visitors on myspace
BESTAAT EEN ECHTE GOD? | POSITIEF ATHEÏSME <>

BESTAAT EEN ECHTE GOD?

image7313

MARSHALL J. GAUVIN





Al sinds het vroege ochtendgloren van de wereld, en tot aan zeer recente tijden toe, werden de beste inspanningen van de mensheid verspild aan de verering van goden. Al deze goden waren op natuurlijke wijze geproduceerd. Ze ontstonden in de geesten van mensen, die met hun uitvinding probeerden de feiten van de natuur te verklaren. De primitieve mens zag zichzelf immers omringd door fenomenen die hij niet kon verklaren. Niets over natuurwetten kennende, onbekend met de relatie tussen oorzaak en gevolg, was zijn eenvoudige geest doodsbang voor, en verbaasd over de dingen die hij waarnam. Het klagende gehuil van de wind, de vernietigende overstroming, de aanhoudende ziekte die kwelde en misvormde, en de dood die het zwijgen oplegde aan de stemmen van geliefden, overtuigden hem van de aanwezigheid van kwade machten die hem te gronde wilden richten.

Op deze manier werden alle gunstige en ongunstige fenomenen gepersonifieerd; zo werden de goden gemaakt

  DE GRIEKSE GODEN


   Maar er waren ook andere dingen die in zijn voordeel schenen te werken. De heilzame warmte van de zon, het zachte licht van de maan, de plezierige buitjes op zomerse dagen, de overvloed aan vis en voedsel in het woud, de gezondheid en het geluk die hij genoot – deze dingen overtuigden hem ervan dat sommige natuurkrachten zijn toegewijde vrienden waren. Op deze manier werden alle gunstige en ongunstige fenomenen gepersonifieerd; zo werden de goden gemaakt. De primitieve geest vulde de aarde en de lucht met vrienden en vijanden. Alles dat hem iets goeds bracht was een vriend – een god; alles dat hem benadeelde was een vijand – een duivel. Voor hem, niets was natuurlijk. Alles dat gebeurde had een bovennatuurlijke oorsprong. De wereld was vervuld van wonderen en mirakels. Alles was afhankelijk van de willekeur van goede en kwade goden.

   Deze geloven kwamen wereldwijd voor tijdens vroege stadia van de menselijke ontwikkeling. Zelfs de primitieve volksstammen van vandaag zien in de wind en de hemel, de zon en de zee, nog steeds persoonlijkheden. Maar niet alleen de natuurkrachten zijn tot goden gemaakt, ook worden zo ongeveer alle soorten vogels en andere dieren vergoddelijkt en vereerd. Onder de Thlinkit Indianen wordt de kraai als hoogste god vereerd. De havik is de god van de bevolking van Noord Borneo. De Bijagis van Afrika bewijzen goddelijke eer aan een geit. De hond wordt vereerd door de Nosarii van West Azië. De luipaard wordt door veel stammen in Westelijk Afrika voor een god gehouden. Onder Siberische stammen wordt grote eerbied getoond voor de beer. De aap-god Hanuman wordt in India aanbeden. In Siam is de witte olifant heilig; men gelooft dat die misschien de ziel van Boeddha bevat. Zelfs de walgelijkste hagedis wordt vergoddelijkt door de bevolking van de Pacific; en gedurende vele duizenden jaren is de verering van slangen gebruikelijk geweest in veel delen van de wereld. Toch zijn primitieve stammen niet de enigen die dieren als goden vereren. De oude Egyptenaren, waarvan beschaving nog steeds een wonder voor de wereld is, vereerden de stier Apis als god. Aan deze god offerden zij witte ossen; de priesters beweerden heilige orakels van hem te ontvangen; en als hij stierf werd hij gemummificeerd en in een grot begraven, en werd in zijn plaats een andere stier aanbeden.

   Toen de mens van primitiviteit tot vroege vormen van beschaving vorderde, begon hij de aard van zijn goden te verbeteren. Het hoogste ideaal dat de mens heeft is de mens; daarom is de evolutie van God in de richting van de menselijke vorm gegaan. Voor de Egyptenaren was Osiris de Heer der Heren – de totaalsom van al de edelste eigenschappen. Soms werd hij weergegeven als de zon, soms als de Nijl, en soms als een mens, met op zijn hoofd een kroon of een lotusbloem. Zijn vrouw was de godin Isis, de moeder van Horus; en haar verering duurde voor duizenden jaren voort. 

   In India wordt de grote Brahma, heerser over het noodlot, over leven en dood, nog steeds weergegeven met vier hoofden en evenveel armen. In zijn vier handen houdt hij het manuscript van de heilige Vedas – de geïnspireerde bijbel van de Hindoes. De Griekse god Zeus had de perfecte menselijke vorm. Hij was de vader van alle mensen en de koning van alle goden. Zijn speciale belangstelling gold de bescherming van de vreemdeling, de smekeling, het gezin en de natie. Zijn metgezellin was Hera, hoewel andere godinnen en soms ook sterfelijke vrouwen in zijn liefde deelden, en zij allen baarden hem vele goden en godinnen.

   Jupiter, de Romein, werd vereerd als de beste en de grootste van alle goden. In zijn hand hield hij een scepter die zijn opperste autoriteit symboliseerde. Samen met zijn vrouw Juno, koningin van de hemel, waakte hij over de levens van de Romeinen, en beschermde hij hun eigendommen. De grootste triomf van menselijke kunst was destijds het kolossale standbeeld van Jupiter Olympus, dat door de onsterfelijke Phidias in ivoor en goud werd gemaakt. Onder deze oppergoden stonden, in volgorde van goddelijkheid, een menigte aan mindere goden. Alle eigenschappen en emoties werden vergoddelijkt, en over ieder terrein van menselijke activiteit heerste een bepaalde godheid.

                                                         ZEUS

zeus

   Al deze goden werden vereerd in prachtige tempels; allen werden gediend door in mantels gehulde, plechtstatige priesters die hen offerandes aanboden, en hun heilige rituelen uitvoerden; hun standbeelden beheersten pantheons; hun liefdes, hun haat en onderlinge strijd, hun goede en slechte daden, vormden populaire mythologieën; en ontelbare miljoenen mensen geloofden dat zij echt bestonden, en vereerden hen met vrome aanbidding. Het lijkt haast ongelofelijk dat hoog geciviliseerde naties zo grondig misleid konden worden, en dat gedurende zoveel eeuwen. Het is haast niet te bevatten dat rationele mensen eerst goden konden uitvinden, om daarna op hun knieën te vallen om die uitvindingen te aanbidden.

   Toch gebeurde dit. In naam van dozijnen valse goden hebben priesters beloften verkondigd en dreigementen geuit. In naam van deze goden werden talloze profetieën uitgesproken. Op bevel van deze priesters hebben miljoenen hun vee geofferd aan deze denkbeeldige fantomen, hun geliefde kinderen, hun vrijheid en zelfs hun leven. Niets is wreder en bedroevender dan de geschiedenis van religie! Geen lijden is groter geweest dan dat welk de mens verdragen heeft in de verering van de goden die hij zelf gemaakt had.

   Welnu dan, als het idee van een god een langzaam groeiend en pijnlijk gezwel in de menselijke geest geweest is, als de primitieve mens ten onrechte de natuurkrachten in de wereld vergoddelijkt heeft, en als de machtigste naties uit de Oudheid een menigte goden vereerden die ontstaan waren in de verbeelding van poëten en priesters, waarom zouden de Joden zich dan niet vergist kunnen hebben in hun verering van Jehova? Als de schitterende Zeus van de intellectuele Grieken slechts de droom van dichters was, welk bewijs kan er dan voor bestaan dat de godheid van de onbeschaafde Joden de enige en ware God was? Als de machtige Jupiter, die de dappere legers van het imperiale Rome naar overwinningen leidde, slechts een verzinsel was, waar moeten we dan het bewijs vinden dat de god van barbaarse slaven de God was die het universum van sterren opgebouwd heeft?

   Jehova was de god van een paar zwervende stammen. Deze stammen vestigden zich uiteindelijk in Palestina, een  troosteloze en dorre uithoek van de wereld, een wildernis van bergen en rotsen. Zij brachten geen kunst voort, kenden geen wetenschap, en dreven geen handel. Schepen hadden zij niet, en hun leger bestond uit een plunderende horde die vrouwen en kinderen afslachtte. Ze woonden in armzalige tenten en hutten. Ze hadden geen scholen of colleges en kenden geen onderwijssysteem. Gedurende vele eeuwen hadden zij geen geschreven taal en brachten zij geen literatuur voort. Ze waren bedroevend onwetend, meelijwekkend arm, uiterst wreed, en achterlijk in hun afschuwelijke bijgeloven. Lange tijd hebben zij hun zonen en dochters geofferd aan een denkbeeldige god, en daarna hebben ze nog eeuwenlang geprobeerd de woede van hun godheid te bedaren met een eindeloze opeenvolging van geofferde ossen, lammeren en duiven. Omgeven door naties waar zelfs nu de grootsheid nog van blijkt uit het bewijs van hun nagelaten ruïnes, hebben de Joden uit de Oudheid geen enkel spoor nagelaten waaruit zou blijken dat zij ook maar iets anders waren dan barbaren.

   De religie van de Joden maakte hen bekrompen en fanatiek. Zij verbeeldden zich de uitverkoren kinderen van de Godheid te zijn, en beschouwden andere volken als objecten voor Gods wraakzucht. En toch waren zij zelf, bijna altijd, de slaven van sterkere naties; en terwijl die andere volken gedijden en vooruitgang genoten, bleven zij miserabel, arm en veracht. Als de geschiedenis al iets bewijst, dan is het wel dat de religie van de Joden een regelrechte plaag voor ze was. Ik vraag nogmaals, waarom zouden we geloven dat de god van zulke mensen een echt en oppermachtig wezen was?

   Het is wellicht nuttig om hier op te merken dat Jehova in eerdere tijden niet de god van de Joden was. Hij was de god van de Midianieten, en dus een geboren Arabier. De Joden leenden hem van de Midianieten, en wij op onze beurt leenden hem van de Joden. Jehova was een stammengod. Hij werd vereerd als de god van oorlog. In dit opzicht stond hij echter niet alleen. Zelfs in het beperkte territorium van Kanäan, moest hij zijn militaire roem delen met verscheidene andere stammengoden. In tijden van oorlog plaatsten Sidoniërs hun vertrouwen in Ashtoreth; de Ammonieten baden tot Milcom; de Moabieten vertrouwden op Chemosh, en de Joden probeerden te winnen met de hulp van Jehova.

   Geleidelijk aan begonnen de Joden te schrijven. Hun literatuur kreeg een religieuze vorm. Zij schreven over hun haat en verachting voor andere volken, plaatsten zich zelf op een voetstuk en verheerlijkten hun god. Ze maakten Jehova machtiger dan alle andere goden tezamen. Verhalen van overwinningen werden verzonnen om zijn macht en bescherming aan te tonen. Hij werd weergegeven als iemand die in dialoog met hun voorouders geweest was, die ze in hun migraties geleid had, ze hun wetten gegeven had, hun religie gevestigd had, die over hun levens waakte, die hen hielp om de omringende volken af te slachten om bezit van hun land te krijgen, en die van hen zijn uitverkoren en geliefde volk maakte. Fanatieke profeten en leugenachtige priesters gaven hun verzinsels een plechtige schijn door vaak te herhalen, ‘Dit zegt God, de HEER,’ en de natie werd in intellectuele slavernij en religieuze vrees gehouden door de verzinsels van valse religieuze leiders. Deze geschriften werden naderhand in boekvorm verzameld, en ze staan nog steeds bekend als de Bijbel of Heilige Schrift. 

   De god die in deze Bijbel beschreven wordt, is de God van de christelijke wereld geworden. Laten we eens kijken of hij echt is. Volgens de Bijbel heeft God het menselijke ras geschapen en dit goed bevonden. Hij heeft ook de duivel - een machtige vijand – geschapen, wetende dat deze duivel zijn hulpeloze kinderen het slechte pad op zou leiden. Al vanaf het eerste begin gunde God zijn verdorven rivaal de overwinning, zodat die de mensheid vanaf haar toppunt van perfecte onschuld in de diepte van de gemeenste zonde zou kunnen storten. God wist dat dit zou gebeuren; hij trok zich zelfs terug zodat de tragedie door kon gaan. Zou een echte God een rivaal scheppen en de maniak daarna toestaan de moraal van zijn volmaakte wereld te bezoedelen? Het verhaal klinkt al direct vanaf het begin als fictie. 

   De eeuwen gingen voorbij, en de mensheid verbeterde zich niet. God besloot toen de gehele wereldbevolking, met uitzondering van acht personen, te verdrinken in een wereldwijde overstroming. Waarom verdronk God zijn kinderen? Waarom bedekte hij de wereld met de opgezwollen lijken van zijn zonen en dochters? Was het omdat zij slecht waren? Waarom voedde hij ze dan niet beter op? Nog beter, waarom vernietigde hij de duivel dan niet eerst, zodat zijn kinderen zuiver zouden blijven? Probeert u zich het karakter van een God eens voor te stellen die het de - door hem zelf geschapen - duivel toestaat tot zulke uiterste wanhoop gedreven te worden. Een wanhoop zo groot dat zijn enige kans op gemoedsrust berust op het verdrinken van de gehele wereldbevolking! 

   Kan zo’n god echt zijn?

 De kinderen van Israël werden slaven in Egypte. Farao was de tiran die ze onderdrukte. God besloot om ze te bevrijden en om niet alleen Farao, maar ook de onschuldige Egyptenaren te bestraffen. En dit is hoe hij te werk ging. Hij veranderde al het water in Egypte in bloed; hij vulde hun huizen, hun kamers en hun bedden met afschuwelijke kikkers; hij bedekte hun lichamen met luizen; hij kwelde ze met stekende vliegen; hij doodde hun vee met de veepest; hij vernietigde hun gewas met vuur en hagel; hij overspoelde hun land met sprinkhanen om de laatste restanten van hun bedorven voedsel op te eten; hij stortte ze voor drie dagen in complete duisternis, en zelfs toen was hij nog niet tevreden. Nogmaals verhardde hij Farao’s hart. Waarom? Zodat hij zijn vergelding nog verder kon uitstorten over mensen die niets verkeerd hadden gedaan. En wat deed hij toen? Hij vermoordde alle eerstgeborenen, in ieder huis, in ieder gezin, tot zelfs de eerstgeborenen van alle vee. Over het gehele land was er geen huis ‘waar er niet een dode was.’

   Zou een goede God onschuldigen kunnen bestraffen voor de misdaad van één schuldige? Zou een goede God een hele natie kunnen overvallen met verschrikkelijke plagen en iedere eerstgeborene in ieder huis vermoorden, alleen om zich te wreken op één kleinzielige tiran? Als een duivel zich met de Egyptenaren zou hebben bemoeid, zou zijn gedrag dan schandelijker dan dat van Jehova hebben kunnen zijn? 

   Kan zo’n god echt zijn?

   Maar de Joden zelf troffen het daarna, door toedoen van hun eigen god, nog slechter dan hun Egyptische meesters. Hen was een land beloofd, overvloeiende van melk en honing. Zij werden aangespoord hun Egyptische huizen te verlaten, om dat land te krijgen. Maar al kort daarna hadden zij reden tot spijt dat zij Jehova vertrouwd hadden. Voor hen zelf bleek hij een ergere tiran te zijn dan Farao ooit geweest was. Hij kwelde en martelde ze, en slachtte ze bij duizenden af. Nadat hij de wildernis bezaaid had met de verblekende botten van ontelbaar velen van hen, vertelde hij de overgeblevenen dat niet zij, maar alleen hun kinderen, het beloofde land ooit zouden zien. Dat hun karkassen in de wildernis zouden achterblijven, en dat zij ‘zijn gebroken belofte zouden kennen.’ Van al de Joden die destijds uit Egypte vertrokken waren, bereikten alleen Caleb en Jozua het land van Kanäan. Jehova had zijn volk vrijheid en vruchtbare grond beloofd. Hij leidde ze naar ballingschap en dood in de woestijn. 

   Kan zo’n god echt zijn?

   Het was moeilijk om het de god van het Oude Testament naar de zin te maken. Doorlopend bleef hij offers eisen. Om aan zijn verslaving te voldoen, vloeide een Niagara aan bloed uit de aderen van geslachte dieren. Zijn priesters waren altijd bezig lammeren en stieren de keel af te snijden. Van alle goden was Jehova waarschijnlijk de meest veeleisende. Alles moest op zijn eigen bizarre wijze gebeuren. In het negenentwintigste hoofdstuk van Exodus instrueert hij de Joodse priesters op de volgende manier: 

400px-Old_Testament

   ‘Slacht het dier en strijk wat van het bloed aan de rechteroorlel van Aäron en aan die van zijn zonen, op hun rechterduim en op de grote teen van hun rechtervoet. De rest van het bloed moet je tegen de zijkanten van het altaar gieten.’

   Het valt moeilijk te voorspellen hoeveel mensen Jehova vermoord zou hebben als ze per ongeluk het bloed op het linkeroor of de verkeerde teen gesmeerd zouden hebben. Voor zover we weten, glimlachte de god van de Joden nooit, en waarschijnlijk verachtte hij ten diepste de geur van bloemen; maar als hij de priesters besmeurd zag met het bloed van dieren, en de lucht bezwangerd met zijn favoriete geur – de weerzinwekkende stank van brandend vlees – werd zijn frons misschien iets minder diep.

   In Ezechiël zegt Jehova tot zijn volk: ‘Als de profeet zich tot een antwoord laat verleiden zal dat zijn omdat ik, de HEER, hem daartoe heb verleid. Ik zal hem straffen en hem vernietigen;’ In Deuteronomium zegt hij tegen ze: ‘Want de HEER, uw God, is een verterend vuur’, in Jeremia verzekert hij ze: ‘Jullie hebben het vuur van mijn toorn aangewakkerd dat voor eeuwig branden zal’, in Jesaja verkondigt hij: ‘En degenen die u onderdrukken zal ik voeden met hun eigen vlees; en zij zullen dronken worden van hun eigen bloed alsof het zoete wijn was’, en in 1 Samuël geeft hij dit vreselijke bevel: ‘Ga nu en tref de Amelekieten, vernietig alles wat zij hebben, en spaar ze niet; maar doodt zowel man als vrouw, kleuter en zuigeling, os en schaap, kameel en ezel.’ De god van de Bijbel beschrijft zichzelf dus als leugenachtig, als een verterend vuur, als voor altijd kwaad zijnde, als hogepriester van het kannibalisme, en als de opperbevelhebber van moord op ongekende schaal. 

   Kan zo’n god echt zijn?

   Waarom zou de mensheid geloven dat een boek dat dergelijke beschrijvingen van goddelijkheid bevat, geïnspireerd en heilig zou zijn? Waarom zouden we ons tot barbaren wenden voor onze idealen over goddelijkheid? Waarom zouden we een kannibalistische god vereren? Waarom zouden we tempels bouwen ter ere van een god, die uiterste voldoening kreeg uit het genietend gadeslaan van lang uitgesponnen martelingen en de daarop volgende dood van hulpeloze vrouwen en onschuldige baby’s? Als Jehova naar de aarde zou komen, zou hij de meest ongewenste vreemdeling op deze wereld zijn. Stelt u zich eens voor, er wordt van hem gezegd dat hij bij één gelegenheid eens vijftigduizend en zeventig personen vermoordde, alleen omdat ze in een houten doos gekeken hadden. 

   Kan zo’n god echt zijn?

   Volgens het christendom is Jehova de enige god; en toch wordt ons ook nog voorgehouden dat Jehova een zoon had, die ook weer een god was. Deze zoon werd geboren onder de plattelandsbevolking van Judea, ongeveer tweeduizend jaar geleden. Zijn moeder was de vrouw van een Joodse ambachtsman. Het kind groeide op tot volwassenheid zoals andere kinderen dat doen. Zijn gewoonten waren als die van andere mensen. Hij at en sliep, droeg kleding en werkte, preekte een tijdje en stierf. Degenen die hem kenden hielden hem voor een mens; maar als de kerk gelijk heeft, was hij in werkelijkheid een oneindige God.

   Maar er is nog een punt waarmee we al helemaal geconfronteerd worden met mysterie en wonder. Terwijl eerder gesteld werd dat Jehova de vader van Christus is, wordt ook beweerd dat Christus de zoon is van de Heilige Geest. Om dat weer te verklaren zegt men dan dat Jehova en de Heilige Geest één en dezelfde persoon zijn; maar hiervoor bestaat natuurlijk niet het geringste bewijs, en de hele zaak wordt nog minder overtuigend door het feit dat de hele Joodse religie de hardnekkige ontkenning inhoudt dat Jehova ooit een zoon gehad heeft!

   Een andere vreemde zaak betreffende het ouderschap van Christus, de God van het christendom, is de bewering dat hij uit een maagd geboren zou zijn. Natuurlijk weet iedereen dat maagden geen kinderen baren, en de meesten van ons geloven ook dat wanneer vrouwen moeder worden, hun kinderen zeer zelden goden zijn. Hoe dan ook, de moeder van Christus, wat men ook maar mag zeggen over haar maagdelijkheid, was in feite een getrouwde vrouw. De eerste bladzijde van het Nieuwe Testament verzekert ons er van dat Jozef haar echtgenoot was, en dat zijzelf, Maria, Jozefs vrouw was. Het geloof dat Jozef de vader van Christus was, wordt zelfs door Maria zelf bevestigd. Toen ze hun kind eens na lang zoeken in de tempel aantroffen, zei ze tegen hem, ‘Uw vader en ik hebben u gezocht, in grote zorg.’ En toch, niettegenstaande het feit dat Jozef en Maria echtgenoten waren lang voordat Christus geboren werd, niettegenstaande het feit dat Maria zelf Jozef de vader van haar kind noemde, niettegenstaande het feit dat elke Jood ontkent en zal blijven ontkennen dat Jehova de vader van een andere god werd, leert de kerk ons dat Christus een God was, en de zoon van een God. 

   Kan zo’n god echt zijn?

   Volgens het christendom is dus Jehova God, is Christus God en is de Heilige Geest God; en toch zeggen ze dat er niet drie Goden zijn, maar slechts één God. Dit noemt men de doctrine van de Drie-eenheid. Deze doctrine werd ontwikkeld door de RK Kerk, en is tot vandaag toe de grondslag van het christelijk geloof.

  

   "De Godheden van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest zijn allen één, de glorie gelijk, in majesteit samen eeuwig. Zoals de Vader is, zo is de Zoon, en zo is de Heilige Geest. De Vader is niet geschapen, de Zoon is niet geschapen en de Heilige Geest is niet geschapen. De Vader is ondoorgrondelijk, de Zoon is ondoorgrondelijk en de Heilige Geest is ondoorgrondelijk. De Vader is eeuwig, de Zoon is eeuwig en de Heilige Geest is eeuwig, maar toch zijn er geen drie eeuwigen, maar één eeuwige. En ook zijn er geen drie niet geschapenen, noch drie ondoorgrondelijken; maar één niet geschapene, en één ondoorgrondelijke. Op dezelfde manier is de Vader almachtig, is de Zoon almachtig, en is de Heilige Geest almachtig. En toch zijn er geen drie almachtigen, maar één almachtige. Dus de Vader is God, de Zoon is God, en de Heilige Geest is God. En toch zijn er geen drie Goden, maar één God. Op dezelfde wijze, de Vader is Heer, de Zoon is Heer en de Heilige Geest is Heer. En toch zijn er geen drie Heren, maar één Heer. Want zoals we door de christelijke waarheid verplicht zijn toe te geven dat iedere persoon bij zichzelf God en Heer is, zo wordt ons door de katholieke religie verboden te zeggen dat er drie Goden zijn of drie Heren."


examples-of-riddles

   Het bovenstaande maakt deel uit van de katholieke definitie van hun God. Op deze wankele basis is de gehele structuur  van het orthodoxe christendom opgebouwd, van zowel het protestante als het katholieke deel. Als die definitie faalt, valt het christendom. Zou een dergelijk Drie-eenheids jargon ook voor maar een moment de geest van de denkende mens tevreden kunnen stellen? Kunnen we ons iets dat nog onbegrijpelijker is voorstellen dan dat drie Eeuwigen slechts één Eeuwige zijn, dat drie Almachtigen maar één Almachtige is, en dat drie Goden in feite precies één God is? Bestaat er iets dat nog meer door en door irrationeel is, iets dat nog idioter is? Als een mens verondersteld wordt in zulke absurditeiten te geloven, waarom is hij dan met de rede bedeeld? Of is het waar dat geloof in God alleen mogelijk is nadat we de rede terzijde hebben geschoven? 

   Kan zo’n god echt zijn?

   Maar wat is God eigenlijk? Beschrijft het woord enig ding in het bijzonder? Is God een reëel wezen? Christenen zeggen dat God een geest is. Wel, wat is dat? Is het iets dat gezien, gevoeld en gehoord kan worden? Heeft het gewicht? Neemt het ruimte in? Als het woord ‘geest’ overeenkomt met iets dat bekend is, wat is dat dan?

   Nogmaals vraag ik, ‘Wat is God?’ De Episcopale geloofsbelijdenis antwoordt als volgt: ‘Er is maar één levende en ware God, eeuwigdurend, zonder lichaam, delen of emoties.’ Let vooral op de woorden, ‘zonder lichaam, delen of emoties.’ Een nog treffender definitie van het niets is onvoorstelbaar! In hun poging God te definiëren, slaagt het protestantisme er alleen maar in zijn bestaan te ontkennen! Geen lichaam, geen delen, geen emoties – dat wil zeggen, geen hoofd, geen hersens, geen kennis, geen liefde, geen haat, geen wat dan ook – en toch is hij ‘eeuwigdurend’. Eeuwigdurend wat? Eeuwigdurend niets misschien?

   Het is een feit dat de menselijke geest zich geen spiritueel bestaan kan voorstellen. We kunnen het idee niet bevatten van leven los van materie. Wat leeft moet materiele vorm hebben. De gehele natuur ontkent dat geest kan bestaan waar geen substantie is. Als rede en ervaring enige betekenis hebben, worden we tot de conclusie gedwongen dat diegenen die zeggen dat God geen ‘lichaam, delen of emoties’ heeft, eenvoudig uitdrukking geven aan wat zij niet weten. God is of iets, of niets. Als hij iets is, moet hij een lichaam hebben – hij moet materieel zijn. Als God denkt, moet hij hersens hebben. Als hij gevoel heeft, moet hij zenuwen hebben. Er kan geen gedachte los van hersens bestaan; en er kan geen sensatie, geen gevoel bestaan, waar geen zenuwen zijn. En dan, men kan zich geen hersens of zenuwstelsel voorstellen zonder maag. Wat leeft, moet eten. Uitzondering op deze regel is onvoorstelbaar. We kunnen alleen redeneren vanuit wat we kennen. Maar hoe kan een wezen dat een lichaam heeft en hersens, een zenuwsysteem en spijsverteringsorganen, voorgesteld worden als God? Hoe kan iets in de vorm van een mens, of van enig ander sterfelijk wezen, oneindig in macht en kennis zijn?

   Ons wordt verteld dat God denkt, dat hij plannen maakt en zijn intenties dan uitvoert, en dat hij jaloers is, liefhebbend en aardig. Als dit waar is, moet hij net een mens zijn, moet hij een persoonlijkheid zijn. Maar als God persoonlijk is, hoe kan hij dan oneindig zijn? Een oneindige persoonlijkheid is een tegenspraak in termen. Persoonlijkheid kan geen oneindigheid inhouden, net zo min als een cent miljoen dollars kan inhouden. Het persoonlijke en het oneindige zijn tegengestelde uitersten. Door te zeggen dat God een persoonlijk wezen is, projecteert de mens zichzelf op de raadselen van de natuur. Niet in staat zijnde zich enig wezen voor te stellen van een edeler vorm dan die van zichzelf, stelt hij zich God voor in menselijke vorm. Op deze manier heeft de mens God naar zijn eigen gelijkenis geschapen. De geciviliseerde mens heeft de door de primitieve mens aan God toegeschreven eigenschappen uitvergroot, en probeert zich die godheid voor te stellen als zowel persoonlijk als oneindig.

    De astronomische wetenschap toont aan dat het idee van een persoonlijke god uiterst naïef is. Laten we voor een moment de structuur van het universum eens bekijken. De aarde waarop wij leven heeft een diameter van ongeveer 8000 mijl. Onze zon is een gesmolten massa vuur met een diameter van 866.200 mijl, en zijn omtrek is meer dan twee en een half miljoen mijl. De zon is 1.305.000 keer groter dan onze kleine wereldbol. Verscheidene planeten in ons zonnestelsel zijn veel groter dan die waarop wij leven. Uranus heeft 59 keer het volume van de aarde, Neptunus 103 keer, Saturnus 848 keer; en we zouden 1389 werelden als de onze nodig hebben om een bol met de afmetingen van Jupiter te maken. De zon is 93 miljoen mijl van ons verwijderd. Neptunus, waarvan het pad de uiterste grens van ons zonnestelsel markeert, is 2.792 miljoen mijl van de zon verwijderd. Een sneltrein met een snelheid van 1 mijl per minuut, die dag en nacht door zou rijden, zou 176 jaar nodig hebben om de zon te bereiken. Voor de lange reis van de zon naar de planeet Neptunus zou dezelfde trein, bij dezelfde snelheid, er 5.280 jaar over moeten doen.

   En toch is ons hele zonnestelsel slechts een spatje schuim in het midden van een oeverloze oceaan. Een oneindig universum ligt voorbij ons kleine groepje werelden. Het zou zevenhonderd keer zoveel planeten vergen als die welke ons zonnestelsel bevat, om het gewicht van de zon te evenaren. Maar we zouden anderhalf miljoen zonnen zoals de onze nodig hebben om de geweldige afmetingen van de ster Arcturus te bereiken. Onze zon verheerlijkt de dag vanaf een afstand van 93 miljoen mijl, maar Arcturus schittert in luisterrijke pracht ruim honderd miljoen keer zo ver weg. Sirius, de Hondsster, zwaait zijn zwaarden van licht achtenvijftigduizend miljard mijl vanaf onze kleine zandkorrel; terwijl Polaris, de bijzondere Ster van het Noorden zijn zilveren gloed over ons uitstort vanaf de ontzagwekkende afstand van tweehonderd en tien duizend miljard mijl. Onze vliegende trein zou de zon bereiken in 176 jaar; maar hoe lang zou het nemen om deze vlammende heerser van de lucht te bereiken die 2.378.000 keer zo ver van ons weg staat?

   In een heldere nacht zien we de hemelse weidsheid dicht bezaaid met flonkerende sterren. Hoevelen van ons zouden zich realiseren dat onze naaste buur in het rijk der sterren, Alpha Centauri, twintig miljoen keer miljoen mijlen van ons verwijderd is? Een straal licht, voortbewegend met een snelheid van 186.000 mijl per seconde, doet er meer dan drie en een half jaar over om ons vanaf die ster te bereiken. De sterren die wij zien zijn gloeiende zonnen. Er bestaan er twintig miljoen van, verstrooid langs het pad van de Melkweg. Onderling gescheiden door onvoorstelbare afstanden, alleen, in groepen, en in melkwegstelsels, komen zij voor in alle regionen van de oneindige sterrenhemel met de weergaloze glorie van hun prachtige schittering. In de aanwezigheid van een dergelijk universum, een universum waarin talloze miljoenen zonnen en werelden in banen groot en klein rondwentelen met onvoorstelbare snelheden - een universum zo onmetelijk groot dat uitstervende pijlen van licht er miljoenen jaren over doen om maar een deel van haar domein te doorkruisen – in de ontzagwekkende aanwezigheid van een dergelijke oneindige hoeveelheid hemellichamen, is onze kleine baby aarde maar een heel nietig stofje.

   Hoe zou een persoonlijke God de meester kunnen zijn van een dergelijk universum? Hoe zou hij daarin overal en gelijktijdig aanwezig kunnen zijn? Geef God een postuur van een miljoen mijl in hoogte: geef hem een brein zo groot als het volume van alle oceanen samen, en toch, omringd door de talloze miljarden complicaties, bewegingen en bestemmingen van ons universum, zou hij zo hulpeloos zijn als een baby verdwaald tussen de steile rotswanden van een hooggebergte. 

   Kan zo’n god echt zijn?

   'Maar,’ zegt de christen, ‘God moet het universum wel besturen, want hij heeft het zelf geschapen.’

   Laten we eens kijken. Als het universum zou zijn geschapen, moet er een begin zijn geweest, dan moet er al een eeuwigheid verstreken zijn voordat het werk van de schepping begon. Tijdens die eeuwigheid zou er dus niets hebben bestaan – geen straaltje licht, geen korreltje zand – niets, behalve God. Stelt u zich eens een oneindige God voor, die een eeuwigheid doorbrengt in een leeg universum, omhuld door duisternis, als een tot levenslang veroordeelde in eenzame opsluiting in een ondergrondse kerker. Op een gegeven moment besluit God om zonnen en werelden te gaan scheppen. Waar kreeg hij toen ineens zijn materiaal vandaan? Schiep hij dat vanuit het niets? Hoe kan het niets getransformeerd worden tot iets, tot wonderbaarlijke sterren zelfs? Kunnen we ons voorstellen dat niets zou kunnen worden omgevormd tot iets?

   Aan de andere kant, als materie al eerder bestond, moet het universum er al zijn geweest, en dan was er dus geen schepping. Er moet dan worden aangenomen dat of God, of het universum geen begin had. Maar, als God eeuwig zou hebben kunnen bestaan, waarom zou het universum dat dan niet kunnen? Om welke reden zou God wel eeuwig kunnen bestaan, maar het universum niet? Als het universum ergens vandaan moest komen, waar kwam God dan vandaan? Als materie bestond die een God zonder begin mogelijk maakte, waarom dan niet materie die een universum zonder begin mogelijk maakte? Het feit blijft bestaan dat als we een God achter het universum stellen, we alleen maar een mysterie creëren. God en schepping zijn beiden onvoorstelbaar. Te durven beweren dat er ooit geen universum was, te zeggen dat het uit het niets is ontstaan, en dan een schepper te verzinnen die dat moet verklaren, is uiterst onwetenschappelijk. Het universum bestaat. Het is samengesteld uit materie en energie. Wetenschap heeft aangetoond dat materie en energie niet van elkaar gescheiden kunnen worden, en niet vernietigd kunnen worden. De logica dwingt ons te concluderen dat datgene wat niet vernietigd kan worden, ook niet geschapen kon worden. Op deze manier toont wetenschap aan dat het universum eeuwig is, en dat materie en energie, altijd actief, opbouwend, veranderend en transformerend, verantwoordelijk zijn voor alle vormen en wonderen die we aanschouwen.

   Hoewel miljoenen het idee dat het universum ontworpen zou zijn, allang achter zich hebben gelaten, hangen christenen dat geloof nog steeds aan. Zij vergelijken het universum met een horloge, en zeggen dat omdat een horloge een horlogemaker nodig heeft gehad, het universum dus ook niet kan bestaan zonder ontwerper. Een korte overweging openbaart de dwaasheid van dit argument. Het universum is niet als een horloge, en er bestaat niet het geringste bewijs voor dat het ontworpen was. Bovendien, als het universum een god nodig zou hebben gehad om het te ontwerpen, hoe kan een God dan bestaan zonder een ontwerper die hem weer ontwierp? Kan er iets meer onlogisch zijn dan de bewering dat een oneindige ontwerper wel kan bestaan zonder ontwerp, maar het universum niet? In de christelijke logica loopt het ontwerp argument (red.: tegenwoordig als ‘intelligent design’ gepropageerd) als volgt: ‘Een horloge is een prachtig ding; daarom moet het ontworpen zijn; de horlogemaker is nog prachtiger; daarom moet ook hij ontworpen zijn; het universum is nog veel prachtiger; daarom moet het een ontwerper hebben gehad.’ 

   Maar God, die dan het prachtigste van alles zou zijn, bestaat dan weer zonder ontwerper! Als het argument van ontwerp aan God toegekomen is, vernietigt het zichzelf weer. Om dit argument van logica te voorzien, moeten we een oneindige reeks van ontwerpende goden gaan invoeren, waarvan iedere god ontworpen is door een voorafgaande ontwerper. Een dergelijk argument moet teveel bewijzen, daarom bewijst het niets.

   Hoe kan een weldenkend mens de wereld bezien en tot de conclusie komen dat achter alles een grote ontwerper staat, die oneindig wijs en goed is? Het volstaat niet om te zeggen dat sommige dingen ontworpen zijn en andere niet. Als de natuur bestuurd wordt door een oneindige God, moet die God wel verantwoordelijk zijn voor alles wat er gebeurt. Iedere vorm, ieder feit, iedere verandering op het kolossale terrein van natuurlijke gebeurtenissen moet dan het werk van zijn ontwerpende hand zijn. Heeft een goede God dan een wereld ontworpen waar leven zich voedt met leven – een wereld waarin woeste en wrede beesten het vlees eten en het bloed drinken van andere schepsels? In ieder woud komt voortdurende doodsstrijd voor, en het gehuil van half verscheurde slachtoffers sterft daarin nooit weg. Iedere zee krioelt met fantastische en afzichtelijke monsters, verwoed jagende op andere schepsels om op te eten. Ook miljoenen mensen zijn verslonden door carnivore beesten.

   Niet ver van het oerwoud in de provincie Bengalen, zit een moeder buiten, lezend. Haar kleine kind speelt naast haar. Ze weet niet dat een tijger nabij is. Het monster overziet de scène, en sluipt geluidloos naderbij. Het kind begroet de tijger met een glimlach. Dan schreeuwt de kleine. De moeder kijkt op, en ziet tot haar ontzetting de kleine het oerwoud in gesleurd worden, in de slagtanden van het roofdier. Gewapende mannen doorzoeken de jungle. Ze vinden de tijger en doden die. In zijn maag vinden ze sporen van de uitzinnige moeders baby. Is de tijger het resultaat van Gods bedoelingen? Zou een goede God een kind vernietigen om de eetlust van een tijger te bevredigen?

   Heeft een oneindige God de wereld vervuld met alle soorten gemene ziektes, zodat zijn kinderen gekweld en misvormd kunnen worden? Zijn lepra, kanker en tering een deel van Gods bedoelingen? Het kankergezwel is net zo schitterend als ieder ander feit in de natuur. Het is op zijn manier net zo perfect als de menselijke hersens. Wie kan Gods werken van barmhartigheid herkennen in een aardbeving, in de pest of in een hongersnood? Wie zal zijn wijze bedoelingen herkennen in vulkanen die onschuldigen overvallen, in overstromingen waarin mensen verdrinken, of in cyclonen die gemutileerde lijken verstrooien?

   Als een oneindige God over de wereld heerst, dan moet hij verantwoordelijk voor alle wreedheden in het verleden – voor al het lijden dat doorstaan werd. Toen moeders hun kinderen offerden aan weerzinwekkende reptielen, volgden ze zijn goede bedoelingen. Toen miljoenen tot slavernij werden gedwongen, toen de aarde rood kleurde van het bloed in wrede oorlogen, toen deugdzamen verhongerden in kerkers, toen dapperen en liefdevollen verteerd werden in het vuur van vervolging, toen tirannie zegevierde over vernietigde vrijheid, werden dus zijn doelen bereikt in deze wereld. Als de natuur het resultaat van Gods ontwerp is, is hij verantwoordelijk voor alle onwetendheid en bijgeloof die de mensheid misleid hebben, voor de verspreiding van valse religies die de wereld van haat vervuld hebben, voor de aantasting van beschaving, voor de martelingen door de Inquisitie, voor de massale slachting in de beruchte Bartholomëusnacht, en voor de willekeur van talloos kwaad.


verdun

                             DE EERSTE WERELDOORLOG 1914-1918


  Al langer dan drie jaar teistert de verschrikkelijkste oorlog (red.: WO-1) de vitaliteit van onze beschaving, wordt de aarde overstelpt met het bloed van miljoenen jonge mannen en worden haat en verdriet over deze wereld verspreid. Als een God de feiten en de machten in ons bestaan ontwierp, is hij de bedenker van alle opeengestapelde verschrikkingen die deze oorlog over de mensheid uitstort.

   We kunnen de rede niet uit de weg gaan. We moeten de feiten onder ogen zien. Het is bedoeling, of het is het niet. Als het bedoeling is, dan is God verantwoordelijk. Het is niet natuur en God; het is natuur of God. Als God het menselijke lichaam ontworpen heeft, heeft hij ook de parasieten ontworpen die zich voeden met zijn organen en ze vernietigen. Als hij het oog ontworpen heeft, ontwierp hij ook de staar die het zicht weer ontneemt. Een ontwerp dat ontwerp vernietigt, is niet bepaald een bewijs voor Gods wijsheid.

   Als men ontwerp in de natuur meent te zien, moet men erkennen dat alles daarin een bepaald doel heeft. Het vergif aan de tanden van een reptiel heeft tot doel zijn prooi te vergiftigen; de microbe was gemaakt om de mens te vernietigen; en iedere ramp in de wereld was bedoeld om zijn tol aan mensenlevens op te eisen. Het verbranden van een schip op zee, het verongelukken van een trein op het land, de explosie in de mijn – alles dat verwondt en doodt valt onder Gods bedoelingen. De vervolger en de martelaar zijn bedoeld, de een om de brandstapel klaar te maken, de ander om in de vlammen om te komen! Zowel Booth als Abraham Lincoln waren bedoeld – de een om sluipmoordenaar te zijn, de ander om zijn slachtoffer te worden. Wanneer God een ding ontwierp, wist hij precies wat dat ding moest gaan doen. Een wereld waarin zowel lelijkheid als schoonheid voorkomen, misdaad zowel als deugd, wreedheid zowel als vriendelijkheid – een wereld waarin sterken de zwakken consumeren, waarvan iedere bladzijde van de geschiedenis met het bloed van geofferde miljoenen geschreven wordt, is zeker niet het perfecte handwerk van een oneindig wijze ontwerper.

   Religie ziet dit grote probleem wel in, en dus, om het kwaad in de wereld te verklaren, heeft het de duivel uitgevonden. Van deze duivel zegt men dat hij voortdurend met God in strijd is, en zijn werken vernietigt. God bedoelt een ding om goed te zijn; de duivel maakt het slecht. God schept zielen voor de hemel; de duivel lokt ze naar de hel. Tijdens de christelijke eeuwen geloofde men dat de wereld een strijdtoneel was waarop God en de duivel om de heerschappij streden. In het leger van God streden massa’s engelen, terwijl de bataljons van de duivel gerekruteerd werden onder de mindere duivels uit de hel. Deze goden en duivels bemoeiden zich met alle fenomenen van de natuur. Het weer en de oogsten, gezondheid en ziekte, alles lag in hun handen. Ze bemoeiden zich met alle menselijke betrekkingen. De arme mens trilde van angst, en zocht zijn toevlucht tot ieder middel dat door bijgeloof werd aanbevolen, om de gunst van goden te winnen en de duivel te verdrijven. Ze vereerden relikwieën en droegen amuletten; ze telden kralen en kusten kruizen; ze sprenkelden heilig water en luidden kerkklokken; ze gingen op pelgrimage en liepen in processies – ze deden alles wat ze maar konden bedenken om aan de meedogenloze klauwen van Satan te ontkomen. De hele wereld was vervuld van terreur. Het christendom was een gekkenhuis. Het christendom was krankzinnigheid. Pausen en priesters, staatslieden en juristen geloofden dat mensen zich met lichaam en ziel aan de Duivel verkocht konden hebben. Mannen en vrouwen werden ter dood gebracht omdat ze een verbond met de duivel zouden hebben gesloten, om stormen te veroorzaken, oogsten te vernietigen, vee te doden, vrouwen te verhinderen om kinderen te krijgen, ziektes te veroorzaken en de dood van hun naasten te bewerkstelligen. Het was een algemeen geloof dat vooral vrouwen zich onderwierpen aan de macht van Satan. Duizenden vrouwen werden er van beschuldigd op een bezemsteel of op een geit door het luchtruim te hebben gevlogen, om deel te hebben genomen aan een heksensabbat, Satans kinderen in zich te hebben gedragen, of zichzelf in wolven veranderd te hebben, of om honderden andere onmogelijke dingen gedaan te hebben. 

   Voor de slachtoffers van deze vreselijke beschuldigingen bestond geen genade in de christelijke wereld. De hele kerk, zowel protestant als katholiek, was bezeten van een heilig vuur om het rijk van de duivel te vernietigen. Een hele menigte van mannen en vrouwen, die nergens schuldig aan waren, werden gebroken op het wiel, uit elkaar getrokken op martelwerktuigen, dood geslagen, opgehangen en levend verbrand, als slachtoffers van het bijgeloof aan de duivel.

   De wildste verbeelding kan zich zelfs maar de geringste voorstelling vormen van de verschrikkelijke geschiedenis van het christendom. Geen historicus kan het aantal van haar slachtoffers berekenen. Voor vele eeuwen heeft deze vreselijke religie de wereld vervuld met martelwerktuigen en dodencellen. En toch was de Kerk oprecht, want ze geloofde dat God haar steun nodig had in zijn strijd tegen de duivel. En ze beschouwde het als haar heilige plicht diegenen te vernietigen die een verbond met de duivel zouden hebben gesloten.

   De kerk van vandaag is nog maar het halfvergane skelet van wat de kerk eens was. Ze is grotendeels verdwenen uit het leven van alledag. Het grootste deel van haar macht is vernietigd. De betekenis van haar dogma’s is verbleekt. Nu ziet ze overal om zich heen het rijzende getij van ongeloof. Al de kleinere duivels zijn verdwenen, en de prins der duisternis leeft slechts nog voort in de geesten van de achterlijken en de dommen. Bij fundamentalisten is hij nog prominent aanwezig, maar uit de wereld van cultuur is hij voor altijd verbannen.

   Beschaving groeit als religie sterft. Eens boog de wereld zich nederig en geloofde; nu staat ze fier rechtop en denkt. Alle kwesties met betrekking tot God en de Duivel worden nu in het brein overwogen. Ieder weldenkend mens weet nu dat het kwaad in de wereld niet verklaard kan worden met de machinaties van de duivel. Er kan maar één oneindige macht bestaan in het universum. Als God die macht is en als een duivel bestaat, dan moet die duivel onder Gods bestuur staan. Hij is dan wat God hem gemaakt heeft, en kan alleen datgene doen wat God hem toestaat. God zou de duivel kunnen doden, maar hij houdt hem aan voor een doel; daarom is God verantwoordelijk voor wat de duivel doet.

   Sommige denkers, die het idee van een duivel hebben opgegeven, maar het moeilijk te geloven vinden dat de wreedheid in de natuur het werk van een goede God is, hebben de veronderstelling geuit dat de macht van God beperkt is, maar dat hij er het beste van probeert te maken. Dit schijnt het geloof te zijn van H.G. Wells. In ‘God The Invisible King’ houdt de beroemde romanschrijver vol dat God niet materieel is, maar spiritueel, maar toch wel een persoon, hoewel sekseloos. Hij is eindig, daar hij noch alwetend, noch almachtig, noch alomtegenwoordig is. Hij heeft het universum niet geschapen, en bestuurt het niet. Hij heeft een begin gehad en groeit met de mensheid mee. Besloten binnen de tijd, niet in materie of ruimte wonende, maar in het leven van de mensheid, is zijn primaire doelstelling kennis te vergaren om zijn groeiende macht te gebruiken. Hij beschikt niet over voorzienigheid. Hij werkt uitsluitend door de menselijke intelligentie. Hij kan bekend worden zoals een mens een vriend kent, maar voor zijn bestaan is er geen ander bewijs dan de overtuiging dat hij bestaat!

   We kunnen er zeker van zijn dat een dergelijk denkbeeld het resultaat van wanhoop is. Ontkenning van de schepping, beweren dat het universum niet bestuurd wordt, betekent het van God afnemen van enige functie in de natuur.

   Stellingen dat God een begin had, dat hij met de tijd is mee gegroeid, zijn niet meer dan holle frasen – woorden die niet met de werkelijkheid overeenkomen. Ieder argument dat de alleenheerschappij ontkent van God als schepper en bestuurder, ontkent ook zijn bestaan. Het is een feit dat de mens nergens in de natuur de vingerafdrukken van goddelijkheid kan vinden. Voor zover wij kunnen waarnemen, worden de bewegingen in het universum nooit verstoord door een van buiten komende kracht. Uit alles dat we weten blijkt dat de natuur een eenheid is, altijd uitsluitend uit zichzelf bestaand, en alle oorzaken en gevolgen voldoen aan haar regels. De natuur maakt steeds weer nieuwe vormen uit ouder materiaal, en creëert daarmee een eindeloze processie van leven en dood, van groei en verval. De wetten van de natuur zijn voor altijd onveranderlijk.

   Evolutie gaat voor eeuwig door. In ieder sector van het universum bestaan condenserende nevelvlekken – werelden die bezig zijn te ontstaan. Miljoenen jaren geleden spreidde een van deze kolossale wolken van oermaterie zich uit over het gebied van ons zonnestelsel. De enorme wolk materie koelde af, condenseerde en brak in delen op, en na onmeetbare tijd werden de zon en de planeten gevormd. Ontelbare eeuwen rolden voorbij – want de natuur heeft geen haast – de gesmolten Aarde koelde af en vormde een korst; en heel geleidelijk aan combineerde sommige elementen zich en vormden leven in de warme oceaan. Dat eerste leven was buitengewoon eenvoudig – ieder individueel wezen bestond uit één cel. In de loop van de evolutie groeide de cel uit en deelde en onderverdeelde zich, totdat twee lagen van cellen ontstonden – de gastrula. De groei en veranderingen gingen door, en bereikten na verloop van tijd een wormachtige vorm. Dit wezen had geen hoofd, en alleen een pulserende buis voor hart. Daarna kwamen vissen, en nog later reptielen. Nog weer later verschenen viervoeters in vele vormen. Het leven verspreidde zich in alle richtingen, en de aarde vulde zich met allerlei vreemde en vreselijke beesten. Vanuit een hoge tak van de boom van het leven ontwikkelden zich aapachtige wezens, en na verloop van tijd ontwikkelden zich hieruit weer een ras van mensachtigen. Door de overleving van de meest geschikte soorten, vervolgde de natuur haar proces van geleidelijke verfijning en verbetering. Heel geleidelijk en onmerkbaar, groeide het lage voorhoofd van de primitieve mens hoger; zijn beperkte hersens werden groter; zijn vooruitstekende kaak werd minder  prominent; zijn woeste voorkomen verzachtte zich tot de menselijke glimlach.

   De natuur deed er miljoenen eeuwen over om de mens te maken. Zij had de wereld al gevuld met alles dat kroop en vloog en klom, talloze eeuwen voordat onze voorouders geboren werden. Toen dan eindelijk de mens ten tonele verscheen, was hij nog voor honderdduizenden jaren de prooi van felle en hongerige beesten. Aan onze voorouders werd geen genade betoond. Geen god heeft de mensheid ooit een enkel feit geleerd. Alleen van smartelijke ervaringen heeft onze soort iets geleerd. Door te leren hoe zich te beschermen, verbeterden onze voorouders geleidelijk hun vaardigheden en de omgang met hun soortgenoten. Beschaving en moraal zijn het resultaat van zelfverdediging en goed begrepen eigenbelang.

   De opmars van onze soort werd op veel manieren gehinderd door de slaafse invloed van religie. Vroeger, in het woud was de mens het slachtoffer van het verslindende beest; naderhand was hij, op soortgelijke wijze, nog lang de prooi van de cultuurvernietigende priester. Door onwetendheid en bijgeloof, door bedrog en marteling, heeft de priester zichzelf de grootste vijand van het mensdom gemaakt. Door de gelovige om te kopen met beloftes van een hemel en de twijfelaar te bedreigen met de verschrikkingen van een hel, heeft hij de menselijke geest vergiftigd met verlamming en vrees, en heeft hij voor vele eeuwen de normale ontwikkeling van het gezonde verstand vertraagd.

   Tijdens de verschrikkelijke tijden toen de kerk de wereld nog beheerste, was het een misdaad om redelijk te denken, was het een misdaad om te onderzoeken, en was het een misdaad om enige gedachte tot uitdrukking te brengen die afweek van de christelijke geloofsbelijdenis. Iedere vraag over de natuur werd beantwoord met een beroep op een geest. Alles werd verondersteld in perfecte vorm geschapen te zijn, nog maar een paar duizend jaar geleden. Men geloofde dat de hemel maar een paar mijl boven de aarde stond. Dat dit de enige wereld was die bestond; de zon cirkelde er elke dag omheen; en de sterren waren kleine ornamenten om de nachtelijke hemel te versieren. Niemand had ook maar enige notie van natuurwetten, en het alomvattende feit van evolutie was onbekend.

   Sindsdien heeft wetenschap een volledige ommekeer in het denken van de intelligente mensheid teweeg gebracht. De telescoop heeft de onbegrensde omvang van het universum aangetoond. De sterren zijn gloeiende zonnen geworden. Onze kleine aarde is niet meer het begunstigde middelpunt van het kosmische plan, maar slechts een korreltje zand op de kust van een oneindige oceaan geworden. 

   Wetenschappers die hun aandacht gericht hebben op de vele verscheidene levensvormen op deze aarde, hebben aangetoond dat alle levende wezens op deze aarde geëvolueerd zijn vanuit een enkele levensvorm; dat de mens slechts een dier is van edeler vorm en met betere hersens; en dat de werking van evolutie ook nu nog steeds doorgaat, net zoals die in het verleden altijd is doorgegaan.

   De wetenschap heeft ook de hoogste waarheid aangetoond die de mens kan bevatten, de wetenschap dat alles in de natuur, van zandkorrels tot sterrenstelsels, van microben tot mensen, beheerst wordt door eeuwige en onveranderlijke natuurwetten. Nergens in het universum is er ruimte voor toeval. Oorzaak en gevolg zijn alles overheersend. Wonderen kunnen niet gebeuren. Geen gebed kan beantwoord worden. De natuurlijke orde is onaantastbaar, en God noch Duivel kunnen daarop ingrijpen.

   In het licht van deze grootse wetenschappelijke openbaringen, verbleken alle religies en Bijbels, iedere hemel en hel, en alle duivels en goden tot een kinderachtig bijgeloof. Die denkbeelden geven nu nog slechts de onwetendheid aan van de mens, voordat die de natuur leerde kennen. De wetenschap heeft duizenden takken van de natuur onderzocht, en op ieder terrein hebben haar geduldige onderzoekers weer waarheden ontdekt die het geloof in wonderen en het bovennatuurlijke overtuigend afwijzen. We weten nu dat de natuur geen religieuze voorkeuren kent, en geen respect voor personen heeft; dat aardbevingen en vulkanen hun slachtoffers eisen in weerwil van gebed en preken; dat de bliksem net zo vaak de deugdzame treft als de verdorvene; dat droogte en overstromingen zich niets aantrekken van vroomheid en eerbetoon; dat gezondheid en ziekte niet afhankelijk zijn van aanbidding of ongeloof in God; dat geen mens goed genoeg of slecht genoeg kan zijn om op enige manier de werking van de natuur te veranderen. We weten dat de natuur niets doet uit respect voor menselijke wezens; dat ze onze smeekbeden niet hoort, en geen hand uitsteekt om ons te helpen. Onbewust van wat we denken, onbekend met onze behoeften en wensen, verleent ze geen gunsten en zoekt ze geen wraak. Voor haar zijn het sublieme en het absurde egaal, ze geeft net zoveel om de muskiet als om de mens. Tegenover alles dat leeft staat ze volkomen onverschillig.

   In feite is natuur precies het tegenovergestelde van wat religie altijd beweerd heeft, en nu houdt onze kennis van haar waarheid hoop en belofte voor de toekomst van de wereld in. Alle vooruitgang die de mensheid in het verleden gemaakt heeft, hebben we te danken aan de inspanningen van diegenen die in overeenstemming met haar wetten werkten. Het ruimen van wouden, het cultiveren van akkers, het bouwen van steden, de constructie van schepen, de uitvinding van machines, het oprichten van scholen – alle prestaties die geholpen hebben de wereld te verbeteren en de beschaving te bevorderen, werden bereikt door de natuurwetten te volgen.

   Daarom, wanneer mannen en vrouwen eenmaal geleerd zullen hebben dat het gehele universum door natuurwetten bestuurd wordt, dat een god onvoorstelbaar is en dat gebeden niet verhoord kunnen worden, zullen ze geen hulp meer zoeken bij het bovennatuurlijke. Ze zullen niet meer op hun knieën gaan liggen, maar opstaan en streven naar het verbeteren van de wereld met alle mogelijke, menselijke middelen. Ze zullen leren ziektes te bestrijden en het leven te verlengen. Ze zullen van alle kerken scholen maken, waar de natuur uitgelegd wordt door eerlijke mensen. Ze zullen proberen de mens moraal bij te brengen door zijn rede te ontwikkelen. Ze zullen de opbrengsten van deze wereld herverdelen op basis van gerechtigheid, en alle inspanningen op juiste wijze belonen. Ze zullen met mededogen degenen bekijken die het pad van misdaad opgingen, en proberen ze tot eerzaam gedrag terug te leiden met gezond verstand en vriendelijkheid. De moorddadige aandrang tot oorlog zullen ze voor altijd in de kiem smoren. Ze zullen al het mogelijke doen om deze wereld mooier te maken, en de mens gelukkiger, ruimhartiger en bovenal, vrij.

   Deze wereld is ons echte tehuis; alle mensen zijn onze broeders en zusters, en het leven dat we nu genieten is onze hemel of onze hel. We weten nu dat alle religies menselijke uitvindingen zijn; dat alle ideeën over God slechts menselijke hersenspinsels zijn; dat er nog nooit een goddelijke openbaring naar de aarde gekomen is, en dat geen enkele bovennatuurlijke religie mogelijk waar zou kunnen zijn.

   Gezien vanuit de twintigste-eeuwse beschaving, hebben we een goed uitzicht op de religieuze geschiedenis van onze soort, en hebben we vele goden geboren zien worden en weer sterven. We zien de naakte wilde die de natuurkrachten probeerde te verklaren door ze als persoonlijkheden te beschouwen. We zien hem zelfs rivieren, bomen en dieren als goden vereren. We zien primitieve stammen als de antieke Joden, die hun goden wreed, wraakzuchtig en oorlogszuchtig maakten. We zien hoger ontwikkelde naties met hogere idealen, die hun goden afbeeldden als poëtisch, intellectueel en vriendelijk. En we zien dat in ieder land de mens zich als edelste vorm voor zijn god een vergoddelijkte man voorstelde. We zien dat de grote heidense naties – India, Egypte, Babylon, Perzië, Griekenland en Rome – rijk van goden en godinnen voorzien waren, goden die zich met alle gebeurtenissen in de natuur bemoeiden. We zien ook dat de grootste en meest vooraanstaande naties de machtigste goden hadden.

   De scène bleef veranderen. Een voor een verdwenen naties; hun religies verbleekten, hun goden stierven en werden begraven. Nieuwe naties, nieuwe religies en nieuwe goden stonden weer op en eisten opnieuw de onderwerping van de mens. Wel werd met het verloop der eeuwen het aantal goden steeds kleiner, totdat ten slotte nog slechts aan één oppermachtige godheid de heerschappij over de wereld werd toebedacht. In dienst van deze ene god gaf het mensdom alle interesses, behalve die voor religie, voor vele eeuwen op. De wereld was vol van priesters en armoede, vol van bijgeloof en vervolging, vol van oorlog en verdriet. De rede werd uit de geesten van mensen verbannen, en in de Duistere Middeleeuwen dompelde het christendom de mensheid onder in religieuze doem.

   Totdat ten slotte menselijke geest, de vrijheid zoekende, de macht van de Kerk vernietigde om plaats te maken voor intellectuele vrijheid. De rede keerde weer, en de mens begon te onderzoeken en te leren. In dit grootse ontwaken werd de wetenschap geboren. Het universum werd verkend door geduldige onderzoekers die zochten naar waarheid, en overal trof men de oppermacht van natuurwetten aan. Iedere omloopbaan van elk hemellichaam bleek een gevolg van de wetten van de natuur te zijn. Nergens vond men enige blijk van de wensen en het karakter van een god; nergens kon enig spoor van God gevonden worden. Nadenkende mensen gingen de totaliteit van de natuur als de enige eeuwigdurende entiteit beschouwen – als onze moeder, onze leraar en onze graftombe. De laatste god verdween uit de geesten van miljoenen, en vond zijn plaats tussen de talloze goden die al eerder gestorven waren. Bovennatuurlijke religie verdween, en liet een natuurlijke wereld achter, bewoond door verlichte mannen en vrouwen die aan de verbetering van de mensheid werken.

_____


Bron: http://www.edwardtbabinski.us/fundamentals/real_god.html


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort