visitors on myspace
WAT VERTELLEN WE DE KINDEREN? | POSITIEF ATHEÏSME <>

WAT VERTELLEN WE DE KINDEREN?

image7313

NICHOLAS HUMPHREY


AMNESTY LEZING, OXFORD, 21 FEBRUARI 1997





'Stokken en stenen breken mijn benen, maar woorden kunnen mij nooit bezeren' gaat het gezegde. En omdat dit op zijn minst gedeeltelijk waar is, zoals met de meeste gezegden het geval is, is het logisch dat Amnesty International het grootste deel van haar inspanningen gericht heeft op het beschermen van mensen tegen de bedreiging van stokken en stenen in plaats van tegen woorden. Je zorgen maken over woorden moet een luxe probleem geleken hebben.

   Toch is dit gezegde, zoals de meeste gezegden, ook gedeeltelijk onwaar. Het feit bestaat dat woorden kunnen kwetsen. Om te beginnen, kunnen ze mensen indirect kwetsen door anderen aan te zetten hen te kwetsen: een kruistocht door een paus uitgeroepen, racistische propaganda door de Nazi’s, kwaadaardige laster door een rivaal.... En ze kunnen mensen minder indirect kwetsen, door ze tot acties aan te zetten die henzelf schade toebrengen: de leugens van een valse profeet, de chantage door een kwelgeest, de vleierij van een verleider.... En woorden kunnen ook direct leed toebrengen: de pijn geleden onder boosaardige woorden, de door een telegram gebrachte gevreesde boodschap..... de rancuneuze tirade die de toehoorder zijn kwelgeest doet smeken niets meer te zeggen....

   Het is inderdaad zelfs zo dat enkel woorden ronduit kunnen doden. Er bestaat een verhaal door Christopher Cherniac over een dodelijk woordvirus dat een bepaalde avond op computerschermen verscheen. Het had de vorm van een hersenbreker, een puzzel zo paradoxaal dat die op fatale wijze de hersenen aantastte van iedereen die ervan hoorde, waardoor men in een onomkeerbaar coma belandde. Fictie? Ja, natuurlijk. Maar een fictie met een aantal vreselijke parallellen in de echte wereld. 


   Historisch zijn er al veel te veel voorbeelden geweest van hoe woorden bezit kunnen nemen van iemands geest, en hoe ze zijn wil om te leven kunnen vernietigen. Denk bijvoorbeeld eens aan de voodoo dood. De medicijnman hoeft enkel zijn dodelijke toverspreuk over een mens uit te spreken, en binnen enkele uren sterft zijn slachtoffer. Of, op een grotere en verschrikkelijkere schaal, denk eens aan de massale zelfmoord in Jonestown in Guyana in 1972. De sekteleider Jim Jones hoefde slechts bepaalde krankzinnige denkbeelden in de hoofden van zijn discipelen te planten, en op zijn bevel dronken negenhonderd van hen vrijwillig cyanide.

  

   '.... maar woorden kunnen mij nooit bezeren?' Het is eerder zo dat woorden een unieke macht bezitten om te kwetsen. En als we een opsomming zouden moeten maken van alle door mensen veroorzaakte menselijke ellende, dan zouden het woorden zijn, niet stokken en stenen, die bovenaan de lijst zouden staan. Zelfs vuurwapens en springstoffen zouden bij vergelijking speelgoed lijken. Vladimir Mayakovsky schreef in zijn gedicht Ik: 'Op het trottoir/ van mijn vertrapte ziel/ stampen de zolen van gekken/ de indruk van woeste, rauwe, woorden.' 

Horen we campagne te voeren voor het recht van menselijke wezens om beschermd te worden tegen verbale onderdrukking en manipulatie?

   Moeten we dan de strijd van Amnesty International ook op dit front vechten? Horen we campagne te voeren voor het recht van menselijke wezens om beschermd te worden tegen verbale onderdrukking en manipulatie? Hebben we woordwetten nodig, net zo als alle beschaafde gemeenschappen vuurwapenwetten hebben, die bepalen aan wie vergund wordt ze te gebruiken en onder welke omstandigheden? Hoort er een Conventie van Geneve te komen die bepaalt welke soorten van spraak aangemerkt moeten worden als misdaden tegen de menselijkheid?

   Nee. Ik ben er van overtuigd dat in het algemeen het antwoord daarop moet zijn: 'Nee, daar moet je zelfs niet aan denken.' Vrijheid van meningsuiting is een te kostbare vrijheid om mee te gaan knoeien. En onverschillig hoe pijnlijk de gevolgen daarvan soms kunnen zijn voor bepaalde mensen, moeten we toch principieel weerstand bieden tegen het opleggen van beperkingen op die vrijheid. Natuurlijk moeten we proberen de schade te herstellen die de woorden van andere mensen kunnen aanrichten, maar niet door het censureren van die woorden zelf.

   En, aangezien ik daar in het algemeen zo zeker van ben, en aangezien ik verwacht dat de meeste van u dat ook zijn, zal ik u waarschijnlijk shockeren als ik zeg dat het doel van mijn lezing vandaag is om precies het tegengestelde te betogen, op een bepaald terrein. In het kort, om argumenten aan te dragen ten gunste van censuur, tegen de vrijheid van meningsuiting, en dat bovendien te doen op een terrein dat traditioneel altijd voor onaantastbaar wordt gehouden.

   Ik heb het nu over moreel en religieus onderwijs. En in het bijzonder de opvoeding die een kind thuis krijgt, waar het ouders toegestaan wordt —zelfs van ze verwacht wordt —om voor hun kinderen te bepalen wat als waarheid of als leugen geldt, wat verkeerd is en wat goed.

children-jump

   Kinderen, zo ga ik betogen, hebben een mensenrecht om hun geest niet te laten aantasten door blootstelling aan de verkeerde denkbeelden van anderen —onverschillig wie die andere mensen zijn. Dientengevolge hebben ouders geen door god gegeven vergunning om hun kinderen op te voeden op de manier die ze persoonlijk kiezen; geen recht om de horizon van hun kennis te beperken, ze op te laten groeien in een atmosfeer van dogma en bijgeloof, of om ze te dwingen het rechte en smalle pad van hun eigen geloof te gaan volgen.

   Kinderen, in het kort, hebben er recht op dat hun geest niet door nonsens bedorven wordt. En wij als gemeenschap hebben de plicht ze daartegen te beschermen. Dus moeten we net zo min toestaan dat ouders hun kinderen leren geloven dat bijvoorbeeld de bijbel de letterlijke waarheid bevat, of dat de planeten hun levensloop bepalen, als we ouders mogen toestaan hun kinderen te mishandelen of ze in kelders op te sluiten.

   Dat is de negatieve kant van wat ik wil zeggen. Maar er is ook een positieve kant. Als kinderen er recht op hebben beschermd te worden tegen slechte denkbeelden, hebben ze ook recht op eerlijke voorlichting. En wij als gemeenschap hebben de plicht daarin te voorzien. Daarom horen we ons net zo verplicht te voelen de beste wetenschappelijke en filosofische inzichten over de natuurlijke wereld aan ze door te geven — ze bijvoorbeeld de waarheden over evolutie en kosmologie te leren, of de methoden van rationeel onderzoek — net zoals we ons al verplicht voelen ze te voeden en te huisvesten.

   Ik veronderstel dat u mijn goede bedoelingen hier niet in twijfel zult trekken. Maar toch realiseer ik me dat er velen onder mijn gehoor kunnen zijn — in het bijzonder de meer liberalen onder u — die het niet met dit idee eens zullen zijn; noch met de negatieve kant er van, en nog minder met de positieve.

   In dat geval, zullen onder alle vragen die u voor me zult hebben, waarschijnlijk de volgende voorkomen:

   Ten eerste, wat betreft die waarheden en leugens? Hoe kan iemand tegenwoordig nog het lef hebben vol te houden dat de moderne wetenschappelijke kijk op de wereld de enig juiste is? Hebben de postmodernisten en de relativisten ons niet doen inzien dat ongeveer alles op zijn eigen manier waar kan zijn? Welke mogelijke rechtvaardiging kan er dan bestaan voor de aanmatiging om kinderen tegen een bepaalde verzameling denkbeelden te beschermen en ze andere voor te houden, als ze tenslotte allemaal in dezelfde mate geldig zijn?

   Ten tweede, zelfs als we veronderstellen dat wetenschappelijk inzicht gewoon echt meer waar is dan sommige andere inzichten, wie zou dan durven te beweren dat dit meer ware inzicht in de wereld ook het betere is? En dan nog, beter voor iedereen? Is het niet mogelijk — of zelfs waarschijnlijk — dat bepaalde personen, in aanmerking nemende wie ze zijn en wat hun situatie in het leven is, beter gediend zouden kunnen zijn bij een van die minder ware inzichten in de wereld? Hoe kan het in hemelsnaam juist zijn, vol te houden dat kinderen opgevoed moeten worden om op deze moderne manier te denken, als in de praktijk de meer traditionele denkwijze wel eens beter voor ze zou kunnen zijn?

   Ten derde, zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat bijna iedereen echt gelukkiger zou zijn en beter af als ze opgevoed waren met het moderne wetenschappelijke beeld, willen we dan werkelijk — als globale gemeenschap — dat iedereen over de gehele wereld hetzelfde denkt, dat iedereen in dezelfde saaie wetenschappelijke monocultuur leeft? Willen we dan geen pluralisme en culturele diversiteit? Laat honderd bloemen bloeien, laat honderd denkwijzen wortel schieten.

   En dan, tenslotte, als het er werkelijk op aan komt, waarom zouden de rechten van kinderen als belangrijker moeten worden gezien dan de rechten van andere mensen? Iedereen is natuurlijk bereid toe te geven dat kinderen meestal naïef en daarom kwetsbaar zijn, en daarom meer bescherming nodig hebben dan hun senioren. Maar dan nog, waarom zouden hun speciale rechten in dit opzicht voorrang moeten krijgen over de rechten van iedereen anders in andere opzichten? Hebben ouders ook niet hun eigen rechten, hun recht als ouders? Het recht, meest voor de hand liggend, om ouders te zijn, of letterlijk om kinderen voort te brengen en ze voor te bereiden op de toekomst, op de manier die zij als juist beoordelen?

   Goede vragen? Makkelijk te beantwoorden vragen, zullen sommigen van u denken, vragen waarop ieder ruimdenkend en progressief mens maar een enkel antwoord op kan geven.

   Ik ben het er mee eens dat het tamelijk goede vragen zijn, en vragen die ik dien te behandelen. Maar ik denk dat het helemaal niet zo voor de hand ligt wat de antwoorden moeten zijn. Vooral niet voor de liberaal. Het is zelfs zo, dat als we de context niet eens zo heel veel zouden veranderen, ik er zeker van ben dat het liberale instinct van de meeste mensen ze de totaal andere kant op zou sturen.

   Laten we eens veronderstellen dat we het niet over de geesten van kinderen zouden hebben, maar over hun lichamen. Stel dat de kwestie niet zou zijn wie de intellectuele ontwikkeling van een kind mag bepalen, maar wie de ontwikkeling mag bepalen van haar handen en voeten.... of geslachtsdelen.

   Laten we eens even veronderstellen dat dit een lezing is over vrouwenbesnijdenis. En dat de vraag niet zou zijn of het iemand toegestaan moet worden een meisje kennis over Darwin te onthouden, maar of het iemand gegund moet worden haar het gebruik van een clitoris te ontnemen.

   En nu ga ik hier stellen dat het meisje er recht op heeft intact gelaten te worden, dat haar ouders het recht niet hebben hun dochters te verminken omdat het in hun socio-seksuele opvattingen past, en dat wij als gemeenschap dat horen te voorkomen. En bovendien, om ook de positieve kant te belichten, dat ieder meisje eigenlijk aangemoedigd zou moeten worden om te ontdekken hoe ze het intacte lichaam waarmee ze geboren is, tot haar eigen voordeel kan gebruiken.

   Zou u dan nog steeds die goede vragen voor me hebben? En zou het nog steeds zo voor de hand liggen wat de liberale antwoorden zijn? Er kunnen lessen worden getrokken — zelfs als het vreselijke zijn — uit het luisteren naar hoe de vragen klinken.

   In de eerste plaats, wat bedoelen we met 'intact zijn' en 'verminking'? Hebben de antropologische relativisten ons niet geleerd dat het idee dat zoiets als 'absoluut intact zijn' een illusie is, en dat meisjes in bepaalde opzichten nog net zo intact zijn zonder hun clitoris?

   En dan nog, zelfs als niet-besneden meisjes gewoon meer intact zijn, wie zal dan zeggen dat intact zijn een deugd is? Zou het niet mogelijk zijn dat sommige meisjes, gezien hun leefomgeving, in werkelijkheid beter af zijn door niet meer zo intact te zijn? Wat als de mannen in hun cultuur vinden dat ze niet met intacte vrouwen kunnen trouwen?

   Bovendien, wie wil in een wereld wonen waarin alle vrouwen standaard geslachtsdelen hebben? Is het niet essentieel voor de instandhouding van de rijke schakering van menselijke cultuur dat er tenminste nog een paar groepen zijn waar besnijdenis nog steeds in zwang is? Verrijkt het niet indirect de levens van ons allen, te weten dat ergens in de wereld van sommige vrouwen de clitoris is verwijderd?

   En ook nog, waarom zouden het alleen de rechten van meisjes zijn waar we ons druk over maken? Hebben andere mensen dan geen rechten in verband met besnijdenis? Wat denkt u van de rechten van de besnijders, hun rechten als besnijders? Of de rechten van de moeders om te doen wat zij het beste denken, net zoals het in hun dagen was toen het bij hen gedaan werd?

   Ik hoop dat u het met mij eens bent, dat de antwoorden nu een andere kant uit gaan. Maar misschien zullen sommigen van u zeggen dat de vergelijking niet helemaal eerlijk is. Wat de oppervlakkige overeenkomsten tussen iets aan het lichaam van een kind doen en iets aan haar geest doen ook mogen zijn, er zijn verscheidene duidelijke en belangrijke verschillen. Om te beginnen zijn de gevolgen van besnijdenis definitief en onomkeerbaar, terwijl de gevolgen van zelfs het meest beperkende regime van opvoeding misschien later nog ongedaan gemaakt kunnen worden. En een ander ding is dat besnijdenis de verwijdering inhoudt van iets dat al deel van het lichaam vormt en dus natuurlijk gemist gaat worden, terwijl opvoeding toevoeging van geselecteerde dingen aan de geest betekent, dingen die daar anders nooit geweest zouden zijn. Om van het genot van lichamelijke sensaties beroofd te zijn is een belediging op het meest persoonlijke niveau, maar om een manier van denken ontnomen te zijn is misschien geen groot persoonlijk verlies.


20080517-Besnijdenis-meisje-4MEISJESBESNIJDENIS

   Dus, zou u kunnen stellen, is de vergelijking voor ons veel te grof om van te leren. En die oorspronkelijke vragen, over het recht om de opvoeding van kinderen te bepalen, moeten nog steeds gesteld worden, en beantwoord in hun eigen context.

   Goed dan. Ik zal proberen ze net zo te beantwoorden — en dan zullen we zien of de vergelijking met besnijdenis oneerlijk was. Maar er kan nog een ander soort bezwaar tegen mijn project bestaan dat ik eerst moet behandelen. Want het zou gesteld kunnen worden, veronderstel ik, dat de hele kwestie van intellectuele rechten niet de moeite waard is, aangezien er maar zo weinig kinderen in de wereld feitelijk risico lopen beschadigd te worden door een ernstige misleidende vorm van opvoeding — en dat degenen die dit doen meestal ver weg zijn en buiten ons bereik.

   Echter, terwijl ik dit zeg, vraag ik mij af of iemand een dergelijke bewering kan maken zonder met de ogen te knipperen. Kijk om u heen — dicht bij huis. Wij leven zelf in een gemeenschap waarvan de meeste volwassenen — niet alleen een paar gekken, maar de meeste volwassenen — aanhangers zijn van een hele variëteit aan onwerkelijke en onzinnige geloven, die ze op een of andere wijze schaamteloos aan hun kinderen opleggen. 

   In de Verenigde Staten bijvoorbeeld — die ik als voorbeeld noem omdat ik daar momenteel woon — schijnt het soms dat bijna iedereen hetzij een religieuze fundamentalist is of een New Age mysticus, of beide. En zelfs degenen die dit niet zijn, durven dat nauwelijks toe te geven. Opinie onderzoeken tonen aan dat bijvoorbeeld een volle 98 procent van de VS bevolking zegt in God te geloven, dat 70 procent gelooft in een leven na de dood, dat 50 procent gelooft in spiritisme, dat 30 procent denkt dat hun levens direct beïnvloed worden door de positie van de sterren (en 70 procent volgt in ieder geval hun horoscopen — voor alle zekerheid), en dat 20 procent gelooft dat zij gevaar lopen door buitenaardse wezens ontvoerd te worden.

   Het probleem — ik bedoel het probleem van de opvoeding van kinderen — is niet alleen dat zoveel volwassenen positief geloven in dingen die compleet in tegenspraak zijn met het moderne wetenschappelijke wereldbeeld, maar ook dat zovelen niet geloven in zaken die absoluut centraal staan in het wetenschappelijk denken. Een onderzoek dat vorig jaar gepubliceerd werd toonde aan dat de helft van de Amerikaanse bevolking bijvoorbeeld niet weet dat de aarde in een jaar tijd om de zon heen draait. Minder dan een in tien weet wat een molecuul is. Meer dan de helft accepteert niet dat menselijke wezens geëvolueerd zijn uit dierlijke voorouders; en minder dan een in tien gelooft dat evolutie — als die werkelijk gebeurd is — kon plaats vinden zonder enige invloed van buiten af. Niet alleen kennen mensen de resultaten van wetenschap niet, vaak weten ze zelfs niet wat wetenschap is. Wanneer gevraagd wordt waarin de wetenschappelijke methode zich onderscheidt, realiseert slechts 2 procent zich dat dit inhoudt dat theorieën op de proef worden gesteld, 34 procent had een vaag idee dat het iets met experimenten en metingen te maken heeft, maar 64 procent had totaal geen idee.

   En deze getallen, zorgwekkend als ze al zijn, geven niet eens alles weer waar kinderen aan blootstaan. Die zeggen alleen iets over de geloven van typische mensen, en dus over de geloofsomgeving van het gemiddelde kind. Want er bestaan ook kleine maar veelbetekende gemeenschappen vlak bij ons om de hoek — en ik bedoel letterlijk vlak om de hoek, in New York, of Londen of Oxford — waar de situatie aantoonbaar veel meer verkeerd is: gemeenschappen waar niet alleen bijgeloof en onwetendheid rotsvast ingebed zijn, maar waar dit ook nog eens vergezeld gaat met de oplegging van een onderdrukkend regime van sociaal en persoonlijk gedrag — voor wat betreft hygiëne,dieet, seks, kleding, man/vrouw verhoudingen, huwelijksarrangementen, enzovoort. Ik denk bijvoorbeeld aan de Amish christenen, Chassidische joden, Jehova's Getuigen, orthodoxe moslims.... Of, evengoed, de radicale New Agers.... allen ongetwijfeld heel verschillend van elkaar, allemaal met hun eigen obsessies en neuroses, maar allemaal gelijk in hun instandhouding van een intellectuele en culturele kerker voor degenen die onder hen leven. 

   Misschien dat in theorie de kinderen daar niet onder hoeven te lijden. Volwassenen zouden misschien hun geloven voor zichzelf kunnen houden en geen actieve pogingen ondernemen die door te geven. Maar ik ben er zeker van dat we beter weten dan dat te verwachten. Dit soort zelfbeperking ligt gewoon niet in de aard van een ouder/kind relatie. Als een moeder bijvoorbeeld oprecht gelooft dat het eten van varkensvlees een zonde is, of dat de beste behandeling tegen depressie een kristal tegen het voorhoofd houden is, of nadat ze gestorven is ze gereïncarneerd zal worden als een civetkat, of dat Steenbokken en Rammen wel ruzie moeten krijgen, dan is het nauwelijks waarschijnlijk dat ze haar nakomelingen zulke serieuze kennis zal onthouden.

   Maar nog veel belangrijker, zoals Richard Dawkins zo duidelijk heeft uitgelegd, ligt dit soort zelfbeperking niet in de aard van succesvolle religie systemen. In het algemeen floreren religie systemen of sterven ze uit, in evenredigheid met hun succes in reproductie en competitie. Hoe beter het systeem slaagt in het voortbrengen van kopieën van zichzelf, en hoe beter het is in het afweren van rivaliserende geloof systemen, hoe groter haar kansen zijn om te evolueren en overleven. Zodoende kunnen we verwachten dat het kenmerkend is voor succesvolle geloof systemen — vooral die welke overleven als alles tegen ze schijnt te pleiten — dat hun aanhangers een obsessie met opvoeding en discipline zullen vertonen: volhouden aan de juistheid van hun eigen manieren, die van anderen tot onzin verklaren of de toegang daartoe onmogelijk maken. Bovendien kunnen we verwachten dat ze veel van hun inspanningen zullen richten op de kinderen thuis, terwijl ze nog beschikbaar, ontvankelijk en kwetsbaar zijn. Want zoals de Jezuïeten leermeester ooit schreef: 'Geef mij de opvoeding van kinderen voor ongeveer de eerste zeven jaar, dan kan het mij niet schelen wie ze daarna krijgt, ze zullen levenslang de mijne zijn.'

   Donald Kraybill, een antropoloog die een diepgaande studie gemaakt heeft van de Amish gemeenschap in Pennsylvania, was in een goede positie om te observeren hoe dit in de praktijk werkt. 'Groepen die door cultureel uitsterven worden bedreigd', schrijft hij, 'moeten hun nakomelingen indoctrineren als zij hun unieke erfgoed willen preserveren. Socialisatie van de allerjongsten is een van de meest doeltreffende vormen van sociale controle.'


amish_children_with_colt_010

                                        AMISH KINDEREN

   'Terwijl culturele waarden de geest van een kind binnenglippen, worden ze persoonlijke waarden — verankerd in het geweten en geleid door emotie.... De Amish stellen dat de Bijbel ouders benoemd heeft om hun kinderen zowel in religieuze zaken als in de Amish manieren op te voeden..... een etnische kwekerij, bemand door een uitgebreide familiekring en kerkleden, kneedt het Amish wereldbeeld vanaf de prilste momenten van bewustzijn in de geest van het kind.'

   Maar wat hij hier beschrijft is natuurlijk niet beperkt tot de Amish. 'Een etnische kwekerij, bemand door een uitgebreide familiekring en kerkleden' kan net zo goed een beschrijving zijn van de vroegste omgeving van een katholiek in Belfast, van een Sikh in Birmingham, van een Chassidische jood in Brooklyn — of misschien van het kind van een Oxford docent. 

   Alle sekten die zich serieus bezig houden met hun eigen voortbestaan, proberen met alle beschikbare middelen om de geest van hun kinderen te overstelpen met hun eigen propaganda, en de toegang tot alternatieve gezichtspunten voor ze af te sluiten.

   In de Verenigde Staten is deze vorm van restrictief onderwijs nog steeds wettelijk toegestaan. Ouders hebben het wettelijke recht om hun kinderen uitsluitend thuis te onderwijzen als zij dit wensen, en bijna een miljoen gezinnen doet dit ook. Maar nog veel meer mensen, die grenzen willen stellen aan wat hun kinderen leren, kunnen vertrouwen op de duizenden sektarische scholen die onder minimaal staatstoezicht mogen opereren.

   Een Amerikaans gerechtshof heeft recent nog bepaald dat het onderwijzende personeel op een Baptisten school ten minste over onderwijs bevoegdheid moet beschikken; maar tegelijkertijd erkende het hof dat het gehele doel van een dergelijke school is om de ontwikkeling van de kindergeest in een religieuze omgeving te bevorderen en dat het daarom de school toegestaan moest worden om alle onderwerpen op haar manier te onderwijzen. Wat in dit geval betekende dat alle onderwerpen vanuit een bijbels gezichtspunt gepresenteerd konden worden, en van het onderwijzende personeel, toezichthouders en assistenten instemming vereist werd met het doctrinaire standpunt van de kerk.

   Toch hebben ouders nauwelijks steun van de wet nodig om een dergelijke verderfelijke hegemonie over de geest van hun kinderen te kunnen uitoefenen. Want ongelukkigerwijze bestaan er vele manieren om kinderen te isoleren van invloeden van buitenaf, zonder ze daar fysiek uit te hoeven verwijderen of te beperken wat zij in de klas mogen horen. Verkleedt een klein jongetje in het uniform van de orthodoxe joden, draai krulletjes in zijn bakkebaarden, onderwerp hem aan de taboes van een exotisch dieet, zorg dat hij het hele weekeinde in de Thora leest, vertel hem dat niet-joden smerig zijn, dan kun je hem naar iedere school in de wereld sturen en dan is hij nog steeds het kind van een orthodoxe jood.

   Hetzelfde — pas alleen de voorwaarden een beetje aan geldt voor het kind van de moslims, of de rooms-katholieken, of de volgelingen van de Maharishi Yogi.

   Nog zorgwekkender is het feit dat kinderen zelf vaak onwetend meewerken in dit spel van afzondering. Want kinderen leren maar al te gemakkelijk wie ze zijn, wat ze is toegestaan en waar ze niet mogen gaan — zelfs in het denken. John Schumaker, een Australische psycholoog, heeft zijn eigen katholieke jeugd beschreven: 'Ik geloofde vol overtuiging dat ik in een eeuwig vuur zou branden als ik vlees zou eten op vrijdag. Toch kan ik het niet helpen dat ik nog vaak terug denk aan de vele zaterdagen waarop me haastte om te gaan biechten over de sandwich met vlees en ketchup die ik de dag er voor niet had kunnen weerstaan. Meestal hoopte ik niet voortijdig te sterven, niet voor de biecht van drie uur die middag.'

   Maar toch.... deze bepaalde katholieke jongen is er aan ontsnapt en kan het navertellen. In feite werd Schumaker atheïst, en is hij doorgegaan met het van zijn goddeloosheid een soort beroep te maken. En natuurlijk is hij niet uniek. Er bestaan talloze andere voorbeelden, we kennen ze allen, de mannen en vrouwen die in hun jeugd gedwongen werden junior leden te worden van een sekte, christelijk, joods, moslim, marxist — en die er toch aan de andere kant weer uitkwamen als vrijdenkers, ogenschijnlijk onbeschadigd door de ervaring.

   Dan ben ik maar, als het er op aan komt, te veel een onrust zaaier over wat dit allemaal in houdt. Een ding is zeker, de gevaren zijn echt. We leven — zelfs in onze geavanceerde, democratische, westerse wereld — in een milieu van spirituele onderdrukking, waarin veel kleine kinderen — de kinderen van onze buren als het niet onze kinderen zijn — dagelijks blootgesteld worden aan pogingen van volwassenen om hun geest te annexeren. Maar misschien wilt u er toch op wijzen dat er een groot verschil bestaat tussen wat volwassenen willen en wat daar uiteindelijk van terecht komt. Goed, kinderen worden dus vaak met volwassen onzin opgezadeld. Misschien is dat alleen maar iets waar het kind zich tijdelijk in moet schikken totdat hij of zij het huis verlaat, en dit dan achter zich kan laten. In dat geval zou ik toe moeten geven dat de zaak lang niet zo ernstig is als ik die heb voorgesteld. Tenslotte worden er zeker vaak een heleboel dingen gedaan met kinderen, hetzij per ongeluk of expres die — hoewel die destijds niet ideaal waren voor het kind —geen blijvende nadelige gevolgen hebben.

   Dan zou ik antwoorden: Ja en nee. Ja, natuurlijk moeten we niet dezelfde fout maken als in een eerder tijdperk van psychologie, en aannemen zorg dat hij het hele weekeinde in de Thora leest, vertel hem dat niet-joden smerig zijn, dan kun je hem naar iedere school in de wereld sturen en dan is hij nog steeds het kind van een orthodoxe jood. Hetzelfde — pas alleen de voorwaarden een beetje aan — geldt voor het kind van de moslims, of de rooms-katholieken, of de volgelingen van de Maharishi Yogi.

   De vraag was, doet indoctrinatie op jeugdige leeftijd er aan toe. En het antwoord is, spijt mij te zeggen, dat het er meer aan toe doet dan u zou denken. De Jezuïet wist waarover hij sprak. Hoewel menselijke wezens opmerkelijk veerkrachtig zijn, is het een feit dat de gevolgen van een goed ontworpen indoctrinatiesysteem toch onomkeerbaar kunnen blijken te zijn, omdat een van de gevolgen van die indoctrinatie nu juist precies de middelen en de motivatie tot omkeer heeft verwijderd. De meeste van deze geloofssystemen zouden eenvoudig niet kunnen overleven in een vrije en open markt van vergelijking en kritiek, maar men heeft er op een geslepen manier voor gezorgd dat ze dat ook niet hoeven te doen, door gelovigen in te lijven als hun eigen gevangenenbewaarders. Dus de pientere jonge knaap, vol hoop en vreugde en onderzoekingsdrift, verwordt te zijner tijd tot de knikkende oudere, begraven in de Thora; het kleine meisje, fris als de ochtendstond, verwordt tot de verlopen New Age aardse moeder, verloren in nevels van bijgeloof.

  Toch kunnen we ons afvragen, als dit het geval is: wat zou er gebeuren als dit soort vicieuze cirkels met geweld doorbroken zouden worden? Wat zou er bijvoorbeeld gebeuren als er van buitenaf een verplichte time-out zou worden opgelegd? Zouden we niet voorspellen, juist omdat het een vicieuze cirkel is, dat het proces van ontwikkeling tot volledig overtuigd gelovige verrassend gemakkelijk te doorbreken is? Ik denk dat de duidelijkste bewijzen over hoe deze geloofssystemen hun karakteristieke macht over aanhangers hebben kunnen handhaven, in feite gevonden worden in historische voorbeelden van wat er gebeurde toen groepsleden onvrijwillig blootgesteld werden aan de frisse lucht van de buitenwereld.

   Een interessante test vond plaats in de zestiger jaren, in het geval van de Amish en de militaire dienstplicht. De Amish hebben consequent geweigerd om in de gewapende macht van de Verenigde Staten te dienen, op grond van gewetensbezwaren. Tot aan de zestiger jaren toe werd aan Amish jongemannen van dienstplichtige leeftijd landbouw-uitstel verleend, waardoor het hen werd toegestaan veilig op de familie boerderij te blijven werken. Maar toen de dienstplicht werd voortgezet vanwege de oorlog in Vietnam, kwam een toenemend aantal van deze mannen niet meer in aanmerking voor landbouw-uitstel en kregen zij, in plaats daarvan, twee jaar vervangende dienstplicht in openbare ziekenhuizen. Hier werden zij — of ze dat nu leuk vonden of niet — in aanraking gebracht met allerlei soorten van niet-Amish mensen en niet-Amish manieren. Nu bleek dat toen voor deze mannen de tijd aanbrak om weer naar huis terug te keren, velen dit niet meer wilden en dat zij verkozen uit die gemeenschap te ontsnappen. Zij hadden de geneugten van een meer open, avontuurlijke, vrijdenkende manier van leven geproefd — en ze waren niet bereid om daarna dit alles nog steeds verleiding en misleiding te blijven noemen.

   Terecht werden deze ontsnappingen door Amish leiders als een serieuze bedreiging voor de overleving van hun cultuur beschouwd, zodat zij snel stappen namen om met de regering te gaan onderhandelen over een speciale overeenkomst, waaronder alle toekomstige dienstplichtigen voortaan naar Amish boerderijen zouden worden gezonden, zodat deze inbreuk op hun beveiligingssysteem niet weer kon plaatsvinden.

   Laten we eens inventariseren. Ik heb de overlevingsstrategieën besproken van sommige van de meer hardnekkige geloofssystemen — de epidemiologie, zo u wilt, van die religies en pseudo-religies die Richard Dawkins de culturele virussen heeft genoemd. Maar u zult zien, vooral uit het laatste voorbeeld, dat we het volgende en belangrijker aspect dat ik wil bespreken, beginnen te naderen: de ethische kant.

   Veronderstel dat, zoals het Amish geval suggereert, de jongere leden van een dergelijk geloof —als ze de gelegenheid krijgen zelf te beslissen — verkiezen te vertrekken. Zegt dit niet in de eerste plaats iets belangrijks over de moraliteit van het aan kinderen opleggen van een dergelijk geloof? Ik denk van wel. In feite denk ik dat dit alles inhoudt dat we nodig hebben om het te kunnen veroordelen. 

   U zult het met me eens zijn, dat als we het over vrouwenbesnijdenis zouden hebben, we daartegen morele argumenten kunnen aanvoeren, gewoon gebaseerd op de vraag of een vrouw daar zelf voor zou kiezen. Gesteld — ik neem aan dat het een feit is — dat de meeste vrouwen die als kind besneden werden, er de voorkeur aan zouden hebben gegeven intact te blijven als ze geweten zouden hebben wat ze later daardoor zouden missen. Gesteld dat praktisch geen enkele vrouw die als kind niet besneden is, op latere leeftijd vrijwillig die operatie zal ondergaan. In het kort, gesteld dat dit niet iets is wat vrije vrouwen willen dat er met hun lichaam gebeurt. Dan zal duidelijk zijn dat mensen die gebruik maken hun tijdelijke macht over het lichaam van een kind om die operatie uit te voeren, misbruik maken van die macht en verkeerd handelen.

   Nu dan, als dit zo is voor lichamen, dan geldt dat ook voor geesten. Gesteld, laten we zeggen, dat de meeste mensen die opgevoed zijn als leden van een sekte er de voorkeur aan zullen geven daar buiten te blijven, zodra ze weten wat hen altijd is onthouden. Gesteld dat bijna niemand die niet op die manier is opgevoed, later vrijwillig een dergelijk geloof aanneemt. Gesteld in het kort dat dit niet een geloof is dat een vrijdenker zou aannemen. Dan wordt het op gelijke wijze duidelijk, dat wie gebruik maakt van zijn tijdelijke macht over de geest van een kind om dat kind zijn eigen geloof op te leggen, evenzo misbruik van zijn macht maakt en verkeerd handelt.

   En zo kom ik tot mijn belangrijkste punt — en les — van deze lezing. Ik wil een algemene test voorstellen om te beslissen of, en wanneer, het onderwijzen van een geloofssysteem aan kinderen moreel verdedigbaar is. Als volgt: Als het ooit het geval zou zijn dat het aan kinderen onderwijzen van dit systeem gaat betekenen dat zij er op latere leeftijd een geloof op na zullen gaan houden dat zij waarschijnlijk niet zelf gekozen zouden hebben als zij werkelijke toegang tot de alternatieven zouden hebben gehad, dan is het moreel verkeerd van diegenen die zich aanmatigen om hen dat systeem dwingend op te leggen, en om namens hen hun keuze daartoe te bepalen. Niemand heeft het recht om verkeerde keuzes voor iemand anders te maken.

   Ik moet toegeven dat het niet eenvoudig zal zijn om deze test toe te passen. Een sociaal experiment zoals dat het geval was met de Amish en de dienstplicht zal maar zelden voorkomen. En zelfs een dergelijk experiment levert niet de beslissende test op die ik wil voorstellen. Tenslotte werden aan de Amish jongemannen de alternatieven niet eerder geboden dan toen ze al bijna volwassen waren, terwijl wat wij willen weten is wat de kinderen van de Amish of enige andere sekte voor zichzelf zouden kiezen, als het hen bij voortduring toegestaan zou worden om kennis te nemen van het hele scala aan alternatieven. Maar in de praktijk zal een dergelijke complete vrije keuze natuurlijk nooit beschikbaar zijn.

   Toch denk ik, hoe utopisch het criterium ook is, dat de morele implicaties nogal duidelijk blijven. Want, zelfs veronderstellende dat we niet kunnen weten — en alleen kunnen gissen op grond van zwakkere testen — of een persoon met een werkelijke vrije keuze zelf de geloven zou kiezen die anderen hem willen opleggen, dan moet deze onwetendheid op zichzelf al reden genoeg zijn voor het moreel afkeuren om daarmee door te gaan. Eigenlijk is het misschien de beste manier om de zaak om te keren, en te zeggen: alleen als we weten dat het onderwijzen van een bepaald systeem aan kinderen zal betekenen dat zij later in het leven dingen gaan geloven, die zij dan nog steeds voor zichzelf zouden kiezen als hen in het verleden ook toegang tot de alternatieven geboden zou zijn, alleen dan kan het iemand moreel toegestaan zijn om hen die waarden op te leggen en om namens hen te kiezen. En in alle andere gevallen moet het morele imperatief zijn om zich daarvan te onthouden.

   Welnu, ik veronderstel dat de meeste van u het daar van harte mee eens zijn — zo ver als het gaat. Natuurlijk, als alle andere dingen gelijk zijn, heeft iedereen het recht om zelf te beslissen over zijn of haar lichaam en geest — en moet het inderdaad moreel verkeerd zijn van anderen als die dat willen verhinderen. Maar dat geldt: als alle andere dingen gelijk zijn. En om verder te gaan op die vragen die ik eerder aan de orde stelde, wat gebeurt er als andere dingen niet gelijk zijn?

   Het is natuurlijk een erkend gegeven in de ethiek dat de rechten van het individu soms moeten wijken of beperkt moeten worden in het belang van een groter goed, of om de rechten van anderen te beschermen. En het is zeker niet onmiddellijk duidelijk waarom het geval van de intellectuele rechten van kinderen een uitzondering zou moeten zijn.

   Zoals we gezien hebben, bestaan er verscheidene factoren die daarmee in tegenspraak lijken te zijn. En van deze schijnt voor veel mensen het zwaarst wegende te zijn, want dit wordt tenminste vaak als eerste genoemd, en dat het in ons belang is als gemeenschap om de culturele diversiteit in stand te houden.

   Toegegeven, zult u geneigd zijn te zeggen, dan is het dus moeilijk voor een kind van de Amish, of van Chassidische joden, of van zigeuners, om door hun ouders op hun manier opgevoed te worden — maar het resultaat is tenminste dat deze fascinerende tradities behouden blijven.. Zou onze samenleving niet verarmen als die verloren raken? Misschien is het jammer dat individuen opgeofferd moeten worden om die diversiteit in stand te houden. Maar het zij zo, dat is de prijs die we als gemeenschap moeten betalen.

   Alleen, moet ik u aan herinneren, wij betalen dat niet, zij doen dat.

   Laat me een sprekend voorbeeld geven. In 1995 vonden bergbeklimmers in het hooggebergte van Peru het bevroren en gemummificeerde lichaam van een jong Inca meisje. Ze was als een prinses gekleed. Ze was dertien jaar oud.


inca girl

HET GEOFFERDE INCA MEISJE

   Ongeveer vijfhonderd jaar geleden werd naar het schijnt dit kleine meisje levend de berg opgevoerd door een stel priesters, en daar ritueel vermoord — een offer aan de goden van de berg, in de hoop dat die gunstig op de mensen beneden zouden neer zien.

   De ontdekking werd door de antropoloog Johan Reinhard beschreven in een artikel voor het National Geographic Magazine. Hij was duidelijk opgetogen, zowel als wetenschapper en als mens, over de romantiek van de vondst van deze 'IJsmaagd', zoals hij haar noemde. Maar toch gaf hij ook uitdrukking aan bedenkingen over hoe zij daar gekomen was: 'We kunnen niet anders dan huiveren', schreef hij, 'over de gewoonte van het Inca volk om mensenoffers te brengen.'

   De ontdekking werd ook onderwerp voor een documentaire film die op Amerikaanse televisie getoond werd. Hierin werd echter geen enkele terughoudendheid betoond. In plaats daarvan werd de kijker eenvoudig aangespoord bewondering te voelen voor de toewijding van de Inca priesters, en met het meisje haar trots en opwinding te delen op haar laatste reis, omdat zij gekozen was voor die allerhoogste eer om geofferd te worden. De boodschap van het tv-programma was in feite dat de praktijk van het mensenoffer op zichzelf een glorieuze culturele uitvinding was — alweer een juweel in de kroon van het multiculturalisme, zo scheen men te willen zeggen.

   Toch, hoe durft iemand dat zelfs maar te suggereren? Hoe durft men ons op te wekken — in onze huiskamers terwijl we tv kijken —om ons verheven te voelen bij de overdenking van een rituele moord: de moord op een afhankelijk kind door een groep domme, opgeblazen, bijgelovige, onontwikkelde oude mannen? Hoe durft men ons op te roepen iets goeds in onszelf te vinden bij de overweging van een immorele actie tegen een ander?

   Immoreel? Volgens Inca waarden? Nee, die doen er niet aan toe. Immoreel volgens onze waarden — in het bijzonder die van vrije keus die ik eerder uiteenzette. Het doodeenvoudige feit is dat niemand van ons, wetende hoe de wereld in elkaar steekt, er vrijwillig voor zou kiezen om net als zij geofferd te worden. En hoe 'trots' het Inca meisje misschien ook was of niet was, dat de keuze voor haar gemaakt werd door haar familie (en voor zover we weten kan ze zich feitelijk verraden en doodsbang gevoeld hebben), we kunnen er aardig zeker van zijn, dat als zij geweten had wat wij nu weten, zij dit lot ook niet voor zichzelf gekozen zou hebben.

   Nee, dit meisje werd door anderen gebruikt als middel om hun doeleinden te bereiken. De ouderen in haar gemeenschap stelden hogere waarde aan hun collectieve veiligheid dan aan haar leven, en beslisten voor haar dat zij moest sterven zodat hun oogst veilig gesteld zou worden en zij konden leven. Nu, vijfhonderd jaar later, moeten wij niet, in mindere mate, hetzelfde doen: door over haar dood te denken als iets dat onze collectieve cultuur verrijkt.

   Dat moeten we in dit geval niet doen, noch in enig ander geval waar we aangespoord worden onderwerping aan eigenaardige, achterlijke gebruiken van andere mensen te bejubelen als bewijs voor de rijk geschakeerde wereld waarin we leven. We moeten dit zelfs niet doen als gesteld kan worden — en ik geef toe dat dit soms kan  dat het handhaven van deze minderheidstradities mogelijk voordeel voor ons allen biedt omdat het zienswijzen in leven houdt die later misschien nog eens als ijkpunt voor de meerderheidscultuur kunnen dienen.

   Het Hoogste Gerechtshof van de VS heeft als commentaar, bij het toestaan van de Amish eis tot vrijstelling van de verplichting hun kinderen naar openbare scholen te sturen, gesteld: 'We moeten niet vergeten dat in de Middeleeuwen belangrijke waarden voor de beschaving van de westerse wereld behouden bleven door leden van religieuze groeperingen, die zichzelf ondanks grote belemmeringen, van wereldse invloeden isoleerden'. 

   Naar analogie, gaf het Hof aan, horen we te erkennen dat de Amish misschien wel waarden en normen preserveren waar onze afstammelingen later nog eens naartoe willen terugkeren.

   Maar wat het Hof verzuimde in te zien is dat er een cruciaal verschil bestaat tussen de religieuze gemeenschappen van de Middeleeuwen, de monniken van Holy Island bijvoorbeeld, en de hedendaagse Amish: namelijk dat die monniken zelf de keuze maakten om monnik te worden, het kloosterleven werd hen niet als kinderen opgedrongen, en ook hebben zij het niet aan hun eigen kinderen opgedrongen — want die hadden ze zelfs niet. Deze middeleeuwse ordes overleefden door het aanwerven van volwassen vrijwilligers. In tegenstelling daarmee, overleven de Amish alleen door het kidnappen van kleine kinderen voordat die daartegen kunnen protesteren. 

   Mogelijk hebben de Amish prachtige dingen die zij ons kunnen leren; en misschien had de Inca stam die ook wel, en andere exotische groeperingen. Maar voor deze zaken moet niet met het leven van kinderen worden betaald.

   Dit is zeker de kern van de zaak. Het is de hoeksteen van ieder fatsoenlijk moreel systeem, expliciet gesteld door Immanuel Kant, maar impliciet al aanwezig in juist die morele opvatting van de meeste mensen, dat het menselijk individu een absoluut recht heeft om als doel op zichzelf behandeld te worden — en nooit als middel om de doeleinden van anderen te bereiken. Het hoeft niet eens meer gezegd te worden dat dit recht onverminderd ook voor kinderen geldt. En aangezien in de meeste situaties kinderen onbekwaam zijn om op zichzelf te passen, is het moreel voor de hand liggend dat de rest van ons een speciale plicht hebben dat voor hen te doen.

   Dus hebben we de plicht, overal waar we gevallen tegenkomen van de manipulatie van kinderlevens om andere doelen te dienen, hiertegen te protesteren. En dit ongeacht of die andere doelen het vleien en bedaren van goden inhoudt, 'het preserveren van belangrijke waarden voor de westerse beschaving', de creatie van een interessant antropologisch beeld voor de rest van ons.... of — en nu kom ik tot de volgende grote kwestie die ons wacht — de vervulling van bepaalde behoeften en aspiraties van de ouders van het kind.

   Ik durf te stellen dat er geen enkele reden bestaat waarom de acties van ouders onder een andere set morele regels zouden vallen.

   De relatie van ouder tot kind is natuurlijk in alle opzichten heel speciaal. Maar die is niet speciaal genoeg om een kind haar individuele persoonlijkheid te ontnemen. Het is niet een relatie van gelijkwaardigheid, noch een van eigendom. Kinderen zijn niet een deel van hun ouders, noch — behalve figuurlijk — behoren ze hen toe. In geen enkel opzicht zijn kinderen privé eigendom van hun ouders. Het is zelfs zo, om het Amerikaans Hooggerechtshof te citeren, in een commentaar in een ander verband over hetzelfde onderwerp: het is 'een ethisch feit dat een persoon aan zichzelf toebehoort, en niet aan anderen of aan de gemeenschap als geheel.' 

   Daarom zal het net zo goed een inbreuk op het recht van een kind zijn wanneer hij of zij door de ouders gebruikt wordt om de persoonlijke doelen van die ouders te bereiken, als wanneer dat door anderen gedaan zou worden. Niemand heeft het recht om kinderen te behandelen als ook maar iets minder zijnde dan een doel op zichzelf.

   Toch ben ik er zeker van dat sommige van u zullen beweren dat de zaak van ouders niet helemaal hetzelfde is als die van buitenstaanders. Ongetwijfeld zullen we het er over eens zijn dat ouders niet meer recht hebben dan wie ook anders om kinderen voor duidelijk zelfzuchtige doeleinden te exploiteren — om ze seksueel te misbruiken bijvoorbeeld, of om ze als bedienden uit te buiten, of ze als slaaf te verkopen. Maar eerst, maakt  het geen verschil als de ouders ten minste denken dat hun doeleinden ook de doeleinden van de kinderen zijn? Als ze denken dat hun manipulaties om het kind hetzelfde te laten geloven als wat zij zelf geloven — wat hen betreft — geheel in het belang van het kind is? En in de tweede plaats, maakt het geen verschil dat de ouders al zoveel van hun eigen middelen in het kind geïnvesteerd hebben, dat ze hem of haar al zoveel van hun liefde en zorg en tijd gegeven hebben? Hebben ze op een of andere manier niet als beloning verdiend dat het kind hun geloof respecteert, zelfs als dit geloof — in de ogen van anderen — excentriek of ouderwets is?

   Betekenen al deze consideraties tezamen dan niet dat ouders op zijn minst nog bepaalde rechten hebben die anderen niet hebben? Zijn dat niet rechten die boven — of minstens gelijk staan — met de rechten van kinderen zelf?

   Nee. De waarheid is dat uit deze overwegingen geen enkel recht afgeleid kan worden, laat staan van een recht dat het recht van kinderen overstijgt, hoogstens kunnen er verzachtende omstandigheden uit afgeleid worden. Stel u voor dat u ten gevolge van misleiding uw eigen kind vergif toediende. Het feit dat u gedacht zult hebben dat het gif dat u toediende goed voor het kind was, het feit dat u veel moeite gedaan had om dat gif te verkrijgen, en dat zonder uw inspanningen het kind er al helemaal niet geweest zou zijn om het gif toe te dienen, niets van dit alles geeft u een recht om het gif toe te dienen — het kan u hoogstens minder schuldig maken als het kind sterft.

   Maar in ieder geval, om de ouders alleen als misleid te zien over de ware belangen van hun kinderen, is naar mijn mening een te welwillend standpunt. Want het is helemaal niet zo duidelijk dat ouders, als ze zich het beheer over het spirituele en intellectuele leven van hun kind toe-eigenen, echt geloven dat ze eerder in het belang van het kind dan dat van zichzelf handelen. Toen Abraham op de berg door God bevolen werd om zijn zoon Izaäk te vermoorden, en hij plichtsgetrouw aan de voorbereidingen daarvoor begon, was het duidelijk dat hij niet nadacht over wat het beste voor Izaäk was — hij dacht alleen over zijn eigen relatie met God. En zo is het door de eeuwen heen gegaan. Ouders hebben hun kinderen gebruikt, en gebruiken ze nog steeds, om voor zichzelf spirituele en sociale voordelen te verwerven: ze te verkleden, te onderwijzen, te dopen, ze tot geloofsbelijdenis of Bar Mitzwah te brengen, teneinde hun eigen sociale en religieuze aanzien te handhaven.

   Laten we nog eens naar de analogie met besnijdenis kijken. Niemand hoort de vergissing te begaan te veronderstellen dat vrouwen besnijdenis op die plaatsen waar het gebruikelijk is, in het belang van het meisje wordt verricht. Het wordt eerder gedaan ter ere van de familie, om de eerbied voor traditie van de ouders aan te tonen, om ze te behoeden voor sociale uitsluiting.

   Hoewel ik de analogie niet te ver wil doorvoeren, denk ik dat de motivatie van ouders op veel andere terreinen van ouderlijke manipulatie niet zoveel hiervan verschilt — zelfs daar waar het ogenschijnlijk onzelfzuchtige handelingen betreft, zoals bijvoorbeeld hun beslissing over wat een kind wel op school mag leren, en wat niet. 

   Een fundamentalistische christelijke moeder zou haar kind bijvoorbeeld kunnen verbieden om lessen over evolutie te volgen; hoewel ze zal beweren dat ze dit voor het kind doet en natuurlijk niet voor zichzelf, wordt ze waarschijnlijk toch gemotiveerd door een verlangen haar eigen zuiverheid aan te tonen. Is het niet zo dat zij gewoon weet dat God erg trots op haar zal zijn omdat ze aan zijn wil voldoet?.... De hoofd mullah van Saoedi Arabië heeft afgekondigd dat de aarde plat is en dat iedereen die anders beweert een vriend van Satan is: zal hij niet drievoudig door Allah gezegend worden om dit moedige standpunt in te nemen? Een groep rabbijnen in Jeruzalem probeert de vertoning van de film Jurassic Park te verbieden op grond van het feit dat die kinderen het idee zou geven dat er zestig miljoen jaar geleden dinosauriërs op aarde geleefd zouden hebben, terwijl de Heilige Schrift vermeldt dat in feite de wereld slecht zesduizend jaar oud is: maken zij niet een prachtige publieke vertoning van hun eigen vroomheid?

861-Mullah-Cartoonist

   Wat we hier zien is in de meeste gevallen niets anders dan puur eigenbelang. En als dat het geval is, dan moeten we zelfs geen verzachtende omstandigheden wegens de goede bedoelingen van ouders of andere verantwoordelijke volwassenen meer in aanmerking nemen. Zij dienen geen ander belang dan hun eigenbelang.

   En toch, zoals ik al zei, doet het er tenslotte nauwelijks aan toe wat de bedoeling van de ouders is. Omdat zelfs de beste bedoelingen niet voldoen om hen 'ouderlijke rechten' over hun kinderen te verschaffen. Het idee op zich dat ouders of andere volwassenen 'rechten' over kinderen hebben is ethisch onhoudbaar.

   Voor geen enkel menselijk wezen, onder welke omstandigheden dan ook, zijn rechten over iemand anders toelaatbaar. Niemand is bevoegd, krachtens recht, om de levenskoers van een andere persoon te bepalen, te gebruiken of te sturen — zelfs voor objectief goede doeleinden. Het is waar dat in het verleden slavenhouders dergelijke legale rechten over hun slaven hadden. En het is ook waar dat tot aan het betrekkelijk recente verleden, de wantoestand bestond van echtgenoten die bepaalde rechten over hun echtgenotes genoten — het recht bijvoorbeeld om seks met ze te hebben. Maar geen van deze uitzonderingen levert een goed model op voor ouder-kind relaties.

   Ik herhaal, kinderen moeten beschouwd worden als belangen hebbende die onafhankelijk zijn van die van de ouders. Van hen mag niet worden aangenomen dat zij deel uitmaken van een ander persoon. Zo hoort het tenminste te zijn. Tenzij we de buitengewone vergissing begaan die het Hooggerechtshof klaarblijkelijk maakte toen het bepaalde, met betrekking tot de Amish kinderen, dat hoewel de levenswijze van de Amish beschouwd kan worden als 'vreemd of zelfs onwetend- het niet tegen de rechten of belangen van anderen indruist'. (mijn cursivering). Alsof de kinderen van de Amish zelfs niet als potentieel 'anderen' gezien mogen worden.

   Ik denk dat we helemaal niet van "ouderlijke rechten" kunnen spreken. Voor zover die de rechten van het kind als individu aantasten, hebben ouderlijke rechten geen status in ethiek, en horen die ook niet te hebben onder de wet.

   Dat wil nog niet zeggen dat onder normale omstandigheden ouders niet door de rest van ons met verschuldigd respect behandeld dienen te worden, en in de relatie met hun kinderen bepaalde voorrechten gegund moeten worden. 'Voorrechten' hebben echter niet dezelfde morele en juridische betekenis als rechten. Voorrechten zijn op geen enkele manier onvoorwaardelijk, ze worden quid pro quo verleend in ruil voor het in acht nemen van bepaalde door de samenleving bepaalde gedragsregels, en iedereen aan wie voorrechten zijn verleend, verkeert in feite in een proeftijd: een voorrecht kan ontnomen worden.

   Laten we veronderstellen dat het voorrecht van ouderschap bijvoorbeeld betekent dat het aan hen toegestaan wordt — zonder tussenkomst van de wet — om alle dingen te doen die ouders gewoonlijk doen: het voeden, kleden, onderwijzen en opvoeden van hun eigen kinderen, en te genieten van de liefde en creatieve betrokkenheid die daaruit voortvloeien. Maar het kan expliciet geen deel van dat voorrecht zijn dat het ouders toegestaan wordt het fundamentele recht op zelfbeschikking van het kind aan te tasten. Als ouders op die manier misbruik maken van hun voorrecht, vervalt dat voorrecht — dan is het de plicht van diegenen die dat voorrecht verleenden om in te grijpen.

   Hoe ingrijpen? Stel dat we — ik bedoel we als samenleving — niet goedkeuren wat gebeurt als de opvoeding van het kind aan de ouders of priesters wordt overgelaten. Stel dat we bezorgd zijn over het geestelijke welzijn van het kind en corrigerende actie willen ondernemen. Stel nu dat we voorzorgsmaatregelen willen nemen voor alle kinderen om ze te beschermen tegen schade door slechte denkbeelden en dat we ze het best mogelijke begin als nadenkende menselijke wezens willen geven. Wat moet het verjaardagscadeau van de volwassen wereld aan hen dan zijn?

   Mijn suggestie bij het begin van deze lezing was: wetenschap — universeel wetenschappelijk onderwijs. Dat wil zeggen, onderwijs in het leren door waarneming, door experiment, door het testen van hypothesen, door constructieve twijfel, door kritisch denken — en te leren van de waarheden die daaruit voortkomen. 

   En zo kom ik tenslotte toe aan de meest provocerende vraag waar ik mee begonnen ben. Wat is er zo bijzonder aan wetenschap? Waarom deze waarheden? Waarom moet het moreel verantwoord zijn om dit aan iedereen te onderwijzen, terwijl het blijkbaar moreel zo verkeerd is om die andere dingen te onderwijzen?

   U hoeft niet eens een van die absolute relativisten te zijn om zulke vragen te stellen — om argwanend te zijn dat iedere poging om oude waarheden door nieuwere wetenschappelijke feiten te vervangen, niets anders zou kunnen zijn dan het vervangen van het ene dogmatisme door het andere. Het Hooggerechtshof was, in haar oordeel over Amish onderwijs, zo zorgvuldig om te waarschuwen dat we nooit een manier van denken kunnen afwijzen en een andere goedkeuren, enkel op grond van de gangbare, moderne opvatting. - Het kan niet worden aangenomen,' zei het Hof, 'dat de huidige meerderheid gelijk heeft en dat de Amish en anderen ongelijk hebben. De Amish levenswijze mag niet veroordeeld worden omdat die anders is '.

   Misschien. En toch zou ik zeggen dat het Hof haar aandacht daar op de verkeerde zaak gericht heeft. Zelfs als wetenschap de opinie van de meerderheid zou zijn (hetgeen, zoals we eerder zagen, helaas niet het geval is) dan zouden we het er nog steeds over eens zijn dat dit op zichzelf nog geen reden is om de wetenschap boven alle andere denkwijzen te verkiezen. Het is duidelijk dat de 'meerderheid' het bij veel dingen niet bij het rechte eind heeft, waarschijnlijk zelfs bij de meeste niet.

   Maar de gronden die ik voorstel zijn steviger. Sommige van de andere sprekers in deze serie lezingen zullen gesproken hebben over de waarden en deugden van wetenschap. En ik weet zeker dat zij ook, ieder op hun eigen manier, geprobeerd zullen hebben uit te leggen waarom wetenschap anders is — en waarom die een unieke aanspraak op onze hoofden en harten hoort te hebben. Maar ik zal nu zelfs verder gaan dan zij. Ik vind dat wetenschap los staat van, en superieur is aan alle andere systemen, omdat alleen wetenschap voldoet aan het criterium dat ik hierboven gesteld heb: omdat die namelijk een stel overtuigingen vertegenwoordigt die ieder redelijk persoon voor zichzelf zou kiezen, indien die gelegenheid wordt geboden.

   Dit moet ik waarschijnlijk nog een keer zeggen, en in verband plaatsen. Eerder heb ik beweerd dat de enige omstandigheid waaronder het moreel aanvaardbaar zou kunnen zijn om een bepaalde manier van denken aan kinderen op te leggen, is als het resultaat daarvan zou zijn dat zij op latere leeftijd er overtuigingen op na zouden houden, die zij anders ook verkozen zouden hebben, onverschillig aan welke andere denkbeelden zij ook blootgesteld waren geweest. En wat ik nu zeg is dat wetenschap de manier van denken is — misschien de enige — die voldoet aan deze eis. Er bestaat een fundamenteel verschil tussen wetenschap en al het andere.

   Wat vindt u? Laten we tot de redding gaan van dat Inca meisje dat door de priesters verteld werd dat, tenzij zij sterft op de berg, de goden lava zullen laten regenen op haar dorp, en laten we haar een andere manier aanbieden om dingen te zien. Biedt haar een keuze hoe ze wil opgroeien: aan de ene kant met dit verhaal van goddelijke toorn, aan de andere kant met de inzichten van geologie over hoe vulkanen ontstaan uit de beweging van tektonische platen. Welke kant zou zij kiezen?

   Laten we die moslim jongen te hulp schieten die door de mullah onderwezen wordt dat de aarde plat is, en laten we sommige denkbeelden van wetenschappelijke geografie met hem verkennen. Nog beter, laten we hem eens met een ballon mee de hoogte in nemen, hem de horizon tonen, en hem de gelegenheid bieden zijn eigen zintuiglijke waarneming en rede te gebruiken om tot zijn eigen conclusies te komen. Biedt hem daarna de keuze: het beeld dat in het boek de Koran wordt weergegeven, of dat welk voortkwam uit zijn pas ontdekte wetenschappelijke inzicht. Waaraan zou hij de voorkeur geven?

   Of laten we medelijden hebben met die Doopsgezinde onderwijzeres die getrouwd is geraakt met het creationisme, en haar een vakantie aanbieden. Laten we haar eens rondleiden door het Natural History Museum in gezelschap van Richard Dawkins of Dan Dennett — of, als die te schrikaanjagend zijn, David Attenborough — en laat hen de mogelijkheden van evolutie aan haar uitleggen. Biedt haar dan de keuze: het verhaal van Genesis met al zijn paradoxen en buitengewone pleidooien, of het overrompelend simpele idee van natuurlijke selectie. Welke zou zij kiezen?

   Mijn vragen zijn retorisch omdat ze het antwoord al insluiten. We weten heel goed welke kant mensen op willen als hen echt toegestaan wordt zelf hun standpunt te bepalen over vragen als deze. Bekeringen van bijgeloof naar wetenschap zijn alledaagse gebeurtenissen. Ze zijn misschien wel deel geweest van onze eigen ervaringen. Degenen die in duisternis gelopen hebben, hebben een groot licht gezien. Het aha! van de wetenschappelijke openbaring.

   In tegenstelling daarmee, zijn bekeringen van wetenschap terug naar bijgeloof praktisch onbekend. Het komt gewoon niet voor dat iemand die wetenschap en haar methoden geleerd en begrepen heeft en die daarna een onwetenschappelijk alternatief aangeboden krijgt, ervoor kiest wetenschap terzijde te schuiven. Ik betwijfel of er bijvoorbeeld ooit een geval is voorgekomen van iemand die opgevoed is om in de geologische theorie van vulkanen te geloven, die later geneigd bleek om in goddelijke toorn te geloven, of van iemand die de bewijzen gezien en aangenomen heeft dat de wereld rond is en dan terugkeert tot het idee dat de wereld plat is, of zelfs van iemand die eenmaal de kracht van de theorie van Darwin begrepen heeft en dan terugvalt tot een voorkeur voor het verhaal in Genesis.

   Natuurlijk geven mensen soms hun wetenschappelijke overtuigingen op, ten gunste van nieuwere en betere wetenschappelijke alternatieven. Maar het verkiezen van de ene wetenschappelijke theorie over een andere betekent nog steeds een absolute trouw aan wetenschap. 

   De reden voor dit verschil tussen wetenschap en niet-wetenschap is niet alleen dat wetenschap zoveel betere, doelmatigere, elegantere, prachtige verklaringen geeft dan niet-wetenschap. Hoewel die reden bestaat. De veel sterkere reden, zou ik zeggen, is dat wetenschap juist door haar aard een proces van deelname is, en niet-wetenschap is dat niet.

   In wetenschappelijke studie leren we waarom we horen te geloven in het ene of het andere. Wetenschap praat ons niet om met vleierij, zij schrijft niets voor, zij legt de feitelijke en theoretische argumenten uit van waarom iets is zoals het is —ze nodigt ons uit daarmee in te stemmen, het voor ons zelf in te zien. Vandaar dat tegen de tijd dat iemand een wetenschappelijke verklaring begrepen heeft, hij of zij die zich al in belangrijke mate tot de zijne heeft gemaakt.

   Wat een verschil met religieuze en bijgelovige verklaringen. Religie wendt zelfs niet eens voor dat zij haar aanhangers betrekt in een proces van rationele ontdekking of keuze. Als we durven te vragen waarom we in iets moeten geloven, zal het antwoord zijn dat het in het Boek geschreven staat, omdat het in onze traditie past, omdat het goed genoeg was voor Mozes, omdat je op die manier naar de hemel gaat.... Of, vaak genoeg, dat moet je niet vragen.

   Vergelijk deze twee standpunten eens. Aan de ene kant de tweede-eeuwse Romeinse theoloog Tertullianus, met zijn verachtelijke onderwerping aan autoriteit en ontkenning van onze persoonlijke betrokkenheid bij het kiezen van onze overtuigingen. 'Voor ons', schreef hij, 'is nieuwsgierigheid niet meer nodig na Jezus Christus, noch onderzoek na het Evangelie.' En ik herinner u eraan dat dit dezelfde man is die over het christendom zei: 'Het is zeker omdat het onmogelijk is.' Aan de andere kant de twaalfde-eeuwse Engelse filosoof Adelard van Bath, een van de vroegste vertolkers van Arabische wetenschap, met zijn uitspraak dat we ieder persoonlijk aansprakelijk zijn voor begrip over wat er rondom ons gebeurt. 'Als iemand in een huis woont onwetend waarvan het is gemaakt, ... dan is hij zijn beschutting onwaardig,' , zei hij, 'en als iemand die geboren is in de woonplaats van deze wereld, verzuimt het onderliggende plan van haar wonderlijke schoonheid te leren ... is hij onwaardig .... en verdient daarvan uitgestoten te worden.'

   Veronderstel dat de keus aan u is. Dat u in de vormende jaren van uw leven voor de keuze gesteld werd tussen deze twee wegen naar Verlichting — uw overtuiging te baseren op de denkbeelden van anderen, geïmporteerd uit een ander land en een andere tijd, of die te baseren op denkbeelden die u heeft kunnen zien groeien op eigen grond. Kan er dan enige twijfel over bestaan wat u voor uzelf zou willen kiezen, kortom dat u wetenschap zou kiezen?

   En omdat mensen op die manier zullen kiezen, als zij de gelegenheid krijgen tot wetenschappelijk onderwijs, zeg ik dat wij als gemeenschap met een zuiver geweten gerechtigd zijn om te eisen dat zij die gelegenheid krijgen. Dat betekent in feite dat we bevoegd zijn om deze manier van denken voor hen te kiezen. Het is zelfs zo dat we niet alleen bevoegd zijn: in het geval van kinderen zijn we dat moreel verplicht — om ze op die manier te beschermen tegen het op jonge leeftijd al slachtoffer te worden van andere manieren van denken, die ze van de wereld zouden vervreemden.

   En dan, laat me de vraag oppakken van achter uit de zaal: 'Hoe zou u het vinden als een Big Brother zou eisen dat uw kinderen volgens zijn overtuiging opgevoed werden? Hoe zou u het vinden als ik zou proberen mijn persoonlijke overtuiging aan uw kleine meisje op te leggen?' Ik heb het antwoord: dat wetenschappelijk onderwijs zo niet is, het is niet iemand onderwijzen in de overtuiging van een ander, het is het kind aansporen haar eigen verstand te gebruiken om tot haar eigen overtuiging te komen.

   En ik ben er van overtuigd dat dit waarschijnlijk betekent dat zij er ten slotte overtuigingen op na zal houden die door velen die hetzelfde pad gevolgd hebben gedeeld zullen worden: dat wil zeggen, overtuigingen in wat de wetenschap als waarheid over de wereld geopenbaard heeft. En ja, als u het op die manier wilt stellen, zou u kunnen zeggen dat zij door haar eigen inspanningen tot begrip daardoor tot een wetenschappelijke conformist is geworden: een van die voorspelbare mensen die geloven dat materie van atomen is gemaakt, dat het universum ontstond uit de oerknal, dat mensen van apen afstammen, dat bewustzijn een functie van de hersens is, dat er geen leven na de dood is, en zo verder.... Maar — nu u het vraagt — zeg ik dat ik erg blij zou zijn als een big brother of sister of onderwijzer of u zelf, meneer, zou willen helpen haar tot die staat van verlichting te brengen.

   De gewoonte om vragen te stellen, de vaardigheid om goede antwoorden van slechte te onderscheiden, de begeerte om in te zien waarom diepzinnige uitleg werkt — dat is wat ik zou willen voor mijn dochter (nu twee jaar oud) omdat ik denk dat dit is wat zij, de gelegenheid gegeven, eens voor zichzelf zal willen. Maar het is ook wat ik voor haar wil omdat ik me maar al te goed bewust ben wat er anders met haar zou kunnen gebeuren. Slechte denkbeelden spoelen nog steeds door onze cultuur, sommige oud, sommige nieuw, op de loer om ontvankelijke geesten gevangen te nemen. Als dat meisje, omdat ze de bescherming van kritische redenering zou missen, ooit ten prooi zou vallen aan enige soort van politiek of spiritueel irrationalisme, dan zijn u en ik — en onze samenleving — tekort geschoten.

   Woorden? Kinderen worden gevormd door de woorden die ze horen. Het doet er aan toe wat we ze vertellen. Zij kunnen bezeerd worden door woorden. En ze kunnen doorgaan met zichzelf steeds meer te bezeren, en op hun beurt het soort mensen worden die anderen bezeren. Maar hen kan ook het leven gegeven worden door woorden.

   'U staat voor de keuze tussen leven en dood, tussen zegen en vloek,' dit zijn de woorden uit Deuteronomium, 'Kies voor het leven, voor uw eigen toekomst en die van uw nakomelingen.' 

   Daarom denk ik dat er geen grenzen bestaan aan onze plicht om kinderen te helpen een eigen leven te kiezen.


NAWOORD REDACTIE

   Hoewel Nicholas Humphrey zijn provocerende stelling met sprekende voorbeelden uit de Amerikaanse samenleving — met al haar religieuze uitwassen — duidelijk illustreert, zal ook de Nederlandse lezer in zijn betoog zonder veel moeite parallellen van eigen bodem herkennen.

   Een krachtiger, of beter onderbouwd pleidooi is nauwelijks voor te stellen tegen het sektarisch onderwijs aan jonge kinderen, met hun nog zo gemakkelijk te beïnvloeden en ontvankelijke geest, zoals dat helaas ook nog op grote schaal in Nederland wordt toegestaan, (en waardoor ook een toename van islamitisch onderwijs mogelijk blijft) .

   Zolang er ook in Nederland nog geen absolute scheiding tussen kerk en staat bestaat, en politieke partijen die gegrond zijn op religieuze overtuigingen in plaats van op politieke motieven, nog deel van onze democratische regering kunnen uitmaken, zal helaas in die situatie in de nabije toekomst weinig verandering komen.

   En zolang de staat dus haar morele verantwoordelijkheid voor de bescherming van de zwakkeren en weerlozen, dus ook van kinderen, nog niet ten volle nakomt, rust er een zware verantwoordelijkheid op ouders die hun kinderen blootstellen aan de begrenzingen die deze geloofssystemen opleggen aan de geest van het kind. Voor ouders die zelf binnen dat keurslijf van die beperkingen zijn opgegroeid en de grenzen daarvan nooit meer hebben kunnen doorbreken, mag dit als verzachtende omstandigheid worden aangemerkt. Zij weten niet beter meer.

   Maar die ontlastende verklaring geldt dus niet voor alle ouders die — hoewel ze zelf ongelovig zijn, en dus beter horen te weten — hun kinderen gemakshalve naar een sektarische school sturen omdat die dichterbij is, of omdat dit een zogenaamde 'witte school zou zijn. Heus, het komt voor. Om met Humphrey te spreken, schieten zij nog ernstiger tekort in hun plicht om hun kinderen tegen schadelijke invloeden te beschermen.

   Tot slot een gedicht van de Libanees/Amerikaanse schrijver/dichter Kahlil Gibran, (1883 - 1931) dat op prachtig poëtische wijze de stelling van Nicholas Humphrey illustreert en benadrukt.


gibran010

KAHLIL GIBRAN


Je kinderen zijn je kinderen niet,

zij zijn de zonen en dochters van ‘s levens hunkering naar zichzelf.

Zij komen door je, maar zijn niet van je,

en hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe.

Je mag hen je liefde geven, 

maar niet je gedachten,

want zij hebben hun eigen gedachten.

Je mag hun lichamen huisvesten, 

maar niet hun zielen, 

want hun zielen toeven in het huis van morgen, 

dat je niet bezoeken kunt, zelfs in je dromen.

Je mag proberen gelijk hen te worden,

maar tracht niet hen aan jou gelijk te maken.

Want het leven gaat niet terug,

noch blijft het dralen bij gisteren.


Khalil Gibran, uit: De Profeet – 1923

_____


Bron: http://www.edge.org/3rd_culture/humphrey/amnesty.html


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort