visitors on myspace
GEEST, ZIEL EN VERSTAND | POSITIEF ATHEÏSME <>

GEEST, ZIEL EN VERSTAND

image7313

FRANK R. ZINDLER







Uit: 'The Probing Mind', February 1985


Elke keer als ik een dictionaire raadpleeg, valt mij het verbazend aantal woorden op die aan helemaal niets in de werkelijke wereld refereren. Veel van die woorden komen duidelijk voort uit fabels: kabouter, eenhoorn, kwelgeest, Steen der Wijzen, Zeus, Bron van Jeugd, geest, etc. Andere woorden, hoewel die ook refereren aan niet bestaande dingen komen duidelijk niet uit fabels voort: gemiddelde zonuren, de gemiddelde burger, levenskracht, geest, ziel en – tenminste in een aantal van zijn geaccepteerde betekenissen – verstand.


Waarom de menselijke soort zoveel woorden heeft uitgevonden die aan niets in de werkelijkheid refereren is een heel interessante kwestie

     

   Waarom de menselijke soort zoveel woorden heeft uitgevonden die aan niets in de werkelijkheid refereren is een heel interessante kwestie voor wetenschappelijk onderzoek, en we zouden waarschijnlijk een heel boek nodig hebben om dit behoorlijk op te helderen. In dit artikel zal ik proberen slechts een paar van die woorden te behandelen, en wel de woorden geest, ziel en verstand.   

   Het is een opvallend feit dat bijna alle talen van de wereld, zowel uitgestorven als nog bestaande, woorden hebben of gehad hebben die in het Engels als ‘geest’ of ‘ziel’ weergegeven zouden kunnen worden. In eerste instantie zou het lijken of dit een goed argument is ten faveure van het werkelijke bestaan van zielen en geesten. Want, zou het niet onwaarschijnlijk zijn dat zoveel verschillende volken en talen het mis konden hebben? Als veel verschillende, niet verwante talen onafhankelijk van elkaar woorden hebben uitgevonden voor ‘ziel’, is dat dan niet een goede reden om aan te nemen dat dit is omdat zoiets echt bestaat?

    Ik denk van niet. De eerste aanwijzing voor de oplossing van dit vraagstuk komt uit de etymologie, de studie van de oorsprong van woorden. Hoewel de oorsprong van het Engelse woord voor ziel obscuur is, vind het woord welhaast zeker zijn oorsprong in een woord dat ‘adem’ of ‘wind’ of ‘lucht’ of iets dergelijks betekende.    

    Het woord geest, in het algemeen een synoniem voor ziel, komt van het Latijnse spiritus, en betekende oorspronkelijk duidelijk ‘adem’. Geestelijk  en ademhalings- (Eng.: Spiritual and respiratory) stemmen beiden van dezelfde oorsprong! Bovendien, als we in de Griekse en Hebreeuwse bijbels controleren welke woorden als ‘ziel’ etc. vertaald in de King James Version worden weergegeven, zullen we er veel vinden waarvan de oorspronkelijke betekenis ‘adem’ of ‘wind’ was. 

    Om een voorbeeld te geven, het Hebreeuwse woord neshama (letterlijk ‘adem’ betekenend) wordt twee keer weergegeven als ‘geest’ en één keer als ‘ziel’. Het Hebreeuws-Arameesche woord ruach (letterlijk: ‘wind’) wordt 240 keer als ‘wind’ weergegeven en zes maal als ‘verstand’. 

    Het woord nephesh (letterlijk: ‘adem’) wordt 428 keer als ‘ziel’ weergegeven, als ‘geest’ 15 maal, als ‘geest’ tweemaal en 119 keer als ‘leven’. Als we ons tot de Griekse bijbel wenden, vinden we pneuma (letterlijk: ‘adem’) 91 maal als ‘geest’ vertaald (inclusief de weergave ‘Heilige Geest’), en 292 keer als ziel. De lezer zal dezelfde oorsprong herkennen in het woord pneumonie, een woord dat aan een aandoening aan de ademhalingsorganen refereert. En tenslotte, in deze nogal pedante parade van woorden, kunnen we nog wijzen op het belangrijke woord psyche. Zoals verwacht, is zijn letterlijke betekenis ‘adem’. Zoals we konden raden, wordt het 58 maal als ‘ziel’ weergegeven, als ‘verstand’ drie keer, en 40 maal als ‘leven’.

    Het feit dat bijna alle woorden die nu ‘ziel’, ‘geest’, ‘leven’, etc. betekenen, hun oorsprong vinden in woorden die ‘adem’ of ‘wind’ betekenen leidt mij tot de conclusie dat de afgeleide betekenissen een gevolg waren van de onmacht van de primitieve mens om een elementair biologisch vraagstuk op te lossen, namelijk, wat houdt het verschil in tussen een levend lichaam en een dode?

    Voor de auteurs van de Bijbel in de Oudheid, mensen die nog geloofden dat zij woonden op een platte aarde onder een massief firmament, leek de oplossing bedrieglijk eenvoudig: levende dingen ademen, dode dingen doen dit niet. In het begin werden alleen dieren (van het Latijnse anima, hetgeen oorspronkelijk ‘adem’ of ‘bries’ betekent) als volledig levend beschouwd. Het geval van planten werd lange tijd als verwarrend beschouwd. Sommige deskundigen beschouwden ze als levend, anderen deden dit niet. De Ouden beseften zich niet dat ‘zielen’ in werkelijkheid slechts een gasachtig mengsel waren van stikstof en zuurstof, verontreinigd met variërende hoeveelheden waterdamp, koolstofdioxide, edelgassen, en afhankelijk van wat men gegeten had en of men al dan niet de tanden poetste na iedere maaltijd, variërende hoeveelheden aromatische substanties!

    In de Genesis scheppingsmythe wordt de levensgevende kracht van de adem duidelijk aangegeven. God, nadat hij Adam uit stof gevormd had, moet daarna levensadem in hem blazen om een levende ziel van hem te maken. Adem is leven.   

    De manier waarop adem gelijkgesteld kwam te staan met leven is niet moeilijk te onderscheiden. Een zojuist gestorven persoon, bijvoorbeeld door een hartaanval, was anatomisch niet zo veel verschillend van hoe hij was voordat hij stierf. Hij had nog steeds vijf vingers aan iedere hand, een tong in zijn mond, hersens in zijn hoofd en een hart in zijn borst. Mensen in de oudheid, onbewust van de microkosmische agitatie van chemische verbindingen en scheidingen dat we metabolisme noemen, konden maar één duidelijk verschil zien: het ontbreken van adem bij de dode.

    Wanneer een mens zijn laatste adem uitblies, verliet zijn geest (letterlijk: ‘adem’) zijn lichaam, en stierf hij. Als een mens nieste, werd zijn geest krachtdadig uit zijn lijf uitgestoten, en moest men “God bless you” zeggen (vert.: Een humoristische gewoonte die ook in Engeland nog zonder enige overtuiging voortleeft), of zeer snel een magisch gebaar als het teken van het kruis maken, voordat kwade geesten konden komen om bezit te nemen van het tijdelijk geestelijk onbewoonde karkas. ‘Bezetenheid’ door demonen zou heel eenvoudig het resultaat zijn van het inademen van één of meerdere kwade adems waarvan men veronderstelde dat die in de lucht om ons heen zweefden. Voor de vroege christenen was de Duivels adem overal.   

    Natuurlijk was niet alle bezetenheid noodzakelijk kwaadaardig. Mensen konden ‘geïnspireerd’ raken – dat wil zeggen, de adem van een god zou hun lichaam kunnen overnemen om woorden van wijsheid te leveren, of apocalyptische vermaningen. Het is zelfs zo dat de oorsprong van de christelijke kerk zelf wordt verondersteld te zijn ontstaan tijdens een voorval van massale bezetenheid door de Heilige Geest (“Heilige Adem” in de Griekse tekst!). In Handelingen 4:31 lezen we over de apostelen en anderen: 

   “Toen ze hun gebed beëindigd hadden, begon de plaats waar ze bijeen waren te beven, en allen werden vervuld van de heilige Geest (adem) en spraken vrijmoedig over de boodschap van God.” (Is het een wonder dat religies van alle soorten, gegeven de nauwe associatie van woorden met adem – verondersteld het leven zelf te zijn – zich altijd gericht hebben op de magische betekenis van woorden?)   

    Ingeval iemand nog denkt dat de koppeling tussen ‘adem’ en de grondslagen van het christendom dubieus is, vragen we aandacht voor het verhaal dat tot Johannes 20:22 en 23 leidt. Jezus is terug gekomen om de discipelen te bezoeken, om ze te zeggen dat hij ze zal uitzenden om de zonden van de wereld te vergeven of niet te vergeven. “Na deze woorden blies hij over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest. Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.’” Al vanaf het begin was het christendom gebaseerd op warme adem, die zich mettertijd ontwikkelde tot gebakken lucht.   

    Hedendaagse biologen, in tegenstelling tot de makers van mythen in de Oudheid, weten dat alle fenomenen van levende systemen gereduceerd kunnen worden tot fysieke en chemische termen. Ze hebben geen bewijs voor enige ‘levenskracht’ of mystieke geest, en kennen geen behoefte daar naar te zoeken. Ze erkennen dat het volledig levende lichaam en het pas gestorven lichaam maar twee arbitraire punten zijn op een continuüm van vervallende organisatie.   

    Genoeg nu over de woorden geest en ziel. Oorspronkelijk adem of wind betekenend, zijn het woorden die een geweldige hoeveelheid mystieke bijbetekenissen verwierven toen voorwetenschappelijke mensen probeerden het verschil tussen leven en dood te verklaren. Maar wat te denken van het woord verstand? Refereert het aan iets echts? Of is het ook uit fabels voortgekomen? In tegenstelling tot de analyse van ‘geest’ en ‘ziel’, is de analyse van ‘verstand’ helemaal niet eenvoudig. Dit komt grotendeels door het grammaticale toeval dat in alle Europese talen, de antieke zowel als de huidige, het woord verstand een zelfstandig naamwoord is.    

    We zijn geneigd zelfstandige naamwoorden als substantieel te beschouwen: tafel, stoel en schietlood zijn allen zelfstandige naamwoorden, en zijn allen substantieel. Er bestaan echter veel woorden die, hoewel grammaticaal zelfstandige naamwoorden zijnde, helemaal niet substantieel zijn. Woorden als schoonheid, waarheid en snelheid kunnen als voorbeeld dienen. Helaas worden onze gedachten soms misleid door de grammatica en verborgen aannames van de taal waarin we denken. En daardoor gebeurt het vaak dat abstracte zelfstandige naamwoorden beschouwd worden als de representatie van dingen die net zo substantieel zijn als die welke door gewone zelfstandige naamwoorden weergegeven worden. En zo hebben we de fundamentele verwarring die benodigd was om filosofische systemen op te richten als dat van Plato, voor wie volmaakte driehoekigheid slechts in de hemel voor driehoeken bestaat, en zo verder.   

    Omdat verstand een zelfstandig naamwoord was, werd het voorgesteld als ding. Omdat men dacht dat het een ding was, dacht men dat het een bestaan had los van het brein. Omdat het een onafhankelijk bestaan had, dacht men dat het in staat was te overleven na de dood van het lichaam. En miljoenen bedachten dat dit een goede reden was om miljoenen te investeren in die grootste van alle zakelijke ondernemingen, religie.   

    Neurobiologisch onderzoek toont aan dat al deze ideeën geheel waardeloos zijn. Verstand is een proces, een dynamische relatie, en niet een ding. Als we de processen van het brein wijzigen, veranderen we van gedachten. De psychedelische drugs hebben ons tenminste dat feit bijgebracht. De geschiedenis van de westerse filosofie en religie, en ook van de wetenschap, zou totaal anders zijn als het woord verstand als werkwoord ontwikkeld was, in plaats van als zelfstandig naamwoord.   

    Zich af te vragen waar het verstand heen gaat nadat de hersens zijn vergaan is net zo dwaas als te vragen waar de 100 km/uur zijn gebleven nadat de auto tegen een boom is gebotst. Net zo als de relatieve beweging van een auto alleen veranderd kan worden binnen bepaalde limieten om nog steeds snelheid te heten, zo kunnen we ook het functioneren van het brein maar in beperkte mate wijzigen voordat het proces dat verstand of denken genoemd wordt, heeft opgehouden te bestaan.

     Nu wetenschappers verstand erkennen als een proces, in plaats van als een ding, boeken zij snelle vooruitgang in het begrip van de specifieke dynamiek van de hersenen zoals die overeenkomen met de diverse subjectieve staten die collectief bekend zijn als verstand. Er zijn bijvoorbeeld bepaalde drugs bekend die bepaalde neurale verbindingen en centra in de hersenen zodanig beïnvloeden dat ze de psychische toestand opwekken die we euforie noemen. Anderen kunnen andere circuits beïnvloeden en depressie of slaap veroorzaken. We kunnen elektroden in de hersens implanteren die veroorzaken dat de patiënt klokken en symfonieën “hoort” die er helemaal niet zijn.   

    Men kan ons figuren en lichten laten “zien” zonder zelfs maar onze ogen te gebruiken, door de visuele cortex aan de achterkant van de hersenen te stimuleren. Men kan emoties oproepen van woede, seksualiteit, verdriet, religieus ontzag etc., door het op toepasselijke manier wijzigen van de dynamische hersenfuncties. We beginnen te begrijpen hoe neurale circuits met elkaar wedijveren om ons de illusie van “vrije wil” te geven. We staan zelfs aan de grens van het in staat zijn om vergelijkingen te schrijven die de verhouding weergeven van de fysico-chemische staten van het zenuwstelsel met de subjectieve mentale staten beschreven door psychologen en andere mystici. In het kort, we leren om subjectieve staten op objectieve manier te bestuderen.

    Of we ons al dan niet bij de toepassing van deze nieuwe kennis, meer verantwoordelijk zullen gedragen dan we waren bij de toepassing van vuur, dynamiet en atoomenergie staat nog te bezien. Zelfs de niet gemiddelde persoon kan slecht de rol van Prometheus spelen. Als wij, collectief de nieuwe Prometheus zijnde, niet verstandig beoordelen wat we moeten doen met onze nieuwe psycho-biologische krachten, zouden we ons net als Prometheus aan een rots geketend kunnen vinden, terwijl onze ingewanden er door arenden uitgescheurd worden. Of erger.

_____

twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort