visitors on myspace
BESTOND JEZUS? | POSITIEF ATHEÏSME <>

BESTOND JEZUS?

image7313

FRANK R. ZINDLER



   




'Ik heb het altijd voor waar aangenomen dat Jezus bestaan heeft. Sommige schrijvers voelen zich genoodzaakt deze aanname uitvoerig te verdedigen tegenover mensen die dit af en toe ontkennen. Eerlijk gezegd geloof ik dat het makkelijker te geloven is dat Tiberius Caesar, een tijdgenoot van Jezus, een verzinsel is dan te geloven dat een persoon als Jezus nooit bestaan heeft.'  

N.T. Wright, 'Jezus and the Victory of God' (Fortress, 1996)


In dit artikel wil ik aantonen hoe twijfelachtig de bewijzen zijn voor het beweerde bestaan van een zogenaamde Messias met de naam Jezus


V
oor het grootste deel van mijn leven heb ik steeds aangenomen dat Jezus, hoewel zeer zeker geen god, niettemin een historisch persoon geweest moet zijn, mogelijk een goochelaar met hypnotische gaven. Natuurlijk wist ik dat sommige van de werelds grootste geleerden zijn bestaan ontkend hadden. Niettemin had ik altijd min of meer aangenomen dat het onmogelijk zou zijn dat zoveel verhalen hun oorsprong konden hebben in iemand die nooit bestaan had. Zelfs in het geval van andere godheden, zoals Zeus, Thor, Isis en Osiris had ik altijd aangenomen dat zij alleen maar vergoddelijkte menselijke helden waren; mannen en vrouwen die in de latere stadia van de prehistorie geleefd hadden — personen wier reputaties beter en beter werden naar gelang de lengte van tijd verstreken na hun dood. Goden, net als goede wijnen, zo veronderstelde ik, verbeterden met de tijd. 

   Ongeveer tien jaar geleden echter, begon ik de bewijzen voor het bestaan van Jezus opnieuw te onderzoeken. Ik was verbaasd over wat ik niet vond. In dit artikel wil ik graag aantonen hoe twijfelachtig de bewijzen zijn voor het beweerde bestaan van een zogenaamde Messias met de naam Jezus. Ik ben er nu van overtuigd dat het redelijker is om aan te nemen dat hij nooit bestaan heeft. De feiten betreffende de geschiedenis van het vroege christendom zijn gemakkelijker te verklaren als Jezus denkbeeldig is, dan als hij ooit bestaan zou hebben.


DE BEWIJSLAST 

   Hoewel het hierna volgende redelijkerwijs beschouwd kan worden als bewijs voor het niet historisch zijn van Jezus, moeten we ons realiseren dat de bewijslast in deze zaak niet op de schouders van de scepticus berust. Zoals gebruikelijk, is het aan diegene die beweert dat een object of een proces bestaat, om dit te bewijzen. Als iemand beweert dat hij zich nooit hoeft te scheren, omdat iedere ochtend voordat hij de badkamer kan bereiken hij door een twee meter hoog konijn met vlijmsterke tanden wordt aangevallen, die zijn baardharen beter dan met een scheermes verwijdert — als iemand dat beweert, hoeft geen enkele scepticus zich zorgen te maken om het tegendeel te bewijzen. Tenzij bewijs voor de bewering kan worden gepresenteerd, kan de scepticus de bewering als niet waar beschouwen. Dit is niet meer dan de gezonde, alledaagse praktijk. 

   In tegenstelling tot N.T. Wright, die bovenaan dit artikel geciteerd werd, heeft een klein aantal wetenschappers door de eeuwen heen getracht te bewijzen dat Jezus in feite historisch heeft bestaan. Het is leerzaam, wanneer we hun zg. bewijs gaan onderzoeken, om dit te vergelijken met het soort bewijs dat we bijvoorbeeld hebben voor het bestaan van Tiberius Caesar, om de uitdaging door N.T. Wright eens aan te nemen. 


   Toegegeven moet worden, dat het niet verrassend is dat er geen munten zijn overgebleven uit de eerste eeuw, met daarop een afbeelding van Jezus. In tegenstelling tot Tiberius Caesar en Augustus Caesar die hem adopteerde, had Jezus geen bevoegdheid over enige munt. Toch moeten we er op wijzen dat we wel munten uit het begin van de eerste eeuw hebben met daarop afbeeldingen van Tiberius, in verschillende stadia van leeftijd. We hebben zelfs door zijn voorganger Augustus Caesar geslagen munten, die Augustus aan de ene kant tonen, met zijn geadopteerde zoon aan de andere kant. Zou Mr. Wright ons willen laten geloven dat deze munten verzinsels zijn? Hebben we hier met verzonnen munten te maken?

   Er zijn ook standbeelden, die archeologisch gedateerd kunnen worden, aan ons overgeleverd. Van Tiberius als een jongen, als een jonge man die de toga aanneemt, als Caesar etc. Gravures en sieraden laten hem met zijn hele gezin zien. Biografen die tijdgenoten of bijna-tijdgenoten van hem waren, citeren uit zijn brieven en decreten, en er bestaan verhalen over de kleinste details uit zijn leven. Er zijn overal in zijn toenmalige keizerrijk eigentijdse inscripties te vinden die zijn daden vastleggen. Er bestaat een ossuarium van ten minste een lid van zijn gezin, en de Griekse tekst van een door zijn zoon Germanicus uitgesproken rede werd gevonden in Oxyrhynchus in Egypte.

   En dan zijn er nog de resten van zijn villa op Capri. En we mogen niet vergeten dat Augustus Caesar in zijn Res Gestae (Bereikte doelen), dat zowel in het Grieks en het Latijn aan ons werd overgeleverd op het zogenoemde Monumentum Ancyranum, Tiberius als zijn zoon en mederegeerder vermeldt. 


   Bestaat er iets dat de verdedigers van een historische Jezus kunnen overleggen dat net zo overtuigend is als de bewijzen voor Tiberius? Ik denk het niet, en ik bedank N.T. Wright voor een uitdaging die zo duidelijk zijn ongelijk aan het licht brengt. Er kan slechts een terrein zijn waarop beweerd bewijs voor Jezus moet worden beleverd, dat gelijkwaardig zou zijn aan datgene dat voor Tiberius werd geleverd, namelijk de biografieën door tijdgenoten of bijna tijdgenoten. 

   Soms wordt beweerd dat de christelijke bijbel zulk bewijs bevat. En soms wordt gesteld dat er ook bronnen buiten de bijbel voor bestaan. Laten we die veronderstelde bewijzen maar eens onderzoeken.


"BEWIJZEN" IN HET OUDE TESTAMENT

   Laten we eerst het zogenaamde bewijs in de bijbel eens bekijken. Ondanks de beweringen door christelijke apologeten, staat er absoluut niets in het Oude Testament (O.T) dat van enige relevantie is tot ons onderwerp, behalve de mogelijkheid dat sommige profeten kunnen hebben gedacht dat een zg. gezalfde (een reddende koning of priester) het leiderschap over de Joodse wereld nog eens op zich zou nemen. Alle gevallen van voorspellingen van Jezus in het O.T zijn zo dwaas, dat men ze maar hoeft na te kijken om hun irrelevantie te begrijpen. Thomas Paine, de grote ketter van de Amerikaanse Revolutie deed precies dat, en toonde die irrelevantie aan in zijn boek An Examination of the Profecies, (Een onderzoek naar de profetieën), dat hij bedoelde als deel III van zijn The Age of Reason (Het tijdperk van rede).


"BEWIJZEN" IN HET NIEUWE TESTAMENT 

   Met de eliminatie van het O.T resteren alleen nog de zogenaamde bewijzen in het Nieuwe Testament (N.T) en materiaal buiten de bijbel. In wezen is het N.T samengesteld uit twee types documenten: brieven en beweerde biografieën (de zg. Evangeliën). Er bestaat ook nog een derde categorie geschriften, de apocalyptische  zoals het Boek van Openbaringen, maar die ondersteunen de historiciteit van Jezus niet. In feite schijnt dit boek een intellectueel fossiel te zijn van de gedachtewereld waaruit het christendom is ontsprongen — een Joodse Apocalyps die opnieuw bewerkt werd voor christelijk gebruik. De hoofdpersoon van het boek, waarnaar 28 maal gerefereerd wordt, scheen het 'Lam' te zijn, een astraal wezen dat in visioenen verscheen (geen claims voor historiciteit hier!), en het boek doet sterk denken aan antieke astrologie. 

   De naam Jezus komt slecht zeven maal voor in het hele boek, Christus slechts vier keer, en Jezus Christus maar twee keer! Hoewel Openbaringen zeer waarschijnlijk ontstaan is in een zeer vroege periode (in tegenstelling tot de opinie van de meeste bijbelgeleerden, die altijd alleen het boek in zijn uiteindelijke vorm bespreken), is de Jezus die hier in het voorbijgaan genoemd wordt, duidelijk niet een mens. Hij is een bovennatuurlijk wezen. De fysiologische en metabolische eigenschappen waarover we in de Evangeliën lezen, heeft hij nog niet verkregen. De Jezus van Openbaringen is een god die later man zou worden — niet een man die later god zou worden, zoals liberale religieuze wetenschappers beweren.


DE EVANGELIËN

   Het idee dat de vier evangeliën die het gehaald hebben om in het officiële N.T. opgenomen te worden, geschreven zouden zijn door mannen met de namen Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes gaat niet terug tot vroege christelijke tijden. De titels: Volgens Johannes, etc. werden niet eerder dan aan het einde van de tweede eeuw toegevoegd. Dus hoewel Papias in het jaar 140 alle evangeliën kent, heeft hij alleen maar gehoord van Mattheüs en Markus, en heeft Justinus Martelaar in het jaar 150 nog nooit van de vier beweerde auteurs gehoord. Het is pas in het jaar 180, dankzij Iraneüs van Lyon, dat we plotseling ontdekken wie de vier canonieke evangeliën geschreven zouden hebben, en dan leren we ook dat het er precies vier zijn, omdat er vier kwartieren van de aarde zijn en vier windstreken. Dus, tenzij men de argumenten van Iraneüs beschouwt als iets anders dan complete nonsens, moeten we tot de conclusie komen dat de evangeliën een onbekende oorsprong hebben en van onbekende auteurs zijn, en dat er geen goede redenen voor bestaan om aan te nemen dat die evangeliën ooggetuige verslagen zouden bevatten over een man die Jezus van Nazareth genoemd werd. Hierdoor worden we op zijn minst gedwongen om die evangeliën te onderzoeken om te zien of hun inhoud ook maar enigszins in overeenstemming is met het idee dat zij geschreven werden door ooggetuigen. We kunnen zelfs niet eens aannemen dat ieder evangelie maar een auteur of redacteur had. 


   Het is duidelijk dat de evangeliën van Mattheüs en Lukas onmogelijk geschreven kunnen zijn door ooggetuigen van het verhaal waarover ze vertellen. Allebei de schrijvers plegen voor negentig procent plagiaat,  vaak woord voor woord, van het evangelie van Markus, waar ze uitspraken van Jezus  aan toevoegen, plus wat beweerde historische details. 

   Het feit even terzijde laten dat Mattheüs en Lukas elkaar tegenspreken in zulke saillante details als de stamboom van Jezus — en ze dus niet allebei gelijk kunnen hebben — moeten we ons toch afvragen waarom echte ooggetuigen dan nog over het hele verhaal plagiaat moesten plegen, en waarom ze zich tevreden stelden met het toevoegen van een korreltje zout. Een echte ooggetuige zou zijn verhaal beginnen met: 'Nu, jongens en meisjes, ga ik jullie eens het verhaal van Jezus de Messias vertellen, zoals het waar gebeurd is...' Het verhaal zou een unieke creatie zijn. Het is veelbetekenend dat het alleen deze twee evangeliën zijn die voorwenden iets te vertellen over de geboorte van Jezus, over zijn jeugd en afkomst. Beide verhalen kunnen zonder meer worden afgedaan als onbetrouwbaar zijnde. We weten niets over de jeugd van Jezus, of zijn oorsprong!


MARKUS

   Maar wat moeten we dan denken van het evangelie van Markus, het oudste overgeleverde evangelie? In essentie bereikte het waarschijnlijk zijn definitieve vorm pas in het jaar 90, met kernmateriaal dat mogelijk al uit het jaar 70 stamt, maar mist het bijna geheel de traditionele biografie van Jezus, die begint met Johannes de Doper die Jezus een bad geeft, en eindigt met — in de oudste manuscripten — vrouwen die angstig wegrennen van de lege grafkelder. (De beweerde verschijningen na zijn wederopstanding, zoals die worden weergegeven in de laatste twaalf verzen van Markus, worden niet in de vroegste manuscripten gevonden, hoewel ze wel in de meeste moderne bijbels worden afgedrukt alsof ze wel zouden voorkomen in een authentiek deel van het evangelie van Markus.) Bovendien, omdat Markus een niet-Palestijnse niet-discipel was, is zelfs het magere historische detail waarover hij schrijft onbetrouwbaar. 

   En als we zeggen dat het verslag van Markus mager is, zijn we nog bescheiden. Er staat werkelijk maar weinig in het hele evangelie van Markus, aangezien de geboorte legendes, de genealogie en de wonderen van de kindertijd geheel ontbreken. Terwijl het evangelie van Lukas 43 bladzijden beslaat in de New English Bible, vult het evangelie van Markus maar 25 bladzijden — een armzalige 58 procent van het verhaal! Verhalen groeien inderdaad aan met het opnieuw vertellen. 

   Hiervoor heb ik beweerd dat de onbekende auteur van Markus een niet-Palestijnse niet-discipel was, waardoor dit hele verhaal slechts op horen zeggen moet berusten. Welk bewijs hebben we voor deze aanname? In de eerste plaats toont Markus aan geen begrip uit eigen ervaring te hebben over de sociale omstandigheden in Palestina. Hij is duidelijk een buitenlander, en is hij van de gebeurtenissen waarover hij beweringen maakt verwijderd in zowel tijd als afstand. In Markus 10:12 bijvoorbeeld, laat hij Jezus zeggen dat als een vrouw scheidt van haar man en een andere man trouwt, zij overspel pleegt. Zoals G.A. Wells, de auteur van The Historical Evidence for Jezus het zegt: 

   'Zulk een uitspraak zou volkomen zonder betekenis zijn in Palestina, waar alleen mannen echtscheiding konden krijgen. Het is een bepaling voor de niet-joodse christelijke lezers... die de auteur in de mond van Jezus plaatste om daaraan gezag te verlenen. Deze neiging om latere gewoonten en instituties in de veronderstelde levensloop van Jezus te verankeren speelt een aanzienlijke rol in het opbouwen van zijn biografie.' 


   Een verder bewijs voor het niet authentiek zijn van Markus is het feit dat in hoofdstuk 7, waar Jezus in debat gaat met de Farizeeërs, men Jezus om zijn gelijk te halen, Jesaja laat citeren uit de Griekse vertaling van de Septuagint. (het Oude Testament). Ongelukkigerwijze zegt de Hebreeuwse versie iets anders dan de Griekse. Jesaja 29:13 in het Hebreeuws zegt: 'hun vrees voor mij is een uit het hoofd geleerde opdracht van mensen', terwijl de Griekse versie, en het evangelie van Markus, leest als volgt: 'in ijdelheid vereren zij mij, en onderwijzen als doctrines de voorschriften van mensen' (Revised Standard Version). Wells observeert droogjes (pag.13): 'Dat een Palestijnse Jezus orthodoxe Joden zou verslaan met een argument dat gebaseerd was op een foute vertaling van hun eigen geschriften is nogal onwaarschijnlijk.'  Inderdaad! 

   Nog een krachtig argument tegen het idee dat Markus een ooggetuige zou kunnen zijn geweest van het bestaan van Jezus, is gebaseerd op de observatie dat de auteur van Markus een groot gebrek aan kennis van de Palestijnse geografie vertoont. Als hij werkelijk in Palestina gewoond zou hebben, zou hij niet de blunders gemaakt hebben die in zijn evangelie worden gevonden. En als hij niet in Palestina gewoond heeft, kon hij nooit ooggetuige van Jezus zijn geweest. U begrijpt het wel. 

   De meest absurde geografische vergissing die Markus maakt is wanneer hij het sterke verhaal vertelt over Jezus die het Meer van Gallilea oversteekt en de demonen verdrijft uit een man (twee mannen in de herziene versie van Mattheüs) die daarna in ongeveer tweeduizend varkens varen, die daarna zoals de King James Version het stelt: 'met geweld vanaf een steile helling de zee in renden ... en ze verdronken in de zee.' 


33

                                  JEZUS DRIJFT DEMONEN UIT


   Nog afgezien van de dierenmishandeling die door de liefhebbende, zachtaardige Jezus hiermee vertoond werd, en het negeren van het eigendomsrecht van anderen, wat is hier nog meer mis mee? Als uw enige bron van informatie de King James Bible is, zou u het nooit te weten komen. De King James Bible zegt dat dit wonder gebeurde in het land van de Gadarenes, terwijl de oudste Griekse manuscripten zeggen dat dit wonder gebeurde in het land van de Gerasenes.  Lukas, die ook niets wist van de Palestijnse geografie, geeft deze nonsens ook zo door. Maar Mattheüs, die wel iets over Palestina wist, veranderde de naam tot die van het land van de Gadarenes in zijn nieuwe, verbeterde versie; maar dit werd weer verder verbeterd tot Gergesenes in de King James versie. 

   De lezer moet ondertussen duizelig zijn geworden van de verschillen tussen Gerasenes, Gadarenes en Gergesenes. Wat maakt het eigenlijk uit? Een heleboel, zoals we zullen zien. Gerasa, de plaats die in de oudste manuscripten van Markus genoemd wordt, bevindt zich ongeveer vijftig kilometer vanaf de kust van het Meer van Gallilea! Die arme varkens moesten dan een afstand rennen die nog acht kilometer langer was dan een marathon, om een plaats te vinden waarin ze konden verdrinken! Zelfs lemmingen hoeven niet zo ver te gaan. Bovendien, als je een steile helling beschouwt als ten minste 45 graden, dan zou Gerasa minstens zes keer hoger moeten liggen dan de top van Mount Everest! 

   Toen de auteur van Mattheüs de versie van Markus las, zag hij de onmogelijkheid in van Jezus en zijn bende om te landen bij Gerasa (dat toevallig ook nog in een ander land, het zo genoemde Decapolis lag). Aangezien de enige plaats die hij kende in de buurt van  het Meer van Gallilea die met een G begon, Gadara was, veranderde hij Gerasa in Gadara. Maar zelfs Gadara lag acht kilometer vanaf de kust, en in een ander land. Latere kopieerders van de Griekse manuscripten van alle drie de varkens verdrinkende evangelien (Mattheüs, Markus en Lukas) verbeterden Gadara tot Gergesa, in een gebied waarvan men nu aanneemt dat het inderdaad aan de oostkust van het Meer van Gallilea lag. Dit toont de betrouwbaarheid van de bijbelse overlevering wel aardig aan. 


   Een ander voorbeeld van de enorme onwetendheid van Markus betreffende de Palestijnse geografie wordt gevonden in het verhaal dat hij verzon over de reis die Jezus maakte van Tyrus aan de Middellandse Zee, naar het Meer van Gallilea, 48 kilometer in het binnenland. Volgens Markus 7:31 gingen Jezus en zijn jongens via Sidon, 32 kilometer ten noorden van Tyrus aan de Mediterrane kust! Aangezien de afstand naar Sidon en weer terug 64 kilometer bedroeg, wandelde de wijste van alle mensen dus een afstand van 112 kilometer terwijl hij het in 48 had kunnen doen. Dit zou men natuurlijk nooit uit de tekst van de King James versie begrepen hebben, die — compleet voorbijgaande aan een perfect duidelijke Griekse tekst — zegt: 'Vertrekkende vanaf de kusten van Tyrus en Sidon, kwam hij aan bij het Meer van Gallilea...'. Het is duidelijk dat de vertalers van de King James versie ook hun aardrijkskunde kenden. Zij wisten tenminste meer dan de auteur van Markus!


JOHANNES 

   De onbetrouwbaarheid van de evangeliën wordt nog eens benadrukt wanneer we ons realiseren dat, met de mogelijke uitzondering van Johannes, de eerste drie evangeliën geen aanduiding in zich dragen die uitsluitsel kunnen geven over wie ze geschreven zou kunnen hebben. Kunnen we dan misschien iets van betekenis destilleren uit het vierde en laatste evangelie, dat van Johannes? Geenszins! Het is zo onwerelds dat het nauwelijks als historisch bewijs aangehaald kan worden. In dit verslag is Jezus al helemaal nauwelijks een mens van vlees en bloed — behalve als doel van het goddelijke kannibalisme dat vereist wordt voor de viering van de rite van de Heilige Communie. 


   'In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God.' aldus  begint het evangelie. Geen ster van Bethlehem, geen beschamende vertoning over zwangere maagden, geen enkele aanwijzing dat Jezus ooit luiers droeg; zuivere spiritualiteit vanaf het begin. Bovendien is het evangelie van Johannes, in zijn huidige vorm, het laatste van alle officiële evangeliën . Het evangelie van Johannes werd samengesteld in omstreeks het jaar 110. Als zijn auteur tien jaar geweest zou zijn ten tijde van de kruisiging van Jezus in het jaar 30, zou hij negentig zijn geweest toen hij het schreef. Het is niet alleen onwaarschijnlijk dat hij zo lang geleefd zou hebben, het is riskant te veel vertrouwen te hechten aan de gekleurde  zg. herinneringen, die een man op zijn oude dag kan ophalen. Velen van ons die veel jonger zijn, hebben al eens de onplezierige ontdekking gedaan dat wat we ons menen te herinneren van een gebeurtenis, geheel onjuist kan zijn. We kunnen ons ook afvragen waarom een ooggetuige van al die in de evangeliën geclaimde mirakels zo lang zou wachten voordat hij ze eindelijk opschreef! 


   Belangrijker is dat er bewijs voor bestaat dat het evangelie van Johannes, net zoals dat van Mattheüs en Lukas, ook een samengesteld document is, waarin een vroeger evangelie, het Tekens evangelie van onbekende oudheid, is opgenomen. En weer moeten we ons afvragen waarom die zg. Johannes, als hij een ooggetuige van Jezus was geweest, plagiaat moest plegen over een lijst van wonderen die door iemand anders was gemaakt? Noch bestaan er enige aanwijzingen in het Tekens evangelie die aannemelijk maken dat we hier met een ooggetuigenverslag te maken hebben. Het zou net zo goed kunnen refereren aan het wonder van Dionysus die water in wijn veranderde, of aan de genezingen door Asclepius. 

   Het niet authentiek zijn van het evangelie van Johannes wordt buiten enige twijfel vastgesteld door de ontdekking dat juist dat hoofdstuk waarin beweerd wordt dat de auteur van het boek — de leerling van wie Jezus hield — was, (Joh.21:20) een latere toevoeging aan dit evangelie is. Geleerden hebben aangetoond dat het evangelie origineel eindigde met de verzen 30 en 31 van hoofdstuk 20. Hoewel in hoofdstuk 21, vers 24 wordt beweerd: 'Het is deze leerling die over dit alles getuigenis aflegt, en het ook heeft opgeschreven. Wij weten dat zijn getuigenis betrouwbaar is', is dit niet het werk van een ooggetuige. Net als zoveel andere dingen in de bijbel, is het bedrog. De getuigenis is gewoon niet waar.


PAULUS EN ZIJN BRIEVEN

   Na het elimineren van zowel het O.T als de evangeliën van de lijst van mogelijke bijbelse bewijzen voor het bestaan van Jezus, blijven alleen de zg. Epistels nog over. Als eerste aanname zouden we kunnen denken dat deze epistels — waarvan sommige veruit de oudste delen van het NT zijn, die dertig jaar eerder dan het oudste evangelie samengesteld werden — ons zouden kunnen voorzien van de meest betrouwbare informatie over Jezus. Daar blijft het dan ook bij, een eerste aanname. 

   De oudste brieven zijn van Saulus — de man die, toen hij zijn verstand verloor, zijn naam wijzigde in Paulus. Voordat we in details gaan treden, moeten we er direct op wijzen, en voordat we dit vergeten, dat de getuigenis van St. Saulus veilig genegeerd kan worden, als wat hij ons vertelt waar is, namelijk dat hij Jezus nooit in levende lijve heeft ontmoet. Jezus zou alleen maar verschenen zijn in een visioen dat hij kreeg tijdens wat waarschijnlijk een epileptische aanval moet zijn geweest. Geen enkele rechtbank zou een visioen als bewijs accepteren, en dat moeten wij dus ook maar niet doen. 

   De lezer zou hier kunnen protesteren dat zelfs als Saul alleen maar bewijs uit horen zeggen had, daar toch wel iets van waar zou kunnen zijn. Dat daar iets in zou kunnen staan dat ons toch nog enige feiten over Jezus zou kunnen verschaffen. Nu, goed dan, laten we dan toch maar eens naar die bewijzen kijken. Volgens de overlevering zijn dertien van de brieven in het N.T. van St. Paulus. Helaas zijn Bijbelwetenschappers en computerexperts met die brieven aan het werk gegaan, en nu blijkt dat er nog maar vier daar van substantieel aan een en dezelfde auteur toegeschreven kunnen worden, de vermeende Paulus dus. 

   Dit zijn die brieven die worden aangeduid met Romeinen, Korintiërs I en II, en Galaten. Waarschijnlijk kunnen we daar nog aan toevoegen de korte notitie aan Filemon, een slavenhouder, en Philippenzen en Thessalonieërs I. Van de rest van de zg. brieven van Paulus kan aangetoond worden dat ze door andere en latere auteurs geschreven zijn, dus die kunnen we eruit gooien en ons er niet verder mee vermoeien. 

   In Korintiërs II vers 11:32 vertelt Saulus ons dat de stadhouder van koning Aretas hem gevangen wou laten nemen vanwege zijn christelijke opruiing. Aangezien we van Aretas weten dat die in het jaar 40 gestorven is, betekent dit dat Saulus een christen werd voor die datum. Dus wat kunnen we over Jezus te weten komen van een man die minder dan tien jaar na de beweerde kruisiging christen werd? Bitter weinig!Hier volgt opnieuw de auteur G.A. Wells, die in zijn boek The Historical Evidence for Jezus, deze zaak bondig samenvat, en we citeren hem letterlijk:

         'De ... brieven van Paulus ... blijven zo compleet stil over de gebeurtenissen die later in de evangeliën worden vastgelegd, dat deze suggereren dat deze gebeurtenissen niet bij Paulus bekend waren, hoewel die daar echter niet onwetend van zou kunnen zijn als ze werkelijk gebeurd waren.' 

   Deze brieven maken geen verwijzing naar de ouders van Jezus, en al helemaal niet naar de maagdelijke geboorte. Ze refereren ook nooit naar een geboorteplaats (zoals door hem bijvoorbeeld 'van Nazareth' te noemen). Ze geven geen indicatie van tijd of plaats van zijn aardse bestaan. Ze vermelden zijn berechting voor een Romeinse ambtenaar niet, noch noemen zij Jeruzalem als plaats van zijn terechtstelling. Ze noemen noch Johannes de Doper, noch Judas, noch de ontkenning door Petrus van zijn meester. (Ze noemen natuurlijk Petrus wel, maar laten nergens blijken dat die Jezus wel levend gekend had, net zo min als Paulus dus.) 

  Deze epistels verzuimen ook enige wonderen te noemen die Jezus verricht zou hebben, en dat valt in het bijzonder op, omdat Jezus er volgens de evangeliën zoveel verricht zou hebben .... En nog een opvallende eigenschap van de epistels van Paulus is dat men daaruit nooit de indruk kan krijgen dat Jezus een ethische leraar was ... Bij slechts een gelegenheid beroept hij zich op het gezag van Jezus om een ethisch oordeel te rechtvaardigen, dat ook volgens de evangeliën door Jezus zou zijn gepreekt. 


   Ook blijkt dat wanneer Saulus een beroep doet op de autoriteit van Jezus, hij daarmee precies dezelfde fout begaat die we al eerder in het evangelie van Markus aantroffen. In I Korintiërs 7:10 zegt Saulus: 'Degenen die getrouwd zijn geef ik, nee, niet ik — de Heer geeft hun het volgende gebod: een vrouw mag niet scheiden van haar man'.  Dus mag een vrouw geen echtscheiding aanvragen. Als Jezus werkelijk gezegd zou hebben wat Saulus weergeeft, en wat Markus 10:12 ook beweert, zou zijn gehoor waarschijnlijk gedacht hebben dat hij niet goed bij zijn verstand was — zoals de Bhagwan zegt — of dat hij misschien een klap op zijn hoofd had gekregen. Dit is alles wat over de getuigenis van Saulus gezegd kan worden. Zijn Jezus is niet meer dan het meest summiere voorbeeld van horen zeggen, een legendarisch wezen dat gekruisigd werd als offer, een schepsel bijna totaal zonder enige biografie.


"BEWIJZEN" BUITEN DE BIJBEL

   Tot dusver hebben we alle bijbelse bewijzen onderzocht die het historische bestaan van Jezus moesten aantonen. We hebben gezien dat ze geen van allen een legitiem bewijs vormen. Dan moeten we nu nog de laatst mogelijke bron van eventueel bewijs onderzoeken, de notie dat joodse en heidense historici zijn bestaan zouden hebben vastgelegd. 


JOODSE BRONNEN

   Soms wordt beweerd dat joodse antichristelijke geschriften bewijzen dat de antieke joden bekend waren met het bestaan van Jezus, en dat deze geschriften daarmee de historiciteit van de mens Jezus bewijzen. Maar in feite bewijzen joodse geschriften zoiets niet, zoal het boek van L. Gordon Ryland, Did Jezus Ever Live? al bijna zeventig jaar geleden aantoonde: 

  '...alle kennis die de rabbi's van Jezus hadden, hadden zij uit de bijbel verkregen. Als we in aanmerking nemen dat de joden, zelfs in de huidige, meer kritische tijd, zonder meer aannemen dat een menselijke figuur de grondslag vormt voor de evangelische verhalen, hoeven we niet verrast te zijn dat joden in de tweede eeuw er gewoonlijk niet aan dachten die kwestie in twijfel te trekken. Toch is het zeker dat sommigen dit wel betwijfelden. Want Justinus, in zijn Dialoog met Trypho, laat de jood Trypho zeggen: 'Ge volgt een loos gerucht en maakt een Christus voor u zelve.'  En: 'Indien hij geboren is en ergens woont, is hij totaal onbekend.'


   Dat de schrijvers van de Talmoed (vierde tot vijfde eeuw) geen onafhankelijke kennis van Jezus hadden wordt bewezen door het feit dat zij hem verwarden met twee verschillende mensen die hem geen van beiden geweest konden zijn. Klaarblijkelijk bestond er niet nog een Jezus die zij met de evangelische Jezus konden vereenzelvigen. Van een van hen, Jezus ben Pandera, die de reputatie had wonderen te verrichtten, wordt vermeld dat hij dood gestenigd is en opgehangen aan een boom aan de vooravond van het joodse paasfeest, tijdens de regering van Alexander Jannaeüs (106-79 v.C) in Jeruzalem. Van de andere, Jezus ben Stada, waarvan de datering onzeker is, maar die geleefd zou hebben in het eerste derde deel van de tweede eeuw, wordt ook gezegd dat hij gestenigd en opgehangen is aan de vooravond van het joodse paasfeest, maar dan in Lydda. Hierover kan wat verwarring bestaan, maar het is duidelijk dat de rabbi's geen kennis hadden van een Jezus behalve die waarover zij in de evangeliën lazen. 


   Hoewel christelijke apologeten een aantal antieke historici hebben opgesomd waarvan zij beweren dat die getuigen waren van het bestaan van Jezus, zijn er slechts twee die bij herhaling geciteerd worden, namelijk Josephus, een Farizeeër en Tacitus, een heiden. Aangezien Josephus geboren werd in het jaar 37, en Tacitus in het jaar 55, konden geen van beiden dus ooggetuigen geweest zijn van die Jezus waarvan beweerd wordt dat hij in het jaar 30 gekruisigd werd. Dus dat verhaal zou hier nu kunnen eindigen. Maar iemand zou toch kunnen claimen dat deze historici niettemin wel toegang konden hebben gehad tot betrouwbare bronnen die later weer verloren zijn gegaan, en die het bestaan en de executie van onze vriend J.C. zouden kunnen aantonen. Dus is het toch gewenst deze twee beweerde getuigen nader te onderzoeken. 

   In het geval van Josephus, wiens De Oudheid van de Joden in 93 werd geschreven, ongeveer in dezelfde tijd als de evangeliën, vinden we iets dat hij als goede Farizeeër onmogelijk gezegd kan hebben: 

   'Ongeveer in deze tijd leefde Jezus, een wijze man, als we hem inderdaad een man mogen noemen. Want hij was iemand die verrassende prestaties teweegbracht, en een leraar van mensen die de waarheid graag accepteerden. Hij overreedde vele Joden, en veel van de Grieken. Hij was de Messias. Toen Pilatus, die na hem verhoord te hebben over beschuldigingen door de meest hoogstaande mensen onder ons, hem veroordeeld had tot kruisiging, gaven diegenen die aanvankelijk van hem waren gaan houden hun liefde voor hem niet op. Op de derde dag verscheen hij weer aan hen, tot leven terug gebracht, want de profeten van God hadden deze en talloze andere dingen over hem geprofeteerd. En de stam van de Christenen, naar hem genoemd, is tot de dag van vandaag niet verdwenen.' 


   Nu zou geen loyale Farizeeër willen zeggen dat Jezus de Messias was geweest. Dat Josephus kon rapporteren dat Jezus tot leven terug gebracht was op de derde dag en niet overtuigd werd door deze opmerkelijke informatie is niet te geloven. Erger nog is het feit dat het verhaal van Jezus ingeschoven werd in de verhaallijn van Josephus, en dat de interpolatie zelfs nog duidelijk is in de Engelse vertaling van de Griekse tekst. Direct na de verwonderlijke verklaring zoals hierboven geciteerd, gaat Josephus verder met de tekst: 'Ongeveer tegelijkertijd was er nog een droevige calamiteit die de joden in verwarring bracht...'  Daarvoor had Josephus al verteld over de vreselijke dingen die Pilatus de joden in het algemeen had aangedaan, en het is begrijpelijk  waarom een vervalser deze plaats voor zijn interpolatie gekozen had. Maar door de ongerijmdheid om dan niet de bewoording in de aangrenzende tekst aan te passen, ontstond een literaire naad (retorici noemen dit een aporia) die er uitsteekt als een zwerende duim. 

   Het feit dat Josephus niet overtuigd raakte door deze of andere christelijke claims wordt duidelijk door een verklaring van kerkvader Origenus (ca. 185-ca. 254) dat Josephus niet geloofde in Jezus als de Messias, dat wil zeggen als de Christus. Bovendien wordt de betwiste passage nooit geciteerd door vroege christelijke apologeten, zoals Clement van Alexandria (ca.150-ca.215), die van deze ammunitie zeker gebruik van zou hebben gemaakt als hij daar de beschikking over gehad zou hebben! 

   De eerste persoon die melding maakte van deze zo duidelijk vervalste interpolatie in de tekst van Josephus was kerkvader Eusebius, in 324. Het is zeer waarschijnlijk dat Eusebius zelf ook wat vervalsingen pleegde. Zelfs zo laat nog als in 891 geeft Photius in zijn Bibliotheca , waarin hij drie Codices aan Josephus wijdt, er geen blijk van dat hij zich van de bedoelde passage bewust is, hoewel hij hier die secties van de Oudheden bespreekt waarin deze betwiste passage zich zou moeten bevinden. Klaarblijkelijk was deze getuigenis afwezig in zijn kopie van de Oudheden van de Joden. Deze kwestie kunnen we verder laten rusten met de opmerking, dat zelfs nog in de zestiende eeuw, volgens Rylands, een geleerde met de naam Vossius een manuscript van Josephus bezat waarin deze passage niet voorkwam. 

   Apologeten die zich aan nog dunnere strohalmen vastklampen in hun steun voor een historische Jezus, wijzen er op dat bovengenoemde passage niet de enige vermelding van Jezus is door Josephus. In Boek 20, hoofdstuk 9, paragraaf 1 van de Oudheden van de Joden vindt men ook de volgende mededeling in overgeleverde manuscripten: 

   'Ananus ... riep de rechters van het Sanhedrin bijeen en bracht voor hen een man genaamd Jacobus, de broeder van Jezus die Christus genoemd werd, en enige anderen. Hij beschuldigde ze van het overtreden van de wet en veroordeelde ze tot steniging.' 

   Het moet worden toegegeven dat deze passage zich niet zo opzichtig tussen de tekst manifesteert als de hiervoor genoemde vervalsing. Ze is in feite zeer goed geïntegreerd in de tekst van Josephus. Dat het toch een wijziging is van wat de bron van Josephus oorspronkelijk gezegd mag hebben (bedenk ook hier dat Josephus geen ooggetuige geweest kon zijn) is niettemin zeer waarschijnlijk. Het cruciale woord in deze passage is de naam Jacobus. Het is zeer goed mogelijk dat deze veel voorkomende naam in het bronmateriaal van Josephus voorkwam. Het kan zelfs een aanduiding zijn geweest van Jacob de Rechtvaardige, een figuur uit de eerste eeuw waarvoor goede gronden aanwezig zijn om in zijn bestaan te geloven. Omdat hij de titel van Broeder van de Heer   gedragen schijnt te hebben, zou het natuurlijk lijken om hem aan de Jezus figuur te relateren. Het is goed mogelijk dat Josephus refereerde aan een Jacob, de broeder van de Heer, en dat dit door christelijke kopieerders gewijzigd werd tot : 'broeder van Jezus' (bedenk dat hoewel Josephus een jood was, zijn teksten alleen door christenen gepreserveerd werden) en dat ze daar ten overvloede nog aan toevoegden: 'die Christus genoemd werd'.

   Volgens de sceptische klassieker Ecce Deus van William Benjamin Smith bestaan  er nog steeds manuscripten van Josephus die de geciteerde passages bevatten, maar ontbreken die passages in andere manuscripten — hetgeen aantoont dat zulke interpolaties al plaatsvonden voor de tijd van Origenus, maar dat ze er niet  altijd in slaagden om de originele teksten geheel te verdringen.


HEIDENSE AUTEURS

   Voordat we de beweerde getuigenissen van heidense auteurs in ogenschouw nemen, is het de moeite waard te letten op de dingen die we beschreven zouden moeten vinden als de bijbelse verhalen in feite waar zouden zijn. Een passage uit Mattheüs moet voldoende zijn om aan te duiden hoe veelbetekenend het zwijgen van seculiere schrijvers wel is: 

   'Rond het middaguur viel er duisternis over het hele land, die drie uur aanhield. Aan het einde daarvan, in het negende uur, gaf Jezus een schreeuw en riep luid: ‘Eli, Eli, lema sabachtani?‘ Dat wil zeggen: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’  Mattheüs 27:45-46

   'Op dat moment scheurde in de tempel het voorhangsel van boven tot onder in tweeën, en de aarde beefde en de rotsen spleten. De graven werden geopend en de lichamen van veel gestorven heiligen werden tot leven gewekt; na Jezus’ opstanding kwamen ze uit de graven, gingen de heilige stad binnen en maakten zich bekend aan een groot aantal mensen'. Mattheüs 27:51-53

   Zouden de Grieken en Romeinen het niet hebben opgemerkt — en beschreven hebben — toen die duisternis plaats vond in een tijd van de maand waarin een zonsverduistering onmogelijk was? Zou er dan niemand zijn geweest die zich de naam herinnerde van ten minste een van die zg. heiligen die uit het graf omhoog klommen, in de winkelstraat gingen slenteren en zich aan de voorbijgangers voorstelden? En als Jezus ook maar een opmerkelijke daad had gedaan, zou iemand dat dan niet hebben opgemerkt? En als hij helemaal geen opmerkelijke daden op zijn naam had staan, hoe kon hij dan de vorming van een nieuwe religie hebben gestimuleerd?

 

   En als we nu eens het zogenaamde bewijs uit Tacitus gaan bekijken, dan ontdekken we dat van deze Romeinse historicus beweerd wordt dat hij in het jaar 120 een passage heeft geschreven in zijn Annalen (boek 15, hoofdstuk 44, dat het sterke verhaal over de vervolging van de christenen door Nero bevat) die zegt: 

   'Daarom, om een einde te maken aan de geruchten, verving Nero als daders, en bestrafte met de meest verfijnde wreedheden een klasse mensen, die veracht werden om hun misdaden, die door de menigte als Christenen werden aangeduid. Christus, de grondlegger van die naam, had de doodstraf ondergaan tijdens de regering van Tiberius, door een veroordeling van procurator Pontius Pilatus ... ' 

 G.A. Wells (pag. 16) zegt over deze passage:

   '[Tacitus schreef] in een tijd waarin de christenen zelf waren geloven dat Jezus geleden had onder Pilatus. Er zijn drie redenen waarom gesteld kan worden dat Tacitus hier eenvoudig herhaalt wat christenen hem hebben verteld. Ten eerste geeft hij Pilatus een titel, procurator (zonder te vertellen waarvan procurator! FRZ), die alleen gangbaar was vanaf de tweede helft van de eerste eeuw. Als hij archieven geraadpleegd zou hebben waarin die eerdere gebeurtenissen vastgelegd waren, dan zou hij daar zeker Pilatus met zijn correcte titel aangeduid hebben gevonden, prefect. Ten tweede noemt Tacitus de geëxecuteerde man niet Jezus, maar gebruikt hij de titel Christus (Messias) alsof het de werkelijke naam is. Maar hij kan nauwelijks in de archieven een mededeling hebben gevonden als; 'Hedenmorgen is de Messias geëxecuteerd.'  Ten derde, vijandig als hij was ten opzichte van het christendom, zou hij zeker het standpunt van christenen zelf dat het christendom van recente oorsprong was, met genoegen hebben geaccepteerd, aangezien de Romeinse autoriteiten alleen bereid waren de oudere culten te tolereren. (The Historical Evidence for Jezus, pag. 16) 


   Er bestaan nog meer problemen met het Tacitus verhaal. Tacitus verwijst zelf nooit meer naar de vervolging van de christenen door Nero in enig van zijn uitgebreide geschriften, en geen van de andere heidense auteurs weet ook maar iets af van die uitspattingen. Nog veelbetekenender is echter dat vroegere christelijke apologeten geen gebruik maakten van dit verhaal in hun propaganda — een ondenkbare nalatigheid voor gemotiveerde voorstanders die de werken van Tacitus goed bestudeerd hadden. Clement van Alexandria, die een roeping had tot het verzamelen van juist deze citaten, blijkt onwetend van vervolgingen door Nero, en zelfs Tertullianus, die vaak citeert uit de werken van Tacitus, kent dat verhaal niet. Volgens Robert Taylor, de auteur van nog een vrijdenkers klassieker, de Diegesis, werd de passage niet eerder bekend dan in de vijftiende eeuw, toen Tacitus voor het eerst in Venetië gepubliceerd werd door Johannes de Spire. Taylor geloofde dat de Spire zelf de vervalser geweest was.  

   Tot zover de bewijzen die moeten aantonen dat Jezus een historische figuur was. Hiermee hebben we natuurlijk niet bewezen dat Jezus niet bestond. We hebben alleen maar aangetoond dat alle bewijzen die deze bewering moeten ondersteunen niet substantieel zijn. Maar vanzelfsprekend is dat ook alles wat we hoeven aan te tonen. De bewijslast rust op diegene die het bestaan van iets beweert, of op diegene die zegt dat iets ooit gebeurd is. We zijn onder geen verplichting om een universele ontkenning te produceren. 

 

   Hardnekkige gelovigen zullen aanvoeren dat al mijn argumenten van afwezigheid niets bewijzen, en het aforisme citeren: 'Afwezigheid van bewijs is geen bewijs van afwezigheid'. Maar is het negatieve bewijs dat ik aangevoerd heb wel hetzelfde als afwezigheid van bewijs? Het kan leerzaam zijn om te kijken hoe een hypothetisch maar soortgelijk probleem zou worden behandeld in de natuurwetenschappen. 

   Stel u voor dat iemand beweerde dat de VS een atoomwapen beproefd hadden op een bepaald Caribisch eiland in 1943. Zou het ontbreken van rapporten over waarnemingen van een paddestoelvormige wolk in die tijd bewijs van afwezigheid, of afwezigheid van bewijs zijn? (Bedenk dat tijdens de oorlogsjaren de Caribische eilanden onder voortdurende surveillance van de strijdende partijen stonden.) Zou het nodig zijn om nu nog naar het eiland te gaan om daar de bodem te onderzoeken op radioactieve besmetting, die daar zou moeten zijn als de nucleaire explosies inderdaad zouden hadden plaatsgevonden? Als we daarheen zouden gaan met onze Geigertellers en daar geen spoor zouden vinden van enige radioactieve besmetting, zou dat dan bewijs van afwezigheid, of afwezigheid van bewijs zijn? In dit geval is, wat oppervlakkig gezien afwezigheid van bewijs is, in werkelijkheid negatief bewijs, en zou dit daarom legitiem uitgelegd kunnen worden als bewijs van afwezigheid. Zou het negatieve bewijs als hierboven aangevoerd,  werkelijk minder onweerlegbaar zijn? 

   Het zou intellectueel bevredigend zijn om te ontdekken hoe de figuur van Jezus de neerslag kon zijn gaan vormen van de religieuze sfeer van de eerste eeuw. Maar wetenschappers werken al aan dat probleem. De publicatie van veel voorbeelden van zg. wijsheid-literatuur, samen met de materialen over de Essene gemeenschap in Qumran bij de Dode Zee en de Gnostische literatuur uit de Nag Hammadi bibliotheek in Egypte, hebben ons een gedetailleerd beeld gegeven van de gemeenschappelijke psychopathologie waarvan de oostelijke Mediterrane wereld vergeven was omstreeks het begin van de jaartelling. Het is niet onrealistisch te verwachten dat we, voordat we veel verder zijn, in staat zullen zijn om in redelijk detail de stadia waarin Jezus een biografie kreeg, te reconstrueren. 


ZIJ ZOUDEN HET OPGEMERKT MOETEN HEBBEN

   John E. Remsburg geeft in zijn klassieke boek The Christ: A Critical Review and Analysis of the Evidence of his Existence (The Truth Seeker Company, NY, pag. 24-25) een opsomming van de volgende schrijvers die leefden tijdens, of binnen een eeuw na de tijd waarvan beweerd wordt dat Jezus daarin leefde.

Josephus -- Silius Italicus -- Philo-Judeas -- Statius -- Seneca -- Ptolemy -- Plinius de Oudere -- Appianus -- Arrianus -- Phlegon -- Petronius -- Phaedrus -- Dion Pruseus -- Valerius Maximus -- Paterculus -- Lucianus -- Suetonius  -- Pausanias -- Juvenal -- Florus Lucius - Martial -- Quintius Curtius -- Persius -- Aulus Gellius -- Plutarchus -- Dio Chrystosomus -- Plinius de Jongere --Columella -- Tacitus -- Valerius Flaccus --Justus van Siberius --Damis --Apollonius -- Favorinus --Quintilian -- Lysias -- Lucanus -- Pomponius Mela -- Epictetus -- Appion van Alexandria -- Hermogonus -- Theon van Smyrna

   Remburg zegt hierover: 

   'Er is voldoende van het werk van bovenstaande auteurs overgeleverd om een complete bibliotheek te vormen. Toch is er in deze hele massa van Joodse en heidense literatuur, met uitzondering van twee vervalste passages in het werk van een joodse auteur, en twee betwiste passages in het werk van Romeinse schrijvers, geen enkele vermelding van Jezus Christus te vinden.'

   Noch, kunnen we daaraan toevoegen, noemt enig auteur de discipelen of de apostelen — waardoor het historisch onvermeld laten van de oorsprong van het christendom nog gênanter wordt.

_____


twitter-icon-64



OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort