visitors on myspace
"SCHEPPINGSWETENSCHAP" EN HET FEIT VAN EVOLUTIE | POSITIEF ATHEÏSME <>

"SCHEPPINGSWETENSCHAP" EN HET FEIT VAN EVOLUTIE

image7313

FRANK R. ZINDLER









In de woorden van Harvard bioloog-paleontoloog Stephen Jay Gould: ‘Scheppingswetenschap is een oxymoron’. Een oxymoron (letterlijk een ‘wijze dwaas’) is een contradictie in termen. Net zo min als het voor een dwaas mogelijk is om wijs te zijn, is het voor creationisme mogelijk wetenschap te zijn. Iedereen die zich iets van de betekenis van woorden aantrekt moet het met het oordeel van professor Gould eens zijn.

   Omdat een intelligente toepassing van het woord schepping onvermijdelijk het bestaan van een schepper impliceert, en omdat de schepper van alles dat natuur is zeer letterlijk ‘bovennatuurlijk’ zou moeten zijn, zien we dat de fundamentele kracht in ‘scheppingswetenschap’ een bovennatuurlijke kracht is – wat een beleefde term is voor magie. Wetenschap bemoeit zich echter alleen met de studie van natuurkrachten, en houdt op wetenschap te zijn wanneer zij probeert fenomenen te verklaren door zich te beroepen op bovennatuurlijke krachten.

Creationisme stoelt op religieuze, niet op wetenschappelijke gronden


   Creationisme is – in plaats van wetenschap – een speciale tak van de fundamentalistische apologetica (leer van de geloofsverdediging). Haar opdracht is de verdediging van het Bijbelboek Genesis, dat stelt dat alle vormen van leven op deze planeet op magische wijze slechts enige duizenden jaren geleden  plotseling geschapen werden, dat ons wil leren dat alle menselijke wezens afstammen van één paar blanke mensen, en dat beweert dat alle levende wezens op deze planeet, met uitzondering van één bootlading, omkwamen in een wereldwijde overstroming in het jaar 2348 v.o.j. Als gelovers in de letterlijke waarheid van Genesis, vallen creationisten iedere discipline aan welke in haar ontdekking van waarheid, de absurditeit van de Bijbelse mythologie blootlegt. Niettegenstaande de camouflage met ogenschijnlijk aanvaardbare wetenschappelijke terminologie, is de werkelijke bestaansreden van creationistische apologetica de verdediging van de fundamentalistische interpretatie van Genesis. Creationisme stoelt op religieuze, niet op wetenschappelijke gronden.


   Het zal daarom niet als een verrassing komen dat creationisten haast helemaal niets doen dat zelfs maar wetenschappelijk onderzoek imiteert. Bijna al hun ‘onderzoek’ wordt gedaan in bibliotheken, niet in laboratoria, en al hun "bewijzen" voor schepping bestaat uit niets anders dan al dan niet opzettelijk verkeerd weergegeven bewijzen tegen evolutie – alsof men de Genesis mythologie zou kunnen bewijzen door Darwin te weerleggen!

  Het is een feit dat de meeste creationisten zodanig van elk begrip voor logica verstoken zijn dat het helemaal niet uitzonderlijk is hen te horen beweren, "Als ik Darwin’s theorie van natuurlijke selectie kan weerleggen, is de Bijbelse theorie de enige die over blijft." Er zijn minstens drie dingen verkeerd aan deze bewering:


1)    Het verwart de vraag: ‘Heeft evolutie plaatsgevonden?’ met de vraag: ‘Wat is het mechanisme van evolutionaire verandering?’ Darwin’s theorie over hoe evolutie plaatsvindt is slechts één van de verscheidene pogingen om evolutionaire verandering (afstamming met aanpassing) in natuurlijke termen te verklaren. Weerlegging van Darwin’s theorie, die natuurlijke selectie identificeert als het mechanisme van evolutionaire verandering, zou nog steeds andere natuurlijke (dus wetenschappelijke) theorieën open laten, zoals de theorie van genetische afwijking. Verder zou dit ook nog bepaalde andere, bijna-wetenschappelijke uitleg open laten, zoals de theïstische evolutie die het feit van evolutionaire verandering wel accepteert, maar stelt dat goddelijk ingrijpen de onderliggende kracht hiervan is. En natuurlijk, zelfs als men kan aantonen dat alle beschikbare verklaringen over hoe evolutie plaatsvindt ongeldig zijn, dan nog blijven alle bewijzen dat evolutie heeft plaatsgevonden nog steeds overeind.


2)    Bovendien neemt men met deze bewering ten onrechte aan dat de Genesis scheppingsmythes (er zijn er twee!) de enige bestaande bovennatuurlijke verklaringen voor onze oorsprong zijn, en negeert men bovendien de onderlinge tegenspraak tussen deze twee weergaven. En natuurlijk heeft iedere primitieve cultuur van deze wereld zijn eigen verklaring over de oorsprong van de mens geproduceerd. Creationisten moeten dan, nadat zij natuurlijke, evolutionaire theorieën "weerlegd" hebben, nog steeds aantonen dat hun eigen mythologie waar is, en niet die van anderen. Ze moeten dan bijvoorbeeld bewijzen dat groene planten al bestonden voordat de zon "geschapen" was, en dat alle leven en de gehele natuur binnen zes dagen ontstaan zijn. Ze zouden de superioriteit van hun mythe over het Indiaanse verhaal van Old Man Coyote en de Chinese mythe van het kosmische ei moeten aantonen. Als zij zouden willen dat wij de notie accepteren dat een bovennatuurlijke verklaring serieus moet worden genomen, dan moeten zij bereid zijn aan te tonen dat de Joodse 'theorie' superieur is aan de Egyptische ‘theorie’ die stelt dat de wereld begon met de masturbatie praktijken van de zonnegod. Het is zelfs zo, dat als zij eenmaal de gezaghebbende regels voor bewijsvoering die in de wetenschap gebruikelijk zijn terzijde schuiven, en de mogelijkheid voor bovennatuurlijke verlakkerij toelaten, dat het redelijk moet worden geacht dat zij dan verplicht zijn alle andere bekende mythologieën te ontzenuwen. Hoewel logici het met dit laatste wellicht niet eens kunnen zijn, blijft het feit overeind staan dat de scheppingsmythen zoals weergegeven in het eerste en tweede hoofdstuk van Genesis er slechts twee zijn uit een veelvoud van zulke mythen, en dat creationisten bewijs moeten zien te vinden voor de ene of de andere – elkaar uitsluitende – bijbelse weergaven. De bewijslast ligt nu bij de creationisten.


3)    Deze bewering misbruikt de term 'theorie'. Creationisten gebruiken de term hetzij kleinerend ("evolutie is slechts een theorie") dan wel passen zij die term ten onrechte toe voor creationisme. In wetenschappelijk gebruik is een theorie de hoogste vorm van wetenschappelijk begrijpen. Een theorie is een verklarende hypothese die keer op keer beproefd is, en nog steeds de best beschikbare verklaring voor de feiten in kwestie is. In het geval van creationisme echter, zijn die onderdelen van de geloofsverdediging die getest kunnen worden (bv. het idee dat de aarde maar zesduizend jaar oud is en bedekt werd door een schil van water in het jaar 2348 v.o.j.), ook getest en aantoonbaar fout gevonden. Dit toont aan dat creationisme niet een houdbare theorie is, omdat houdbare theorieën beproeving moeten kunnen doorstaan. Aan de andere kant, die delen van het creationisme die bepaalde types magische gebeurtenissen inhouden (bv. de goddelijke schepping van een jong universum waarvan alle componenten het misleidende stempel van grote ouderdom in zich dragen) maken de beweringen van het creationisme niet verifieerbaar. Daarom is het helemaal geen theorie, want theorieën moeten beproefd kunnen worden!


   We hebben aangetoond dat creationisten de vraag: "Heeft evolutie plaatsgevonden?" verwarren met de vraag: "Wat is de oorzaak van evolutie?" Het wetenschappelijke antwoord op de eerste vraag is natuurlijk: "Ja", en het antwoord op de tweede vraag (gedeeltelijk tenminste) is: "Natuurlijke selectie". Welke logica en bewijzen hebben wetenschappers – en atheïsten – tot deze antwoorden geleid?


DE LOGICA VAN EVOLUTIE

   De conclusie dat evolutie heeft plaatsgevonden wordt getrokken uit twee eenvoudige waarnemingen:

   Waarneming 1: Levende dingen ontstaan alleen uit levende dingen. Spontane wording is niet mogelijk wanneer er al levende dingen bestaan.  

   Waarneming 2: Fossiele overblijfsels tonen aan dat levende dingen in een ver verleden erg verschilden van huidige levende dingen.

   Conclusie:  Levensvormen zijn door de tijd heen veranderd (geëvolueerd).

   Indrukwekkend bewijs voor de stelling dat levensvormen veranderd zijn gedurende het verloop van tijd wordt gevonden in het fossielen bestand van de vertebraten, dieren met een gewervelde ruggegraat. Aan het begin van het Cambrium (570-500 miljoen jaar geleden) bestonden er nog geen vertebraten. Later in het Cambrium verschenen problematische vormen die verwant schenen te zijn aan de vertebraten, maar ook vage affiniteit vertoonden met de echinieten. (Echinieten worden nu nog vertegenwoordigd door zeesterren, zeelelieën, zeekomkommers etc. Embryologisch schijnen zij de hoofdgroep te vormen die het naast verwant is aan de Chordata, de hoofdgroep waartoe de vertebraten behoren). Tegen het einde van het Cambrium verschenen de eerste vertebraten: de ostracodermen, kaakloze vissen met een benige beschermplaat en platte lichamen, klaarblijkelijk aangepast aan een leven van voedselvergaring van de zeebodem.


   Uit het fossielenbestand blijkt dat vertebraten nog miljoenen jaren zonder kaken bestonden. Ten slotte, bij het begin van het Devoon (395-345 miljoen jaar geleden) voegden de eerste vissen met kaken hun stoffelijk overschotten toe aan het fossielenbestand. Helemaal aan het einde van het Devoon, of bij het begin van het Carboon (345-280 miljoen jaren geleden), ontstonden de eerste primitieve amfibieën. Deze visachtige dieren verschilden van hun voorouders, de longvissen, het meest door de detaillering van de botstructuur van hun gepaarde appendages – de conversie van vinnen naar handen en voeten – en in de versterking van de structuur die de gepaarde appendages aan de wervelkolom bevestigden. De eerste reptielen verschenen pas in de laatste helft van het Carboon.

Lourinhanosaurus

   Om de leugen van creationisten te weerleggen, dat de verbindende schakel ontbreekt van fossielen die het verband moeten leggen naar de vertebraten, zien we in het Perm (280-225 miljoen jaar geleden) een hele orde van dieren te voorschijn komen, de zoogdier-achtige reptielen (Theriodontia). Deze zien we over de tijd veranderen van typisch primitieve reptielen naar primitieve zoogdieren. Het was pas laat in het Trias (225-190 miljoen jaar geleden) dat de transmutatie van Theriodontia naar zoogdieren voltooid was. In tegenstelling tot het eerste hoofdstuk van Genesis, dat beweert dat de eerste zoogdieren al op aarde verschenen een luttele vierentwintig uur nadat de eerste vissen verschenen waren, kwamen de eerste zoogdieren pas op aarde nadat meer dan 300 miljoen jaar van evolutie van vissen was verstreken!


   Vogels, die volgens beide scheppingsmythen in Genesis op dezelfde dag als vissen geschapen werden, verschijnen niet eerder in het fossielenbestand dan in het Jura (190-136 miljoen jaren geleden). Hoewel ze de ultieme variatie op het thema van dinosaurussen vertegenwoordigen, loopt hun afstamming van reptielen langs geheel andere lijnen dan die van de voorouders van zoogdieren. In tegenspraak tot de bewering van sommige creationisten, stellen evolutionisten helemaal niet dat reptielen evolueerden naar vogels, en vogels naar zoogdieren! Ofschoon de eerste zoogdieren verschenen in het Trias, verschenen vormen waarvoor namen in de Engelse taal bestaan niet eerder dan in het late Krijt (136-65 jaar geleden) toen buidelratachtige vormen verschenen, het Eoceen (60-40 miljoen jaar geleden) toen primitieve walvissen ontstonden, en het Oligoceen (40-25 miljoen jaar geleden) toen mensapen, apen en primitieve grazende zoogdieren verschenen. De fossiele overblijfselen in de bodem zijn hierdoor of bewijs voor vissen die evolueren naar vogels en zoogdieren, of ze zijn bewijzen voor duizenden opeenvolgende ‘speciale scheppingen’ – magische vervangingen van opeenvolgende fauna’s door enigszins afwijkende fauna’s. Ironisch genoeg, zou deze laatste interpretatie even on-Bijbels als onwetenschappelijk zijn.


   Als een van beide Bijbelse mythen waar zou zijn, zouden alle typen vertebraten – de nu levende soorten zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen – samen met bacteria en trilobieten aan het vroegste begin van de fossiele geschiedenis gevonden kunnen worden, en zouden die onveranderd ook in alle latere gesteenten nog aangetroffen moeten worden. Maar dit staat natuurlijk ver af van de werkelijkheid. De beruchte ‘missing links’ die creationisten aanvoeren als bewijs tegen evolutie, zijn in werkelijkheid een vernietigende weerlegging van het idee dat alle vormen van leven op miraculeuze wijze tegelijkertijd op aarde getoverd werden!


DE LOGICA VAN NATUURLIJKE SELECTIE

   Creationisten, in hun aanvallen op evolutie in het algemeen, en op natuurlijke selectie in het bijzonder, verwarren meestal de betreffende wetenschappelijke principes. Ze vervangen die dan door een verkeerd beeld, waarmee gemakkelijker de draak te steken is. Het is belangrijk dat we duidelijk te maken wat het precies is, dat de wetenschap te zeggen heeft over het onderwerp van het ontstaan van nieuwe soorten. De moderne (‘synthetische’) theorie van natuurlijke selectie bestaat uit een nauw in elkaar grijpend weefsel van observaties en de daaruit getrokken logische conclusies. Kort samengevat, is de structuur van de theorie als volgt:


   Observatie 1: Alle levende dingen neigen tot reproductie in geometrische progressie, zodat als alle nakomelingen zouden overleven, de hele wereld daarmee zou worden overbevolkt.

   Observatie 2: Toch wordt de wereld niet overbevolkt. De bevolkingen van de verscheidene soorten blijven van eeuw tot eeuw ongeveer constant in omvang, door de eindige beschikbare bronnen van de leefomgeving.

 Hieruit volgt:

   Conclusie A: Er moet competitie zijn voor de beschikbare bronnen, een ‘strijd om het bestaan’.

   Observatie 3: Erfelijke variaties (mutaties) worden waargenomen spontaan te gebeuren, van tijd tot tijd, in de bevolkingen van alle soorten.

   Observatie 4: In een gegeven leefomgeving bieden sommige van deze variaties een voordeel in de strijd om het bestaan, terwijl anderen nadelig of neutraal zijn.

 Hieruit volgt:

   Conclusie B: Een natuurlijke selectie van individuen zal het resultaat zijn. Degenen met nuttige mutaties zullen overleven en in aantal toenemen, en degenen met nadelige mutaties zullen tot verdwijning neigen en in aantal afnemen.

   Observatie 5: De bron van de erfelijke veranderingen is hetzij: 1) een wijziging in de volgorde van chemische basen in de DNA moleculen waaruit de genen van een organisme zijn opgebouwd, of: 2) een herschikking van de genen op de chromosomen, of 3) vermenigvuldiging of vernietiging van genen of chromosomen.

   Observatie 6: In fysiek en chemisch opzicht bestaat er geen limiet aan de hoeveelheid mogelijke wijzigingen aan basen in het DNA, of de mate van herschikking van genen die kan plaatsvinden.

 Hieruit volgt:

   Conclusie C: Er bestaat geen limiet aan de hoeveelheid variatie mogelijk in enige gegeven soort. Bij voldoende tijd, en wijzigende condities in de leefomgeving  zal mutatie op mutatie voorkomen, en een soort zal geleidelijk veranderen in één of meer nieuwe soorten. Daar de mutaties grotere en grotere cumulatieve verandering teweeg brengen, en omdat seksuele recombinatie nieuwe erfelijke combinaties van eigenschappen samenstelt, zullen soorten veranderen in nieuwe genera, en de genera in nieuwe families, etc.


   Met uitzondering van de observaties die veranderingen in DNA en chromosomen als bron van evolutionaire variatie betreffen, werd de bovenstaande theorie door Charles Darwin ontdekt in het midden van de negentiende eeuw. Darwin kwam schoorvoetend tot deze theorie – oorspronkelijk was hij zelf een creationist. Maar de feiten van de natuur die hij ontdekte op zijn reis met HMS Beagle dwongen hem de Genesis mythe op te geven ten gunste van de evolutionaire wetenschap, en inspireerden hem tot het formuleren van de theorie van natuurlijke selectie.

   Er wordt nog maar zelden aan gedacht dat Darwin niet de enige was die het principe van natuurlijke selectie ontdekte. Terwijl Darwin bezig was zijn theorie te formuleren, was Alfred Russell Wallace – geheel onafhankelijk van Darwin en een halve wereld van hem verwijderd – door zijn studie van de planten en dieren in de Maleisische Archipel gedwongen te concluderen dat evolutie had plaatsgevonden, en dat natuurlijke selectie de aandrijvende kracht was!


   De les die hieruit geleerd kan worden is dat de feiten van de natuur onbevooroordeelde geesten dwingen te concluderen dat evolutie heeft plaatsgevonden, en dat natuurlijke selectie op zijn minst deel uitmaakt van de oorzaak van evolutionaire verandering. (Bevolkingsomvang en genetische isolatie van bevolkingen zijn ook belangrijke factoren die van invloed zijn op de mate waarin evolutionaire verandering optreedt).

   Als we de bizarre details van de Genesis mythe onderzoeken, moeten we ons afvragen: Is het denkbaar dat een persoon die nog nooit van de Genesis mythe gehoord heeft, de natuur in kan gaan en concluderen dat groene planten tot leven kwamen vóór de zon? Dat vogels bestonden voordat er reptielen waren? En wie zou, zonder kennis van de tweede Genesis mythe, op het idee komen dat de mens ouder is dan zowel de planten als de dieren, maar dat vrouwen niet eerder ontstonden dan nadat de laatste dierlijke soorten verschenen waren? Welke geoloog zou, zonder met het verhaal van Noach’s Ark geïndoctrineerd te zijn, geloven dat de hele planeet bedekt was door een schil van water 4354 jaar geleden? Welke onafhankelijke waarnemer zou tot de conclusie komen dat de kiwi, die zwemmen noch vliegen kan, vanuit Nieuw Zeeland naar de berg Ararat in Turkije kwam, maar het niet haalde naar Griekenland of Australië? Zou iemand ooit kunnen geloven dat er ooit een ‘gewelf’ in de lucht was, met water er boven, en vensters er in?

   Natuurlijk niet. Maar we kunnen er helemaal zeker van zijn, dat zelfs als de creationistische legioenen van de duisternis er in zouden slagen alle kennis van Darwin’s theorie uit te vagen, oprechte mannen en vrouwen van de toekomst die de feiten van de natuur bestuderen, die opnieuw zouden ontdekken. Dit komt doordat evolutionaire wetenschap werkelijk wetenschap is, en waar is omdat die getest kan worden en in overeenstemming is met de feiten van de natuur. De creationistische dogma’s echter, zijn geen wetenschap en – in zoverre ze getest kunnen worden – worden tegengesproken door de bewijzen uit de natuur.


THEÏSTISCHE EVOLUTIE

   Terwijl het ronduit schandalig is dat creationistische geloof nog tot de in de eenentwintigste eeuw heeft overleefd, moeten we tot onze schande bekennen dat er ook nog veel mensen zijn, die ondanks dat ze redelijk geschoold zijn in evolutionaire wetenschap, geloven in iets dat theïstische evolutie genoemd word. Dit is het idee dat evolutie in feite heeft plaatsgevonden, maar dat deze door een bovennatuurlijke kracht gestuurd werd. De lange weg van kaak-loze vissen naar vissen met kaak, naar amfibieën, naar reptielen, naar zoogdier-achtigen, naar zoogdieren, naar Adolf Hitler of ayatollah Khomeini was, moeten zij erkennen, allemaal de uitwerking van een goddelijk geleid plan. Theïsten moeten de door evolutie veroorzaakte plagen aanvaarden als deel van hun Gods plan. Dit standpunt kan niet alleen een belemmering tot ontwikkeling vormen, het kan ook regelrecht de weg naar krankzinnigheid inleiden. Een goed voorbeeld vinden we in het verhaal van ‘Simon de Pilaarheilige’, de wezenlijke ‘heilige’ die bovenop een pilaar woonde totdat zich etterende, door maden geïnfecteerde wonden in zijn vlees vormden. Als een made zich uit de krioelende massa in zijn ontstoken wonden losmaakte, duwde hij die terug en gaf hem een preek. God had die ‘worm’ zijn vlees als voedsel gegeven, vermaande hij de made, en het schepsel moest zich niet ondankbaar tonen!


   Het beste dat over het idee van theïstische evolutie gezegd kan worden is dat het niet door de feiten van de natuur weerlegd wordt. Maar het kan natuurlijk niet door enig feit weerlegd worden, als al die natuurlijke feiten precies zo door God beschikt waren. Helaas voor de theïstische evolutionisten, plaatst dit deze theorie buiten het rijk der wetenschap, aangezien wetenschappelijke stellingen getest moeten kunnen worden.

   Het idee van theïstische evolutie lijdt aan nog een ander ernstig defect: het overtreedt het principe van ‘Ockham’s scheermes’. Dit is het principe in de logica dat basale aannames niet zonder noodzaak verveelvoudigd moeten worden. Als natuurkrachten op zichzelf afdoende zijn om het verloop van evolutie te verklaren, waarom zouden we daar dan nog bovennatuurlijke krachten naast stellen? Zulke krachten zijn overtollig. Het is eenvoudiger het bij de waarneembare, meetbare krachten van de natuur te houden.

   Het idee van theïstische evolutie is, naar het schijnt, verwant aan een emotionele onrijpheid die maakt dat mannen en vrouwen niet in staat zijn het feit te aanvaarden dat we waarschijnlijk alleen zijn in het universum, en dat we zin en bevrediging moeten vinden tussen de kameraden – zowel menselijk als niet-menselijk – waarmee we deze planeet delen. Geestelijk volwassenen kunnen de wereld aanvaarden voor wat die is: ongeschapen en onbewust. Alleen beperkt door de limieten van de natuurwetten, kan de volwassen geest binnen zijn macht alles doen "To grasp this sorry scheme of things entire,"  en dan "remold it nearer to the heart’s desire". 


   Atheïsten weten dat kanker en lintwormen geen deel vormen van een goddelijk plan. Atheïsten zijn volkomen vrij iets aan deze plagen te doen – en dat doen ze! 

_____


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort