visitors on myspace
WAAR KOMT HET IDEE VAN GOD VANDAAN? | POSITIEF ATHEÏSME <>

WAAR KOMT HET IDEE VAN GOD VANDAAN?

image7313

DOUGLAS ADAMS






FRAGMENT UIT EEN IMPROMPTUE SPEECH VOOR EEN GEZELSCHAP WETENSCHAPPERS TIJDENS HET SYMPOSIUM 'DIGITAL BIOTA' TE CAMBRIDGE IN SEPTEMBER 1998


"Wel, ik denk dat we een scheef beeld hebben van een heleboel dingen, maar laten we eens proberen uit te vinden waar dat beeld vandaan komt. Stel u de vroege mens voor. De vroege mens is, zoals al het andere, een evolutionair voortbrengsel, en hij bevindt zich in een wereld die hij een klein beetje de baas begint te worden; hij begint een gereedschapmaker te worden en zijn leefomgeving te veranderen met de gereedschappen die hij maakt, en die hij voor dat doel gemaakt heeft.

   Om een voorbeeld te geven van de manier waarop de mens handelt in vergelijking met andere dieren, kijken we naar soortvorming die, zoals we weten optreedt wanneer een kleine groep dieren afgezonderd raakt van de rest van de kudde door een geologische verstoring, overbevolking, voedseltekort of zoiets, en dan terecht komt in een omgeving met andere condities. Neem een eenvoudig voorbeeld: misschien is een stelletje dieren plotseling in een plaats terecht gekomen waar het weer nogal kouder is. We weten dat binnen een paar generaties die genen die de voorkeur aan een dikkere pels geven te hulp schieten, en als we nu terug komen zien we dat de dieren een dikkere pels hebben gekregen.

   De vroege mens, die al gereedschapmaker is, hoeft dit niet te doen; hij kan een buitengewone diversiteit van leefgebieden op aarde bevolken, van de toendra tot de Gobi woestijn (het lukt hem in hemelsnaam zelfs in New York te wonen) en de reden is dat wanneer hij in een nieuwe leefomgeving aankomt, hij niet over verscheidene generaties hoeft te wachten; als hij in een kouder klimaat arriveert en een dier ziet waarvan de genen de voorkeur aan een dikke pels geven, zegt hij:  'Die neem ik hem af'. 

Dit is toch echt een geweldige wereld, fantastisch

  Gereedschappen hebben ons in staat gesteld doelgericht te denken, om dingen te maken en dingen te doen om een wereld te creëren die beter bij ons past. Stel je nu de vroege mens voor die zijn omgeving overziet na een fijne dag van gereedschap maken. Hij kijkt om zich heen en ziet een wereld waar hij reuze mee in zijn schik is. Achter hem zijn bergen met grotten erin, bergen zijn prachtig omdat je daarheen kan gaan en je in de grotten verschuilen, en dan ben je uit de regen en kunnen de beren je niet pakken; voor hem is het woud, dat heeft noten en bessen en heerlijk voedsel; vlak bij loopt een stroom die vol water is, water is heerlijk om te drinken, en je kunt er je boot in laten drijven; daar komt neef Ug en hij heeft een mammoet gevangen, mammoeten zijn prachtig, je kunt ze eten, je kunt hun jas dragen, je kunt hun botten gebruiken om wapens van te maken waarmee je weer andere mammoeten kunt vangen. Dit is toch echt een geweldige wereld, fantastisch.

   Maar de vroege mens heeft een moment om na te denken en hij denkt bij zichzelf: 'Wel, dit is een interessante wereld waarin ik mij bevind', en dan vraagt hij zichzelf een verraderlijke vraag, een vraag die totaal bedrieglijk en zonder betekenis is, maar die alleen tevoorschijn is gekomen door de aard van zijn natuur, de soort persoon waarnaar hij geëvolueerd is, de soort persoon die gedijde omdat hij op die manier dacht. Mens de maker kijkt naar zijn wereld en zegt: 'Dus wie zou dit dan gemaakt hebben?'

   Wie maakte dit? U ziet waarom dit een verraderlijke vraag is. De vroege mens denkt: 'Omdat er maar één soort wezens bestaat waar ik van af weet die dingen maken, moet degene die deze dingen gemaakt heeft er een van ons zijn, die veel sterker, veel machtiger en natuurlijk onzichtbaar is, en omdat ik de sterkste ben die dingen maakt, is hij waarschijnlijk een man'. En zo krijgen we het idee van een God.

   En dan, omdat we dingen maken met de bedoeling daar iets mee te doen, vraagt de vroege mens zichzelf af: 'Als hij dit gemaakt heeft, waarvoor heeft hij het dan gemaakt?' Nu gaat de val zich sluiten, omdat de vroege mens denkt: 'Deze wereld past mij bijzonder goed. Hier zijn alle dingen die mij voeden en steunen en beschermen; ja, deze wereld past mij best'.

   En hij komt tot de onvermijdelijke conclusie dat wie die wereld ook maar gemaakt heeft, hij dat precies voor hem gedaan heeft."

_____


twitter-icon-64



OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort