visitors on myspace
DE HOLOCAUST | POSITIEF ATHEÏSME <>

DE HOLOCAUST

image7313

MICHAEL HAKEEM








DEEL 1 - DE NEIGING TOT WREEDHEID VAN HET CHRISTENDOM

   

'Dwazen denken: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk hun daden, geen van hen deugt'.    Psalm 14:1 

     

Het christendom werpt een diepe en doordringende schaduw over de Holocaust


  Als ..., dan ..., is een intrigerend spel dat sommige historici graag spelen. Het is verleidelijk om deze hypothese te poneren: 'Als er geen christendom zou zijn, zou er dan een Holocaust zijn geweest?' Hiermee wordt niet bedoeld te zeggen dat als er een connectie is, dat het feitelijk en vanzelfsprekend een directe uitvoering van een expliciet geformuleerd christelijk doctrine is dat het doden van joden beveelt. Het is eerder bedoeld om het gezegde: 'Ideeën hebben consequenties' te bevestigen. De Endlösung door Hitler was de culminatie van een christelijk idee dat de grond voedde en het zaad van antisemitisme plantte over een periode van tweeduizend jaar.

holocaust

   De nazi Holocaust is een specifieke gebeurtenis in de tijd. Maar het christendom, een beweging met een verschrikkelijk bloedige geschiedenis, en een nog bloederige te komen als het Laatste Oordeel van vernietiging wordt uitgesproken over allen die niet toetraden, heeft veel ervaring verworven met het stichten van Holocausten op aarde, als verderop beschreven zal worden. Alleen de Holocaust al, andere Holocausten en verdere verschrikkingen van het geloof terzijde gelaten, zouden de geestelijkheid tot een beschaamd stilzwijgen horen te dwingen, en zouden een einde moeten maken aan hun neiging om eigengerechtigd met de beschuldigende vinger naar niet-gelovigen te wijzen, en te smalen dat zij de bron zijn van alles dat in hun ogen verkeerd is in deze wereld. 

   Er is iets obsceens aan de hand met leden van een beweging waarvan de centrale premisse stelt dat diegenen die niet toetreden het verdienen om gemarteld en vernietigd te worden, wanneer ze de euvele moed hebben de moraliteit van anderen te veroordelen. De niet te onderdrukken volharding waarmee de geestelijkheid onverdraagzaamheid verspreidt ten opzichte van atheïsten, subtiel en niet zo subtiel, is hier al bij een aantal gelegenheden beschreven.

   Het is niet mogelijk de omvang te overdrijven van de antipathie, en de kracht van de banvloek die de geestelijkheid over atheïsten uitspreekt. Professor Paul Edwards weet dat. In het artikel over Atheïsme dat hij schreef voor de achtdelige Encyclopedia of Philosofy waarvan hij hoofdredacteur is, zegt hij: 'Men zou vele volumes kunnen vullen met de scheldwoorden en laster die de geschriften van christelijke apologeten bevatten, zowel in wetenschappelijke als in populaire uitgaven. De teneur van deze geschriften is niet alleen dat atheïsme het bij het verkeerde eind heeft, maar ook nog dat alleen een verdorven persoon een zodanig afschuwelijk standpunt kan innemen, en dat de verspreiding van atheïsme een schrikwekkende catastrofe voor het menselijk ras zou betekenen.' 

   Hij geeft een paar goedgekozen voorbeelden.

 Vrijdenkers moeten zich er volledig bewust zijn van hoe vaak atheïsme met communisme wordt geïdentificeerd. Dominee Robert A. Morey is een van de vele geestelijken die proberen de mensheid te waarschuwen voor afgrijselijke gevaren die atheïsten vertegenwoordigen: 'Wat de atheïsten hebben gedaan in Rusland, Cuba, China etc. geeft een aanschouwelijke les in wat er gebeurt als de ongelovige aan de macht is.' Om zijn punt nog duidelijker te maken, verkondigt hij dat anti-theïsten in het Westen dezelfde onderdrukking van religie nastreven die de communisten in eigen land toepassen.

   Pat Robertson, belangrijk omdat hij over enorme fondsen beschikt en een onvermoeibaar verdediger en activist is om christenen een krachtige stem in het politieke vlak te geven, stelt atheïsme zonder aarzeling volkomen gelijk aan communisme. Hij stelt dat de ondertekenaars van het Humanistisch Manifest geen openlijke communisten waren, maar dat zij alles geloven wat communisten geloven. Hij beweert dat het Sovjet communisme model stond voor de humanistische wereldbeschouwing. Hij houdt expliciet vol dat atheïsten niet geschikt zijn voor een openbaar ambt. Hij bepaalt dat er absoluut geen manier bestaat waarop een regering succesvol kan opereren tenzij die geleid wordt door goddelijke mannen en vrouwen onder de wetten van de God van Jacob. Hij waarschuwt dat atheïsten er naar streven ieder die in God gelooft het zwijgen op te leggen.

   Pastoor X, die spoedig zijn eerste optreden in de serie  "... en intellectueel fraudulent" gaat maken, kan model staan voor een onbeperkt aantal geestelijken die op de verschrikkingen van communistisch Rusland wijzen als de onvermijdelijke uitkomst waar atheïsme toe leidt. Pastoor X mocht graag alle slechte zaken opsommen die veroorzaakt werden doordat Rusland het pad van atheïsme volgde in plaats van Gods weg: Het doden van eigen mensen door de regering; oorlog te voeren; tirannieke overheersing van zijn burgers; de vrijheid van godsdienst niet toe te staan; het ontnemen van burgerrechten; de bevolking in armoede houden; speciale privileges voor de elites te verlenen; censuur over nieuws en literatuur; het bespioneren van de bevolking en bemoeienis met hun privé zaken; enzovoort.

   Weldenkende mensen weten dat van hen verlangd wordt dat ze hun aannames onderwerpen aan kritische analyse, dat ze moeten zoeken naar fouten en tekortkomingen in de logica van hun conclusies, dat ze een alternatieve uitleg dienen te onderzoeken, en bewijzen moeten overleggen voor hun beweringen. Geen van de vermelde wilde en roekeloze aanklachten, of enige andere bekende voorbeelden daarvan zijn geloofwaardig, en ze worden geuit omdat de geestelijkheid die dit doet geen gebruik maakt van de vaardigheden die vereist zijn voor redelijke overweging.

   De redenen waarom regimes, communistisch of anders georiënteerd, de dingen doen die ze doen, inclusief het doden van eigen bevolking, zijn zeer complex. Om te zeggen, zoals veel geestelijke doen, dat de enige reden waarom de Russische communisten de beestachtige dingen deden die ze deden, hun gebrek aan geloof in God was, is naïef en tot in het extreme verward. 

   Het is waar dat het Russische communisme het atheïsme aanhing, en het is waar dat het tegen religie was en het onderdrukte, en het is waar dat het Russisch regime de geestelijkheid vervolgde en de kerken bestookte, en het is waar dat Stalin miljoenen liet doden. Maar het is zeker dat deze moorden om politieke redenen waren, en niets te maken hadden met religie of atheïsme.

   In de vroege jaren na de communistische machtsovername, een periode waarin waarschijnlijk de meest intense vervolging van de geestelijkheid plaats vond, en die tot gevangenname en het doden van sommigen van hen leidde, werd de vijandigheid van het revolutionaire regime veroorzaakt door het actieve verzet van sommige geestelijken en hun steun voor de imperialistische staat. Het is zelfs zo, indien de studieboeken over de geschiedenis van Rusland correct zijn, dat de periode na de Tweede Wereldoorlog een ontspanning toonde in Stalin's onderdrukking van religie vanwege het patriottisch gedrag van de geestelijkheid, en hun steun aan de oorlog. 

   In het kort, er moet rekening worden gehouden met politieke motieven in de communistische behandeling van religie, en het is een veel gecompliceerdere zaak dan de zwakzinnige aanname dat het allemaal verklaard kan worden door het ontbreken van een geloof in God.

   De Russische communistische staat duurde slechts zeventig jaar. Maar de tweeduizendjarige geschiedenis van de Westelijke wereld vertelt een verhaal van niet alleen naties die door het christendom gedomineerd werden, maar ook van veel landen waarin kerk en religieuze leiders zo nauw met de burgerlijke autoriteiten verbonden waren, dat het soms moeilijk is in hun geschiedenis verschil tussen kerk en staat te onderscheiden, en zo te bepalen wie van hen de macht uitoefende. Toch hebben deze naties een verbijsterende geschiedenis opgeleverd over het slachten van de bevolking, een neiging tot oorlogvoeren, tirannieke overheersing, het virtueel tot slavernij brengen van grote bevolkingsgroepen, ontzegging van mensenrechten, onderdrukking, afwezigheid van religieuze vrijheid, buitensporige privileges voor regerende elites, en beheersing van het privé leven van de bevolking. 

   Al deze wantoestanden dupliceren precies die zaken die de kritische geestelijkheid zo betreurt in het gebeuren in communistisch Rusland, en die zij aan atheïstische filosofie toeschrijven. Maar deze dingen gebeurden ook in landen waar het christendom oppermachtig was en het atheïsme nauwelijks iets te betekenen had. 

   Er is nog een alternatieve manier om naar het ontstaan van communistisch Rusland te kijken. Volgens een van de door de geestelijkheid eindeloos gepropageerde christelijke doctrines, is het redelijk te concluderen dat God, en niet de atheïsten, verantwoordelijk moet worden gehouden voor het doen ontstaan van het verachtelijke atheïstische Russische communisme. 

   Wie heeft de geestelijkheid niet fier horen uitroepen dat al dat gebeurt het werk van God is? Pat Robertson schreef een heel boek, Het Plan, om dit idee te verkondigen. 'God heeft een plan met de wereld en heeft een plan uitgewerkt voor ieder individu.'

   Robertson preekt dat Gods plan voor jou in de baarmoeder begint. Volgt daaruit niet dat Gods plan voor Stalin was om hem communist te maken die over een communistisch Rusland zou regeren? 

   Niemand minder dan een autoriteit als de Eerwaarde Richard C. Halverson, huiskapelaan voor de Senaat van de Verenigde Staten, bevestigt deze doctrine. Hij zegt dat de Hervormingstheologie, de theologie die volgens hem de enig juiste is, verklaart: 'De geboden van God houden in dat God voorbeschikt wat er gaat gebeuren. Voorbestemming is niet een door mensen is uitgedacht dogma; het is afgeleid van het woord van God.'

   In een aantal diepgravende analyses van het verloop van het 'einde der tijden' scenario volgens de bijbel, hebben professoren die verbonden zijn aan seminaries, en vooral de specialisten in bijbelse voorspellingen, de cruciale rol beschreven die communistisch Rusland in dat scenario moet gaan vervullen. De theologen zien haar rol hierin als de aanvaller van Israël in Armageddon. Ze hebben het allemaal gelezen in de voorspellingen van het Oude Testament. Ze identificeren daarin communistisch Rusland, hoewel niet onder die naam. En natuurlijk zou het godslasterlijk zijn te beweren dat atheïsten dat in de bijbel geschreven zouden hebben, in plaats van dat het een Goddelijke openbaring is. De onontkoombare conclusie is dan dat God communistisch Rusland geschapen heeft voor zijn eigen doeleinden.

   Een bitse reactie zou kunnen zijn dat God het rijk van het kwaad nooit zou willen scheppen. Degenen die dat zeggen redetwisten niet met de theologen die beweren dat hij dit wel deed, maar negeren hen. God schept alleen goede dingen, luidt het constante refrein van de opponenten. Zij negeren de God die zelf bekent de auteur van alle kwaad te zijn, en die dat zelf het beste kan weten: 'Ik vorm het licht, en schep duisternis; Ik maak vrede, en schep het kwaad; Ik de Heere doe al deze dingen.' En dan dit: 'Zal er kwaad zijn in een stad, en de Heere heeft het niet gedaan?' De boosaardige daden van God die zo overvloedig in de bijbel voorkomen zijn zo monsterachtig, dat zelfs zijn plaatsing van Stalin aan het hoofd van communistisch Rusland en hem zijn gruweldaden te laten plegen, in vergelijking daarmee nog maar een kleinigheid is. 

   God vernietigde eens het gehele menselijke ras, met uitzondering van een enkele familie; dat deed Stalin nooit.

   Het werd nodig bevonden een lange en omslachtige weg te volgen om tot aanwijzingen te komen van de betrokkenheid van het christendom bij de Holocaust. In deel twee beschouwen we een aantal genocidale ondernemingen van de christenen. Het zal tevens tonen dat gedurende het ongeveer 1500-jarig bestaan van Rusland voor de communistische overname, het christendom een machtige dominerende kracht in het leven van de bevolking was, en dat de aanzienlijke invloed van de gevestigde geestelijkheid binnen en buiten de regering niet verhinderden dat het merendeel van de bevolking een zeer miserabel bestaan leidde, en dat al de condities waarvan de geestelijkheid het atheïsme de schuld geven, in dezelfde mate of nog erger voorkwamen in christelijk Rusland. 

   Een keuze tussen een leven onder Stalin of onder de Tsaren die aan hem voorafgingen, is een keuze tussen het ene kwaad en het andere.


DEEL 2 - DE POGROMS IN CHRISTELIJK RUSLAND

   Om zaken voor nieuwkomers samen te vatten, hier wordt gereageerd op de bewering die zo vaak door de geestelijkheid wordt geuit, namelijk dat de meeste, zo niet alle sociale misstanden die de wereld teisteren getraceerd kunnen worden tot de kwaadaardige aanwezigheid van seculiere humanisten (atheïsten). Als het ultieme voorbeeld van de misère, tirannie, terreur, immoraliteit en onmenselijkheid die gevolg kunnen van een door atheïsme gedomineerde samenleving, wijst de geestelijkheid dan naar communistisch Rusland. Deze beschuldigers kunnen echter geen bewijs leveren om deze misstanden aan het atheïsme te koppelen. 

   Apart van pogingen van het regime om religie uit te drijven, (die zoals later getoond zal worden slechts incidenteel waren), hadden de verschrikkingen die het aanrichtte niets te doen met haar atheïstische overtuiging. In feite, zoals we later zullen zien, steunde de Russische Orthodoxe Kerk zelfs het politieke beleid van de Sovjet dictatuur voor lange perioden, en zonder enig voorbehoud. 

  De geestelijkheid houdt vol dat het voorkomen of genezen van de degeneratie van het individu en het bederf in de maatschappij afhankelijk zijn van de aanwezigheid van het christendom. Ontelbare voorbeelden van die claim kunnen worden gereproduceerd, maar we geven er slechts drie voor de smaak.

   De eerwaarde Don Beltzer verhaalt in het op grote schaal verspreide boekje Amerika on the Brink (Amerika op het randje) dat hij persoonlijk de ultieme vraag over het lot van de natie richtte tot niemand minder dan Dr. Billy Graham: 'Dr. Graham, u kent onze natie goed. U bent voor decades een vriend van onze presidenten geweest. U heeft in onze grote steden gepreekt. Bent u optimistisch of pessimistisch over de toekomst van Amerika?' Hij vervolgt: 'Zijn gezicht was slechts een halve meter van het mijne verwijderd, zijn ogen boorden zich in de mijne (hoeveel nader tot de macht van een orakel en genius kan iemand komen?), en een masker van droefheid beving voor een moment zijn fameuze voorkomen. Hij antwoordde heel zacht: 'Tenzij een wonder van Gods genade gebeurt, gaat Amerika naar de hel.'

   En de eerwaarde John Stott, een van de meest vooraanstaande Britse geestelijken, tegenwoordig Rector Emeritus van All Souls Church in Londen, gaf eens een preek genaamd: 'Christenen: Zout en Licht.' Hij verkondigde dat christenen fundamenteel verschillend zijn van niet-christenen en sloot zich aan bij Jezus toen die zijn gehoor eraan herinnerde dat zij het zout der aarde en het licht der wereld waren. Hij preekte dat net als zout, christenen benoemd zijn om de niet-christelijke gemeenschap te doordringen om zo te voorkomen dat die gaat rotten, en als licht om de duisternis van kwaad en droefheid te verdrijven. Door zout en licht te zijn, zijn christenen gekwalificeerd om het groeiende bedrog, corruptie, immoraliteit, geweld, pornografie, het afnemend respect voor menselijk leven en de toename in aborties te bestrijden.

   De Christian Coalition van Pat Robertson, een zeer agressieve en enorm succesvolle landelijk verspreide organisatie om christenen meer als christenen politiek betrokken te maken, is bedoeld om juist de christelijke therapie op de verziekte maatschappij toe te passen door middel van politieke macht. Hij belooft de christenen: 'We kunnen ons land doen omkeren van het halsoverkop in chaos en moreel verval neerstorten. Maar alleen als wij christelijk Amerika wakker maken.' Dat is het hele doel van de Christian Coalition.

   Het is gemakkelijk aantoonbaar dat beide proposities die zo dierbaar zijn voor de geestelijkheid, namelijk dat waar het atheïsme domineert slechts rampen zijn, en dat de remedie in het christendom besloten ligt, ongefundeerd zijn. Als die weerlegging zo eenvoudig is, waarom houdt de geestelijkheid daar dan niet mee op en weerhoudt het ze niet daar zo koppig mee door te gaan? 

   Omdat ze zich verbonden hebben aan een ideologie die in strijd is met fatsoenlijke rede, en zij de vaardigheid missen om de fouten in hun roekeloze, onverantwoordelijke praatjes kritisch te analyseren. Kijk eens naar de Sovjet Unie, waarvan het dictatoriale politieke en sociale systeem iedere seculiere humanist met afschuw moet vervullen. De geestelijkheid houdt vol dat deze systemen feitelijk juist te wijten zijn aan het atheïsme dat volgens hen de bevolking aangestoken heeft en de grootste macht zou hebben gekregen in het land. De geestelijkheid vergist zich in zelfs de meest elementaire feiten die vereist zijn om hun bewering te ondersteunen.

   Het atheïsme had niet de overhand in communistisch Rusland. Daar vond meer religieuze verering plaats dan de geestelijkheid hier voor mogelijk houdt. Hoe kan een regime, welk dan ook, persoonlijk beleefde religieuze overtuigingen zo maar wegvagen? De Sovjet regering bemoeide zich in de loop der tijd meer met de beperking van geïnstitutionaliseerde religie, dan met pogingen om ieder laatste restant van religie in de mensen uit te drijven, omdat ze zich al vroeg realiseerde dat dit geen haalbaar doel was, hetgeen ze tot compromissen deed besluiten. Hoewel de regering pogingen heeft gedaan, soms zeer strenge en zelfs dodelijke pogingen, om het atheïsme te bevorderen en religie uit te schakelen, lukte dat in het geheel niet. Hoe slecht ze daar in slaagden blijkt wel uit de grootschalige opbloei van religie na de val van het Sovjet regime. 

   Uit onwetendheid veronderstelt de geestelijkheid ten onrechte dat er een voortdurende, onveranderlijke onderdrukking van religie plaatsvond in communistisch Rusland. De werkelijkheid is echter geheel anders. Er bestonden afwisselende perioden, soms tientallen jaren durende, van zowel ontspanning als van verharding van antireligieuze politiek.

   De geschiedenis in een notendop: Na een aanvankelijke periode van vijandigheid tegenover de bolsjewieken, bepaalde de kerk zich tot een positie van neutraliteit (niet oppositie, maar neutraliteit). Daarna kwamen perioden waarin de kerk zich tot volledige steun aan het regime in alle politieke zaken verplichtte. 

   Een van die periodes begon in 1927, toen de kerk haar politiek van neutraliteit opgaf en zich verplichtte tot onvoorwaardelijke steun aan het regime, in alle politieke zaken. In de daarop volgende jaren kwamen perioden van repressie tegen de kerk, onderbroken door zo nu en dan perioden van toegeeflijkheid. In 1943 bekrachtigde de kerk een concordaat waarin de verhouding kerk/staat voor de eerstkomende vijftien jaar werd vastgelegd. Aan de kerk werden concessies verleend in ruil waarvoor zij zich opnieuw moest verplichten tot onvoorwaardelijke steun aan de staat, in alle politieke zaken.

   William C. Fletcher, professor en Directeur van Sovjet en Oost-Europese Studies, en adjunct professor van Religieuze Studies aan de universiteit van Kansas, die het onderwerp het grondigst heeft bestudeerd, en hierover talloze onderzoeksresultaten heeft gepubliceerd, heeft hier veel interessante dingen over te zeggen. In het Journal of State and Church refereert hij aan de spectaculaire herleving van religie in de late vijftiger jaren in de Sovjet Unie. Bovendien, zegt Fletcher, als men de juistheid kan aannemen van de cijfers die voor zijn calculatie werden gebruikt, zijn de aantallen religieuze gelovigen in de Sovjet Unie niet afgenomen, maar zelfs gegroeid van tussen 80 en 90 miljoen mensen in 1937 tot misschien wel 150 miljoen vandaag (1980). Hij onderzocht die perioden waarin de Orthodoxe Kerk en haar gezagdragers gelieerd waren aan de communistische regering. 

   De kerkelijke hiërarchie assisteerde het regime om controle te krijgen over de bevolkingen die binnen de Sovjet invloedssfeer waren gekomen na de Tweede Wereldoorlog, zoals de westelijke Oekraïne en de Baltische staten. Haar invloed werd zelfs in stelling gebracht in die niet-orthodoxe landen van Oost-Europa die onder Sovjet dominantie kwamen, waarbij de Kerk er bij niet-orthodoxe lichamen (zoals de nationale Katholieke kerken) op aandrong de politieke situatie te accepteren. De Orthodoxe Kerk werkte enthousiast mee met het Sovjet vredesoffensief van de vijftiger jaren, een vredescampagne die zoals spoedig duidelijk werd weinig meer dan een list was om de Westelijke wereld zand in de ogen te strooien.

   Tijdens de Tweede Wereldoorlog, om een andere autoriteit te citeren, werd de kerk gerehabiliteerd en ontving ze vele concessies, en heeft ze zelfs Stalin uitgeroepen tot de Goddelijk benoemde leider van de natie. 

   En volgens weer een andere academische onderzoeker, wiens studies betrekking hebben op meer recente jaren, heeft de communistische regering in de zeventiger jaren haar standpunt over de kerk/staat relaties herzien ten gunste van de Orthodoxe en Baptistische kerkleiders. Hij neemt aan dat dit een beloning was voor hun onderwerping: Deze kerkleiders hebben het binnenlands en buitenlands beleid van het Kremlin consistent gesteund. 

   Dus, zo schijnt tenslotte, was het christendom zelf tegenwoordig in het lichaam van het Goddeloze Communisme, en klopte haar hart daar aardig regelmatig mee. Toch was het geen tegengif tegen de gemene manieren van een rijk van het kwaad. 

   In feite moet de Orthodoxe Kerk zelf zelfs een deel van de verantwoordelijkheid dragen omdat ze zoveel moeite deed om het regime vooruit te helpen, en ze hun tirannieke greep op bevolkingen steunden en hielpen te bestendigen. 

  Ook de Baptisten hielpen een handje. Dit was overigens niet de eerste of de laatste keer dat christenen bereid waren hun ziel te verkopen.

   Laten we het Imperiale Rusland eens gebruiken als toetssteen voor de belofte van de geestelijkheid dat waar het christendom in de maatschappij is doorgedrongen, het veel waarschijnlijker wordt dat het leven plezieriger wordt omdat het christendom identiek is aan liefde, vrede, plezier, serene tevredenheid, zorgzaamheid, samen delen, menselijkheid, gelijkwaardigheid voor iedereen, overvloed aan goede gaven, kortom alles dat aardig is.

   Het precommunistische Rusland was zeer zeker doordrongen van christendom. Christendom regeerde in Rusland voor minstens duizend jaar voordat het communisme verscheen. Religie speelde een vitale rol in de levens van de bevolking, en de Orthodoxe Kerk had op veel gebieden een dominante invloed. Eén historicus, maar niet de enige, merkt op: 'Met name de plattelandsbevolking omarmde religie van ganser harte.' Behalve het voorbereiden van loyale onderdanen van de Tsaar was de officiële doelstelling van onderwijs ook het prepareren van de kinderen tot loyale zonen van de Orthodoxe Kerk. Vanaf 1700 tot aan 1917 toe was de centrale administratie van de Kerk een departement van de regering onder de naam Heilige Regerings Synode. De kerkelijke ambtsdragers en priesters ontvingen hun salarissen en subsidies van de staat.

   Talloze professoren in de Russische geschiedenis kunnen aangeroepen worden om te getuigen dat de Kerk niet alleen de autocratische Russische Imperiale regering van begin tot eind steunde, maar ze ook van een religieuze basis voorzag. De Tsaar niet te gehoorzamen was een zonde. Hier is professor Richard Pipes die schrijft dat studenten van het Orthodoxe geloof in alle primaire en secundaire scholen verplicht waren een cursus in religie te volgen, gewoonlijk gegeven door de geestelijkheid. In verband hiermee merkt ook hij op dat de Kerk ongehoorzaamheid aan de Tsaar als zonde veroordeelde.

   Nog een historicus: 'De kerk betaalde haar beschermheren terug door al haar grote invloed aan te wenden om de Russische monarchie te steunen en ze haar zegen te geven, als vertegenwoordiger van God op aarde.' Weer een ander maakt ons opmerkzaam op de zorg van de kerkelijke hiërarchie voor het versterken van het absolutisme. Nog een ander wijst er op dat de leer van de Orthodoxe Kerk als zodanig autocratie prefereerde.

Tsjaikovski Alexander III 1845-1894 portret Ivan Kramskoy

                                                                                                     ALEXANDER III


   Tsaar Alexander III hoorde na zijn troonsbestijging, net als andere tsaren, de stem van God die hem alleenheerschappij beval. Tsaren werden verheven tot semi-goddelijke status. Volgens de Orthodoxe Kerk waren Russische heersers onderkoningen van God op aarde. Onder Nicolaas I leerde de op scholen en in kerken gebruikte catechismus dat God van zijn onderdanen vereist uit het diepste van hun hart alle autoriteit te gehoorzamen, en in het bijzonder die van de Keizer. 

   Vraag: 'Door welk voorbeeld wordt dit doctrine bevestigd?' 

   Antwoord: 'Door het voorbeeld van Jezus Christus zelf, die leefde en stierf getrouw aan de Keizer van Rome, en die zich in het bijzonder onderwierp aan de uitspraak die hem ter dood veroordeelde.'

   Er bestond geen vrijheid van religie in het keizerlijke Rusland, en vervolging van niet-orthodoxe gelovigen was gebruikelijk. Er waren tijden dat belijdenis tot een niet-orthodox dogma zelfs als verraad werd beschouwd. Een zekere geloofsgemeenschap werd het zelfs verboden om gebedsbijeenkomsten te houden, en de leiders van een andere groep werden gevangen gezet en hun volgelingen blootgesteld aan wrede en onwaardige behandeling, en opgejaagd door strafexpedities. 

   Volgens de wet was het alleen aan de Orthodoxe Kerk toegestaan priesters te wijden. Conversie van een Orthodox naar een afwijkend geloof was strafbaar met gevangenis of verbanning naar Siberië. Afwijkende religies werd het niet toegestaan nieuwe kerken te bouwen of religieuze propaganda uit te geven. De monarchie stelde een spionagesysteem binnen de kerk op ter controle op gehoorzaamheid, naast de geheime agenten die ze overal inzette, net zoals Stalin later zou doen. Christelijk Imperiaal Rusland was een van de meest oorlogszuchtige naties in de geschiedenis. In de moderne geschiedenis, was het slechts gedurende de regering van één tsaar, die trouwens maar kort op de troon zat, dat het land niet in een oorlog was betrokken.

   Het imperiale Rusland stond bol van antisemitisme, en de slachtoffers daarvan werden blootgesteld aan flagrante belediging en discriminatie. Joden werden aangeslagen voor belastingen die van anderen niet gevraagd werden. Pogingen werden ondernomen ze onder dwang te bekeren. Joodse kinderen werden gedoopt tegen de wensen van hun ouders. 

   Yehuda Bauer, die een professorschap bekleedt in Holocaust Studies aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem, rapporteert dat onder Tsaar Nicolaas I joodse kinderen onder de twaalf jaar onder dwang uit huis werden genomen of gekidnapt en naar strenge scholen gestuurd, waar velen van degenen die het overleefden (en velen deden dit niet) gedwongen werden hun jood zijn op te geven. Quota's stonden slechts een onbeduidend deel van hen toe om opleidingsinstituten van enig niveau te bezoeken. Ze werden geconcentreerd in bepaalde leefgebieden. Hun beroepskeuze werd beperkt. Ze mochten geen christenen in dienst nemen zonder toestemming van de politie. Ze werden uit hogere beroepen geweerd. Het werd hen niet toegestaan onroerend goed te verwerven, behalve in de jodenkwartieren. Ze mochten geen agrarisch land in eigendom hebben of in landelijk gebied wonen.

   Telkens wanneer tsaristisch Rusland ter sprake komt, denken we aan pogroms. Een historicus beschrijft wat dit waren: 'Een pogrom bestond uit gepeupel dat het jodenkwartier van een stad binnendrong, in huizen en winkels binnenbrak, plunderend, vechtend, verkrachtend, brandstichtend en inwoners vermoordend.' 

   Nadat Alexander II bij een aanslag om het leven was gekomen, kwamen golven van de ergst denkbare pogroms op gang gedurende een periode van enkele jaren, verspreid over tweehonderd steden, hoewel de pleger van de aanslag niet een jood was. 

   In het begin van de twintigste eeuw braken barbaarse pogroms uit. The New Encyclopedia Brittannica verleent gezag aan de claim dat de Kerk en de tsaristische autoriteiten zo ver gingen als het goedkeuren en zelfs aanmoedigen van sommige pogroms tegen de joden.

   En hoe ging het met de vrome christelijke bevolking in deze door en door christelijke maatschappij waarin geen atheïsme zichtbaar was? Het leven kon niet slechter zijn. Negentig procent van de bevolking leefde op het platteland, de meeste waren lijfeigenen, een status weinig beter dan slaaf. Bij het begin van de negentiende eeuw was het stelsel van lijfeigenschap compleet, schrijft een historicus, en de ergste gevolgen hiervan bleven zichtbaar tot 1917.

    Er zou een boek gevuld kunnen worden met de beknopte weergaven van de levensomstandigheden van de bevolking door de historici van Rusland. 

   Professor Graham Stephenson: 'De plattelandsbevolking was Rusland. Zij betaalden bijna al de belastingen, zij leverden alle voedsel, zij waren de horden van huishoudelijk personeel, zij stierven in de oorlogen, vaak verhongerden zij en altijd leden zij.' 

   Professor I. Michael Aronson: 'Voor het grootste deel leefde het zogenoemde proletariaat armzalige, primitieve en onmenselijke levens.' 

   Professor John Stipp: 'Ten minste vanaf het midden van de vijftiende eeuw leefden de bevolking van Rusland in omstandigheden die ongelofelijk waren. De meerderheid miste zoveel van de verfijning van menselijke kwaliteiten dat in de negentiende-eeuwse Russische literatuur naar hen werd verwezen als de dode zielen.'

   Dat de adel complete macht had over de lijfeigenen, is een gemeenplaats die in veel geschiedschrijvingen van Rusland wordt gevonden. Zij konden iedere soort arbeid van de lijfeigenen eisen; ze verhuren om werk voor anderen te verrichten; ze van het land wegsturen zonder hun gezinnen; ze bevelen om te trouwen of niet te trouwen; ze omvormen tot huishoudelijke hulp; ze verplichten tot elke soort van persoonlijke dienstverlening; ze geselen voor wangedrag; bij onverbeterlijk wangedrag ze door de autoriteiten voor vijfentwintig jaar in het leger laten inlijven of naar Siberië verbannen; ze iedere bestraffing in geld of arbeid opleggen; de ouden en zieken uit het dorp verdrijven; hun roerend goed naar willekeur afnemen. Men was bij wet verboden zijn lijfeigene te doden, maar ook bij wet, was het aan lijfeigenen niet toegestaan bij de autoriteiten te klagen over hun heren Het vermoorden van lijfeigenen gebeurde dan ook regelmatig en bleef ongestraft.

   Zou er iemand onwetend en dwaas genoeg zijn om te zeggen of te laten blijken dat het leven beter was toen het christendom oppermachtig was in het precommunistische Rusland dan in atheïstische (?) Rusland? 

   Richard C. Halverson, huiskapelaan voor de Senaat van de Verenigde Staten, is zo iemand. In een wezenloze aanval tegen atheïsten zei hij dat: 'atheïsme geen ruimte biedt voor mensenrechten' (de context was zijn verwijzing naar communistisch Rusland). Als logische conclusie moeten we aannemen dat hij bedoelt dat mensenrechten wel de overhand hebben waar theïsme voorkomt.

   Waarom wist hij niet dat in Imperiaal Rusland, waar het christendom een centrale rol in het leven van de bevolking speelde en de Kerk grote macht had, mensenrechten praktisch onbekend waren? Waarom onderzocht hij het onderwerp niet in de Congres Bibliotheek waar hij gemakkelijk toegang toe heeft, voordat hij roekeloos uiting gaf aan zijn beledigende en opzwepende nonsens? Omdat de voor deze taak benodigde vaardigheden voor intellectueel en kritisch onderzoek binnen zijn gezichtskring totaal ontbreken.

   In een eerdere column die over hem ging werd vermeld dat hij zei: 'Het belangrijkste dat ik doe is bidden. Het zou correct zijn te zeggen dat ik er geheel door in beslag wordt genomen.' Het zou een sociaal nuttiger zaak zijn als hij eens ophield met bidden om de tijd die hij daarmee bespaart te wijden aan het lezen over de verschrikkingen die aan de deur gelegd kunnen worden van het geloof dat hij niettemin wil steunen. Overpeins de enormiteit van het intellectuele bankroet dat voor Halverson nodig is, die een ideologie steunt waarvan een van de primaire leerstellingen is dat degenen die hier niet aan meedoen verschrikkelijk gestraft en uiteindelijk vernietigt horen te worden, en dan de beschuldigende vinger durft te wijzen naar seculiere humanisten, die tot de meest fervente verdedigers van mensenrechten behoren, alsof die ze zouden afkeuren.

   Deel 3 zal aantonen hoe het christendom een van de ergste verschrikkingen inspireerde en steunde, de Nazi Holocaust.


DEEL 3 - DE FUNDERING IN HET CHRISTELIJK ANTISEMITISME

   De beweringen door de geestelijkheid dat het atheïsme verantwoordelijk was voor de misstanden in communistisch Rusland, is dus ongegrond gebleken. Is de geestelijkheid bereid nu te beweren dat de nazi verschrikkingen alleen konden plaatsvinden omdat Duitsland doortrokken was van atheïsme? In feite was Duitsland voor de nazi periode doortrokken van het christendom. Het is geen overdrijving te zeggen dat het een van de meest christelijke naties in de wereld was, indien het op de gebruikelijke indicatoren wordt beoordeeld. Slechts enkele tientallen jaren voordat Hitler in opkomst was, waren 90 tot 95 procent van de Duitsers lid van christelijke kerken; de protestantse pers bloeide, en publiceerde ongeveer 600 onafhankelijke kerkbladen met een gezamenlijke oplage van 17 miljoen; er waren 5.500 theologie studenten; en de aanwezigheid van enige internationaal beroemde theologen hield belangstelling voor religieuze zaken op de voorgrond.

   Het nazisme ontstond in de boezem van een door christendom doordrongen maatschappij. Sterker nog, het nazisme was een product van bepaalde christelijke doctrines. Als de Amerikaanse geestelijkheid dan misschien niet weet dat er een intieme relatie bestond tussen de Holocaust en het christelijke geloof, bepaalde nazi kopstukken en militaire generaals wisten dit wel. Een Duitse generaal antwoordde, toen hem tijdens het Neurenbergs proces gevraagd werd hoe zo iets zo ver had kunnen komen: 'Ik ben van mening dat als voor jaren, voor decades het doctrine verkondigd wordt dat de joden niet eens menselijk zijn, zoiets onvermijdelijk is.' Natuurlijk onderschatte hij de duur van deze verkondiging, welke zoals we zullen zien, al bij Jezus begon. 

   Julius Streicher, de belangrijkste nazi ideoloog van antisemitisme en oprichter van Der Sturmer, het meest beruchte en gemene antisemitische tijdschrift, adviseerde de uitroeiing van de mensen 'wier vader de Duivel is,' waarmee hij de toeschrijving door Jezus van deze afstamming in de herinnering riep.

   Hitler, die zijn giftige haat voor joden vaak in razernij uitriep, zag het doden van joden als een gewijde opdracht: 'Vandaag geloof ik dat ik handel in overeenstemming met de wil van de Almachtige Schepper: door mezelf tegen de joden te verdedigen, vecht ik voor het werk van de Heere.' (cursivering in het origineel). In reactie op twee bisschoppen die de nazi rassenpolitiek ter discussie stelden, zei Hitler dat hij alleen tot toepassing bracht wat het christendom zelf al 2000 jaar lang verkondigd heeft.

   Hitler vergiste zich. Het christendom verkondigt niet dat alle joden op aarde uitgeroeid moeten worden. Wat het christendom deed was het uitvinden van religieus antisemitisme, wat soms tot uitwassen leidt als de grootschalige afslachting van joden. Bovendien, wat het christendom preekt is dat joden, en iedereen die niet gelooft, na hun dood horen te worden bestraft met verschrikkelijke kwellingen en uiteindelijke vernietiging, terwijl gelovigen in aanmerking komen voor een leven van eeuwige zaligheid. Het christendom leverde een systeem van denken op, een klimaat van opinie, dat de ontmenselijking mogelijk maakte van hele categorieën mensen, in het bijzonder de joden. 

   De nazi's noemden de joden duivels, bacillen, ongedierte, wormen, ratten met mensengezichten, vuil, in het duister levende insecten, en nog erger. Al voor het nazisme, bevatte veel Duitse literatuur venijnige laster over joden.

   Dit is de solide basis waarop Hitler ongestraft verder kon bouwen. Een historica, Victoria Barnett, schrijft: 'Het feit alleen al dat de vervolging van het joodse volk genocidale afmetingen kon bereiken, zonder massaal protest van hun medeburgers en met deelname van de duizenden Duitsers die in de kampen werkten, onthult hoe diep het antisemitisme verankerd lag in de harten en hoofden van gewone Duitsers.' 

   Het was zo diep verankerd in de Duitse psyche dat het mogelijk was om felle anti-joodse aanvallen te horen vanaf christelijke preekstoelen, dat de hofpredikant in Berlijn tijdens de Weimar periode een verbeten antisemiet was, dat al voor het nazisme antisemitische politieke partijen bestonden, en dat een bond werd gevormd om jodenhaat te propageren. 

   Professor George L. Mosse, een professor in historie aan de Universiteit van Wisconsin, en een van de meest kundige, diepgaande en vruchtbare onderzoekers van het nazisme zegt: 'Het Duitse antisemitisme vormt deel van de Duitse intellectuele geschiedenis; het staat daar niet buiten.' Mosse citeert Nietzsche: 'Ik heb nog nooit een Duitser ontmoet die een gunstige mening over joden had.'

   Een combinatie van christelijk antisemitisme, racistische theorieën, en Germaans supernationalistisch etnocentrisme bereikte zijn piek in het nazi tijdperk, en vormde een mengsel van dodelijke ontvlambaarheid dat explodeerde in de verschrikkingen van de Holocaust. De fundering hiervan was het christelijke antisemitisme, en in de opinie van sommige geleerden waarvoor professor Yehuda Bauer representatief is: 'Zonder christelijk, of traditioneel anti-judaïsme, zou modern nationalistisch en racistisch antisemitisme niet mogelijk zijn geweest.'

   Basis voor een begrip van dit alles is de inherente onverdraagzaamheid van het christendom, een waarheid opgetekend door de Encyclopedia Brittannica: 'Vanaf het begin neigde het christendom naar onverdraagzaamheid die geworteld was in religieus zelfbewustzijn.' 

   Er kunnen veel deskundigen geciteerd worden die bevestigen dat onverdraagzaamheid jegens joden in het christendom verankerd liggen. 

   Professor Rosemary Radford Ruether kan namens hen allen spreken: 'Is het mogelijk om het christendom te ontdoen van anti-judaïsme zonder tegelijkertijd het christendom het zwijgen op te leggen? Is het mogelijk Jezus is Messias (verlosser) te zeggen zonder impliciet of expliciet tegelijkertijd te zeggen: en de joden zijn verdoemd?'

   Veel onderzoekers van dit onderwerp zien de Holocaust en christelijke ideologie als tweelingen. Zoals een onderzoeker opmerkt: 'Historische overzichten van het nationaal-socialisme en de nazi politiek betreffende het joodse vraagstuk beginnen haast zonder uitzondering met het verhaal van het negentiende eeuwse antisemitisme. Omgekeerd, de meeste publicaties over antisemitisme in voor-nazistisch Duitsland zien hierin een prelude tot de Holocaust.' Barnett levert een specifiek voorbeeld: 'De Holocaust stelde een directe uitdaging aan christenen over de hele wereld. Zij werden geconfronteerd met de gevolgen van het antisemitisme dat door de kerken eeuwenlang gesteund werd, en dat de Holocaust mogelijk maakte.'

   Het begon allemaal met Jezus. Bisschop John Shelby Spong klaagt hem aan: 'Jezus wordt afgebeeld, vooral in het evangelie van Johannes, als schuldig zijnde aan wat we vandaag de dag zeker antisemitisme zouden noemen. Het is zelfs zo dat de haat voor joden die voor tweeduizend jaar de duistere onderkant van het christendom is geweest, gevoed wordt door de ongunstige stellingnamen die in de christelijke bijbel worden gevonden, en zelfs in de veronderstelde woorden van Jezus. Het heeft geleid tot pogroms, getto's, aparte huisvesting en verenigingen, geschonden synagogen, Kristallnacht en Dachau.'

    De evangeliën hebben door de eeuwen heen de antisemieten overvloedig van ammunitie voorzien. Professor Alan Davies, schrijvende in de zestiendelige Encyclopedia of Religion merkt op: 'Zelfs christelijke geleerden geven nu toe dat de evangeliën en andere secties van het Nieuwe Testament in bepaalde mate gekleurd worden door vijandigheid tegenover de joodse tegenstanders van de apostolische kerk in de roerige tijden van de eerste en tweede eeuw.' 

   Hij vervolgt met het geven van details van het materiaal in ieder van de evangeliën dat in de structuur van antisemitisme werd opgenomen. Hij wijst naar het evangelie van Johannes als een extreem voorbeeld van het joden omlaag halen: 'Zo negatief en intens is hun afbeelding door Johannes dat hij soms beschouwd wordt als de vader van het antisemitisme.' 

   Maar die schande wordt aan de apostel Paulus toegewezen door Professor Hyam Maccoby: 'Als Paulus de schepper van de christelijke mythe was, dan was hij ook de schepper van het antisemitisme dat onverbrekelijk met die mythe verbonden is.'

   De kerkvaders, Chrysostomus, Ambrosius, Hieronymus, Tertullianus, Cyprianus, Augustinus bijvoorbeeld, allemaal eersteklas christenen, vormden een imago van joden dat tezamen gebrouwd werd uit bovenmenselijke kwaadwilligheid, hopeloze totaliteit van spirituele blindheid, en ieder benoembaar kwaad. 

   Beschouw dit kleine voorbeeld van het verbaal geweld van Chrysostomus, uit een serie van acht aan dit onderwerp gewijde preken: 'De joden zijn verstokte moordenaars, vernietigers, mensen die door de duivel bezeten zijn. Losbandigheid en dronkenschap hebben ze manieren gegeven van varkens en wellustige geiten. Ze kennen maar een ding, de bevrediging van hun slokdarm, dronken worden, elkaar doden en verminken. Ze vermoorden hun nakomelingen en offeren ze aan de duivel. We moeten waken tegen de joodse ziekte. Het is de plicht van christenen de joden te haten.'

    Het imago van joden dat deze van Christus bezeten notabelen van de vroege Kerk opmaakten, is door de hele westelijke wereld verspreid geraakt door theologische werken, preken, Passiespelen, folklore en kunst.

   De Middeleeuwen, een periode van verscheidene honderden jaren, was een hele slechte tijd voor de joden. De Pausen waren meedogenloos in hun veroordeling van joden, stimuleerden haat tegen ze, en verleenden medewerking om ze gedood te krijgen. Professor Raul Hilberg presenteert in zijn encyclopedisch onderzoek The Destruction of the European Jews (De vernietiging van de Europese joden) twee parallelle kolommen, een met beledigingen, nadelen, ontzeggingen, verboden, beperkingen, speciale boetes, stigmatiserende kleding en insignes door de katholieke kerk aan de joden opgelegd, en de tweede kolom met de tegenhangers hiervan zoals die door de nazi's ingesteld werden.

   Wat hebben de christenen toch tegen de joden? Professor Friedrich Heer rapporteert dat de schuld voor alles dat kwaad geacht wordt, van miskramen bij mensen of dieren tot de builenpest aan toe, in de Middeleeuwen aan de joden werd geweten. 

   Maar bovenop al het andere, beschuldigen christenen joden ervan moordenaars van Christus te zijn. Hebben de joden Christus vermoord? Onwetendheid heeft aanleiding gegeven tot een volmondig ja. Toch zijn de evangeliën verward en tegenstrijdig over de kruisiging, Markus en Mattheüs geven de Romeinen de schuld, Lukas en Johannes beschuldigen de joden. Historici zeggen dat kruisiging nooit een joodse manier van terechtstelling is geweest, maar een Romeinse. Veel geleerden zien als reden van de terechtstelling van Jezus door de Romeinen dat hij als politiek opstandeling werd beschouwd.

   Howard Teeple concludeert in zijn recente indrukwekkende boek How Did Christianity Really Begin? (Hoe is het christendom echt begonnen?) na gedegen onderzoek: 'Wie was verantwoordelijk voor de dood van Jezus, de joden of de Romeinen? Noch de joden als volk, noch de Romeinen als volk, maar de priesters van de Sadduceeën, de Sanhedrin, Judas en Pilatus.' Dan zijn er nog de geleerden die volhouden dat er geen historische Jezus heeft bestaan om te executeren.

   Denk eens aan de miljoenen joden die ter dood werden gebracht door christenen die niet in staat zijn logisch over hun eigen geloof te redeneren. Als ze op juiste wijze zouden kunnen redeneren, zouden ze niets dan onbegrensde dankbaarheid voor de joden moeten hebben, als die inderdaad Jezus gekruisigd zouden hebben. Is het immers niet de kern van het hele christelijke doctrine dat het voorbestemd was dat Jezus ter dood zou worden gebracht? Om als christenen te spreken, heeft God dan niet zijn zoon gezonden voor dat specifieke doel? Als verlossing van zonden bewerkstelligd moest worden, moest dan niet iemand Jezus kruisigen?

   In deel 4 bespreken we de christelijke kerken, die in overgrote meerderheid het nazisme steunden, en die zich stil hielden over de Endlösung. Maarten Luther zal het vertrekpunt zijn, om redenen die uitgelegd zullen worden.


DEEL 4 - DE KATHOLIEKE REACTIE OP DE NAZI HOLOCAUST

   De geest van Maarten Luther spookte voortdurend rond in het Nazisme en was opvallend aanwezig bij de Holocaust. Dit is door talloze scholastici opgemerkt.

   Professor Robert J. Wistrich, een van de grondigste onderzoekers van wereldwijd antisemitisme, schrijft bijvoorbeeld: 'Het door Luther gezaaide zaad van de haat zou zijn vreselijke climax in het Derde Rijk bereiken, toen Duitse protestanten zich bijzonder ontvankelijk toonden voor het nazistische antisemitisme.' 

   De Lutherse redacteur van de Amerikaanse vertaling van Luthers werken merkt op: 'Het is nu onmogelijk om Luthers verhandeling te publiceren zonder op te merken hoe zijn voorstellen gelijk waren aan de acties van het nationaal-socialistische regime in het Duitsland van de dertiger en veertiger jaren.' 

   Af en toe bewezen de nazi's eer aan hun leermeester door het organiseren van een gebeurtenis op een datum of in een plaats die met hem geassocieerd werd. Zo verklaarden zij bijvoorbeeld dat hun eerste grootschalige pogrom tegen de joden op 10 en 11 november 1938 (de Kristallnacht), een vrome operatie was ter ere van Luthers geboortedag.

   En om slechts nog een voorbeeld te noemen, de installatie van Ludwig Müller als Rijksbisschop werd met veel fanfare opgevoerd in de kerk van Wittenberg, waar Luther gepreekt had. In Mein Kampf noemt Hitler Luther als een van de grote helden van het Duitse volk. De historicus Prof. Friedrich Heer stelt dat Hitler bereid was toe te geven dat Luther de weg had voorbereid voor zijn eigen werk. Hij citeert Hitler, die reeds in 1918 onheilspellend gezegd zou hebben: 'Hij zag de joden toen al zoals wij ze nu nog maar net beginnen te zien.'


hitler:muller

HITLER BEGROET RIJKSBISSCHOP LUDWIG MÜLLER EN ABBOT ALBANUS SCHACHTLEITNER ALS EREGASTEN OP NAZIPARTIJ MANIFESTATIE 4-10 SEPTEMBER 1934

 

  Wat was het, dat Luther bood, dat hem zo aantrekkelijk voor de nazi's maakte? Het was een verhandeling in de vorm van een boek, "Over de Joden en hun leugens", waarin hij uitdrukking gaf aan zijn ongebreidelde, om niet te zeggen uiterst maniakale, afschuw van de joden, en waarin hij overduidelijk toespeling van genocidale bedoelingen over hen maakte. Luthers heftige aanvallen op de joden werden vaak genoemd en op grote schaal verspreid onder de nazi's. De originele editie van Luthers afschuwwekkende boekje werd tentoongesteld in een speciale vitrine tijdens partijbijeenkomsten in Neurenberg.

   Bij het lezen van pagina na pagina van Hitler's fulmineren tegen de joden in Mein Kampf, komt men al spoedig tot de realisatie de echo van Maarten Luther te horen. 

   Julius Streicher, de belangrijkste ideoloog van het antisemitisme in de partij, betoogde in zijn verdediging voor het Neurenberg tribunaal dat hij niets had gezegd dat Maarten Luther al niet vierhonderd jaar eerder had gezegd.

   Geen parafrase of kort uittreksel kan de ziedende haat volledig weergeven waarmee Luther de joden bestormde. Dit moet gelezen worden om geloofd te worden. Hij kan nauwelijks woorden vinden die gemeen genoeg zijn om wezens te beschrijven waarvan hij klaarblijkelijk denkt dat ze maar weinig menselijke kwaliteiten bezitten. Er is geen kwaadwilligheid, criminaliteit, verdorvenheid of slechtheid die hij ze niet toeschrijft. Hij zoekt zelfs zijn toevlucht tot grove obsceniteiten. (red. Zie: "Het smerige boekje' elders op deze site)

   Luther stelt zich niet tevreden met alleen het spuien van zijn vitriool. Hij doet een beroep op de burgerlijke autoriteiten om uitvoering te geven aan afschuwelijk wrede maatregelen tegen de joden. Hij raadt aan hun synagogen af te branden. Hun huizen moeten worden vernietigd en ze moeten worden gedwongen om als zigeuners samen onder een dak te wonen of anders in een stal. Hun gebedenboeken en Talmoeds moeten van ze worden weggenomen. Hun rabbi's moet het worden verboden te preken, en ze moeten gedood worden als ze dat gebod overtreden. Reizen moet hen niet worden toegestaan. Hun geld, goud en zilver moet ze worden ontnomen. De jonge en sterken, zowel mannen als vrouwen, moeten tot zware en vuile dwangarbeid worden gedwongen. Als na dit alles de christenen zich nog steeds bedreigd voelen, moeten de joden het land worden uitgezet.

   Soms schijnt Luther nog net niet voor een Holocaust te kiezen: 'We doen er verkeerd aan ze niet te doden.' 

   In hun reactie op de Holocaust, hadden de kerken, de geestelijkheid, de theologen en de christenen in het algemeen, de gelegenheid om aan te tonen dat hun aanname gerechtvaardigd is dat alleen een christelijke aanwezigheid vrede, rechtvaardigheid, eerbied voor de waardigheid van ieder menselijk wezen, en universele liefde kan opleveren. 

   Christenen werden door het nazisme en de Holocaust op de proef gesteld, en ze faalden jammerlijk.

   Voor het overgrote deel kozen zij de kant van de nazi's, en ze hielden zich grotendeels stil over de grote morele kwestie waarmee ze geconfronteerd werden, de schrikbarende geweldpleging, martelingen, slavernij en slachtingen van vele miljoenen mannen, vrouwen en kinderen voor geen andere reden dan dat zij joden waren. Slechts een onbeduidend aantal, machtig of nederig, verhief zijn stem. 

   Men bevaart verraderlijke wateren wanneer men de waarheid zoekt in deze Germaanse nachtmerrie. Tenzij men grondig kennis heeft genomen van het enorme en zich nog steeds uitbreidende wetenschappelijk onderzoek op dit gebied, kan veel misinformatie worden aangeboden. Christelijke apologeten mogen graag de een of andere daad van verzet tegen het nazisme aanvoeren, of een enkele redding van joden, alsof die een wijd verspreide praktijk zouden vertegenwoordigen. Er zijn inderdaad enkele geïsoleerde gevallen bekend, maar dat waren het dan ook, geïsoleerde gevallen.

   Veel belangrijker was het grote beeld. Wat deden de kerken officieel? Vormden christenen een geheel in verzet tegen wat de nazi's deden? Veroordeelden belangrijke kerkleiders, gedreven door een christelijke reflex, zonder aarzeling en zonder ophouden in het openbaar het slachten van joden?

   Kijk eens naar de Katholieke Kerk. Slechts een paar maanden nadat Hitler aan de macht was gekomen, verenigde het Vaticaan zich met hem in een Concordaat waarin het de legimiteit van zijn regime erkende en alle katholieke politieke en sociale organisaties in Duitsland opgaf, in ruil voor een paar concessies aan de kerk die Hitler al spoedig daarna negeerde.

   Het Concordaat had een verstikkend effect op iedere mogelijkheid van protest, en diende om de juistheid van steun aan het regime door miljoenen katholieken te bevestigen. De gretigheid waarmee het Vaticaan tot overeenstemming met Hitler kwam, kon verwacht worden uit de historische neiging om diplomatieke banden aan te knopen met conservatieve en zelfs fascistische regimes, omdat het met de meeste aspecten van rechtse regimes geestverbonden was, om dit punt over te brengen in de woorden van professor in de geschiedenis Michael R. Marrus.

   Professor Friedrich Heer steunt hem hierin, in zijn op gedegen onderzoek gebaseerde boek Gods First Love (Gods eerste liefde), net als veel andere historici. Heer geeft een uitvoerige en heldere weergave van de politieke voorkeuren (anti-democratisch, anti-liberaal, anti-semitisch en anti-Verlichting) van het katholicisme en haar kerkleiders. Deze voerden hen al snel in de schoot van de nazi's, en eenmaal daar aangekomen, weerhield het ze van verzet zelfs tegen de uitroeiing van de joden. 

   Zijn conclusies ondersteunend met overvloedige uittreksels uit katholieke publicaties, toont Heer de buitengewone steun aan die de kerk aan de nazi's en hun oorlogen gaf, een steun die door de meeste historici als flagrant agressief en monumentaal onrechtvaardig wordt beschouwd. Hij merkt op: 'Katholieke theologen ontdekten terecht dat er veel affiniteit bestond tussen Nazi ideologie en Katholicisme.' 

   Veel kerkelijke kranten werden haast propaganda-organen voor het nationaal-socialisme. Heer constateert dat de (katholieke) pers op soepele wijze in dienst van de oorlogspropaganda machine werkte. Als het christendom het enige betrouwbare bolwerk tegen menselijke wreedheid en verdorvenheid, tirannie en ongebreidelde slachting is, zoals zijn voorstanders beweren, moet dit dan niet vereisen dat christenen zich ten minste uitspreken tegen zulke afschuwelijke daden? En moet het ze zeer zeker niet weerhouden van deelname hieraan? 

   Zoals gezegd werd, hebben slechts enkele Duitse katholieken, hoog of laag geplaatst, zich uitgesproken tegen de nazi behandeling van de joden, maar hebben daarentegen grote aantallen van hen deelgenomen in het werk van gevangen nemen, transporteren, tot de dood werken, het runnen van de concentratiekampen, de oorlogen te voeren en onschuldigen te executeren. Miljoenen katholieke soldaten, energiek aangemoedigd door hun bisschoppen en priesters, vochten met trots in Hitler's onrechtvaardige en roofzuchtige oorlogen. Het is zelfs een feit, dat bewijs werd gevonden dat kerken hun reportenregisters naspeurden op verzoek van de regering, om de joden op te sporen.

   En de paus dan (Pius XII regeerde gedurende het grootste deel van dit tijdperk), de meest vooraanstaande rooms-katholiek, voorbeeld van christelijke waarheid en deugd, vicaris van Christus, morele voorganger van zijn kudde en de wereld, verdediger van rechtvaardigheid, bevorderaar van onbeperkte broederschap en universele liefde, en onfeilbare vertaler van iedere wens en opdracht van God?

   In een verklaring zoals ze veelvuldig voorkomen in een overvloed aan objectieve historische verhandelingen door andere geleerden, concludeert professor Nora Levin dat de paus de uitroeiing noch de uitroeiers veroordeelde. Het Vaticaan bleef zich stilhouden tijdens de Holocaust. Smeekbeden werden aan het Vaticaan gericht door joden die midden in de Holocaust bevonden, en door hen op afstand daarvan. Maar het gehoopte protest kwam nooit.

   Dringende oproepen gericht aan de paus om zich uit te spreken met name tegen de genocide op joden kwamen van vele kanten, joods en niet-joods. De paus was onwrikbaar. 

   President Roosevelt's persoonlijke vertegenwoordiger bij het Vaticaan heeft bij verscheidene gelegenheden de paus ronduit gevraagd de door de nazi's bedreven ongelooflijke verschrikkingen te veroordelen. Onwrikbaar. Bij één poging heeft de persoonlijke vertegenwoordiger van de President aan de pauselijke Secretaris van Buitenlandse Zaken een memorandum van het Joodse Agentschap overhandigd waarin gerapporteerd werd over de massa-executies van joden in Polen en bezet Rusland en de deportaties vanuit verscheidene naties naar de dodenkampen, en gevraagd werd om suggesties hoe de wereldopinie ten berde gebracht zou kunnen worden om deze barbarij te stoppen. De Secretaris antwoordde dat het niet mogelijk was gebleken te verifiëren dat zulke maatregelen tegen joden werden genomen. Onwrikbaar.

   In feite bestaat er nogal overtuigende documentatie dat het Vaticaan al heel vroeg hiervan wist. Nadat de geallieerden in december 1942 de uitroeiing aan de kaak stelden, vroeg de vertegenwoordiger van de Verenigde Staten de pauselijke Secretaris opnieuw om een soortgelijke afkeuring uit te vaardigen. De Secretaris antwoordde dat het Vaticaan, omdat het een beleid van neutraliteit nastreefde, niet kon protesteren tegen specifieke gruweldaden, en slechts immorele daden in het algemeen kon veroordelen (Het was de hoogste vertegenwoordiger van Christus op aarde ten strengste verboden zich uit te spreken over de slachting van miljoenen onschuldige menselijke wezens)

   Er bestaan twee soorten bewijs die kunnen leiden tot de hypothese dat de redenen die het Vaticaan gaf voor zijn weigering bezwaar te maken tegen de uitroeiing van joden niets anders dan rationalisaties waren. Eén betreft het feit dat het heeft geïntervenieerd ten gunste van katholieken van joodse afkomst. De andere is dat het Vaticaan deelnam aan een wijd verspreid protest tegen het euthanasie programma dat de verwijdering van zigeuners en andere ongeschikte mensen beoogde, een protest dat tenminste nog enig positief effect had.

   Miljoenen menselijke wezens hebben tijdens de hele geschiedenis ondervonden dat het soms gevaarlijk is in een christelijk land te wonen, en dan noemen we nog niet eens die landen waar andere godsdiensten de overhand hebben, hetgeen vooral dodelijk is wanneer religie en regering samenspannen.

   In deel 5 zullen we het nog triestere optreden van de protestanten onderzoeken.


DEEL 5 - DE PROTESTANTSE REACTIE OP DE NAZI HOLOCAUST

   Als we afgaan op wat de christelijke geestelijkheid preekt over de door het geloof geïnspireerde deugden zouden nazisme, Hitler's oorlogen en de Holocaust niet mogelijk zijn geweest. Toch vonden ze niet alleen plaats, maar er werd in Duitsland zelfs geen bezwaar tegen gemaakt, noch door theologen, geestelijken of christenen als individu, noch door de kerken als instituut. In feite werden ze overweldigend door hen gesteund. 

   Kijk maar eens naar de drie voornaamste Duitse protestantse theologen, Gerhard Kittel, Paul Althaus en Emanuel Hirsch. Deze mannen waren zeer gerespecteerde, buitengewoon erudiete, uitzonderlijk productieve en internationaal bekende professoren, ieder verbonden aan een verschillende eerste klas universiteit.

   Professor Robert P. Erickson deed buitengewoon uitvoerig onderzoek naar wat deze drie theologen schreven, zeiden en deden met betrekking tot het nazisme en de joodse kwestie. Hij rapporteert over zijn bevindingen in een boek getiteld Theologians Under Hitler (Theologen onder Hitler). Als iemand zou horen te weten of onderwerping verlangd werd van de volgelingen van de levende Christus bij de confrontatie met een regime zo totaal verwerpelijk als dat van de nazi's, of juist tegenwerking geboden zou zijn, dan zouden het toch zeker deze drie theologen geweest moeten zijn. 

   Tot welke conclusies kwam Erickson betreffende de houding van deze drie mannen, waarvan verwacht mocht worden dat ze een voorbeeld zouden geven van de invulling van die nobele christelijke waarden die aan miljoenen kinderen op school worden voorgehouden? Die conclusies zijn onverbiddelijk:

   'Ieder van hen steunde Hitler openlijk, enthousiast en zonder terughoudendheid. In feite oordeelden zij dat alle christenen dit ook hoorden te doen. Zij zagen zichzelf, en werden door anderen gezien, als oprechte christenen die gehoor gaven aan oprechte christelijke impulsen. Bovendien negen alle drie er toe Gods hand te zien in het aan de macht komen van Hitler.'

   Hirsch was lid van de Nazi partij en de SS. De nazistaat, zei hij, hoort door christenen aanvaard en gesteund te worden als een werktuig van Gods genade. 

   Voor Althaus was het aan de macht komen van Hitler een gave en wonder van God. Hij preekte: 'Wij christenen weten onszelf gebonden bij Gods wil om het nationaal-socialisme te bevorderen.'

   Kittel en een groep van twaalf vooraanstaande theologen vaardigden een proclamatie uit waarin zij stelden dat nazisme door God geroepen was, en waarin zij God dankten voor Adolf Hitler. Kittel was een partijlid die met trots beweerde een goede nazi te zijn. Hij legde uit dat hij niet onder druk lid was geworden, of om pragmatische redenen, maar omdat hij concludeerde dat het nazi fenomeen een volkse vernieuwingsbeweging op een christelijk morele fundatie was. Hij schreef het christendom een ereplaats toe in nazi-Duitsland juist vanwege haar standpunt over de joodse kwestie. Hij zei mede namens andere theologen te spreken toen hij beweerde dat acceptatie van staat en Führer gehoorzaamheid aan Gods wetten betekende.

   Deze theologen waren doordrenkt van antisemitisme. Erickson stelde vast dat gedurende het gehele nazi tijdperk Kittel's geschriften correspondeerden met nazi politiek en deze steunden, inclusief alle maatregelen betreffende de joden, met mogelijke uitzondering van genocide, maar men vraagt zich toch af. Hij sprak zich nooit uit tegen uitroeiing. In feite stelde hij zelfs een theorie op die tot strekking had een solide christelijke rechtvaardiging te geven voor de onderdrukking van joden, naar wie hij refereerde als vuilnis.

   Kittel bespreekt wat hij de enige vier opties acht om de joden te behandelen. Uitroeiing wijst hij af, en dat niet op humane gronden, maar omdat hij denkt dat dit niet werkt. Want tegelijkertijd waarschuwt hij zelfs tegen zogenaamde christelijke gevoeligheid, en hij zegt dat het geloof niet een zwakke sentimentaliteit inhoudt, maar een sterke, principiële anti-joodse kracht. Zijn oplossing is de joden hun Duitse burgerschap af te nemen, en ze gasten te maken. Hij zou ze hun burgerlijke rechten ontzeggen, ze van hogere beroepen uitsluiten, ze weerhouden van huwelijken met Duitsers, ze verbieden onderricht aan Duitsers te geven, en ze onderwerpen aan allerlei nadelen en moeilijkheden.

   Dit alles vormt nog maar een klein voorbeeld van de gruwelijke propaganda die deze mannen spuiden.

   Erickson concludeert dat ze niet geïsoleerde of excentrische individuen waren. Hun aannamen, hun betrokkenheid, en hun conclusies vertegenwoordigden een standpunt dat gemeengoed was onder professoren, theologen en priesters in Duitsland. Zij waren geen extremisten. De grote middengroep in de kerken hielden er waarschijnlijk een mening op na die nauw verwant was met die van Kittel, Althaus en Hirsch, zegt Erickson.

   Van één feit alleen al, zoals opgemerkt door Richard Grunberger, en bevestigd door talloze historici, is het mogelijk te leren dat de protestantse kerken in stilte gehuld bleven terwijl de nazi's op grote schaal joden kwelden, martelden, gevangen zette, deporteerden, in slavernij brachten en vermoordden. 

   De Confessionele Kerk van Pruisen was de enige christelijke gemeenschap in de twaalfjarige geschiedenis van het Derde Rijk die openlijk protesteerde tegen de onbeschrijfelijke gewelddaden tegen de joden.

   Het andere uiterste werd door de historici Rubenstein en Roth opgemerkt: 'Van alle kerken van Europa in de periode 1933-1945, was geen zo stil of zo onverschillig voor het bekende lot van de joden, voor zover ze de nationaal-socialistische politiek al niet actief steunden, als de Duitse Lutherse Kerk.'

   Men hoort veel over de Kerkenstrijd in nazi-Duitsland. De term zelf suggereert dat de kerken in grote strijd verwikkeld waren tegen het kwaad van het nazisme, en dat sommige dappere protestantse leiders in verzet gingen tegen Hitler's plan om alle joden te vernietigen. Er zijn zelfs gewetenloze vrome komedianten die de wereld hiervan trachten te overtuigen. 

   Dat was de Kerkenstrijd niet. Het was eerder, zoals een auteur het beschreef, de strijd van de kerk tegen de kerk voor de kerk. De apologeten zetten op misleidende wijze portretten neer van een handjevol helden en martelaren in deze strijd als onbevreesde strijders tegen het regime. In werkelijkheid werd de Kerkenstrijd gevochten binnen de kerken en was ze niet in oppositie tegen het nazi regime, en al helemaal niet tegen zijn anti-joodse politiek.

   De strijd werd gestreden tussen een verbond van een aantal regionale protestantse kerken, bekend als Duitse Christenen die zichzelf vaak aanprezen als de SA (Sturm Abteilung) van Jezus en die zich zonder voorbehoud tot taak hadden gesteld om de nazi-regering en zijn anti-joodse beleid te steunen, en de Confessionele Kerk, een groep binnen de grotere Evangelische Kerk (Luthers en Hervormd), die speciaal opgericht was in verweer tegen de Arische Paragraaf. Dit was een wet waarbij de staat een verbod instelde tegen de doop van niet-ariërs (bijna uitsluitend joden, natuurlijk), en het niet-ariërs verbood om geestelijke te worden of andere posities binnen de kerk te bekleden. De Duitse Christenen adopteerden van ganser harte de Arische Paragraaf als kerkwet. De Confessionele Kerk was tegen.

   Dit was de kern van de kerkenstrijd. De Confessionele Kerk wees de beperkingen tegen bekeerde joden af omdat ze in tegenspraak met bijbels doctrine waren, en ze maakten bezwaar tegen de staatsbemoeiing met de zelfregulering van de kerk. Hoe dapper wat zij deden ook was, verdienen de drie leiders van de Confessionele Kerk, Ds. Martin Niemöller en de theologen Dietrich Bonhoefer en Karl Barth, niet meer dan een matig applausje, wegens de bekrompenheid van hun betrokkenheid en, zoals we straks zullen zien, hun onuitroeibare antisemitisme. 

   Bij de oprichting van de Confessionele Kerk werd er zorgvuldig de nadruk op gelegd dat deze politiek loyaal was aan de staat, net zoals de Duitse Christenen, en dat ze geen kritiek had op de maatregelen die de nazistaat nam, omdat ze erkenden dat die het zwaard moest dragen.

   De Barmen Geloofsdeclaratie, welke een verklaring is van de principes van de Confessionele Kerk, hoofdzakelijk opgesteld door Karl Barth, zegt niets over de joodse kwestie. Het waren de joden die christen waren geworden waar de kerk zo bezorgd over was. In de woorden van professor John S. Conway: 'De Confessionele Kerk probeerde niet het geloof te verbinden aan de zaak van de joden als geheel, noch om seculiere wetgeving tegen Duitse joden of de nazistische rassenfilosofie te bekritiseren.' Verdere bevestiging is te vinden in het laatste, meest uitvoerige onderzoek in deze zaak, Victoria Barnett's For the Soul of the People: Protestant Protest Against Hitler, (Voor de ziel van het volk: Protestants protest tegen Hitler), gepubliceerd in 1992: 'In de belangrijkste groep protestantse kerken, en zelfs binnen de meeste Confessionele Kerken kwam de kwestie van verdediging van niet-christelijke joden zelfs geheel niet ter sprake.'

   Dus het waren niet de joden waar de Confessionele Kerk in geïnteresseerd was, maar de christenen. Zij hielden vol dat gedoopte joden niet joods meer waren; de staat en de Duitse Christenen stonden er op dat een jood een jood bleef, zelfs na de doop.

   De helden van de Confessionele Kerk hadden een sterke antipathie voor joden die weigerden om christen te worden. Dominee Niemöller's oppositie tegen de Arische Paragraaf werd meer ingegeven door zorg over de onafhankelijkheid van de kerk dan door humane consideratie voor degenen die door die politiek getroffen werden. Waar zijn stelling op neerkwam was dat de verdediging van christelijke joden een bittere pil was die de mensen maar moesten slikken, ondanks alles wat zij van joden moesten dulden. Hij refereerde aan de duistere en sinistere geschiedenis van dit volk die kunnen leven noch sterven, omdat zij onder een vervloeking zuchten die beiden verbiedt. Die vervloeking was opgelegd omdat zij de Christus van God aan het kruis hadden gebracht.

   Bonhoeffer zag in de nazi gewelddaden bewijs van Gods vervloeking van de joden. 'De kerk van Christus,' zei hij, 'heeft nooit de gedachte uit het oog verloren dat het uitverkoren volk dat de verlosser van de wereld aan het kruis genageld heeft, de vervloeking voor zijn daden gedurende een lange lijdensweg moet dragen.' 

   In zijn lezingen in 1934 adviseerde Bonhoeffer de joden nooit uit Europa te verbannen. Ze moesten daar blijven om als aanschouwelijk voorbeeld van goddelijke wraak te kunnen dienen.

   Barth was een zeldzaamheid. Hij had vanaf het begin geen enkele illusie over de aard van het nationaal-socialisme, en zag dat een compromis met deze mensen onmogelijk was. Hij was openhartig, en in tegenstelling tot de overweldigende meerderheid van zijn theologische collega s, veroordeelde hij de vervolging van de joden. In 1935 emigreerde hij naar Zwitserland. Hij zou hier groter prijs voor zijn moed ontvangen als hij in staat zou zijn geweest zijn christelijke antisemitisme af te zweren, maar dat kon hij niet. 

   In 1942 beschimpte hij de joden voor het niet aanhangen van zijn religie: 

 'Het lijdt geen twijfel dat Israel hoort; nu kan het zich minder dan ooit verschuilen onder een voorwendsel van onwetendheid en onvermogen om te begrijpen. Want Israel hoort, maar gelooft niet.'

   In 1949 bleef hij nog steeds volhouden dat het lot van de joden onder Hitler een resultaat van hun trouweloosheid was. 

   De geestelijkheid zal beweren dat de Holocaust plaatsvond omdat de Duitsers en de nazi's geen echte christenen waren. Maar vermaarde theologen in Duitsland geloofden dat het nazisme met zijn pogroms en programma's de wil van God waren. Deze onnadenkende geestelijken schijnen zich niet te realiseren welk een vernietigende slag het is voor de samenhang van het christendom om toe te geven dat er geen overeenstemming bestaat over wat een christen is en wat niet een christen is.

_____


twitter-icon-64



OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort