visitors on myspace
EEN INTERVIEW MET FRANK ZINDLER | POSITIEF ATHEÏSME <>

EEN INTERVIEW MET FRANK ZINDLER

Een interview door Marilyn Westfall op 20 augustus, 2007

image7313



FRANK ZINDLER is de hoofdredacteur van de American Atheists Press. De vroegere universiteitsdocent in biologie is daarnaast ook een professioneel taalkundige, gespecialiseerd in de antieke talen. Zindler is auteur van talrijke artikelen en verscheidene boeken over atheïsme en aanverwante geschiedenis, waaronder een speciale geannoteerde editie van deel drie van “The Age of Reason” door Thomas Paine. Hij is lid van verscheidene wetenschappelijke genootschappen, waaronder de American Association for the Advancement of Science, New York Academy of Science, Society of Biblical Literature en de American Schools of Oriental Research. Zindler is ook een nationaal bekend figuur in het huidige debat over creationistische pseudo-wetenschap en evolutie.


    In zijn recente boek “The Jesus die de Joden nooit gekend hebben”, onderzoekt Zindler alle overgeleverde joodse geschriften uit de eerste eeuwen van de huidige jaartelling en concludeert dat de antieke joden niet alleen nooit over Jezus gehoord hadden, maar ook nooit over Nazareth! Terzijde zij opgemerkt dat Zindler ook lid was van het “Jesus Seminar” hetwelk onder andere de Evangelieën als wetenschappelijke artefacten bestudeerde. 


Vraag: Frank, het verheugt me dat je dit interview toestaat. Ik bewonder al het werk en het schrijven dat je over de afgelopen jaren geproduceerd hebt om het atheïsme, de wetenschap en de vrijdenkers nalatenschap van de Verenigde Staten te bevorderen. Om te beginnen vraag ik graag informatie over familie- en religieuze achtergrond. Waren je ouders bijvoorbeeld vrome leden van een kerk?


    Dank je Marilyn, voor je compliment en voor de uitnodiging voor dit interview. Ik ben echter bang dat je niet weet waaraan je begonnen bent, als je mij vraagt om over mezelf te praten! Ik heb grote moeite me te beperken met iets dat zo’n verleidelijk onderwerp is.

  Of mijn ouders erg religieus waren? Vergeleken met mij niet, ofschoon beiden lid waren van een Wisconsin-Synod Evangelical Lutheran Church (een extreem conservatieve, reactionaire vorm van Lutheranisme). De twee broers van mijn vader waren om de beurt secretaris en penningmeester van dezelfde kerk. Zover ik weet, deden zij deze baantjes meer uit plichtsbesef dan uit toewijding. Mijn vader stierf in een elektrisch ongeval toen hij 33 was, en was in mijn vroege jeugd tijdens de oorlog langdurig weg, dus kan ik mij niet herinneren of hij erg religieus was of niet. De enige herinnering die ik van hem in de kerk heb, is van zijn eigen begravenis. 

    Terugblikkend was mijn moeder niet erg religieus. Mijn eigen diepe religieusiteit als kind moet mijn beeld van haar beinvloed hebben; ik beschouwde haar als religieuze gids. Je kunt je mijn schrik voorstellen, vele jaren later – ik was onderhand al weer jarenlang college professor – toen zij en mijn stiefvader me in New York opbelden om me te vertellen dat zij uit de Lutherse Kerk geëexcommuniceerd waren. Mijn moeder gaf te kennen dat ook zij atheist was! (Jaren nadat mijn vader gestorven was, hertrouwde mijn moeder, en de jongste van mijn twee ooms werd stiefvader.)


    Het schijnt dat mijn ouders in geen tien jaar naar de kerk waren geweest, maar op zekere dag kregen zij thuis in Michigan bezoek van de predikant van hun kerk.

    Hoewel hij twee of drie jaar eerder voorganger was geworden, had hij ze nooit eerder bezocht of zich aan hen voorgesteld tot aan die dag. De reden voor dit bezoek? Fondsenwerving om een nieuwe kerk te bouwen – een noodzaak ontstaan uit het “stedelijk verval” van de buurt waarin de kerk gebouwd was. Hij was de ledenlijsten nagelopen en had daarop de naam van mijn ouders gevonden.

    Mijn ouders waren geïrriteerd over het verkooppraatje en vertelden de predikant dat het geheel naar racisme rook. Toen de verraste predikant de beschuldiging ontkende en doorging met mijn ouders lastig te vallen om financieele hulp voor de witte vlucht van de kerk, vertelde mijn moeder hem: “We gaan geen geld geven om iets te steunen waarin we niet geloven. We geloven niet meer in deze sprookjes.” Achtenveertig uur later ontvingen ze een aangetekende brief, eisende dat ze berouw zouden tonen of anders geëxcommuniceerd zouden worden. Ze kregen een week de tijd. De week ging voorbij, en ze ontvingen de brief met de excommunicatie enige dagen later. Mijn moeder is als atheist gestorven toen ze 57 was.

    Mijn stiefvader, die nu midden tachtig is, gaat nooit naar de kerk, maar houdt er niet van atheist genoemd te worden. Hij wordt nogal in verlegenheid gebracht door mijn atheïstische activiteiten, maar het is duidelijk dat hij helemaal niet in hocus-pocus gelooft. Toen zijn tweede vrouw enkele jaren geleden stierf, hield ik een humanistische herdenkingsdienst en hij en iedere andere bezoeker zeiden dat het de meest bevredigende begravenis of herdenking was waarvan ze ooit getuige waren geweest.


    Zoals ik al eerder aanduidde was ik de meest religieuze persoon in ons gezin. Toen ik nog maar tien jaar oud was werd ik assistent organist van onze kerk, en zong in het koor. Toen ik elf was, stierf mijn vader en dat schijnt een haast fanatieke religieusiteit in mij aangewakkerd te hebben. Ik wierp me op de studie van de catechismus, en bracht zoveel mogelijk tijd in de kerk door. Ik begon met de gewoonte thuis voor mijn maaltijden te bidden. Toen ik de achste klas met succes voltooide op mijn twaalfde, werd ik door de Duitse predikant beloond met een studiebeurs voor acht jaar, om aan het Wisconsin Synod seminarium in Milwaukee te studeren – vier jaar voortgezet onderwijs gevolgd door vier jaar seminarium. Het leek wel op honderd kerstcadeaus tegelijk.

    Mijn moeder scheen echter minder blij met die ontwikkeling te zijn dan ik. Een compleet onzin excuus verzinnend om mij niet toe te staan deze studiebeurs te accepteren, zei ze dat ik nodig was voor het werk op de boerderij. (Na de oorlog had mijn vader een huis gebouwd op een hoekje van de boerderij van de grootouders aan moederszijde, dus woonde ik in een soort uitgebreide familie situatie.) Ze beloofde echter dat als ik nog steeds predikant wilde worden nadat ik voor het voortgezet onderwijs geslaagd was, ik nog steeds naar het seminarium zou kunnen gaan, met haar goedkeuring.

    Om eindelijk je eerste vraag te beantwoorden: mijn ouders waren niet zo vroom, vergeleken met mij.


Vraag: Vertel de lezers eens iets over ervaringen uit je kindertijd.


    Ik herinner me aangevallen te zijn door een broedse hen op onze boerderij toen ik drie was, en ik herinner me het ploegen en eggen met een paard uitgeprobeerd te hebben toen ik tien of elf was. Mijn ervaringen in de bossen achter onze boerderij en bij de bijna een hectare grote vijver die we met de buren deelden, hebben zeker bijgedragen tot mijn latere bestemming als bioloog. Al op vroege leeftijd zag ik in dat er op enige manier verband moest bestaan tussen wat er op onze boerderij gebeurde en wat gaande was in de natuurlijke wereld om ons heen. Ecologie was de eerste tak van  biologie waarin ik mij bekwaamde. (Vele jaren later zou ik een vervolgcursus in menselijke ecologie doceren aan het Elmira College in Upstate New York.)

    De meeste herinneringen aan mijn kindertijd betreffen echter scenes uit mijn schooltijd. Ik herinner me herhaaldelijk door pestkoppen geslagen te zijn toen ik naar de school in de stad ging tijdens de oorlog, en toen ik naar de plattelandsschool met twee lokalen ging waarin ik de vierde tot achtste klas doorlopen heb. Ik herinner me dat ik op een dag die ene mijl van school naar huis liep, toen ik door vier “grote jongens” werd aangevallen bij de perzikboomgaard van de buren. Ze gooiden een aangestoken snoer van kleine rotjes achter in mijn bloes en renden toen weg. Verbazend genoeg werd ik niet ernstig verbrand – maar het maakte die laatste jaren op school tot een angstwekkende, verlammende ervaring. 


    Ik herinner me een moment van kort voordat de zesde klas zou beginnen, zittend aan de frisdrank bar van de drugstore in de stad waar mijn moeder parttime werkte. Terwijl ze me de cherry coke overhandigde die ze voor me gemaakt had, zei ze dat ze geweldig nieuws had. Toevallig was de onderwijzer eerder die dag bij haar op bezoek geweest, en had haar verteld dat het mij toegestaan zou worden het zesde en zevende leerjaar gelijktijdig te doen – waarmee een heel jaar van pesterij op het schoolplein en op weg naar huis geëlimineerd werd. Dat laatste moet ik een beetje aanpassen. Ik bracht practisch geen tijd meer door op het schoolplein, daar dat veel te onaangenaam was. Mijn onderwijzer liet mij in het lokaal blijven tijdens de pauzes en etenstijd.                             

    Om mezelf te vermaken in die periodes, oefende ik op de piano (ik begeleidde alle psalmen die we moesten zingen wanneer zendelingen kwamen om onze openbare school “te redden”!), of las ik de boeken in de kleine schoolbibliotheek. Toen er geen gewone boeken meer waren, begon ik aan de World Book Encyclopedia.

    Voor mijn kinderlijke geest vertegenwoordigde de encyclopedie alles wat er te weten was. Toen ik aan het lemma voor Aristoteles toekwam, leerde ik dat hij “alle kennis als zijn werkterrein beschouwde”, en dat hij practisch alles wist wat toen bekend was. Dit zette mijn verbeelding in vuur en vlam, en wakkerde mijn ambitie aan. Ik besloot op een dag net als Aristoteles te worden – al dat daarvoor nodig was, zou zijn om alles uit die encyclopedie te leren! Ik geneer me te vertellen hoe oud ik was eer ik de droeve werkelijkheid accepteerde dat ik nooit een Aristoteles zou worden.


    Een laatste ervaring uit de kindertijd: Gedurende het eerste kwartaal van de achtste klas, vond ik mezelf telkens weer starend naar een wereldbol, gemonteerd op een voetstuk. Vaak bekeek ik de Atlantische Oceaan, en concentreerde me op de kustlijnen van Zuid-Amerika en Afrika. Ik had natuurlijk nog nooit van Alfred Wegener gehoord, maar concludeerde dat deze twee continenten vroeger waarschijnlijk aan elkaar bevestigd waren geweest. Op een ochtend, toen iedereen buiten was voor de pauze, pakte ik wat wit vloeipapier, bevochtigde het, en plakte het over Zuid-Amerika en Afrika. Toen de middagpauze was aangebroken was de papier-machė opgedroogd, en kon ik de kustlijnen van de twee continenten met potlood overtrekken. Daarna knipte ik de twee continenten uit, en schoof hun vormen over het oppervlak van de globe. Die pasten aardig goed – goed genoeg voor een achtsteklasser – en vanaf dat moment was ik een “continental drifter”. 

    Vele jaren later – toen ik voor mijn doctoraal graad in geologie aan Indiana University studeerde, vertelde ik over dit “experiment” aan mijn tectoniek professor. Hij was echter in het geheel niet onder de indruk. “Er bestaat geen enkel mogelijk mechanisme om de continenten op die manier te laten bewegen. Wat jij ontdekt hebt is een puur toeval.” Natuurlijk moet hij verscheidene jaren later ook een “drifter” zijn geworden.


Vraag: Bij het onderzoeken van je leven en carriere viel het me op dat je op achttienjarige leeftijd besloot dat je een atheist was, en daarna filosofie ging lezen totdat je een verzadigingspunt bereikte; daarna studeerde je biologie en geologie. Je bent ook deskundig in de antieke talen. Waar studeerde je? Waarom en hoe lukte het je als geleerde om zoveel verschillende zijwegen in te slaan? En hoeveel leerde je op eigen houtje?


    Het klopt dat ik atheïst werd op achttienjarige leeftijd, en ik wil  graag uitleggen hoe dit kwam, voordat ik probeer de rest van je vraag te beantwoorden.

    Ik heb al genoemd dat ik het Lutherse seminarie in Wisconsin niet kon bezoeken, maar nog niet gezegd hoe verslagen ik mij voelde en wat ik daaraan probeerde te doen. Ik begon mijn negende leerjaar in een van de beste openbare “high schools” die toen in Michigan bestonden. Teneinde voorbereid te zijn op de de seminarie colleges nadat ik voor “high school” geslaagd zou zijn, probeerde ik zoveel mogelijk de opleiding te repliceren die ik me voorstelde dat mijn religieuze medestrijders zouden krijgen in Milwaukee.

    Zij zouden Latijn krijgen, dus schreef ik me in voor Latijn. Zij zouden Duits leren, dus schakelde ik mijn moeder en grootvader in om me te helpen op informele wijze Duits te leren.  Mijn medestrijders zouden Grieks leren, dus tijdens mijn tweede jaar op Latijnse les kreeg ik mijn leraar zover dat hij me hielp met mijn zelfstandige studie van het Grieks. (Ik zou niet eerder aan een formele cursus Grieks beginnen dan jaren later, nadat ik afstudeerde aan de universiteit van Michigan.) Mijn joodse vrienden gaven me wat boeken van de Hebreeuwse lagere school, zodat ik mij kon voorbereiden op de studie van het Oude Testament.

    Nog belangrijker was natuurlijk het feit dat mijn medestrijders zouden deelnemen aan formele bijbelstudie. Natuurlijk was niets dat daarop leek, mogelijk op een openbare school, dus besloot ik op de hele Bijbel te gaan lezen – van omslag tot omslag. Op dertienjarige leeftijd begon ik aan het grondig lezen van de King James Version van de Bijbel. Hoewel ik me dat niet eerder realiseerde dan meer dan vijf jaar later, was dit het begin van het einde van mijn religie. 


    Tegen de tijd dat ik klaar was met het boek van Jozua – lang voordat ik de nachtmerries van het boek Openbaringen had bereikt – raakte ik erg verontrust en was ik ontzet over het beeld van de god die tevoorschijn kwam door mijn zorgvuldig lezen van de veronderstelde heilige tekst. Al die slachtingen, al die volkenmoorden – dat alles werd verondersteld door Jehova zelf bevolen te zijn! En dan was er nog al dat racisme, inherent aan de betiteling van een verondersteld uitverkoren volk!

    Ik smeekte mijn Lutherse predikant dit alles uit te leggen. Onnodig te vermelden, was zijn uitleg oneerlijk, vergezocht en onbevredigend. Ik legde hem het vuur zo na aan de schenen dat hij me naar een hoger opgeleide Missouri-Lutherse predikant stuurde in een aangrenzende stad. Zijn “verklaring” was klassiek: We kunnen de geest van God niet kennen. We moeten in vertrouwen het “feit” aannemen dat God dingen doet om perfect goede redenen, maar dat die redenen buiten bereik zijn van ons ontoereikend begrip – buiten het bereik van onze ontdekkingen. De kreupele theodicee van de Missouri-Synod predikant maakte me net zo veel van streek als de bijbelse tekst dat had gedaan.


    Terwijl ik mij zorgen maakte over de moraal en de ondoorgrondelijke oprechtheid van Jehova, ontstond een crisis in de biologielessen van de negende klas. Op een dag kwam ik van school thuis en vertelde mijn moeder dat ik mij zorgen maakte, omdat mijn biologieleraar ons binnenkort die “evolutie rotzooi” zou gaan onderwijzen. (Uiteraard was de evolutietheorie “verboten” in een kerk waarvan het seminarie onderwijs in de Copernicaanse theorie niet eerder toestond dan vroeg in de twintigste eeuw!)

    Wat moest ik? Het was duidelijk dat evolutie het boek Genesis weersprak. Buiten het “feit” dat het schuim op de vijver verondersteld werd in mensen veranderd te zijn, wist ik niet echt wat de evolutietheorie beweerde. (Blijkbaar was ik al de relevante artikelen in de World Book Encyclopedia vergeten.)

    Om redenen die ik nu slechts kan vermoeden, kwam mijn moeder met een buitengewone suggestie. “Waarom lees je Darwin’s boek niet? Dan kun je voor jezelf uitmaken wat er verkeerd aan is, en dat aan je leraar vertellen.” Dus ging ik naar de openbare bibliotheek om “On the Origin of Species” te halen. Ik kan me niet herinneren hoe vaak deze dertienjarige Lutheraan het lenen moest laten verlengen, maar ik denk dat ik er eerder mee klaar was dan ik mijn lezen van de Bijbel voltooide. Tegen de tijd dat ik klaar was met het lezen van Darwin, was ik een evolutionist. (Mijn biologieleraar bleek de evolutietheorie niet aan de klas durven te onderwijzen.)


    Dus, tegen de tijd dat ik het negende leerjaar voltooide, had ik twee redenen om het Oude Testament af te wijzen: wetenschappelijk en moreel. Hoewel mijn kerkbezoek afnam en tenslotte eindigde voordat ik high school afrondde – Oh, de kwelling van het opgeven van de extase van het pijporgel! – noemde ik mezelf nog steeds een christen: een Nieuwtestamentische christen. (Het is duidelijk dat ik het Nieuwe Testament niet zo grondig had gelezen als het Oude Testament.) De afsluitende woorden van mijn afstudeerrede klinken nog steeds na in mijn oren en verhitten ze tot blozen toe: “En, met Gods hulp, dat zullen we!”

    Hoewel ik de zomer tussen het elfde en twaalfde leerjaar besteed had om aan de Northwestern University spraak en debat te studeren, begonnen mijn eigenlijke colleges pas echt aan het Kalamazoo College – een school die er op kon pochen de tweede in het land te zijn wat betreft het aantal afgestudeerden die doorgingen voor een Ph.D. in wetenschap. De school was een seminarie voor ongelovigen! Overal waren atheïsten. Zelfs the Dean of Chapel was een ongelovige!

    Gedurende mijn hele eerste jaar was ik practisch de enige verdediger van het Christendom – alhoewel een zeer verdunde, bloedarme vorm van de religie waarin ik was opgevoed. Daarna, in mijn tweede jaar, net voor Thanksgiving, werd ook dat zwakke spook uit mijn leven verdreven.


    Het was een van die nachtelijke groepsdiscussies in de slaapzaal. Zoals zo vaak het geval was, was ik het Christendom aan het verdedigen tegen een overmacht aan vrienden en andere studenten. Toen gebeurde het: de vonk werd geslagen die oorzaak was van de ontploffing van de mentale waterstof in mijn Hindenburg-grote ego. Meer voor de grap dan in ernst, stelde mijn beste vriend me een fatale vraag: “Als God almachtig is, kan hij dan een muur bouwen die zo stevig is dat hij hem niet kan afbreken?”

    Dat was het. De timing was perfect. Ik had onderhand al genoeg over formele logica geleerd om die vraag serieus te nemen, en die niet weg te wuiven zoals ik een jaar eerder zou hebben gedaan – of op de manier die practisch alle religieuze apologeten zelfs nu nog doen. Het leek dat ik me onmiddellijk realiseerde dat een oneindig wezen een zelf-contradictie is, iets dat filosofen een logische incoherentie noemen.

    We besteedden die nacht aan het bedenken van amusante stellingen die op oneindige wezens sloegen. Als God oneindig is, moet hij overal zijn. Er kan geen plaats zijn waarin hij NIET is. Maar als dat zo is, is hij niet almachtig.

Als God overal is, is hij ook in de Duivel. Als we de Duivel weerstaan, weerstaan we God. Als God overal moet zijn, moet hij ook in mensen zijn die beweren dat hij niet bestaat. Als hij oneindig machtig is, zou geen menselijke macht hem kunnen weerstaan, en dus moet het God zelf zijn die die stemmen dwingt te zeggen dat hij niet bestaat.

    Als God oneindig goed is, alom aanwezig en almachtig, dan moet de hele wereld noodzakelijkerwijs goed zijn. Dan moet Hitler goed zijn geweest, aangezien een oneindig goed wezen niet in staat zou zijn het kwaad toe te staan. Bovendien zou onmacht tot het toestaan van kwaad, onverenigbaar zijn met zijn almacht… Het was een duizelingwekkende nacht, de belangrijkste in mijn leven. Vanaf die dag tot nu aan toe, ben ik Atheïst gebleven.

    Om verder te gaan met de vragen die je eigenlijk stelde over mijn opvoeding, moet ik mijn antwoord vooraf laten gaan door de observatie dat ik nog nooit een onderwerp ben tegengekomen dat ik niet wilde bestuderen. Het nam me zeven jaar, inclusief de zomers, om de Bachelor of Science graad te halen – grotendeels omdat ik van colleges en hoofdvakken bleef veranderen, van natuurkunde tot scheikunde tot biologie tot psychologie tot taalwetenschap. Heb ik de muziek overgeslagen? Toen ik het plan opvatte over te schakelen naar Middeleeuwse geschiedenis, werd ik door de barre werkelijkheid (gebrek aan middelen) gedwongen om de resterende biologiecursus af te maken. Die was vereist om te kunnen afstuderen in het hoofdvak biologie.

    Nadat ik drie jaar lang les had gegeven in biologie, scheikunde en geologie, had ik het grote geluk elf National Science Foundations toelagen te ontvangen, om in de wetenschappen af te studeren. Helaas kon ik alleen die studies kiezen die binnen de voorgeschreven tijdsperiode afgerond konden worden. Dus koos ik voor een intensieve zomer aan de New Mexico Highlands University waar ik moleculaire biologie en pathologie studeerde, en een academisch jaar plus de daarop volgende zomer aan de Indiana University, waar ik een MA in geologie verwierf. De veld-geologie zomer in de Rockies was een van de meest bevredigende ervaringen van mijn academische carrière.

    Toen ik professor in biologie en geologie aan het Fulton-Montgomery Community College (SUNY-Johnstown) was geworden, zette ik een laboratoriumcursus op in de psychobiologie, plus een laboratoriumcursus over hoe “fringe science” oftewel pseudo-wetenschap te evalueren. Om mijn achtergrond in neuro-wetenschap te versterken, schreef ik mij in aan SUNY-Albany om daar voor een doctoraat in neuro-physiologie te studeren. Ik slaagde voor alle vereisten voor het doctoraat behalve de dissertatie – om redenen die ik zal uitleggen in mijn antwoord op een latere vraag.

    Hoeveel leerde ik zelfstandig?

    Hoewel ik aan vijftien verschillende colleges en universiteiten gestudeerd heb, variërend van de Seventh-Day Adventist Emanuel Missionary College tot Yale University en de New York University Postgraduate School of Medicine, beroem ik mijzelf er op autodidact te zijn, vooral op het gebied van talen. Toen ik Klassiek Arabisch studeerde aan Yale University, en Technisch en Wetenschappelijk Japans aan de Universiteit van Wisconsin, ontving ik slechts formele erkenning voor de studies waaraan ik al op eigen houtje begonnen was, zelfs al zo vroeg als op high school. In het geval van Russisch heb ik geen enkele academische graad voor die taal, maar heb ik toch meer dan 3.000 pagina’s vertalingen in het Engels gepubliceerd uit Russische wetenschappelijke journals, als freelance vertaler voor Plenum Press.

    Al mijn hele leven lang heb ik mensen als Aristoteles, Leonardo da Vinci, Bertrand Russell en Isaäc Asimov benijd voor hun gave de onderlinge relaties in te zien  van alle kennis, en grootse syntheses te smeden – hoe kortstondig dan ook – die wetenschap, technologie, humaniteit en de kunst verbonden.

    Het leven is natuurlijk te kort om tegenwoordig zulke grootse samenvattingen te bereiken, en men moet vele dingen opgeven om een dergelijk doel zelfs maar te benaderen. In mijn eigen geval, betrof het grootste deel van mijn opofferingen het niet lezen van fictie – behalve natuurlijk voor de dagelijkse kranten en bijbels. Ik heb nooit kunnen begrijpen waarom iemand kostbare tijd zou besteden aan het lezen van romans, terwijl er studieboeken bestaan over ieder denkbaar onderwerp.


 Vraag: Ik lees dat je vroeger in Amsterdam woonde, waar je een atheïstische kerk begon. Was die ervaring vruchtbaar? Welke herinneringen en “levenslessen” kun je met ons delen?


    Dat was in Amsterdam, New York, niet het beroemde in Europa. Toen ik les gaf aan Fulton-Montgomery Community College (SUNY-Johnstown), verenigde ik me met een aantal andere activisten in het land in een actie om belasting-vrijstellingen af te schaffen voor door de kerk georganiseerde bedrijven en vastgoed. Ik was goed bekend in de regio als atheïstische activist, en vatte het heerlijke idee op een Atheïstische Kerk op te zetten (De Eerste Kerk in het Licht van Wetenschap), en vrijstelling van belasting aan te vragen. Ik hoopte dat de IRS (vert.: Inland Revenue Service, de Amerikaanse Belastingdienst) dit wilde aanvechten, en aangezien ik zeer nauwkeurig de administratie zou bijhouden en alles ‘volgens het boekje’ zou doen, zouden ze mijn vrijstelling alleen zouden kunnen weigeren als ze de vrijstellingen van andere kerken ook zouden weigeren. Natuurlijk is de bewering dat atheïsme een religie is, net zo dwaas als de bewering dat gezondheid een ziektetype is. Wat ik echter hoopte te bereiken was dat de IRS gedwongen zou worden uitspraak te doen over wat, en wat niet, een ‘legitieme religie’ was – iets dat verboden is in de U.S. Constitution. Als deze zaak eenmaal de normale procesgang doorlopen zou hebben, zo hoopte ik, zou vastgesteld zijn dat religieuze vrijstellingen ongrondwettig waren, of dat atheïstische groepen tenminste dezelfde staatssubsidies zouden mogen genieten als kerken.

    Mijn “kerk” kwam een keer per maand samen bij mij thuis, en de “dienst” was meestal een dialoog tussen mijzelf en religieuze voorstanders variërend van Jezuïeten tot Jehova’s Getuigen. De “gemeente” bestond hoofdzakelijk uit mensen van het college. Maar, dankzij onze prominente aanwezigheid op de kerkelijke pagina van de plaatselijke krant, kregen we ook vaak bezoekers van buiten. De kerk hield het drie jaar uit, maar voldeed niet aan zijn doel omdat hij zo geslaagd was. Dat wil zeggen, alles werd met zulk een legale nauwgezetheid uitgevoerd dat de IRS ons nooit met een bezoek vereerde. Tenslotte dwong mijn geweten me de kerk te sluiten, en de strijd om afschaffing van religieuze vrijstellingen van belasting op te geven.


Vraag: Ik heb verschillende vragen over je betrokkenheid met American Atheists. Wanneer werd je lid van die organisatie? Hoe lang ben je redacteur van haar magazine geweest? Ik heb begrepen dat terwijl je lesgaf in het SUNY systeem, je in een rechtszaak betrokken raakte, samen met Madalyn Murray O’Hair. Het eindresultaat was dat je onder druk je positie aan de universiteit moest opgeven. Hoe ging dat?


    Ik werd lid van American Atheists (destijds bekend als Society of Seperationists, Inc.) in 1976 of 1977, nadat Madalyn Murray O’Hair een vergadering had gehouden in New York City. Ik was vaste columnist voor het tijdschrift vanaf ongeveer 1980 tot aan de moord op de Murray O’Hair familie in 1995. Ik werd redacteur van de American Atheist Press in het voorjaar van 1996 toen duidelijk werd dat de “first family of Atheism” waarschijnlijk niet zou terugkeren. (Het was vijf jaar later voordat we achter de afschuwelijke waarheid kwamen van wat er werkelijk met hen gebeurd was.) Ik begon onmiddellijk met de redactie van de nieuwsbrief en het tijdschrift, en begon nieuwe boeken en pamfletten te produceren.


    In de tweede helft van de zeventiger jaren begon Madalyn Murray O’Hair een proces teneinde “In God We Trust” te verwijderen van het Amerikaanse geld. Ik, en veel anderen, waaronder de componist Leonard Bernstein, sloten ons bij haar aan. Net zoals het geval was met het nationale motto en de belofte van trouw aan de vlag, was dit motto verplicht op ons geld aangebracht sinds midden de vijftiger jaren, op aansporing van de McCarthy aanhangers in hun kruistocht tegen het “goddeloze communisme”. Onze niet succesvolle zaak ging in hoger beroep naar het U.S. Supreme Court op een moment in mijn carrière toen ik al verscheidene jaren voorzitter was geweest van de Division of Science, Nursing and Technology van SUNY-Johnstown, en ik probeerde onderzoek uit te voeren voor mijn doctoraalscriptie aan SUNY-Albany.


    Voorafgaand aan de afwijzing van ons hoger beroep door de Supreme Court, werd ik geinterviewd door al de TV-zenders in het New York Capital District. Veel  presentatoren van praatprogramma’s op radio vroegen mij in hun programma’s, en de kranten publiceerden mijn mening. Toen ging het helemaal mis. De Fulton County Board of Supervisors, het instituut dat de financieën van het college beheerde, nam een resolutie aan die mij veroordeelde wegens on-Amerikaanse activiteiten, en dreigde het college een nieuwe bestemming als verpleeghuis te geven als ik niet “geëlimineerd” werd. Ik had natuurlijk een ambtstermijn en had niets onwettigs gedaan, dus konden ze me niet ontslaan. (Ze ontsloegen echter de president van het college die tot mijn verdediging was gekomen). Om me tot vertrek te dwingen, sneden ze alle financieele steun voor wetenschapsonderwijs af, behalve de salarissen van de professoren. Op deze manier probeerden ze me tot “vrijwillig” ontslag te dwingen als de prijs die betaald moest worden om het wetenschappelijk onderwijs aan het college te hervatten. Bovendien dwongen ze een reorganisatie af van het college, die inhield dat afdelingsvoorzitters vervangen werden door ‘associate deans’. Ik ging terug naar een voltijds onderwijs schema. Alle speciale leergangen die ik ontwikkeld had, werden echter afgeschaft.

    Ik vocht voor twee-en-een-half jaar, terwijl het wetenschapsonderwijs dreigde te verdwijnen wegens gebrek aan fondsen. Het hersenonderzoek dat ik deed voor mijn dissertatie kon onmogelijk voltooid worden, wegens het onverbiddelijke lesrooster dat me door het nieuwe academische regime werd opgedrongen. Op een dag zag ik een advertentie in the zondagseditie van de New York Times, waarin een wetenschapsuitgever in Ohio redacteuren vroeg die wetenschappelijke literatuur in een verscheidenheid van talen konden lezen. Ik solliciteerde voor die baan en werd haast onmiddellijk aangenomen. Op de dag voor Kerstmis, 1982, schoof ik mijn laatste rapporten onder de deur door van de deken die mij had vervangen. Op Kerstochtend gooide ik ongeveer vijftig woordenboeken en dictionnaires in mijn Volkswagen, samen met een paar kledingstukken en vertrok richting west naar Ohio – mijn vrouw Ann achterlatend om ons huis te verkopen en zich later met onze dochter Catherine weer bij me te voegen. Hoewel ik nu ver over de pensioengerechtigde leeftijd ben, werk ik daar nog steeds. Het is een baan die mijn hersens (min of meer) levend houdt. Maar toch mis ik het lesgeven meer dan woorden kunnen uitdrukken.


Vraag: Zoals je hebt kunnen afleiden uit een van mijn eerdere vragen, ben ik zeer onder de indruk van de omvang van je kennis en opleiding. Je hebt over veel onderwerpen geschreven die betrekking hebben op het atheïsme, of als redacteur gewerkt aan boeken zoals deel III van Thomas Paine’s The Age of Reason. Welke van die projecten, heeft naar jouw oordeel, het meeste effect gehad? In het algemeen, zie je een meer wetenschappelijke benadering van atheïsme, door auteurs die dat willen bevorderen, vooral in de U.S.?


    Als redacteur van American Atheist Press moet ik ervoor waken om niet alles door mijn eigen voorkeur voor een wetenschappelijke benadering van atheïsme, in de richting van de wetenschap te schuiven. Natuurlijk hebben we wetenschappelijke boeken nodig zoals anthropoloog David Eller’s Natural Atheism en zijn succes vervolg Atheism Advanced, dat ik voor het eind van het jaar hoop te laten uitkomen. Maar we hebben ook satirische werken nodig, zoals RIUS’s Manual of a Perfect Atheist, of Paul Farrell’s Illustrated Stories From the Bible (die ze je niet in zondagschool vertellen). Maar misschien nog het meest van al, hebben we atheïstische boeken nodig voor kinderen en tieners. Dit gezegd hebbende, moet ik zeggen dat ik hoop deze herfst een oerknal-effect te krijgen met de publicatie van René Salm’s The Myth of Nazareth: The Invented Town of Jezus. Dit boek zal boven kijf verheven aantonen dat de huidige stad Nazareth onbewoond was in de tijd dat Jezus verondersteld werd daar gewoond te hebben. Als er nooit een land van Oz geweest is, was er geen Wizard of Oz.  Als er nooit een Nazareth geweest is… Je ziet hoe explosief dit wetenschappelijke boek zal zijn.


 Vraag: Waar hoop je op voor atheïsten in de Verenigde Staten? Zullen we spoedig het aan atheïsme verbonden “stigma” overwinnen? Ik refereer natuurlijk aan het onderzoek van de University of Wisconsin, dat vaststelde dat atheïsten in het verdomhoekje zitten waar het verkiesbaarheid betreft, hoofdzakelijk gebaseerd op publiek vertrouwen: "Deze groep voldoet in het geheel niet aan mijn visie van de Amerikaanse gemeenschap"… Atheïsten: 39,6%, Moslims: 26,3%, Homoseksuelen: 22,6%, Spaanstaligen: 20%, Conservatieve Christenen: 13,5%, Recente immigranten: 12,5%, Joden: 7,6%. Welke maatregelen moeten we nemen om het grote publiek ervan te verzekeren dat onze levenshouding centraal staat in een “visie van de Amerikaanse samenleving”? 


    Ik ben niet optimistisch over de toekomst van het Atheïsme in de Verenigde Staten. Met de media bijna geheel onder controle van de Bushvrienden en hun onderhorigen, gaat het voor de stemmen van de rede steeds moeilijker worden om in de omroepen gehoord te worden, of in de pers gerapporteerd. Het is haast een atheïstisch wonder dat we in het afgelopen jaar getuige waren van de “best-seller” successen van zoveel excellente atheïstische auteurs. Ik ben echter bang voor een nadelige weerslag. Deze boeken worden niet door de gelovigen in de kerkbanken gelezen, maar door religieuze apologeten die al hun vaardigheden zullen aanwenden om “het vergif” van deze boeken te neutraliseren, zodat de ware gelovigen ongeraakt zullen blijven.

    Het staat vast dat deze boeken van immens nut zijn voor atheïstische lezers, die daarin veel nuttige argumenten vinden voor de dagelijkse omgang met religieuze activisten. Maar tenzij de atheïstische lezers van deze boeken zich verenigen met als doel voorlichting en politiek te bedrijven, is een terugkeer naar de duistere middeleeuwen van geloof niet alleen mogelijk, maar zelfs waarschijnlijk. Vaak wordt gezegd dat het proberen om atheïsten te verenigen lijkt op het katten in een kudde proberen samen te brengen. Ik denk dat die gelijkenis het probleem onderschat. Het organiseren van atheïsten lijkt meer op een poging een zadel te werpen over een zwerm kolibries – een soort die geen zwermen vormt.

    Niettemin moeten we dit toch proberen. Het is belangrijk dat atheïsten lid worden van organisaties als American Atheists, zelfs als hun bijdrage niet verder reikt dan het betalen van de verschuldigde contributie. Hoewel die contributie laag is, helpt dat geld de organisaties om hun vele programma’s voor de verdediging van de burgerrechten van atheïsten uit te dragen, en de scheiding tussen kerk en staat te verdedigen. Lidmaatschapsformulieren kunnen online verkregen worden op de website van American Atheists. Terwijl men daar is, kan men een groot aantal van mijn essays over verschillende onderwerpen lezen, door op een van de knoppen aan de linkerkant van het homepage scherm te klikken.

    Voor diegenen die willen helpen met eigen politieke actie, bestaat de Godless Americans Political Action Committee (GAMPAC) met een eigen website. Die website is een wonder van behulpzame informatie, die het zelfs voor matig gemotiveerde activisten makkelijk maakt om actie te ondernemen. GAMPAC wordt gesteund door een groot bereik aan vrijdenkers groepen als aanvulling op American Atheists.

  Nogmaals bedankt voor de geboden gelegenheid mijn gezichtspunten en opinie te verwoorden.


_____


Bron: http://www.eloquentatheist.com


twitter-icon-64



OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort