher Hitchens schrijft: “Communistische absolutisten ontkenden niet zozeer religie, in gemeenschappen die van geloof en bijgeloof doortrokken waren, maar probeerden die te vervangen. De plechtige verheffing van onfeilbare leiders die de oorzaak van talrijke zegeningen en voorspoed waren; de permanente vervolging van afvalligen en zij die scheuringen veroorzaakten; de mummificatie van de gestorven leiders als iconen en relikwieën; de lugubere schijnprocessen die door middel van marteling ongeloofwaardige bekentenissen ontlokten…. geen van deze was erg moeilijk in gebruikelijke termen te interpreteren.” Hitchens’ stelling wordt gesteund door een destijds in Pravda afgedrukt gedicht, dat recentelijk door Mr. Darcy op de RDF website werd ingezonden:

O grote Stalin, leider van de volken;

Gij die de mensheid geboren deed worden;

Gij die de aarde vruchtbaar maakte;

Gij die de eeuwen doet herleven;

Gij die de lente doet bloeien;

Gij die de muzikale snaren doet trillen;

Gij luister van mijn lente, O gij zon door miljoenen harten weerschenen. 

  
Dit is geen atheïsme! Het is religie toegepast op nieuwe, krankzinnig totalitaire doelen.

   Trouwens, ondanks de beweringen door de kerk dat ze het Sovjet regime altijd weerstreeft hebben, toont bewijs iets anders aan, namelijk dat de Russische Orthodoxe Kerk “openlijk iedere militair initiatief van het Sovjet regime steunde: onderdrukking van de Hongaarse opstand (1956), de oprichting van de Berlijnse Muur (1961), de invasie van Tsjecho-Slowakije (1968) en Afghanistan (1979).” (Geciteerd door Baggini).

   Het stalinistische Rusland was inderdaad een gruwelijke waarschuwing voor de gevaren van het totalitarisme; maar er is geen reden om aan te nemen dat totalitarisme onherroepelijk of zelfs maar waarschijnlijk het resultaat zal zijn van een gemeenschap die aan seculiere, humanistische, liberale en democratische beginselen toegewijd is. 

   2) HITLER Het valt moeilijk vast te stellen of Hitler uit persoonlijke overtuiging atheïst of christen was, gezien de talrijke tegenstrijdige verklaringen die hij over dit onderwerp heeft afgelegd. Vast staat dat hij nooit afstand gedaan heeft van zijn lidmaatschap van de Roomse kerk, en dat zijn recept voor het Duitse vrouwendom was “Kerk, keuken en kinderen”, in die volgorde. Ook hier weer biedt Baggini een scherpe analyse:

   “Nog meer substantieel, werd in 1933 een Concordaat getekend tussen de Nazi regering en de Katholieke Kerk. De verstandhouding met de Protestante kerken en het Nazi regime was nog inniger, bevorderd als die werd door de anti-semitische traditie in het Duitse protestantisme. Weerstand kwam niet vanuit de gevestigde Protestantse kerken, maar vanuit de afgescheiden Confessionele Kerk, geleid door voorgangers Martin Niemöller en Dietrich Bonhoeffer. Het is gerechtvaardigd dat deze dissidenten nu door christenen als lichtend voorbeeld van principieel verzet tegen het Nazisme worden geëerd, maar het feit dat zij de gevestigde kerk moesten verlaten om dat verzet te leiden, is geen reden voor christenen om dit te vieren.

   Baggini toont zoveel inzicht in dit onderwerp dat ik zijn volgende paragraaf ook zal citeren: 

   “In dit verband gezien, lag het probleem met Nazi-Duitsland niet in zijn veronderstelde atheïsme, maar in zijn verheffing van concepten als bloed, bodem en natie tot een quasi-religieuze status. Het moet duidelijk zijn uit wat in dit boek gezegd wordt, dat zo’n heiliging uiterst strijdig is met het gangbare rationale atheïsme.”

   Verder wijst hij er op dat hoewel de oorzaken van de Holocaust complex zijn, de rol van religie in het westerse anti-semitisme hierbij niet kan worden ontkend. Verder ziet Baggini de neiging van religie tot  het oproepen van tegenstellingen – de rechtvaardigen en de onrechtvaardigen; de geredden en de verdoemden; de goeden en de slechten – als het voorbereiden van de voedingsbodem voor het Nazisme, om zijn onderscheid te kunnen maken tussen de superieure Ariërs en de inferieure non-Ariërs.

   Zijn belangrijkste punt echter – en ook het mijne – is dat er niets inherent atheïstisch is in de fascistische ideologie of praktijk, en dat het daarom verkeerd is die aan het atheïsme te wijten.

   3) DE HUIDIGE WERELD  Zowel Robertson, Cornwell als McGrath proberen de indruk te wekken dat dergelijke verschrikkingen tot het verleden behoren, en dat onze beste kansen om ons daar in de toekomst tegen te beschermen, liggen in het vermijden van atheïsme ten gunste van religie.

   Toch schetst dit een veel te rooskleurig beeld van de wereld. Ruanda is het toneel geweest van de meest verschrikkelijke gruweldaden van de laatste jaren, en zelfs van nog langer vervlogen tijden, en toch is dit het meest christelijke land van Afrika, met het hoogste percentage kerken per hoofd van de bevolking. 65% van de bevolking is praktizerend Rooms-Katholiek, en verder is 15% protestant. Veel van de slachtpartijen werden door christenen bedreven, en onder hen zijn een aantal geestelijken en nonnen die nu terecht staan voor genocide. Het aantal doden van de slachtpartijen wordt geschat op ten minste 500.000 – sommige schattingen lopen op tot een miljoen. Dit alles op een bevolking van slechts 9 miljoen. En ook hier weer was het Christendom niet alleen onmachtig om deze verschrikkingen te voorkomen, maar nam ze zelfs actief deel daarin.

   Het valt niet meer te ontkennen dat de grootste bedreiging voor de wereld vandaag – naast nucleair terrorisme en global warming – AIDS is. Niet, zoals de Paus recentelijk beweerde, het aantal katholieken dat zich tot het protestantisme bekeerden, maar AIDS. Er wordt geschat dat het al 25 miljoen mensen gedood heeft sinds het in 1981 herkend werd (inclusief meer dan een half miljoen kinderen alleen al in 2005).

   De volgende informatie is aan Wikipedia ontleend:

   “Wereldwijd leven momenteel tussen de 33,4 en 46 miljoen mensen met HIV. In 2005 werden tussen 3,4 en 6,2 miljoen mensen voor het eerst besmet en stierven tussen 2,4 en 3,3 miljoen mensen aan AIDS, een toename sinds 2003 en het hoogste aantal sinds 1981.

   Het gebied ten zuiden van de Sahara blijft verreweg het ernstigst getroffen gebied, met een geschat aantal van 21,6 tot 27,4 miljoen mensen die momenteel met HIV leven. Twee miljoen (1,5-3,0 miljoen) daarvan zijn kinderen jonger dan 15 jaar. Meer dan 64% van alle mensen die met HIV leven, wonen ten zuiden van de Sahara, net als meer dan driekwart (76%) van alle vrouwen met HIV. In 2005 waren er 12,0 miljoen AIDS wezen in zuidelijk Afrika. Zuid en Zuid-Oost Azië komen op de tweede plaats van getroffen gebieden met 15%. Aids is verantwoordelijk voor de dood van 500.000 kinderen in dit gebied. Tweederde van de HIV/AIDS besmettingen in Azië vinden plaats in India, met een geschat aantal van 5,7 miljoen besmettingen (geschat 3,4-9,4 miljoen) (0,9% van de totale bevolking), daarmee zuidelijk Afrika’s geschatte 5,5 miljoen (4,9-6,1 miljoen) besmettingen (11,9% van de bevolking) overtreffende, waardoor dit het land is met het hoogste aantal HIV besmettingen in de wereld. In de 35 Afrikaanse naties waar dit het meest voorkomt, is de gemiddelde levensverwachting 48,3 jaar – 6,5 jaar minder dan het zonder deze ziekte zou zijn.”

   Zelfs het meest krankzinnige totalitaire monster zou alleen maar kunnen dromen van het uitroeien van mensen op dezelfde schaal als AIDS heeft bereikt. Geen normaal meelevend menselijk wezen zou niet diep bewogen worden door zoveel lijden. Dus hoe heeft het christelijke Westen hierop gereageerd?

   De Rooms-Katholieke kerk heeft altijd consequent geweigerd haar ban op voorbehoedsbemiddelen los te laten, ondanks het overweldigende bewijs dat condoomgebruik een effectieve bescherming tegen deze ziekte biedt. Nog erger, hebben ze zelfs de leugen de wereld ingestuurd dat condooms kleine gaatjes hebben die het virus laten passeren – iets dat voluit ontkend en veroordeeld werd door de Wereld Gezondheidsraad.

   En president Bush heeft recent de financiering stopgezet voor iedere buitenlandse gezinsplanning groep die informatie verschaft over abortie. Sam Harris citeert de New York Times die schrijft dat dit “de condoomvoorziening effectief gestopt heeft in 16 landen, en het in 13 anderen gereduceerd heeft, waaronder een aantal met de werelds hoogste proporties van AIDS infectie.” Harris vervolgt, “Onder invloed van christelijke ideeën over het zondige van buitenechtelijke seks, heeft de US regering bepaald dat eenderde van haar fondsen ter voorkoming van AIDS in Afrika nu verkwist wordt aan het propageren van onthouding in plaats van condoomgebruik. Het is geen overdrijving te stellen dat miljoenen zouden kunnen sterven als direct resultaat van dit enkele bloempje van religieuze dogmatiek.”

   4) CONCLUSIE Het volharden in het idee dat atheïsme oorzaak is van het massale lijden is niet alleen verkeerd, maar gezien de enormiteit van dit lijden, trivialiseert het deze zaak en werpt het een onaangenaam licht op degenen die deze list proberen toe te passen.

   Wat al de bovengenoemde zaken gemeen hebben is dat ze ontstonden uit een overvloed aan irrationele denkprocessen, van megalomane machtswellust tot krankzinnig anti-semitisme, en van opgezweept stamgevoel tot de bizarre voorkeur voor het religieuze concept van seksuele puurheid, boven de meer fundamentele morele vereiste om levens te redden en lijden te voorkomen. Verre van de waarschijnlijke oorzaak te gaan worden van zulke verschrikkingen in de toekomst, is het soort rationele, liberale en democratische secularisme dat wordt aanbevolen door zo ongeveer iedere atheïst die u waarschijnlijk ooit zult tegenkomen, onze beste beveiliging daartegen.

   De brief bereikt zijn toppunt met nog een verdraaiing, en richt daarmee een ongenadig licht op het verschil in eerlijkheid waarmee Dawkins en Robertson bereid zijn hun respectievelijke argumenten te steunen. Dawkins citeert in Gam talloze citaten van Hitler, waarvan sommige er toe neigen duidelijk aan te tonen dat hij zichzelf nog steeds als christen beschouwde, of dat hij tenminste de indruk wilde wekken dat nog steeds te zijn. Hieraan wordt echter tegenwicht geboden door de woorden “Citaten zoals deze moeten afgewogen worden tegen andere uit zijn Tafelgesprekken, waarin Hitler kwaadaardige antichristelijke gevoelens tot uitdrukking bracht, als vastgelegd door zijn secretaresse. Dawkins vervolgt dan met vier voorbeelden daarvan, en noemt het bestaan van nog veel meer. In andere woorden, Dawkins’ weergave van Hitler’s religieuze ideeën laat de nogal tegenstrijdige boodschappen die de man afscheidde. eerlijk zien.

   Toont Robertsons weergave een gelijkwaardige geroepenheid tot oprechte informatie en beoordeling? Uh …..nou,nee. Robertson citeert uitsluitend uit Tafelgesprekken en zegt dat het “ons overtuigend vertelt wat Hitler over het christendom dacht”, en refereert zelfs niet aan het bestaan van een overvloed aan citaten die aantonen dat Tafelgesprekken toch niet zulk overtuigend bewijs leveren. Hoeveel waarde kunnen we nog aan christelijke moraal toekennen?

   Over moraal gesproken, Victor Stenger wijst er op dat de belangrijkste morele voorschriften waarvoor Jezus bekendheid geniet (aansporingen om de andere wang toe te keren en je vijanden lief te hebben, bijvoorbeeld) ook al gevonden kunnen worden in Taoïstische, Boeddhistische en Hindoe teksten die allemaal ontstonden vijfhonderd jaar voordat Jezus zelfs maar geboren werd. Hij citeert Joseph McCabe die zegt: “[De uitspraken die aan Jezus toegeschreven werden] waren in de Joodse scholen bekend, en aan alle Farizeeërs, lang voor de tijd van Christus, aangezien die in alle beschavingen van de wereld bekend waren – de Egyptische, Babylonische, Perzische, Griekse en Hindoe.”


BRIEF 10: DE MYTHE VAN RELIGIEUS KINDERMISBRUIK

   Robertson citeert Dawkins als hij zich afvraagt: “Is het ook niet een vorm van kindermisbruik om kinderen een label op te plakken dat zegt dat ze er een geloof op na houden waarvoor ze veel te jong zijn om er over te hebben nagedacht?” en maakt hieruit op, naar mijn mening terecht, dat dit betekent dat Dawkins hiermee bedoelt dat men kinderen geen religie moet leren. Tenslotte is het hoogst waarschijnlijk dat een kind dat als christelijk wordt aangemerkt, ook zo wordt opgevoed.

   De rest van de brief ontwikkelt zich dan tot een wild en absurd beeld van een religieuze gedachtenpolitie die woningen binnenvalt om vast te stellen dat geen religieuze gedachten worden uitgewisseld met kinderen, en die de kinderen van overtredende ouders onder staatstoezicht plaatst.

   Robertson begint met Dawkins ervan te beschuldigen de ernst van seksueel kindermisbruik te bagatelliseren teneinde de nadruk te kunnen leggen op de psychologische schade die religie veroorzaakt. Seksueel kindermisbruik is misschien ook wel een van die onderwerpen – net als religie – waarover een openlijke bespreking wordt vermeden in gezelschap. Natuurlijk bestaat daar geen toelaatbare vorm van, maar dat wil nog niet zeggen dat er geen gradaties van schandelijkheid in bestaan. En Dawkins brengt zelf naar voren dat een ongepaste en vernederende koestering niet vergeleken kan worden met de “pijn en weerzin van een anaal verkrachte misdienaar”. Bovendien wordt nu door kinderpsychologen algemeen erkend dat emotioneel en psychologisch misbruik littekens nalaat die net zo pijnlijk en beschadigend zijn als die van fysiek of seksueel misbruik.

   Robertson schrijft: “U beschuldigt mij ervan slechter te zijn dan een pedofiel, omdat ik jonge kinderen onbekommerd leer dat God ze liefheeft, dat ze belangrijk zijn en een doel en plaats hebben in deze wereld.” Dat klinkt onschuldig, als je het zo zegt, vindt u niet? Maar natuurlijk heeft Robertson al eerder onthuld wat hij gelooft, en wat hij deze jonge ontvankelijke kinderen werkelijk leert: dat ze bezoedeld zijn; dat ze de zaden van het grootste kwaad dat de mens kan plegen in zich dragen; dat ze verdienen te sterven voor hun zondes, en erger nog – voor eeuwig gemarteld te worden na hun dood; dat dit hun lot zal zijn, als zij de bijbelse leer over Gods liefde voor hen niet volledig accepteren. Het afronden van deze partijpropaganda met de verzekering dat “God van je houdt” maakt zelfs nog geen begin met het herstellen van de psychologische schade die door het voorgaande werd aangericht. Dus ja, David, ik zou zeker zeggen dat dit je definitief in de categorie van kindermisbruikers plaatst, en dat kinderen er recht op hebben beschermd te worden tegen zulke bezoedeling van hun geest – dat is nu werkelijk een terechte toepassing van het woord bezoedeling – met zulke verdorven en kwaadaardige krankzinnigheid.

   Er bestaat nog een andere overeenkomst tussen de religieuze indoctrinatie van kinderen en seksueel kindermisbruik, nog afgezien van de schade die dit aan zijn slachtoffers toebrengt. De reden waarom het verwerpelijk is kinderen aan seks te onderwerpen is dat kinderen eenvoudigweg nog niet klaar zijn, fysiek noch emotioneel, om dat te verwerken. Seks is voor de volwassenenheid. Op dezelfde manier zijn kinderen emotioneel noch intellectueel klaar om met religie om te gaan. 

   Religie vereist de capaciteit om peinzend en zelfbespiegelend te zijn, en ook om met metafysische concepten om te gaan. Jonge kinderen bezitten deze capaciteiten nog niet. En nog belangrijker, evenmin beschikken zij over de capaciteit om de informatie die volwassenen hen verschaffen te filteren en op rationale basis te beslissen wat zij kunnen accepteren en wat zij moeten afwijzen. Om een kind te indoctrineren in een bovennatuurlijk geloofssysteem, waarvoor het noch intellectueel noch emotioneel toegerust is om het zelf te kunnen beoordelen, is daarom een misbruik van volwassen macht, net zo als dwingen tot het drinken van alcohol of het kijken naar een film voor volwassenen zouden zijn.

   Wat de bewering betreft dat de logische conclusie uit Dawkins’ mening zou zijn dat kinderen voor hun bescherming onder staatszorg zouden moeten worden gesteld, zien we hier weer de paranoia toeslaan. (Robertson schrijft: “Ik wil geen stalinistisch system dat het Christendom weert uit school en thuis.”) Dawkins’ pleidooi is voor ouders om hun ogen te openen voor wat zij hun kinderen aandoen, en daarmee op te houden – gewoon om het aan hun kinderen zelf over te laten om te beslissen of zij zichzelf willen associëren met religie wanneer zij oud genoeg zijn om dat rationeel te kunnen doen. U zult opgemerkt hebben dat hij voorstander is van het voorlichten van kinderen over de diverse religies, maar alleen dat ze niet verteld moet worden dat één daarvan de werkelijk ware is. Heel specifiek schrijft hij: “Als ze opgroeien, nadat ze eerlijk en correct met wetenschappelijk bewijs bekend zijn geraakt, en beslissen dat de Bijbel letterlijk waar is, of dat de bewegingen van de planeten hun levens bepalen, is dat hun privilege. Het belangrijkste is dat het hun privilege is te bepalen wat zij zullen denken, en niet het privilege van hun ouders om dat door overmacht te bepalen.” Dit is een pleidooi voor een andere benadering door religieuze ouders – niet een decreet dat dwingend opgelegd wordt. En het is onmogelijk te geloven dat Robertson dit niet weet, en dat hij niet doelbewust Dawkins’ argumenten verdraait met het doel die van zichzelf te versterken.

   De brief vervolgt met een pleidooi voor het Emanuel College te Gateshead, op basis van zijn uitstekende onderwijsresultaten, en beschuldigt Dawkins ervan anti-liberaal en anti-humanitair te zijn met zijn wens kinderen uit minder bedeelde gebieden een eersteklas opleiding te ontzeggen. Ook hier weer maakt de verdraaiing zichzelf manifest zonder enige hulp van mij. De City Academies – allemaal, op christelijke beginselen gefundeerd of niet – zijn een schande; om vermogende individuen of instellingen een bijna complete zeggenschap te geven over het beleid en management van een staatsschool, in ruil voor een belachelijke som geld – een schamele eenmalige storting van twee miljoen pond – is eenvoudig verbijsterend. Het hogere niveau van onderwijskundige prestatie wordt een heel stuk minder verrassend wanneer men zich realiseert dat zij ongeveer 33% procent meer staatssteun per leerling ontvangen dan normale openbare scholen.

   Robertson suggereert dat het terugvallend academisch peil samenvalt met de afname van het christendom en de toename van het secularism, en beweert dat, in tegenstelling tot christenen, “hoewel atheïsten wel praten over onderwijs, maar wanneer het op doen aankomt ze in het algemeen geen scholen bouwen, of geld fourneren in plaats van praatjes. In plaats daarvan geven ze er de voorkeur aan om net als een koekoek het geld, het werk en de ideeën van anderen voor zichzelf aan te wenden, zodat ze die kunnen gebruiken voor onderwijs volgens hun eigen filosofie.” Verscheidene van deze City Academies worden in feite gesponsord door rijke zakenmensen of corporaties, die jonge mensen handelsgeest en ondernemingszin willen bijbrengen. Moeten we dan geloven dat de ongeveer 50% van de City Academies die gesponsord worden door de United Learning Trust (een aan het Christendom gelieerde organisatie) niet op dezelfde wijze bestaan met het doel om de speciale hartstochten van hun sponsors te bevorderen? Nog even los daarvan, niettegenstaande Robertsons lof voor christenen die geld over hebben voor beter onderwijs voor achtergestelde kinderen, toonde een rapport vorig jaar aan dat 23 van de 27 academie sponsors al het geld dat ze schuldig waren niet werkelijk betaald hadden.

   Dawkins is bijzonder bijtend over Stephen Layfield, hoofd van de afdeling Wetenschap van Emmanuel College, en volgens Robertson wordt dit veroorzaakt doordat de laatste “het waagde evolutie in twijfel te trekken.” Ja, natuurlijk: het is onaanvaardbaar voor het hoofd Wetenschap van een school om zo weinig over wetenschap te weten dat hij aan evolutie twijfelt. Het zou hetzelfde zijn als een hoofd Geografie die aan het bestaan van Afrika twijfelt. Maar het was Layfields steun voor het onderwijs van creationisme in wetenschapslessen dat Dawkins’ verontwaardiging pas echt teweegbracht. Robertson probeert aan te tonen dat dit in feite niet gebeurt, en dat (volgens het College – wiens woord hij blijmoedig accepteert, ondanks het feit dat Dawkins hun slinks gedrag al aan het licht gebracht heeft in verband met het artikel door Layfield dat zo mysterieus van hun website verdwenen was nadat het de aandacht getrokken had van de landelijke pers; dus het zou mogelijk kunnen zijn dat ze niet voor 100% betrouwbaar zijn om hun eigen acties te beoordelen): “Het beleid van het College is argumenten te presenteren voor en tegen evolutie, intelligent design, etc. Studenten worden aangemoedigd tot een kritische benadering, en geen dingen te accepteren zonder die te onderwerpen aan onderzoek en discussie. Leraren en studenten worden aangemoedigd voor hun eigen mening uit te komen.”

   Een aantal opmerkingen hier. Ten eerste is het absurd en anti-intellectueel om te spreken over argumenten tegen evolutie. Die bestaan eenvoudig niet, behalve in de geesten van mensen die zich hebben voorgenomen de waarheid te zoeken in een mythe uit het Bronzen Tijdperk, in plaats van in de 21e eeuwse wetenschap. Ten tweede, is het net zo absurd om te denken dat het feit dat leraren en leerlingen die hier hun mening over uitspreken daar ook maar iets aan verandert. Waar het op aankomt als we de waarheid zoeken, is bewijs. En dat bewijs wijst maar in één richting. Leraren en studenten mogen de mening verkondigen dat het zitten op de bril van een openbaar toilet iemand zwanger kan maken, maar dat is nog geen vervanging voor een opleiding in de biologie.

   Robertson probeert ons er van te overtuigen dat de gemiddelde gezindte van het wetenschappelijke personeel op Emanuel College ongeveer hetzelfde is als dat van de school die hijzelf bezocht, waar “mijn scheikunde leraar een atheïst was, mijn natuurkunde leraar een christen, en mijn biologieleraar geloofde dat de aarde ongeveer zesduizend jaar geleden geschapen was. Zij waren allen goede leraren, die niet probeerden ons hun overtuiging op te leggen.” Mijn vraag is dan: als ze niet probeerden die mening op te dringen, hoe kon hij dan weten wat die was? Ik heb niet het flauwste idee welke religieuze meningen – zo ze die al hadden – de leraren op mijn school hadden, en het zou ongepast van hen zijn geweest als zij hun religieuze overtuigingen met ons besproken zouden hebben; net zo ongepast als het geweest zou zijn als zij hun stemgedrag met ons zouden hebben besproken. 

 Robertson besluit zijn brief met een preek die geen bewijzen biedt, geen onderbouwing voor zijn beweringen hoe dan ook, maar slechts een verzameling van aannames die op niets anders gebaseerd zijn dan zijn eigen geloof, citaten uit de Bijbel, en wensdenken: “[De Bijbel] is het levende en eeuwigdurende Woord van God. Hemel en aarde zullen vergaan, maar het Woord van God zal eeuwig blijven bestaan.” Over het atheïsme beweert hij: “Die route heb ik geprobeerd. En het werkt gewoon niet. Het werkt niet omdat het niet de waarheid is. Het werkt niet omdat er iets binnen mij is dat zegt dat er meer betekenis aan het leven is dan alleen dit leven. Het werkt niet omdat het hele universum de majesteit en glorie van God uitroept. Het werkt niet omdat ik een geest heb die me zegt dat ik noch een levenloos object, noch een verzameling moleculen op weg naar het niets ben. Het werkt niet omdat ik weet dat mijn lichaam meer is dan een wegwerp overlevingsmechanisme, net zoals ik weet dat de wereld niet plat is en het leven niet zonder betekenis. Het atheïstische antwoord op de dood kan gevonden worden in "L’Etranger" (De vreemdeling) van Camus. Het is hopeloos. Het christelijke antwoord maakt een groot verschil. Het is Christus.”

   Dit werkt misschien vanaf de kansel voor een instemmend knikkende congregatie, en zou hen aan het eind – afhankelijk van hun staat van opwinding – misschien een welgemeend “Amen” kunnen ontlokken, maar het bevat werkelijk niets substantieels. Heeft Robertson iets in hem dat zegt dat het leven meer is dan het leven? Als ik zou antwoorden dat ik iets in mij heb dat me vertelt dat dit niet zo is, zou hij dat dan accepteren als geldig bewijs voor het gelijk van het atheïsme? Ik denk het niet. Het hele universum roept zeker majesteit en glorie uit, maar bevat niets waarvoor we God nodig hebben om het te verklaren. Zoals Dawkins zo levendig heeft uitgelegd in Unweaving the Rainbow, is de wetenschappelijke verklaring voor hoe het werkt veel indrukwekkender dan datgene waar de door een primitief woestijnvolk uitgevonden kleinzielige, jaloerse en wispelturige god mee op de proppen komt. Al de berichten uit de geest van Robertson die hem zeggen dat hij niet is wat hij in feite is – gewoon een sterfelijke mens, wiens leven eindigt met de dood, en waarover geen enkele almachtige godheid zich enige zorgen maakt – zijn eenvoudig het gevolg van het feit dat mensen geëvolueerd zijn tot het niveau van ontwikkeling dat ons in staat stelt zulke kwesties te overpeinzen. Ik ben bang dat hij me niet overtuigd heeft.

   Al vanaf brief 8 is het me duidelijk dat Robertson het universum werkelijk ziet als een kosmische strijd tussen het goede (God) en het kwade (Satan). Hij heeft zorgvuldig vermeden Satan met name te noemen, maar die is al die tijd de olifant in de porceleinkast geweest, de olifant die plotseling met luid geschetter de vrede verstoort in de allerlaatste alinea van zijn brief, gericht aan Dawkins: “U wilt God vervangen door de mensheid. U wilt ons als het Hoogste Bewustzijn, als God laten worden. Ik geloof dat er heel lang geleden eens iemand anders was die de mensheid de sleutel tot alle kennis aanbood. We zijn er toen voor gevallen, en doen er sindsdien boete voor. Ik bid dat we daar niet nog eens voor vallen.”

   Ja, Robertson vergelijkt Dawkins met Satan, en de speurtocht naar wetenschappelijke kennis met het eten van de verboden vrucht van de boom der kennis. Zo bizar en krankzinnig als dit ongetwijfeld lijkt – en is – worden het hele boek van Robertson, zijn argumenten en zijn gedrag begrijpelijk als we ons realiseren dat hij dit monstrueuze sprookje werkelijk gelooft. Zijn volharding in het zien van de laagste motieven in Dawkins’ argumenten en zijn voorspelling van de meest fatale gevolgen als we daar acht op slaan; zijn leugens in de manieren waarop hij zijn argumenten presenteert; zijn wraakzuchtigheid op de RDF website; zijn weigering om een nette dialoog met ons aan te gaan en in plaats daarvan zijn herhaalde schimpscheuten en bespottingen– deze worden allemaal begrijpelijk als we ze zien als de equivalent van moslims die stenen gooien naar een beeld van Satan. Robertson ziet zijn gevecht tegen het atheïsme en atheïsten als een gevecht tegen de duivel. Inderdaad een waanidee.

   Noot van de vertaler: Met het laatste verwijst de auteur naar de oorspronkelijke titel van Dawkins’ werk "The God Delusion" (van de letterlijke vertaling van deze titel: Het waanidee God is voor de Nederlandstalige editie afgezien ten gunste van het minder confronterende "God als misvatting").


LAATSTE BRIEF AAN DE LEZER – WAAROM GELOVEN?

   Het laatste verkooppraatje begint met een boekenlijst, een lijst die bijzonder openbarend is: “Onderstaande boeken zijn de boeken waarvan ik kennis heb genomen – maar er is maar één boek dat ik als volkomen betrouwbaar beschouw, de Bijbel! Het is duidelijk dat ik kennis heb genomen van “The God Delusion”. Als u het boek al bezit dan weet u waar ik het over heb. Als u het nog niet heeft, kan ik u niet echt aanraden dat u het moet aanschaffen. Het is echt zo slecht als ik getracht heb aan te tonen en ik zou aarzelen daar nog geld in te stoppen.” (Mijn cursivering)

   Het klinkklare lef van de man moeten we echt bewonderen. Tenslotte heeft hij in zijn introductiebrief aan de lezer eerst als zijn intentie verklaard dat de lezer “zelf mag gaan denken en deze dingen voor zichzelf overwegen”. Hoe de lezer dan de sterke en zwakke punten van Gam voor zichzelf moet bepalen zonder het eerst te lezen ontgaat me – maar natuurlijk is dat Robertsons bedoeling ook helemaal niet; zijn bedoeling is eerder om de lezer in staat te stellen Gam af te keuren op basis van zijn argumenten. Als zij werkelijk Gam zelf zouden lezen, konden ze ten eerste zien hoe verwrongen zijn weergave van het boek is, en ten tweede mogelijk beginnen te twijfelen over de grondslagen van hun geloof. En we willen natuurlijk niet dat zelf denken zover gaat, wel?

   Laat echter niet de indruk gewekt worden dat Robertson zich angstvallig zou terugtrekken van het religie versus wetenschap debat; nee, hij beveelt het lezen aan van wat Alistair McGrath hierover te zeggen heeft. Verder omvatten de door hem aanbevolen boeken werken door Hugh Miller (“een negentiende-eeuwse populistische schrijver die net zo goed is als Dawkins in het overbrengen van zijn boodschap, maar het duidelijke voordeel heeft een christen te zijn”); John Polkinghorne, Owen Gingerich, Francis Collins en Michael Behe – allemaal namen die we ons zullen herinneren van de lijst van religieuze wetenschappers in Gam. Dan volgt nog een lijst van evangelische standaardwerken: boeken door C.S. Lewis, Lee Strobels "The Case for Christ", John Stott, nogmaals Alister McGrath, plus Robertsons geliefde Calvijn en Jonathan Edwards.

   Verder wijdt hij een een hele paragraaf vol verachting aan boeken over “het hele geval van de twintigste eeuw die de mislukte eeuw van het atheïsme was”, welke hij besluit met de werken van Dietrich Bonhoeffer “om te zien hoe een christen het kwaad van nazisme behandelt” – alsof Bonhoeffer, hoe bewonderenswaardig zijn houding ook was, ook maar enigszins typerend zou zijn geweest voor de manier waarop christenen in Duitsland op het nazisme reageerden; de hele reden waarom Bonhoeffers naam zo bekend is geworden als baken van fatsoen is omdat die omringd werd door een moeras van christelijke medeplichtigheid en samenwerking.

   Het universum blijkt vreemder en vreemder naarmate men zich daar verder in verdiept, en hetzelfde kan van de geest van een evangelische christen gezegd worden. De lezer verwijzend naar films die hij stimulerend en leerzaam vond, schrijft Robertson: “In termen van de menselijke geest en het beschrijven van de problemen die de gemeenschap ondervindt, is "Crash" provocerend en verontrustend.” Kunt u zich iemand voorstellen die een film als "Crash" ook maar als enigzins representatief voor het ware leven ziet? Dit is het perfecte voorbeeld van de manier waarop een obsessie met het kwade tot een verwrongen inzicht van de hele maatschappij leidt, en iemands omgang daarmee beinvloed.

   In de volgende paragraaf worden we getrakteerd op wat ik alleen kan beschrijven als “kansel humor” – u kent het wel: het soort echt banale, pathetische, vreugdeloze en geesteloze “grappen” die in iedere andere omgeving slechts minachting oproepen maar die, wanneer ze door een predikant geuit worden voor een passend afgericht gehoor, zeker met gehoorzaam gelach begroet zullen worden alsof het een onbetaalbare geestigheid zou zijn. Bent u klaar voor een demonstratie van christelijke humor en joie de vivre? Hier komt die: “Misschien moet ik erop wijzen dat geen atheïsten geschaad werden bij het maken van dit boek!”

   In de pauze die u ongetwijfeld nodig heeft om de over uw wangen stromende tranen weg te vegen en weer op adem te komen na deze hilariteit, wil ik als een terzijde even noemen dat het precies dit soort “kansel humor” was die mijn vertrek uit het christendom verhaast heeft. Op zekere zondag werd ik getroffen door een bepaalde regel in de geloofsbelijdenis waarvan ik mij realiseerde dat ik die eenvoudig niet kon geloven, en daarna begon ik ieder woord van iedere bijbellezing, iedere psalm, iedere preek, elk gebed kritisch te onderzoeken om te zien waarop ik nog meer onbewust “amen” had gezegd zonder het werkelijk te geloven. Wat mij duidelijk werd was dat kerkdiensten altijd woorden in de monden van hun gehoor leggen, en dat kerkbezoekers in een waan gewiegd worden zonder dat zij dit zelf merken. Hun bereidheid om instemmend te knikken bij adembenemend neerbuigende preken die in werkelijkheid niets van enige betekenis zeggen, en te lachen om zielige pogingen tot humor die genant in hun banaliteit zijn, sprak boekdelen over hun bereidheid om wat in de kerk gezegd werd te beoordelen naar totaal andere normen dan die welke zij elders toepasten. Als deze woorden aan hetzelfde niveau van kritische beoordeling zouden worden blootgesteld als dat waarnaar wij streven bij het beluisteren van een nieuwsbericht, of bijvoorbeeld de woorden van een politicus, wordt de hele vertoning blootgelegd als de lege, oppervlakkige, nogal pathetische janboel die het is.

   OK, terug naar deze brief aan de lezer. Robertson schrijft dat Gam hem bedroeft – “Ik dacht dat Bertrand Russel de meest deprimerende atheïst was die ik ooit gelezen had, maar Dawkins overtreft hem met gemak.” Om zijn punt te verduidelijken, citeert hij dan uit "River out of Eden". Hetgeen de vraag oproept: als het Gam was dat hem bedroefde en ervan overtuigde dat Dawkins de meest deprimerende atheïst was die hij ooit gelezen had, waarom was het dan nodig om uit een heel ander boek van hem te citeren? Het citaat uit "River out of Eden" gaat over mensen als zijnde overlevingsmechanismen voor onze genen. Het is geschreven vanuit een zeer gericht, evolutionair perspectief en als het ware vanuit het gezichtspunt van de genen, en verdient geenszins Robertsons commentaar van “Wat een wanhopige, verdrietige en lelijke wereld.” Als Robertson gelooft dat de wereld van Dawkins “wanhopig, verdrietig en lelijk” is, kan ik hem alleen maar uitdagen om "A Devil’s Chaplain" of "Unweaving the Rainbow" eens op een willekeurige plaats te openen en beginnen te lezen; ik kan hem garanderen dat het niet lang zal duren voordat hij een uitbarsting van verrukking zal tegenkomen over al het moois en de wonderen van het universum zoals die door de wetenschap verklaard worden. 

   Daarna volgt een bewering zo spectaculair kwaadwillend dat die adembenemend is: “Ik twijfel er niet aan dat indien de atheïstische filosofie een toenemende greep op Europa en de USA krijgt, we echt weer in de richting van de Duistere Middeleeuwen gaan.”

   Ironisch, is het niet – Robertson zou willen beweren dat het christendom liefde voor onze medemens inhoudt en bevordert, op een manier waarop geen enkele andere filosofie dit kan; dat mensen naar Gods beeld gemaakt zijn en dat dit hen bijzonder waardig en belangrijk maakt. Maar wat uit deze bewering naar voren komt is precies het tegenovergestelde: een verachting voor het mensdom, wantrouwen tegen hen, angst voor hen. Zij zijn tenslotte “bezoedeld” en “zondig”. En het is precies dit mensbeeld dat de beulen van de Inquisitie in staat stelde hun gruwelijke bezigheden met zulk enthousiasme uit te voeren. En het is dit mensbeeld dat het mogelijk maakte dat duizenden argeloze, eenzame oude vrouwen levend verbrand werden door degenen die geloofden dat zij de tekens van de duivel in hen zagen. Als men het hele leven ziet als een strijdtoneel tussen God en Satan, kan geen enkele gruweldaad in de strijd tegen Satan als te gruwelijk worden beschouwd om in aanmerking te komen. Het is het denkbeeld dat mensen slecht, kwaadaardig, corrupt en bezoedeld zijn dat het meest waarschijnlijke is dat kan leiden tot het soort geweld en vervolging waarvan Robertson nu het atheïsme de schuld wil geven. Want, als je tegenstander van Satan bezeten is, krijgt het vernietigen van Satan prioriteit over respect voor hun menselijkheid.  

   Robertson eindigt met een lijst van tien redenen waarom hij gelooft dat het Christendom waar is: de schepping, de menselijke geest, de morele wetten, schoonheid, religie, ondervinding, geschiedenis, de kerk, de Bijbel en Jezus. Onder de “morele wetten” wordt de bewering inbegrepen dat de Bijbel het antwoord op het kwade is – hoewel ik er op zou willen wijzen dat alleen iemand die zijn hele leven al in de bijbelse leer ondergedompeld is geweest, zou kunnen denken dat het kwaad hoe dan ook de grootste kwestie is. 

   De meeste van Robertsons argumenten over deze onderwerpen zijn hiervoor al besproken, en hij verdedigt ze hier maar halfhartig, dus ik kijk nu alleen nog naar het laatste: Jezus. “Jezus is de reden waarom ik geloof en zal blijven geloven.” Maar waarom dan? Dan volgt een hele reeks Bijbel citaten die zeggen hoe geweldig Jezus is, maar niets dat aannemelijk maakt waarom Robertson het daarmee eens is. Ik neem aan dat hiermee gezegd wil worden dat Bijbelcitaten op zichzelf al uiterst overtuigend zijn? Maar dat zijn ze niet. Als ik de verhalen over Jezus in de Evangelieën lees dan zie ik een charismatische man die soms wijze woorden sprak (maar die niet origineel waren, zelfs niet in zijn tijd), en vaak (maar niet altijd) medeleven en zachtaardigheid vertoonde. Maar die ook merkwaardig prikkelbaar kon zijn (zoals bijvoorbeeld toen hij een vijgeboom vervloekte omdat die buiten het seizoen geen vruchten droeg) en die voorbij ging aan de belangen van anderen (zoals toen hij demonen verdreef naar een groep varkens van iemand anders, met als resultaat dat beiden vernietigd werden, en daarmee waarschijnlijk de middelen van bestaan voor de eigenaar). Bovendien was hij soms uiterst cryptisch – nauwelijks verstandig voor iemand die een boodschap komt overbrengen, lijkt mij. Zijn diplomatieke gaven, zijn vaardigheid om te onderhandelen, zijn gave zichzelf te verklaren zonder anderen in het harnas te jagen – dit alles liet veel te wensen over. U zou hem niet als verkoper aanstellen, en u zou hem zeker niet als ambassadeur naar een vijandig gestemd land sturen (hoewel, als de Bijbel geloofd moet worden, is dat precies wat God deed.) Maar weer zien we dat christenen eerst uitgaan van het dogma “Jezus is de uitstraling van Gods glorie” etc., en dan pas van daaruit terug werken om “bewijzen” in dat licht te verklaren. Waarbij alles dat niet in het beeld past waaraan ze zich willen vastklampen, genegeerd wordt of van een tegengestelde betekenis voorzien.

   “Zou ik werkelijk Jezus willen inruilen voor "The Selfish Gene?” vraagt Robertson zich op spectaculair zinloze wijze af; want dat is een optie die niet beschikbaar is. Het is niet alleen zo dat niemand ( en Richard Dawkins al helemaal niet!) suggereert dat zelfzuchtige genen onderwerp van verering zouden moeten zijn, maar of Robertson het nu wil geloven of niet, ook hij is behept met zijn zelfzuchtige genen, net zoals hij behept is met een met de chimpansee gedeelde voorouder, net zo als met de kleur van zijn ogen.

   “Waarom zou ik de volheid van Jezus Christus willen ruilen voor de leegheid van een universum en een leven zonder God?” Het antwoord is nog steeds hetzelfde: die keus is niet beschikbaar voor Robertson of voor wie dan ook. Het universum is zoals het is, onverschillig wat hij gelooft, en er bestaat eenvoudig niets om het standpunt te steunen dat er enig bovennatuurlijk wezen achter zou staan. Er staat niets achter. Er staat niets in Robertsons argumenten dat niet verklaard kan worden door een combinatie van natuurkunde, scheikunde, biologie, evolutie, genetica, psychologie, sociologie en de leidmotieven van antieke verhalenvertellers.

   Maakt dit het leven leeg? Zonder betekenis? Deprimerend? Als u iemand bent die een ander nodig heeft om u te vertellen hoe u uw leven moet leiden; iemand anders om u te helpen beslissen, uw keuzen te maken en uw doelen te bepalen; iemand anders om u te vertellen dat u, ondanks uw verdorven natuur Gods oogappel bent, dan misschien wel. Echter, de rest van ons geniet van het besef dat we onze beperkte levensduur mogen gebruiken om met mensen om te gaan waar we van houden, om te leren, om te groeien in iedere betekenis van dat woord, te onderzoeken, doelen te bereiken, te geven, te delen, te vieren, aan te moedigen, te voeden, een bijdrage te leveren aan de gemeenschap en – met een beetje geluk – te helpen deze wereld een betere plaats te maken. Waarom zou ik of iemand anders de vreugde en het avontuur van zo’n leven opgeven voor de Calvinistische obsessie met het kwaad, met een leer die ieder mens als verdorven ziet?

Voor vervolg zie: Vlooienbeten 2

BESPROKEN BOEKEN:

John Cornwell, Darwin's Angel: "An Angelic Riposte to The God Delusion", Profile Books, 2007 (bespreking in vervolgartikel)

Alister McGrath with Joanna Collicutt McGrath, "The Dawkins Delusion?" , SPCK, 2007 (bespreking in vervolgartikel)

David Robertson, "The Dawkins Letters: Challenging Atheist Myths", Christian Focus, 2007

Andrew Wilson, "Deluded by Dawkins? A Christian Response to The God Delusion", Kingsway, 2007 (bespreking in vervolgartikel)

_____


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort