visitors on myspace
ETHIEK ZONDER GODEN | POSITIEF ATHEÏSME <>

ETHIEK ZONDER GODEN

image7313

FRANK R. ZINDLER







Een van de eerste dingen die een atheïst door zowel een gelovige als een twijfelaar gevraagd wordt, is: 'Als je dan niet in God gelooft, is er ook niets dat je belet om een misdaad te plegen, of wel soms? Zonder de vrees voor hellevuur of eeuwige verdoemenis, kun je maar doen wat je wil, of niet?'

   Het is nauwelijks voorstelbaar dat zelfs intelligente en goed opgeleide mensen er nog een dergelijke opinie op na kunnen houden, maar toch doen ze dat vaak! Het schijnt nog nooit bij ze opgekomen te zijn dat de Grieken en Romeinen, wier goden toch nauwelijks paragons van deugdzaamheid waren, desondanks levens leidden die duidelijk niet slechter waren dan die van de Baptisten van Alabama! Bovendien slaagden heidenen als Aristoteles en Markus Aurelius — hoewel hun systemen voor ons niet meer toepasbaar zijn — er in, verhandelingen te produceren van grote subtiliteit, een subtiliteit die zelden of nooit door christelijke moralisten geëvenaard wordt.


   Het antwoord op de bovengenoemde vraag is vanzelfsprekend 'Absoluut niet!' Het gedrag van atheïsten wordt bepaald door dezelfde regels van sociologie, psychologie en neurofysiologie die het gedrag regelen van alle leden van onze soort, inclusief gelovigen. Bovendien, hoewel ze zelf het tegendeel zullen beweren, mogen we als algemene regel wel stellen dat wanneer gelovigen ethisch gedrag vertonen, dit niet werkelijk gebaseerd is op hun vrees voor hellevuur en verdoemenis, noch wordt veroorzaakt door hun hoop op een hemelse toekomst. Ethisch gedrag, onverschillig door wie het wordt uitgeoefend, is altijd het gevolg van dezelfde oorzaken en wordt altijd geregeld door dezelfde krachten, en heeft niets te maken met de aan- of afwezigheid van religieus geloof. De aard van deze oorzaken en krachten is het onderwerp van dit essay.


PSYCHOBIOLOGISCHE GRONDSLAGEN

   Als menselijke wezens zijn we sociale dieren. Onze socialiteit is het resultaat van evolutie, niet van keuze. Natuurlijke selectie heeft ons toegerust met zenuwstelsels die bijzonder gevoelig zijn voor de emotionele gesteldheid van onze medemens. Emoties zijn aanstekelijk onder onze soort, en het zijn alleen de zeldzame psychopathische mutanten onder ons die gelukkig kunnen zijn temidden van een bedroefd gezelschap. Het ligt in onze aard gelukkig te zijn temidden van geluk, bedroefd te zijn te midden van droefheid. En het ligt gelukkig ook in onze aard geluk na te streven voor onze medemens, gelijkertijd met dat voor onszelf. Ons geluk is groter wanneer dat gedeeld wordt met anderen.

   De natuur heeft ons ook een zenuwstelsel gegeven waarop indrukken blijvend ingeprent kunnen worden. Toegegeven, dit fenomeen is niet zo uitgesproken of zo onontkoombaar als het bijvoorbeeld in ganzen is — waar een net uitgebroed kuiken gefixeerd kan zijn op een speelgoedtrein en deze altijd blijft volgen, alsof het zijn moeder is. Niettemin zijn ook mensen in bepaalde mate gevoelig voor blijvende indrukken. Het menselijk zenuwstelsel blijkt zijn gevoeligheid voor blijvende indrukken tot op hoge leeftijd te behouden, en het is hoogst waarschijnlijk dat het fenomeen dat we 'liefde op het eerste gezicht' noemen, een dergelijke vorm van fixatie is. 

   Fixatie is een uitdrukkingsvorm van bindingsdrang, en helpt ons om sterke onderlinge banden te vormen. Het is een belangrijke kracht die ons helpt door de egobarrière te breken, om banden met onze naasten te scheppen, naasten waar we evenveel van kunnen gaan houden als van onszelf. Deze twee karakteristieken van ons zenuwstelsel, emotionele ontvankelijkheid voor suggestie en bindingsdrang, die ook de grondslagen vormen voor alle altruïstische gedrag en kunst, zijn geheel verenigbaar met de zelfzuchtige karakteristieken van ons gedrag, zoals die door het proces van natuurlijke selectie gevormd werden. Dat betekent dat we vaak zullen ervaren dat die gedragingen die onszelf gelukkig maken, tegelijkertijd ook onze medemens gelukkig maken, en vice-versa.

   Dit hoeft ons niet te bevreemden, als we kijken naar de gemeenschappen van onze naaste primaat-neven, de grote apen. Hierin is het sociaal gedrag niet chaotisch, terwijl de gorilla het toch zonder de Tien Geboden moet stellen. En de jonge chimpansee heeft geen orakel nodig om hem te vertellen dat hij zijn moeder moet eren, en dat hij zich ervan moet weerhouden om zijn broers en zusters te doden. Natuurlijk, familie ruzies en zelfs moord zijn ook waargenomen in apengemeenschappen, maar dergelijke gedragingen zijn uitzonderingen en vormen niet de norm. Zo is het ook in menselijke samenlevingen, overal en altijd.

De Afrikaanse apen leiden hun leven als samenwerkende sociale dieren, geheel zonder het voordeel van een geestelijkheid, en zonder de geboden van Exodus, Leviticus of Deuteronomium te kennen


Barbary-Ape-Apes-in-Gibraltar-playing-1-WL

   De Afrikaanse apen — waarvan de genen achtennegentig tot negenennegentig procent identiek zijn aan de onze — leiden hun leven als samenwerkende sociale dieren, geheel zonder het voordeel van een geestelijkheid, en zonder de geboden van Exodus, Leviticus of Deuteronomium te kennen. Het is ook bemoedigend te vernemen dat sociobiologen zelfs altruïstisch gedrag hebben waargenomen onder groepen bavianen. Het is meer dan eens voorgekomen, dat wanneer de groep werd aangevallen door luipaarden, oudere mannetjes die voorbij de leeftijd van reproductie waren, achterin de groep bleven om het gevecht met het luipaard aan te gaan, hetgeen vaak een voorspelbare vorm van zelfmoord was. Als de oudere mannetjes zo de achtervolging door het luipaard konden vertragen door opoffering van hun eigen leven, konden de vrouwtjes en de jongeren ontsnappen en verder leven om hun verscheidene bestemmingen te vervullen. 

   Ook het heldendom waarvan we van tijd tot tijd voorbeelden zien bij onze medemens, is veel ouder dan zijn of haar religie. Lang voordat de goden geschapen werden door de van angst vervulde geesten van onze minder dappere voorouders, bestonden er al daden van heldhaftigheid en zelfopofferende liefde. Daar hadden ze toen geen bovennatuurlijk excuus voor nodig, evenmin als dit nu nodig is.

   Dus, gegeven het feit dat evolutie de mens zenuwstelsels heeft toebedeeld die neigen tot sociaal in plaats van antisociaal gedrag, moeten we toch toegeven dat antisociaal gedrag bestaat, en dat het helaas in grotere mate voorkomt dan de redelijke ethicus aanvaardbaar acht. Dat dit voorkomt is grotendeels te wijten aan het feit dat we tegenwoordig in een veel complexere wereld leven dan de Paleolithische wereld waarin ons zenuwstelsel ontstond. Om de ethische betekenis van dit feit te begrijpen, moeten we een weinig van ons betoog afdwalen om de evolutionaire geschiedenis van het menselijk gedrag te beschouwen.


EEN UITWEIDING

   Tegenwoordig kan erfelijkheid onze gedragingen nog maar slechts op de meest algemene wijze besturen, ze kan niet precies alle gedragingen meer voorschrijven voor een oneindige variëteit aan omstandigheden. In onze wereld moet erfelijkheid geholpen worden.

   In de wereld van het fruitvliegje daarentegen, zijn de problemen die opgelost moeten worden gering in aantal en hoogst voorspelbaar van aard. Dientengevolge is het brein van de fruitvlieg grotendeels onveranderlijk bepaald door erfelijkheid. Dat wil zeggen dat het meeste gedrag het resultaat is van omgevingsprikkels op een zenuwstelsel dat automatisch vorm krijgt bij de volwassen fruitvlieg. Dit is een extreem voorbeeld van wat instinctmatig gedrag wordt genoemd. De code voor iedere vorm van gedrag ligt opgeslagen in een gen of genen die het vormen van bepaalde circuits — en het niet vormen van andere — bepalen, en waardoor het praktisch uitgesloten is om tegengesteld te handelen aan de vooraf genetisch geprogrammeerde rol.

   De wereld van het zoogdier — bijvoorbeeld een vos — is veel meer complex en onvoorspelbaar dan dat van de fruitvlieg. Dientengevolge wordt de vos geboren met een zenuwstelsel waarvan slechts een klein deel van de verbindingen in het circuit onveranderlijk zijn vastgelegd. Veel van de neuronen blijven gedurende zijn hele leven vrij om zich al dan niet met andere neuronen in functionele circuits te verbinden, afhankelijk van de omgevingsfactoren. Aangeleerd gedrag is het gedrag dat resulteert uit de activering van deze — door de omgeving geconditioneerde — circuits. Deze manier van leren stelt het zoogdier in staat om, door middel van een proces van vallen en opstaan, zich een groter aantal aangepaste gedragingen eigen te maken dan door erfelijkheid alleen mogelijk zou zijn geweest. Een vos zou propvol genen moeten zitten als al zijn gedragingen vooraf genetisch gespecificeerd zouden zijn.


   Met de evolutie van mensen echter, nam de complexiteit van omgevingsfactoren buitenproportioneel toe, in vergelijking tot de genetische en neuronale veranderingen die ons al onderscheidden van.

   Het is trouwens dit vuistbijlstadium van gedragsevolutie waarin de meeste huidige religies zijn blijven steken. Onze onbuigzame, absolutistische morele codes zijn in dat stadium gefixeerd. De Tien Geboden zijn de morele tegenhanger van de 'zo moet je twee stokken tegen elkaar wrijven' fase van technologische ontwikkeling. Als het enige soort vuur dat je nodig hebt moet dienen om je grot te verwarmen en je mosselen te koken, is de methode van het tegen elkaar wrijven van stokken voldoende. Maar als je een vuur nodig hebt om een straalvliegtuig aan te drijven, moeten er toch een paar veranderingen gemaakt worden.

   Dat geldt ook voor de overdracht van moreel gedrag. Als we levens moeten leiden die sociaal net zo complex zijn als een straalvliegtuig technologisch complex is, hebben we toch iets meer nodig dan de Tien Geboden. Dan kunnen we onze morele code niet meer baseren op willekeurige en grillige goedkeuringen die aan ons worden overgebracht door personen die beweren ingewijd te zijn in de intenties van de bewoners van Sinaï of Olympus. Onze ethiek kan niet gebaseerd zijn op fictieve verhalen betreffende de aard van het mensdom, noch op valse rapporten betreffende de verlangens van godheden. Onze ethiek moet stevig in de vruchtbare bodem van wetenschappelijke zelfkennis geplant zijn. En die hoort aanpasbaar en voor verbetering vatbaar te zijn.

   Waar dan, en waarmee, zullen we beginnen?


TERUG NAAR DE ETHIEK

   Plato toonde lang geleden al aan, in zijn dialoog Euthyphro, dat we niet kunnen vertrouwen op de morele geboden van een godheid. Plato vroeg of de geboden van een god eenvoudig 'goed' zouden zijn, gewoon omdat een god ze geboden had, of omdat de god zou herkennen wat 'goed' was, en hij daarom die actie gebood. Als iets 'goed' is simpel omdat een god het geboden heeft, kan alles als 'goed' beschouwd worden. Want het zou op geen enkele manier mogelijk zijn te voorspellen wat de god de volgende keer zou willen, en het zou daarom zonder enige betekenis zijn te beweren dat de god 'goed' is. Een baby met rotsblokken verpletteren kan dan met evenveel recht 'goed' zijn als het principe: Hebt uw vijanden lief. (Het schijnt dat de 'goedheid' van de god van het Oude Testament ook uitsluitend van deze aard is.)

   Aan de andere kant, als de geboden van een god gebaseerd zijn op zijn kennis van de inherente goedheid van een handeling, moeten we de realisatie onder ogen zien dat er een standaard van goedheid bestaat onafhankelijk van de god, en moeten we toegeven dat de god niet de bron van moraal kan zijn. In onze zoektocht naar het goede kunnen we de god dan net zo goed passeren en naar zijn bron gaan!

   Als dan gegeven is dat goden a-priori niet de bron van ethische principes kunnen zijn, moeten we die principes zoeken in de wereld waarin we geëvolueerd zijn. We moeten het sublieme in het wereldse vinden. Welke uitgangspunten zouden we daarbij moeten aannemen?

   Het principe van het 'verlichte eigenbelang' vormt een uitstekende eerste benadering voor een ethisch principe dat in overeenstemming is met wat we van de menselijke aard weten, en dat relevant is voor de levensproblemen in een complexe gemeenschap. Laten we dit principe eerst onderzoeken.

   Ten eerste moeten we een onderscheid maken tussen 'verlicht' en 'onverlicht' eigenbelang. Laten we een extreem voorbeeld ter illustratie gebruiken. Stel dat u een totaal zelfzuchtig leven zou leiden, waarin iedere behoefte onmiddellijk bevredigd zou moeten worden. Stel dat wanneer iemand iets had dat u zou willen hebben, u hem dat onmiddellijk zou afnemen. Het zou dan niet lang duren voordat iedereen tegen u in opstand zou komen, en u zou dan ieder wakend uur moeten besteden om represailles af te weren. Afhankelijk van hoe buitensporig uw activiteiten zouden zijn geweest, zou u zelfs het leven kunnen laten in een orgie van wraak door uw buren. Een leven van totaal maar onverlicht eigenbelang kan plezierig en opwindend zijn zo lang het duurt — maar het gaat waarschijnlijk niet lang duren.

   In contrast hiermee, is een persoon die een verlicht eigenbelang nastreeft, een persoon wiens gedragsstrategie zowel de intensiteit als de duur van zijn persoonlijke bevrediging maximaliseert. Een verlichte strategie zal die zijn welke — indien uitgeoefend gedurende een langere periode — steeds grotere en gevarieerde voldoeningen en plezier schenkt.


   Hoe moet dit gedaan worden? Het is duidelijk dat meer bereikt kan worden door medewerking met anderen, dan door geïsoleerd egoïsme. Een man met een steen kan niet alleen een buffel doden voor zijn maaltijd. Maar een groep mannen of vrouwen, met een heleboel stenen kunnen een beest de afgrond in jagen en zullen — zelfs na het verdelen van het vlees onderling — meer te eten hebben dan ze zonder samenwerking zouden hebben gehad.

   Maar samenwerking is een tweerichtingsverkeer. Als u samenwerkt met anderen om buffels te jagen, en ze jagen u steeds weg van de buit om die zelf op te eten, dan zult u die groep spoedig verlaten om u bij anderen aan te sluiten. Die eerste groep verzwakt daarmee zichzelf, en zal als resultaat daarvan misschien ook steeds minder succes in de jacht hebben. Samenwerking houdt wederkerigheid in.

   Het recht heeft haar wortels in het probleem van het bepalen van eerlijkheid en wederkerigheid in samenwerking. Als ik met u samenwerk in het bewerken van uw graanakker, hoeveel graan komt mij dan toe in de oogst? Waar recht bestaat, opereert samenwerking het meest efficiënt, en wordt de vrucht van samenwerking steeds begeerlijker. Met rechtvaardigheid en met samenwerking, kunnen we symfonieën krijgen. Zonder dat, hebben we zelfs niet eens een liedje.


   Laten we dit essay terug brengen naar zijn uitgangspunt. Omdat we het zenuwstelsel van sociale dieren hebben, zijn we in het algemeen gelukkiger in het gezelschap van onze medewezens dan alleen. Omdat we emotioneel beïnvloedbaar zijn, zullen we er gewoonlijk verstandig aan doen bij het beoefenen van een verlicht zelfbelang die handelingen te kiezen die anderen gelukkig maken, en ze bereid maken met ons samen te werken en ons te accepteren — want hun geluk reflecteert op onszelf terug en zal ons geluk intensiveren. Daarentegen, handelingen die anderen schade berokkenen en hen ongelukkig maken — zelfs als die niet openlijke wraakacties oproepen die ons geluk direct verminderen — zullen een emotionele stemming veroorzaken die, gelet op onze beïnvloedbaarheid, ons minder gelukkig zullen maken.

   Omdat onze zenuwstelsels gevoelig zijn voor blijvende indrukken, zijn we niet alleen in staat tot liefde op het eerste gezicht, maar zijn we ook capabel om naast mensen ook van dingen en idealen te houden, en kunnen we dat met variabele intensiteit doen. Zoals het ganzekuiken aangetrokken kan zijn tot het speelgoedtreintje, worden wij gedreven door het verlangen naar liefde. Echter, in tegenstelling tot de 'liefde' van het ganzekuiken, wordt aan onze liefde in aanzienlijke mate door ervaring vorm gegeven, en kan die zich door een leerproces verder ontwikkelen. Het is zeker dat een belangrijk doel van verlicht eigenbelang het geven en ontvangen van liefde is, zowel seksueel als niet seksueel. Als een algemene — hoewel niet absolute — regel, zullen we aan die gedragingen de voorkeur geven die ons het meest waarschijnlijk liefde en acceptatie brengen, en zullen we gedragingen die dit niet doen vermijden.


   Een ander doel van verlicht eigenbelang is het streven naar schoonheid in al haar verschijningsvormen, en haar weerklank tussen de buitenwereld en ons innerlijk te bestendigen. Schoonheid en liefde zijn slechts twee facetten aan hetzelfde juweel: liefde is schoonheid, en we hebben schoonheid lief.

inlove   Het ervaren van liefde en schoonheid is echter een passieve functie van de geest. Hoeveel groter is het plezier niet dat komt van het scheppen van schoonheid. Hoe heerlijk is het niet onze scheppende gaven aan te wenden om datgene te verwekken waarvan we kunnen houden. Verf en muziekinstrumenten zijn geen noodzakelijke vereisten voor het scheppen van schoonheid: Wanneer we de grondstoffen van het bestaan op een dergelijke manier kunnen transformeren dat we ze in een betere staat achterlaten dan die waarin we ze gevonden hebben, zijn we creatief bezig geweest.

   De taak van morele educatie bestaat daarom niet uit het van buiten leren van wat wel of niet mag, maar is er eerder om de mens helpen, om hem te leren de uitkomst van door hem overwogen acties te voorspellen. Wat zijn de voor- en de nadelen van onze handelingen, zowel onmiddellijk als op langere termijn? Zal een handeling onze kansen op het ervaren van die hedonistische triade van liefde, schoonheid en creativiteit vergroten of verminderen?

   En zo komt het, dat wanneer een atheïst het probleem van het zoeken naar natuurlijke grondslagen voor de menselijke moraal benadert, en hij een niet-bijgelovige basis voor zijn gedrag zoekt, dat blijkt dat de natuur het probleem al grotendeels opgelost heeft. Het blijkt dan zelfs dat het probleem van het vaststellen van een natuurlijke, humanistische basis voor ethisch gedrag eigenlijk helemaal geen probleem is. Want het ligt in onze natuur naar liefde te verlangen, naar schoonheid te zoeken, en te genieten van het scheppen. De doolhofachtige complexiteit die we tegenkomen wanneer we de traditionele morele codes onderzoeken zijn niet uit noodzaak ontstaan: ze zijn grotendeels het resultaat van vergeefse pogingen om menselijke behoeften en aard in overeenstemming te brengen met de eigenaardige totems en taboes van geesten en godheden die bij ons te voorschijn kwamen toen we nog in holen en grotten woonden tijdens het einde van het Paleolithische Tijdperk — en die sinds die tijd voor altijd in onze huizen rond gespookt hebben.

_____
twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort