visitors on myspace
OVER BOTTEN, BLUNDERS EN BEDROG | POSITIEF ATHEÏSME <>

OVER BOTTEN, BLUNDERS EN BEDROG

image7313

FRANK R. ZINDLER






Onder in de kelder van het Vaticaan, vereren katholieken de botten van kippen, varkens en een muis, in de overtuiging dat deze de overblijfselen van St. Petrus zijn. Hoe deze frauduleuze situatie kon ontstaan is een verwarrend verhaal dat terug gaat naar de problemen die paus Pius XII ontmoette toen hij probeerde een plaats te vinden waarin hij zijn voorganger op kon slaan.


The New York Times, 27 juni,1968: 
Tekst van de aankondiging van Paus Paulus VI betreffende relieken

   Paus Pius XII zei in zijn Kerst boodschap voor de radio op 23 december, 1950: 'De essentiële vraag is als volgt: Is het graf van St. Petrus werkelijk gevonden? De definitieve conclusie van het werk en het onderzoek beantwoordt die vraag met een zeer duidelijk ja. De graftombe van de Prins der Apostelen is gevonden. Een tweede vraag, ondergeschikt aan de eerste, betreft de overblijfselen van de heilige: zijn die gevonden?

   Het antwoord dat de vereerde Paus toen gaf, was onzeker, twijfelachtig. Nieuwe onderzoeken, zeer uitgebreid en nauwgezet, zijn daarna uitgevoerd met resultaten die we, gesteund door het oordeel van gekwalificeerde, prudente en bekwame mensen, geloven positief te zijn. De relieken van St. Petrus zijn geïdentificeerd op een wijze die wij als overtuigend beschouwen.

   Wij geloven dat het onze plicht is, bij de huidige stand van archeologische en wetenschappelijke conclusies, aan u en de kerk deze blijde aankondiging te kunnen presenteren, gehouden als we zijn om heilige relieken te vereren, gesteund door betrouwbaar bewijs van authenticiteit. In het huidige geval moeten wij allen nog meer enthousiast en opgetogen zijn wanneer we terecht geloven dat de weinige maar heilige sterfelijke overblijfselen opgespoord zijn van de Prins der Apostelen, van Simon zoon van Jonah, van de visser door Christus Petrus genoemd, van hij [sic] die door de Heer gekozen werd om Zijn kerk op te richten en waaraan Hij de sleutels toevertrouwde van Zijn koninkrijk tot aan Zijn glorieuze terugkeer.  Paus Paulus VI, 26 juni, 1968  

De andere schedel van St. Petrus wordt bewaard in een reliekschrijn in de kathedraal van St. Jan van Lateranen

   Onder in de kelders van het Vaticaan, minder dan zes meter onder het hoofdaltaar van de St. Petrus basiliek, is een lelijke, met graffiti bedekte muur van gepleisterd baksteen. In die muur bevindt zich een rechthoekige holte die negentien doorzichtige plexiglas dozen bevat die gevuld zijn met oude botten, waarvan beweerd wordt dat sommigen de sterfelijke resten bevatten van St. Petrus zelf. Een smalle spleet in de muur maakt het mogelijk twee van die dozen met hun inhoud van botten te zien, door het bronzen traliewerk van een hek dat op enige afstand voor die muur geplaatst is. Tien van de botten die op deze manier zorgvuldig bewaard worden op deze allerheiligste plek van het christendom, zijn echter de overblijfselen van huisdieren zoals geiten, schapen, koeien en een kip. De Heilige Schrift leert ons [Markus 14: 30,72] dat Petrus zijn meester drie maal verloochende voordat de haan twee keer gekraaid had. Zouden deze kippenresten de overblijfselen zijn van de fabuleuze haan van Petrus?

   De aanwezigheid van varkens op dit meest gewijde brandpunt van een kerk zoals die van St. Petrus is verbazingwekkend, om het voorzichtig uit te drukken. Overwegende dat Simon Petrus verondersteld werd joods te zijn geweest voordat hij zich bekeerde tot het katholicisme, is het vermengen van zijn beweerde overblijfselen met die van zwijnen, een zaak die schreeuwt om nadere verklaring. Geen van de pausen heeft echter ooit genoemd dat varkens in hun kelders vereerd werden, laat staan dat ze een verklaring gaven voor dit verbazingwekkende feit. 

   Eén doos bevat het skelet van een muis. Misschien wordt die wel bewaard als de universele standaard kerkmuis. De rest van de dozen, opgeslagen in afwachting van de weerkeer van Jezus, bevatten wat aantoonbaar kan worden beschouwd als de gedeeltelijke resten van een man die ouder dan zestig jaar was toen hij stierf.

   De botten zijn gecertificeerd als de eerbiedwaardige overblijfselen van de Prins der Apostelen zelf, St. Petrus. Dat dit werkelijk de resten van St. Petrus zijn, mag niet in twijfel worden getrokken: een opvolger van St. Petrus, paus Paulus VI heeft dat feit zelf bevestigd, hoewel hij nooit duidelijk heeft gemaakt hoe de botten van de muis en het vee in St. Petrus gefunctioneerd hebben toen deze nog leefde. Het meest waardevolle onder de overgebleven resten van het skelet van St. Petrus in het Vaticaan zijn negenentwintig fragmenten van één van zijn schedels. (De andere schedel van St. Petrus wordt bewaard in een reliekschrijn in de kathedraal van St. Jan van Lateranen.)

   Het skelet en de schedels die nu vereerd worden als de overblijfselen van St. Petrus zijn echter niet de enige relieken van de Prins der Apostelen die de roomse kerk ontdekt heeft. In 1949 ontdekten vijf Vaticaanse archeologen nog een ander skelet van de beenderrijke heilige, enige meters vanaf de muur waarin de botten die nu vereerd worden, zich bevinden. Gemeld werd dat de botten gevonden waren in een hypogeum, blijkbaar een ruwe holte uitgespaard in de fundering van een muur bedekt met rood pleisterwerk (de zogenoemde Muro Rosso of Rode Muur, waartegen de muur met graffiti steunt, zie fig. 1). Het rapport vermeldt dat de botten gevonden waren in 'een grafurn van eenvoudig terracotta'.

   De botten werden veertien jaar lang door paus Pius XII zelf bewaard in zijn privé appartement. Hoewel hij later enigszins terughoudend was over de authenticiteit van de botten, is duidelijk dat hij voor zichzelf geloofde dat ze echt waren. Tenslotte hadden zijn lijfarts Dr. Galeazzi-Lisi en verscheidene medische deskundigen de botten nauwgezet onderzocht in het bijzijn van de paus, en hadden ze verklaard dat de botten die van een man waren, krachtig gebouwd, misschien vijfenzestig of zeventig jaar oud ten tijde van zijn dood. Als dat niet St. Petrus was, wie zou het dan anders geweest kunnen zijn?

   Een nogal verrassend antwoord op deze vraag werd gegeven door Venerando Correnti, een door het Vaticaan ingehuurde antropoloog die in 1956 de door de paus zo gewaardeerde botten moest onderzoeken, de botten die gevonden waren in wat door de paus gecertificeerd was als zijnde het echte graf van St. Petrus. Correnti begon voor het eerst te vermoeden dat er iets mis was, toen hij een derde fibula trok uit de berg botten die de paus al zo lang gehamsterd had. Normale mensen hebben natuurlijk maar twee fibulae, één in ieder been. Daarna ontdekte hij vijf tibiae om de drie fibulae aan te vullen. Dit betekende dat hij te maken had met vijf tot acht benen! Hoewel Petrus bekend stond om zijn nautische bekwaamheden, zowel als visser en als waterlopen, was hij nog nooit verward met een octopus. Hierdoor realiseerde Correnti zich al gauw dat de paus de resten van meer dan één persoon had bewaakt: twee mannen en een oude vrouw, was zijn slotsom. Van de mannen kwam hij tot het oordeel dat ze ongeveer vijftig geweest moesten zijn toen ze stierven, de vrouw ongeveer zeventig.

   In aanvulling op de menselijke resten, identificeerde Luigi Cardini, een medewerker van Correnti, botten die eens rond gehuppeld hadden als varkens, schapen en geiten, en nog wat die als kippen rond gescharreld hadden. Misschien een kwart deel van de botten die uit het beweerde authentieke graf van Petrus gedolven waren, samen ongeveer vijftig tot zestig fragmenten, kwamen van een Romeins boerenerf vandaan, in plaats van van de kust van het Meer van Gallilea. In tegenstelling tot de botten waarvan men beweert dat ze gevonden zijn in de graffiti muur, worden de botten die werkelijk uit het 'ware graf van de Prins der Apostelen' zijn gehaald, niet vereerd. Die zijn stilletjes opgeborgen in een geheime locatie. 

   Het vermengen van zeugen met sinten veroorzaakt zeer zeker problemen voor katholieke apologeten. De aanwezigheid van dierlijke botten tussen die van mensen kan met gemak uitgelegd worden aan de hand van een verscheidenheid van geloofwaardige hypothesen als St. Petrus nooit bestaan zou hebben als historisch figuur, of als de botten niets te maken hebben met een werkelijke St. Petrus; het wordt heel moeilijk te verklaren als sommige van de gevonden menselijke botten echt van de Prins der Apostelen en de eerste paus zijn.

   Er zijn ook nog meer problemen. Waarom, bijvoorbeeld, moeten de resten van de meest beroemde persoon in de katholieke geschiedenis weggepakt worden in een gore holle muur in plaats van in een magnifieke sarcofaag in iets dat op een graf lijkt? (Volgens de zesde-eeuwse Liber Pontificalis, bouwde keizer Constantijn de basiliek op de grond van de Tempel van Apollo, en borg hij daarin het lichaam van St. Petrus op in een anderhalve meter hoog, kubusvormige bronzen monument. Waarom is er geen zorgvuldig gebeitelde Latijnse inscriptie met de tekst:


Hier ligt Sint Petrus

Stort uw boetedoening in de pot


   Amusant is dat toen paus Paulus VI destijds in 1968 de relieken authentiek verklaarde, hij daarmee onbedoeld de aandacht op dit fundamentele tekort vestigde, door het citeren van de vierde-eeuwse kerkhistoricus Eusebius, die schreef dat het graf een opschrift gedragen zou hebben:

    'Er wordt gezegd dat Paulus door hem (Nero) onthoofd was en Petrus gekruisigd in Rome, en de monumenten met de inscripties van de namen van Petrus en Paulus zijn nog steeds bewijs hiervan en worden nog bezocht op de begraafplaatsen van de stad Rome.'

   We kunnen opmerken dat Eusebius het over begraafplaatsen heeft, niet over basilieken, waar de 'monumenten' voor de apostelen zich bevinden. Aangezien Eusebius, die zich op vertrouwelijke voet met de keizer (Constantijn) bevond, geweten moet hebben van de nieuw gebouwde St. Petrus basiliek in Rome, maar niets zegt over één van de monumenten die daar recentelijk in geplaatst werden, mag daaruit de conclusie worden getrokken dat deze elders geplaatst waren, hetgeen de Vaticaanse verblijfplaats uitsluit.

   Bovendien, toen Eusebius zijn Theophania schreef in 333 (lang nadat de oorspronkelijke basiliek klaar gekomen was), zei hij dat de Romeinen Petrus vereerd hadden 'met een prachtig grafmonument met uitzicht over de stad, een graf waar menigten naar toekomen vanuit het hele Romeinse rijk, als aangetrokken tot een groot heiligdom en tempel van God'. Alweer, geen enkele aanwijzing dat het graf in een kerk was. En als het dat wel was, waarom vonden de moderne onderzoekers dan zulk een miserabel ongemerkt graf in plaats van een 'prachtig grafmonument'?

   Ondanks het zeer bescheiden voorkomen van het armzalige bouwwerk dat door de Vaticaanse onderzoekers ontdekt was, verklaarde Paulus VI dat dit niet alleen de graftombe van St. Petrus was, maar ook nog de fabuleuze 'Tropaion van Gaius'. 

   In zijn Kerkelijke Historie [II xxv 6-7] verhaalt Eusebius over een geestelijke met de naam Gaius, die in ongeveer het jaar 200 ruziede met ene Proclus over wie de beste heilige plaatsen had. Eusebius schrijft:

   ‘Gaius, in een geschreven dialoog met Proclus, de leider van de Phrygiërs, zegt het volgende over de plaatsen waar de heilige relieken van de genoemde apostelen [Petrus en Paulus] geplaatst zijn: 'Maar ik kan de tropaia van de apostelen aanwijzen; want als je naar het Vaticaan gaat of richting Ostia, zul je daar de tropaia vinden van diegenen die deze kerk gesticht hebben.'

   Zelfs katholieke apologeten zijn het er over eens dat Gaius zich vergiste over wie de Kerk van Rome gesticht had, maar ze klampen zich nog steeds vast aan de toespeling naar de tropaia van Petrus en Paulus. Maar wat zijn tropaia? Monumenten? Graven? Graftomben? Gedenkstenen? Relieken? Ondanks de argumenten van katholieke apologeten, uit de context van het debat tussen Gaius en Proclus wordt duidelijk dat graftomben of graven uitgesloten kunnen worden als betekenis van tropaia. De Rode Muur constructie kan geen Tropaion van Gaius zijn.


VERDACHTE GESCHIEDENIS VAN DE ONTDEKKINGEN

   Op zondag, 22 augustus 1949 droeg de voorpagina van de New York Times een artikel onder de kop: Botten van St. Petrus gevonden onder altaar, gelooft het Vaticaan. De ondertitel vermeldde waarin de relieken waren: 'Volgens rapporten in een urn die door de Paus bewaard wordt.' Het artikel, dat geschreven was door Camille M. Cianfarra, kondigde aan:

   'De beenderen van St. Petrus, Prins der Apostelen, die volgens de christelijke overlevering in Rome gekruisigd werd in de tweede helft van de eerste eeuw, zijn volgens berichten gevonden op minder dan zes meter onder de vloer van de basiliek van St. Petrus'.

   Zonder de tegenstelling op te merken met eerlijke, wetenschappelijke, archeologische procedures, vervolgde het artikel met: 

   'Vaticaanse archeologen die leiding geven aan de opgravingen hebben een eed van geheimhouding afgelegd, en het is hen derhalve verboden om de ontdekking te bevestigen of te ontkennen. Echter, van mededelingen door verscheidene personen in het Vaticaan over een periode van maanden, wordt gezegd dat ze genoeg indirect bewijs leveren dat de beenderen van St. Petrus ontdekt zijn in het hypogeum, of onderaardse cel, waar hij volgens overlevering begraven zou zijn.

   Deze crypte werd twee jaar geleden gevonden tijdens geheime opgravingen in de Vaticaanse Grotten. De beenderen worden bewaard in een urn waarover Paus Pius XII hoogstpersoonlijk waakt, in de persoonlijke kapel naast zijn studeerkamer, zeiden kringen in het Vaticaan.'

   Betreffende de meest belangrijke vraag, waar precies de botten gevonden werden, schreef Cianfarra: 

   'Begrepen wordt dat Vaticaanse archeologen in het midden van het hypogeum een grafurn vonden van eenvoudig terracotta. Daarin bevonden zich beenderen. De paus werd onmiddellijk ingelicht en hij bezocht de crypte in het striktste geheim, nadat de deuren van de basiliek voor het publiek gesloten waren'.

   In werkelijkheid waren de opgravingen al meer dan tien jaar in het geheim aan de gang, toen dit verhaal in de pers kwam. Enige dagen nadat Eugenio Pacelli tot Pius XII verkozen was, in maart 1939, gaf hij opdracht aan Monseigneur Ludwig Kaas, de 'Secretaris en Administrateur voor het Kleed van St. Petrus', een soort veredelde hoofdconciërge, om een geschikte plaats in de kelder te vinden voor het begraven van zijn voorganger Pius XI.

   Waarom al deze geheimhouding? Cianfarra legde dit uit:

   'Volgens officials is de reden waarom de ontdekking geheim gehouden werd dat de paus, voordat hij de aankondiging zou maken welke volgens hen met zekerheid van enorm belang zou zijn voor zowel katholieken als niet-katholieken, wil dat zijn archeologische experts bewijzen verzamelen die zo onweerlegbaar zijn dat niemand in staat zal zijn hun authenticiteit te betwisten. Overeenkomstig werd gesteld dat er testen uitgevoerd waren, waarvan de aard niet geopenbaard werd.'

   Hiermee werd natuurlijk toegegeven dat het ontdekken van de waarheid niet het leidende principe was in deze decaden lange onderneming. De deskundigen                     LUDWIG KAAS moeten  'bewijzen verzamelen' voor vooraf vastgestelde conclusies, en niet in de richting gaan waarheen de aanwijzingen leiden. Zij moesten absoluut zeker maken dat gegevens correct verzonnen werden, zodat 'niemand in staat zou zijn hun authenticiteit te betwisten.' Deze handelswijze van het Vaticaan verschilde niet van het 'onderzoek' door creationisten, waarbij ze schriftelijk onder ede verklaren wat ze zullen vinden als ze ooit een onderzoek zouden uitvoeren.


   De paus zou wachten tot aan het einde van zijn jubileumjaar, 1950, voordat hij iets meer over dit onderwerp zou zeggen. Vreemd genoeg, stelde hij zich terughoudend op over het standpunt die iedereen van hem verwachtte, wanneer hij over de beenderen sprak. In een verslag over de pauselijke kerstboodschap die op 23 december 1950 uitgezonden werd, citeerde The New York Times de paus de volgende dag: 

   'De opgravingen, tenminste zover ze de tombe van de Apostel betreffen (verkenningen die al onderwerp van onze aandachtige attentie zijn sinds de eerste maanden van ons pontificaat), en de wetenschappelijke onderzoeken daarvan hebben geleid tot een gelukkige conclusie. Is de tombe van St. Petrus werkelijk gevonden? Het antwoord op die vraag is boven alle twijfel verheven: Ja. De tombe van de Prins der Apostelen is gevonden. Zulk is de eindconclusie na al het werk en onderzoek van deze jaren. 

   Een tweede vraag, ondergeschikt aan de eerste, betreft de relieken van St. Petrus. Zijn die gevonden? Naast de tombe zijn resten van menselijke beenderen gevonden. Het is echter onmogelijk met zekerheid vast te stellen dat deze tot het lichaam van de Apostel behoren.'

   Het zou echter nog tot het volgende jaar duren eer het Vaticaan het officiële verslag van zijn ondergrondse activiteiten zou publiceren. Het rapport, afgedrukt als twee kloeke folio delen, droeg de titel: 'Verkenningen uitgevoerd onder de Confessione van St. Petrus in het Vaticaan gedurende de jaren 1940 -1949.' 

   Ondanks het indrukwekkende voorkomen van deze verhandeling, kan deze nauwelijks als een wetenschappelijk rapport van de opgravingen worden beschouwd. Reconstructie van de ontdekkingen, in de volgorde waarin ze plaats vonden, was niet mogelijk. In weerwil van de interessante foto's die in deze boeken opgenomen zijn, wordt het feit toegegeven dat fotografische verslaggeving gedurende de opgravingen totaal ontbrak. Aangezien sommige bouwwerken tijdens het werk vernietigd werden, is het nu onmogelijk de taferelen te reconstrueren die de onderzoekers tijdens hun werk ontmoetten.

   Misschien is de grootste schok die men van deze twee boekdelen krijgt wel het bijna complete ontbreken daarin van informatie over de botten, of de omstandigheden waaronder ze gevonden werden: geen informatie over wie van de vier onderzoekers ze gevonden heeft, hoeveel het er waren, of hoe ze er uit zagen. En geen vermelding van enige terracotta grafurn. Er zijn twee diagrammen die een plek gemerkt O (voor ossa = botten) tonen, ongeveer onder de Muro Rosso. In de tekst staat een terloopse mededeling dat:

   'Hieronder [de uitsparing in de fundering van de Muro Rosso] werden, verspreid en onderling vermengd, enige menselijke botten op de grond gevonden, die zorgvuldig werden verzameld.'

   In persoonlijke memoires door een van de onderzoekers, de Jezuïet Engelbert Kirschbaum, wordt ons verteld dat:

   'Een stapel menselijke beenderen werd gevonden, alsof ze expres in de aarde verborgen waren, onder de Rode Muur, op de plaats waar zijn fundering een driehoekige onderbreking toont. Ze lagen op een hoop, tot een diepte van ongeveer dertig centimeter.' 

    Een voetnoot vertelt ons echter:

   'De overeenkomende schetsen in de Esplorazioni maken dit niet duidelijk en behoeven verbetering.'

   Een gecorrigeerd diagram wordt niet gegeven, hetgeen ons met niets achterlaat dat zelfs maar pretendeert de ware plaats en situatie van de ontdekking van de Muro Rosso botten te tonen. 

   Voor wat betreft de ruimte in de graffitimuur, de uitholling die nu de plexiglas dozen bevat met de relieken van de boerderij van St. Petrus, zegt het rapport slechts: 

   'In deze kleine doos vonden we resten van organisch materiaal en van beenderen, vermengd met modder, een strook lood, twee lengtes zilverdraad, en een munt uit het burggraafdom Limoges, die gedateerd kon worden tot tussen de tiende en de twaalfde eeuw.'

   Er staat maar één foto van de botten in het rapport over de exploratie. Deze is overgenomen in bijna elk boek waarvan het onderwerp de beenderen van St. Petrus zijn, en toont verscheidene menselijke beenderen liggend in de modder binnen een driehoekige holte onder de Muro Rosso. Lezers van het rapport kunnen alleen maar veronderstellen dat dit is wat de opgravers vonden toen zij dit punt bereikten. Maar de foto is bedrog. Een voetnoot in de memoires van Kirschbaum openbaart:

   'Ze [de Muro Rosso botten] moesten tijdelijk van deze plaats verwijderd worden voordat ze gefotografeerd konden worden.'

   Wat voor soort archeologie is dit? Niet alleen is er geen nauwkeurig gedetailleerd verslag van de plaatsing en opstelling van de botten toen ze werden gevonden, maar bovendien is er een compleet misleidende foto van de ontdekking! In plaats van het tonen van een foto van botten ca. 30 cm hoog opgestapeld, waarmee aangegeven zou zijn dat dit niet een originele begrafenis kan zijn geweest, zien we twee of drie botten op de grond liggen van wat voorstelbaar wel een originele begrafenis geweest kan zijn. Wat is precies de reden waarom de botten verwijderd moesten worden voordat ze gefotografeerd konden worden? Er komen alleen maar schandelijke gedachten op als mogelijke antwoorden.

   Hoewel het officiële rapport geen bruikbare informatie geeft over de omstandigheden rondom de ontdekking van de botten onder de Muro Rosso, noemt Kirschbaum het onderwerp verschillende malen in zijn memoires: 'De graven van St. Petrus en St. Paulus', en probeert hij het feit te verklaren dat de botten opgestapeld werden aangetroffen, en niet verspreid over de grond zoals impliciet aangegeven in het Exploratie rapport en de misleidende foto. Hij schrijft:

   'Men zou kunnen vermoeden, dat verspreide overblijfselen eens verzameld en onder de Muro Rosso geplaatst waren. In dat geval zou anatomisch onderzoek aangetoond hebben dat ze tot verschillende skeletten behoorden. Medisch onderzoek bewees echter het tegendeel, dat wil zeggen dat al deze beenderen tot één en dezelfde persoon behoorden. Die persoon werd verder beschreven als een oudere en vitale man. De schedel ontbreekt.'

   Precies zoals St. Petrus! Vooral omdat geloofd werd dat de schedel van Petrus zich in een reliekschrijn in de kathedraal van St. Jan van Lateranen bevond. Maar helaas, arme Engelbert! Zoals we gezien hebben, heeft het antropologisch onderzoek van de Muro Rosso botten door Correnti sindsdien aangetoond dat ze de resten waren van minstens drie individuen (waarvan één een oude vrouw was), negenentwintig schedel fragmenten en enige onderdelen van vee. Bovendien, Kirschbaums opmerking dat de botten aangetroffen werden op een hoop, waarmee gesuggereerd werd dat iemand ze opgestapeld had, wijkt af van het originele rapport, waarvan hij medeauteur was. Dit beweerde dat de botten gevonden waren 'verspreid en vermengd op de grond.' Beide verslagen weerspreken het rapport in The New York Times dat aangaf dat de beenderen zich bevonden in een terracotta urn in het midden van een hypogeum. Erger nog, alle drie schijnen ze de opmerking van de paus tegen te spreken, dat het originele stel botten gevonden was 'naast de tombe! 

    Maakt het verschil of de botten verspreid of gestapeld werden gevonden, los of opgeborgen in een urn of een muurholte? Heel veel, als zal blijken. 

   Toen Constantijn de eerste St. Petrus Basiliek bouwde over de oppervlakte van een grootse heidense begraafplaats in ca. 320-325, werden hierbij talloze tomben en graven verstoord. Als opperpriester van de Romeinse religie, kon Constantijn officieel vergeving schenken voor deze grafschennis. Toch was men uiterst zorgvuldig om de gevolgen van deze vernieling tot een minimum te beperken. Als zijn bouwers het verstoren van een graf niet konden vermijden, werden de beenderen zorgvuldig opgeslagen in sarcofagen. Maar deze respectvolle procedure voor het behandelen van de overblijfselen uit verstoorde graven bestond al lang voor de tijd van Constantijn, en was duidelijk al in gebruik tijdens het bouwen van de zogenoemde graffiti muur naast het Muro Rosso heiligdom, waarvan wordt aangenomen dat dit de plaats markeert van het graf van St. Petrus. Op de noordelijke wand van wat de tombe van de Egyptenaren wordt genoemd, een van de vele gevonden tomben onder de vloer van de basiliek, werd een pre-Constantijnse kistvormige gemetselde constructie    KEIZER CONSTANTIJN             gevonden, gevuld met menselijke beenderen, die duidelijk de overblijfselen uit eerdere graven waren die herbegraven werden toen deze tombe gebouwd werd. De gemengde partijen botten die door de Vaticaanse onderzoekers gevonden werden, of het nu de botten betreft die onder de Rode Muur gevonden waren of die uit de holte in de graffiti muur, kunnen verklaard worden als onvermijdbaar of onverwacht opgegraven en verzameld door tombe bouwers.


MEER VERDACHTE GESCHIEDENIS

   Zoals we al gezien hebben zijn de botten die nu worden vereerd die waarvan verondersteld wordt dat ze gevonden zijn in de holte van de graffiti muur, en niet de botten waarvan in 1949 gemeld werd dat ze gevonden waren in een urn bij de basis van de Rode Muur. Wat is hiervan de reden? Als het echte graf van de apostel de holte is bij de basis van de Rode Muur, waarom negeerde paus Paulus VI die daar gevonden werden, en certificeerde hij in plaats daarvan de botten die geassocieerd worden met de graffiti muur? Het antwoord, in twee woorden, is zo goed als zeker: 'Margherita Guarducci.'

    Margherita Guarducci was een vrome katholieke deskundige op het gebied van oude opschriften, door het Vaticaan in september 1953 ingehuurd om de graffiti te bestuderen die ruim een decade eerder was blootgelegd, inclusief de graffiti waarmee de zogenoemde graffiti muur bedekt was. Zij kwam tot de conclusie dat veel van de graffiti een christelijke geheime code betrof, daarmee aangevend dat de plaats niet alleen bezocht werd (waarschijnlijk in het geheim) door christenen tot aan de tijd dat Constantijn zijn basiliek er over heen bouwde, maar ook dat een cultus van Petrus daar had bestaan. Veel van haar 'ontcijfering' is ingebeelde fantasie en faalt in het herkennen van mogelijke Mithraïsche betekenis in op zijn minst sommige graffiti. (Overvloedige archeologische vondsten getuigen van de verering van Mithras, en ook van de Grote Moeder, op de Vaticaanse heuvel zeer dicht bij plaats van de huidige kerk.)

    Natuurlijk kwam Guarducci tot de conclusie dat al deze aan Petrus gewijde graffiti betekende dat ze dicht bij een plaats was die van grote betekenis was geweest voor de                GUARDUCCI   vereerders van Petrus. Wat zou het anders kunnen zijn dan het graf van Petrus, zoals paus Pius XII al geconcludeerd had? Bovendien, een fragment van het ingekraste pleister op de Rode Muur scheen de doorslag te geven. Geschreven in nietige Griekse hoofdletters, niet groter dan de hoofdletters in de titel boven dit artikel, wordt de graffito in zijn geheel (zie fig. 2)  verondersteld te lezen: Petros Eni (Petrus is binnen). Maar waarbinnen? Waren deze minimale letters op een grote muur alles dat bestond om de allerbelangrijkste tombe in het gehele christendom te markeren? Als ze ingekrast waren op de Rode Muur, zou dat dan niet betekenen dat Petrus aan de andere kant van de Rode Muur was, in plaats van eronder? Als Petrus echt onder de Rode Muur was geweest, zoals oorspronkelijk werd verondersteld, zou dan de graffito niet de Griekse equivalent van 'Petrus is hieronder' geweest zijn, in plaats van 'Petrus is binnen'?

   Het fragment werd ontdekt door Antonio Ferrua, één van de vier oorspronkelijke onderzoekers. Hoewel het niet gezien werd toen de met marmer beklede holte van de graffiti muur eerder onderzocht werd, verscheen het plotseling op een late decemberdag in 1950 toen, zonder speciale redenen, Ferrua een licht liet schijnen in de leeg veronderstelde kamer.

   Hij nam aan dat het los gekomen was van een deel van de Muro Rosso waartegen de graffiti muur steunt, en in de holte gevallen was. Volgens Walsh ging Ferrua het stuk pleister als zijn eigendom behandelen, en onttrok hij dit aan onderzoek door andere geleerden. En erger nog, nam hij een incorrecte schets daarvan op in een artikel geschreven voor La Civilta Cattolica, en gaf dit stuk niet op aan het Vaticaan tot aan 1957.

   Zoals zo vaak het geval is met bewijs aangevoerd ter ondersteuning van religieuze claims, moet men enige verbeelding en reconstructie gebruiken om er achter te komen wat echt is en wat beweerd wordt. In werkelijkheid worden niet alle letters van de beweerde boodschap Petros Eni gevonden op het overgeleverde stuk pleister, en niet alles van wat gezien kan worden op het stuk past gemakkelijk in de reconstructie. Als het stuk pleister eenvoudig van de Muro Rosso gevallen was, zou het dan niet logisch zijn om de Rode Muur zorgvuldig te onderzoeken of de missende letters nog steeds in situ waren? Niemand meldt dat hij dit gedaan heeft, of beveelt zelfs maar aan dat dit gewenst zou zijn. Het dichtste dat iemand bij de erkenning van dit probleem komt, wordt gevonden in het officiële rapport van Guarducci over haar onderzoek van de graffiti. Ze schrijft: 

   'Het loskomen vanaf de muur, had ongelukkigerwijze verandering van de contouren van het fragment tot gevolg, zodat het niet meer mogelijk was om de exacte positie op het oppervlak van de Muro Rosso vast te stellen.'

   Wat handig! Als de graffito in feite Mithraïsche was of van enige andere heidense oorsprong, zullen we dit nooit meer te weten kunnen komen. Alles wat we over hebben is een klein fragmentje waarvan gezegd kan worden dat het in de zin zou kunnen passen die betekent: Petrus is hierin, en we kunnen niet meer vaststellen of het fragment veranderd is terwijl Antonio Ferrua het in zijn bezit had.


CONFESSIE IN DE CONFESSIONE

   Met zoveel graffiti waarvan verondersteld werd dat die op de aanwezigheid van Petrus duidde, verbaasde het Margherita Guarducci dat er haast niets gevonden werd binnen in de holte van de graffiti muur. Het was 1953. Er waren meer dan tien jaren verstreken sinds de opgravingen voltooid waren, en ze stond toevallig in het deel van de kerk dat bekend stond als de Confessione met Giovanni Segoni, een van de Vaticaanse werklieden. Zoals John Evangelist Walsh het vertelt, herinnerde ze zich dat Segoni had deelgenomen in het werk van de opgravingen en dus vroeg ze hem of hij zich herinnerde of er iets in de muurholte geweest was. Waarop hij niet alleen bevestigend antwoordde, maar ook bekende dat hijzelf een bundel botten uit de met marmer beklede ruimte genomen had, ze in een houten doos gestopt had, en opgeborgen. Hij leidde haar toen naar een vertrek gevuld met tientallen dozen met 'botten en andere dingen die te voorschijn waren gekomen tijdens het eerste graafwerk' en geen van deze overblijfselen waren bekend bij de vier onderzoekers die het officiële Vaticaanse rapport geschreven hadden! Een bepaalde doos oppakkende, overhandigde hij Guarducci overblijfselen met een aangehecht kaartje waarop eenvoudig stond: 'ossa urna graf' hetgeen betekent: botten urn graf[fiti muur].

   Waarom had een gewone werkman zoiets gedaan? Hij moest, van een monseigneur.

   Die monseigneur was niemand anders geweest dan Monseigneur Ludwig Kaas, nominaal hoofd van het onderzoeksproject en auteur van het geestdriftige voorwoord van het Exploratie Rapport. Het was dezelfde monseigneur die verteld had van 'methodisch onderzoek' uitgevoerd 'volgens de striktste wetenschappelijke principes', over het oplossen van 'wetenschappelijke en technische problemen met de meest rigoureuze methoden en absolute objectiviteit.' 

   Het was dezelfde Monseigneur Kaas die lezers van het officiële rapport verzekerd had van de 'wetenschappelijke scrupules' en die schreef van 'illustrerend met sobere objectiviteit en gedocumenteerde compleetheid de ontdekkingen en vastgestelde feiten van de afgelopen decade, vastberaden de weg te klaren van vooroordelen en nu achterhaalde polemiek, de weg waarlangs wij de waarheid zoeken en niets anders dan de waarheid' en besluitend met verwijzing naar het 'zeer serieuze werk uitgevoerd volgens objectieve criteria, gesteund door rigoureus wetenschappelijke argumenten.'

   Wanneer men zulke ontboezemingen tegenkomt, denkt men al gauw: 'Dit lijkt wat overdreven!' en in het onderhavige geval is dit terecht. Want Kaas wordt beschuldigd van het saboteren van veel van het verloop van de opgraving, en van het belachelijk maken van de pretentie van 'wetenschappelijke objectiviteit.' Als enig deel van de beschuldigen waar is, kan de hele zaak van het graf van St. Petrus en zijn botten afgedaan worden als niets serieuzer dan een film over de Drie Klunzen.

   De Readers Digest redacteur John Walsh geeft aan dat al heel vroeg in de voortgang een geschil was ontstaan tussen de vier onderzoekers en Mgr. Kaas, die 'weinig tot niets wist over de techniek van archeologie'. 

   Spoedig daarna was bijna alle contact tussen Kaas en het team verbroken. Walsh weidt verder uit:

   'Het was de gewoonte van Kaas om iedere avond laat, nadat iedereen weggegaan was en het werk stil lag, om het hele gebied langs te lopen in gezelschap van de voorman van de Sampietrini, Giovanni Segoni. Terwijl hij bijna nooit aanwezig was tijdens het werk overdag, inspecteerde Kaas tijdens deze dagelijkse rondgang ieder detail van het meest recente graafwerk en ontmanteling. Aangezien het werk onder het gebouw van de basiliek verspreide delen van skeletten tevoorschijn bracht, had hij het zijn persoonlijke plicht gemaakt er op toe te zien dat geen menselijke botten, in de verwarring van het opruimen, vermengd zouden kunnen worden met de hopen modder en puin en per ongeluk weg geworpen konden worden. Wanneer botten gevonden werden, en soms ook een schedel, liet hij deze in speciale dozen plaatsen en opbergen voor herbegrafenis. De andere vier wisten van de dagelijkse inspectie routine van Kaas en accepteerden deze met tegenzin, hoewel ze maar zelden ingelicht werden over het dagelijkse resultaat.'

   De lezer zal opmerken dat de vier onderzoekers niet slechts vier stromannen waren, maar zelfs vier gewillige stromannen. Het blijkt dat alle resultaten van het onderzoek betekenisloos werden gemaakt door de acties van Kaas. Op zijn minst betekent dit dat we geen betrouwbare informatie hebben betreffende enige van de Vaticaanse botten. De algemene voortgang was te warrig om vereerd te worden met het predicaat 'wetenschappelijk'. We vervolgen ons verhaal.

   Op zekere avond vroeg in 1942, een paar dagen nadat het team voor het eerst de graffiti muur blootgelegd had en vluchtig in de door mensenhanden gemaakte holte gekeken hadden, met het voornemen daar later eens nader naar te kijken, kwam Kaas op zijn inspectieronde in het gebied, samen met de voorman. Segoni onderzocht de holte met zijn zaklamp. Toen hij wat leek op een aantal botten, vermengd met puin rapporteerde, gelastte Kaas hem zonder aarzelen deze te verwijderen om ze veilig te stellen. Behalve wat stukken mortel en puin die uit de bovenliggende muurvulling gevallen waren, waren het allemaal menselijke beenderen, die tot spierwit gebleekt waren. Kaas plaatste ze een voor een eerbiedig in een doos.

   Zonder de onderzoekers te vertellen wat ze gedaan hadden, verborgen Kaas en Segoni de doos met beenderen in de kelders van het Vaticaan. En toen stierf Kaas, en nam informatie van onschatbare waarde over de meest opmerkelijke heidense Romeinse begraafplaats ooit ontdekt, met zich mee in het graf, samen met informatie benodigd voor het begrijpen van de ware omstandigheden van de beweerde tombe en relieken van St. Petrus.

   Omdat ze geloofde dat de beenderen die door Segoni te voorschijn waren gebracht geassocieerd waren met de graffiti muur, en omdat ze geloofde dat de graffiti plus het Petros Eni fragment van de Muro Rosso bewezen dat het grafcomplex niets anders kon zijn dan de Tropaion van Gaius, overreedde Margherita Guarducci paus Paulus VI om het onderzoek van de beenderen toe te staan dat we al eerder besproken. Uiteindelijk overtuigde ze hem ervan dat de beenderen in de doos die uit de opslagruimte genomen was, die waren van de legendarische eerste paus zelf. Maar bestaat er enige reden waarom we dit zouden geloven?

   Kunnen we er zeker van zijn dat de botten in de houten doos werkelijk eerst in de graffitimuur waren? Kunnen we er zeker van zijn dat welke botten dan ook in de graffitimuur waren, eens in de holte onder de Rode Muur waren? Kunnen we er zeker van zijn dat het Rode Muur bouwwerk werkelijk de Tropaion van Gaius was? En zelfs als dit zo zou zijn, is er enige reden om te veronderstellen dat Gaius over betrouwbare kennis beschikte? Bestaat er de geringste reden om aan te nemen dat de niet van het boerenerf afkomstige botten die bij het monument gevonden waren, aan Petrus toebehoren?

   Volgens Walsh legde Segoni op 7 januari 1965 een schriftelijke verklaring onder ede af (nu in de Vaticaan archieven) die onder andere vermeldt dat de beenderen spierwit waren. Maar behalve de muizenbotjes, waren geen van de door Luigi Cardini onderzochte beenderen wit. De meeste waren heel donker, geelachtig of bruin, hoofdzakelijk door aanklevende grond. Bovendien had de aan de doos bevestigde label aangegeven dat de botten in een urn gezeten hadden, precies zoals destijds in 1949 The New York Times gemeld had. Dat schijnt de graffitimuur uit te sluiten, waarvan niemand gemeld heeft dat die een urn bevat zou hebben. Loog Segoni over de kleur van de botten of over welke botten in de muur hadden gelegen? Hij kan zich natuurlijk gewoon vergist hebben, als we in aanmerking nemen hoeveel botten hij geholpen had te verbergen.

   En of de botten in kwestie nu wel of niet eens in de grond onder de Muro Rosso gelegen hadden, onderzoek van de grond geassocieerd met de botten in de doos die Segoni te voorschijn haalde toont aan dat ze nooit in 'de ware tombe van Petrus' gelegen hadden. Thermische analyse diagrammen zoals gepubliceerd door Lauro en Negretti sluiten de Rode Muur vindplaats uit, en deze auteurs leggen zelf een verband tussen de grond in de bottendoos en een ander graf.

   Wist Gaius waar de tombe van Petrus werkelijk was? We dienen ons te realiseren dat we te maken hebben met een rapport uit tweede hand, verschaft door de beruchte Eusebius van Ceasarea, een niet bepaald betrouwbare bron. Bovendien wordt in de Latijnse versie van de door Eusebius gegeven versie van wat Gaius een eeuw voor hem geschreven zou hebben, de Tropaion van Petrus in een ander plaats gesitueerd dan in de Griekse versie! De Griekse versie plaatst hem op de Vaticaan heuvel zelf; de Latijnse op een openbare weg die naar het Vaticaan leidt. Het feit in overweging nemend dat Eusebius wist van de pas gebouwde St. Petrus Basiliek toen hij de polemiek van Gaius verkondigde, is het onmogelijk aan te nemen dat hij de opname van de Tropaion in de basiliek niet zou hebben vermeld als dat in feite wel het geval zou zijn geweest. De enige conclusie die we hieruit kunnen trekken is dat wat de Tropaion ook geweest kan zijn, deze niet onder het hoofdaltaar van St. Petrus gevonden kan worden.


OP WELKE ROTS EEN KERK TE BOUWEN

   Terwijl we er van verzekerd kunnen zijn dat geen van de botten verzamelingen die onder het Vaticaan ontdekt werden ook maar iets te den hebben met enige historische St. Petrus, moeten we wel nog steeds het feit verklaren dat Constantijn er van overtuigd geweest moet zijn dat het graf van Petrus in de buurt gelegen moet hebben van wat het brandpunt zou worden van de kerk die hij bouwde. Het project vereiste niet alleen het ontwijden van vele heidense tombes, maar ook het weg graven een groot deel van de Vaticaanse heuvelflank en het opvullen van een groot plateau op de helling daaronder. Het zou veel gemakkelijker en goedkoper zijn geweest om de kerk ergens anders in de buurt te plaatsen. Het is duidelijk dat een overlevering die betrekking op St. Petrus had, tot deze buitensporigheid geleid moet hebben. Er bestaan echter geen goede redenen voor om aan te nemen dat de 'St. Petrus' van deze overlevering dezelfde was als de St. Petrus van de katholieke overlevering.

   In de oudheid was de Vaticaanse heuvel een plaats waar vele godheden vereerd werden, inclusief sommige waarvan ik geloof dat ze hebben bijgedragen in de 'biografieën' van St. Petrus, de Maagd Maria, en Jezus. Talloze altaren voor Cybele  (de Grote Moeder of Magna Mater en prototype voor Maria) zijn zeer dichtbij de kathedraal van St. Peter gevonden, en in 1949 werd een heidens altaar opgegraven in de Piazza San Pietro, slechts een paar meter ten noorden van het standbeeld van de heilige Peter zelf! Het altaar draagt inscripties met de namen van niet alleen de Grote Moeder, maar                       CYBELE                                                                         ook van Mithras en haar zoon Attis. Attis, herinneren we ons, was een god die stierf en weer opstond en die de titel Papa (Vader) droeg, net als de Mithraïsche hogepriester en tegenwoordig de paus. Mithras, de stervende en weder opstaande god was geboren uit een maagd op 25 december, droeg niet alleen de bijnaam Petrus (Rots), maar werd ook vaak weergegeven als drager van de sleutel van een poort die toegang tot de hemel gaf. Een sleutel was net zo goed een Mithraïsch symbool als een symbool van St. Petrus, maar Mithras had het eerder!

   Heel dicht bij het Vaticaanse cultus complex ligt de Janiculum heuvel waar, volgens de getuigenis in de apocriefe Handelingen van Petrus en Paulus, Petrus ondersteboven gekruisigd werd. Hier werd in de oudheid eveneens de oudste Italiaanse god, Janus, vereerd. (In de eerste eeuw werd Janus grotendeels samengesmolten met Mithras, en ook met St. Petrus.) Opmerkelijk is dat de naamdag van St. Petrus gevierd wordt op 18 januari, de dag waarop de zon binnen gaat in het teken van Aquarius, een alias van Janus, en het begin van de Mithraïsche zodiak. Janus was ook een visser, aangezien Pisces volgt op Aquarius. Hij is de oudste god waarvan gezegd wordt dat hij de sleutel van de hemelpoort houdt.

   Deze voorbeelden van informatie over de religieuze betekenis van de Vaticaanse heuvel en zijn omgeving in aanmerking nemend, kan het niet verrassend overkomen dat iemand in staat was Constantijn er van te overtuigen dat St. Petrus daar gevonden moest worden. Al minstens een eeuw voor Constantijn, profiteerden toenmalige 'reisgidsen' van de christelijke goedgelovigheid door het 'aanwijzen' (om een frase van de tweede-eeuwse kerkman Origen te gebruiken) van alle plaatsen waar ieder wonder in de bijbel verondersteld werd te hebben plaatsgevonden. Het kan nauwelijks betwijfeld worden dat St. Helena, de moeder van Constantijn, (een vroegere serveerster die het vermaken van de troepen opgaf toen ze zich verbond aan Constantius, de toekomstige Caesar) het slachtoffer werd van oplichters toen ze de plaats in Bethlehem 'ontdekte' waar Jezus geboren werd, en de plaats op de Olijfberg vanwaar hij naar de hemel opgehesen zou zijn.

   We mogen wel aannemen dat de persoon die haar het 'echte' kruis toonde waaraan Jezus gekruisigd werd, rijkelijk werd beloond door de goedgelovige keizerin. Hoewel we niet over gedocumenteerd bewijs beschikken dat aan zou geven dat St. Helena betrokken was bij de keuze van het terrein voor de basiliek van haar moordzuchtige zoon, is dat heel goed mogelijk. Maar als zij het niet geweest was die Constantijn de plaats aanwees, is het wel zeker dat er geen tekort aan ondernemers was geweest die, als ze gevraagd zouden worden naar een man die de sleutel van de hemelpoort had gedragen, de plaats konden hebben 'aangewezen' van dezelfde of soortgelijke plaats.


CONCLUSIE

   Toen paus Pius XII zijn kerstgehoor op de radio vertelde dat de tombe van St. Petrus gevonden was, had hij het mis. Toen paus Paulus VI in juni, 1968 aankondigde dat de beenderen van de apostel geïdentificeerd waren, had hij het ook mis. Een aura van chicane, opgeblazen door incompetentie omgeeft deze moderne relieken, net zo goed als het al de andere relieken van het katholieke christendom omgeeft. 

   We hebben net zoveel reden om te geloven dat de elfde-eeuwse schedel van St. Petrus in de kerk van St. Jan van Lateranen echt is, of dat alle tanden waarvan beweerd wordt dat ze van Johannes de Doper afkomstig zijn, echt zijn, tanden zo talrijk dat er een kunstgebit voor een krokodil van gemaakt zou kunnen worden. En dat is natuurlijk helemaal geen reden.

_____


twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort