visitors on myspace
ATHEOFOBIE | POSITIEF ATHEÏSME <>

ATHEOFOBIE

image7313

DAVID RAND



EEN VOOROORDEEL ZO OUD ALS DE OUDHEID


   Al sinds de tijd dat mensen hun eerste goden verzonnen, worden atheïsten gediscrimineerd.

   Zichzelf vervreemdend van het eigen, aangeboren moreel besef door dat van denkbeeldige godheden hier overheen  te projecteren, of dat van de unieke despotische “God” van een monotheïstische religie, overtuigden mensen zichzelf ervan dat ieder individu dat deze godheden niet erkende, immoreel en diep gezonken moest zijn.

   Deze personen werden doelwit van uiterst wantrouwen, ze werden gehaat en uit de gemeenschap gestoten. Deze haat en antipathie tegen atheïsten en atheïsme wordt atheofobie genoemd.

   Plato was blijkbaar de eerste om deze haat te formuleren en systematiseren. In zijn Tenth Book of the Dialogue on Laws of, Plato Against the Atheists (1),  propageert hij draconische maatregelen tegen atheïsten, goddelozen en verscheidene andere categoriën individuen (magiërs en tovenaars), die hij op één hoop neigt te gooien met atheïsten.

   Volgens de historicus Georges Minois (2), vond Plato op die manier in één slag religieuze onverdraagzaamheid, de Inquisitie en concentratiekampen uit.


   De Bijbel beweert het morele verval van atheïsten:

“Dwazen denken: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk hun daden, geen van hen deugt.” (Psalmen 14:1)

   Door de lange geschiedenis van het christendom heen werden ketters, pederasten, geloofsverzakers en Joden veroordeeld en vaak met elkaar verward in een stemming van alomvattende onverdraagzaamheid.

   Tijdens een pauselijke audiëntie in 1999 herinnerde paus Johannes Paulus II zijn gehoor er aan dat “de psalmist dwaas noemt” een ieder die niet in God gelooft. (3)


   En wat de Koran betreft, deze verkondigt: “De vloek van Allah zal over de ongelovigen zijn.” (Soera 2.89) “En doodt hen, waar gij hen ook ontmoet en drijft hen uit, vanwaar zij u hebben uitgedreven: want vervolging is erger dan doden. En bevecht hen niet nabij de heilige Moskee, voordat zij u daarin bevechten. Maar indien zij u bevechten, bevecht hen dan – zo is de vergelding voor de ongelovigen.” (Soera2-191)

“Atheïsme leidt niet noodzakelijk tot verval van de moraal.” 

  Er werden maar weinig stemmen verheven tegen deze monotheïstische haat. Eén opmerkelijke uitzondering was die van Pierre Bayle, een afvallige protestantse christen, die durfde schrijven “Atheïsme leidt niet noodzakelijk tot verval van de moraal.” (4) Voor ons in de 21ste eeuw klink zo’n zin banaal, timide zelfs, maar in de zeventiende eeuw gaf dit blijk van voorbeeldige moed.


13F32.jpg

DE VERLICHTING

   Verlichtingsfilosofen in de 18de eeuw hekelden religieuze onverdraagzaamheid en obscurantisme, maar niet allen namen afstand van het oude anti-atheïsme vooroordeel.

   In zijn novelle The Story of Johnny; of, The Atheist and the Sage (5), schrijft Voltaire: “Daarom is het geloof in een God die goede daden beloont, de slechte bestraft, en de kleinere fouten vergeeft, dus het nuttigste voor de mensheid. Het is de enige beteugeling voor machtige mensen, die onbeschaamd publiekelijk misdrijven plegen, en voor anderen die vakkundig en in het geniep hun misdrijven plegen.”

   Daaruit volgt dat “De atheïst een monster is,” hoewel die minder gevreesd moet worden dan de bijgelovige. 

   Thomas Jefferson daarentegen, hoewel een deïst als Voltaire, behoorde tot een meer recente generatie en begon deze instelling van algemeen wantrouwen in twijfel te trekken. In aanmerking nemend dat Diderot, D’Alembert, D’Holbach en Condorcet als zowel atheïstisch als deugdzaam bekend stonden, volgde daaruit dat hun deugd een andere basis moest hebben dan de liefde van God. (6)


   Atheofobie is bebaseerd op het geloof dat de godheid de bron en handhaver van alle moraal is. Dit is waarschijnlijk de meest wijdverspreide en meest gevaarlijke van alle religieuze geloven. In The Sacred Contagion (7), legt D’Holbach dit gevaar kort en bondig uit: “Als het goddelijke wil is die bepaalt wat juist is en wat niet, dan is God de meester over alle deugd; op zijn woord kan misdaad deugd worden, en deugd misdaad. Op deze wijze is de moraal ondergeschikt aan de grillen van diegenen die deze goddelijke wil interpreteren. [...] Iedereen die ijdel genoeg is om van zichzelf te geloven door zijn god uitverkoren te zijn, moet met verachting neerzien op al degenen die die gunst niet genieten.”

   Een gevolg van atheofobie is de mythe dat religieus gelovigen moreel superieur zijn aan ongelovigen. Deze notie is de zoete glacé om de gifpil van irrationeel geloof, die hemmakkelijker te slikken maakt.


EIGENTIJDSE ATHEOFOBIE

   In onze tijd zijn uitingen van schaamteloze, expliciete atheofobie zeldzamer geworden – behalve natuurlijk onder fundamentalisten en creationisten – omdat men de absurditeit en onjuistheid van dit hatelijke oude vooroordeel begint in te zien. Eén uitzondering vormt de priester Richard John Neuhaus, hoofdredacteur van het Amerikaanse religieuze  dagblad First Things, die in 1991 een artikel publiceerde dat klip en klaar beweerde dat atheïsten geen goede burgers kunnen zijn. (8) Bovendien bestaan er in verscheidene Amerikaanse  staten nog steeds wetten die het atheïsten verbieden een publiek ambt te bekleden. ✽

   Maar in de 20ste en 21ste eeuw manifesteert atheofobie zichzelf meestal in een subtielere gedaante; ze is geëvolueerd, dankzij het ondermijnend effect van de rede. Ze is nu getransformeerd tot een diepgaand wantrouwen van atheïstisch activisme, waarbij haar regelrechte kritiek op religie wordt geassociëerd met extreme onderdrukking – die een bedreiging voor de gewetensvrijheid zou betekenen – en met totalitarisme. Om dit waar te nemen, volstaat het om bijvoorbeeld de woorden van de katholieke filosoof Charles Taylor te lezen. (9)


   Of het nu expliciet is of subtiel, atheofobie vormt de achtergrond voor alle soorten mythen en verdraaiïngen. Sommigen zeggen dat atheïsme een kwestie van blind geloof is, precies zoals religies. Toch doet de atheïst niets anders dan zich juist te onthouden van geloof. Als atheïsme een religie is, [red.- Zie uitlatingen Donner] dan is gezondheid een ziekte.


   Degenen die het totaal oneens zijn met atheïsten beschuldigen hen van “fundamentalisme”; dit is nonsens, daar het enige fundamentele principe van atheïsme de simpele bevestiging is van afwezigheid van elk geloof in goden. Dit ongeloof impliceert niets over de positie die ingenomen wordt jegens gelovigen, noch over de te verkiezen regeringsvorm. Sommigen zeggen dat atheïsten arrogant zijn, maar hoe zou men zelfs in de verste verte maar een minieme fractie van de arrogantie van een religieus leider kunnen evenaren, die beweert  over gedetailleerde, vertrouwelijke kennis te beschikken betreffende de wil van “God”?

   Sommigen uiten zelfs de ongegronde bewering dat atheïsme oorzaak zou zijn van totalitarisme. Maar teneinde te kunnen beginnen aan de complexe taak van het analyseren van bijvoorbeeld de Sovjet dictatuur, moet men in plaats daarvan de deconstructie ondernemen van de pseudo-wetenschap die bekend staat als “wetenschappelijk socialisme”, een soort definitieve oplossing voor alle kwalen van de gemeenschap, tot stand te brengen door een poging een utopia te bouwen met totalitaire middelen. Bovendien, totalitaire regimes waren in het verleden vaak theocratieën of bondgenoten van religies. De uitdrukkingen “atheïstisch fundamentalisme” en “seculier fundamentalisme” zijn oxymorons, functioneel identiek aan elkaar, uitgevonden en verspreid door de vijanden van de Verlichting en moderniteit, om de aandacht af te leiden van het zeer reële religieuze fundamentalisme.


DE IMPLICATIES VAN ATHEOFOBIE ONDER ONGELOVIGEN ZELF

   Onder ongelovigen is atheofobie niet minder wijd verspreid. Zelfs atheïstische zegslieden voor seculiere organisaties durven maar zelden in het openbaar voor hun ongeloof uit te komen, om de extreme gevoeligheid van gelovigen te ontzien, alsof het noemen van atheïsme alleen al een bedreiging voor hun vrijheid van godsdienst zou inhouden. De negatieve associaties met het woord “atheïsme” worden vaak aangeroepen als excuus voor het weglaten daarvan uit de naam of beginselverklaringen van zulke organisaties. Maar gegeven het feit dat de stigmatisering van atheïsme op religieuze onverdraagzaamheid is gebaseerd, is die situatie juist een zeer goed argument voor het gebruik van dit woord.

   Iemand die openlijk verklaart atheïst te zijn, bestrijdt daarmee de verstikkende stilte waarmee atheofobie in stand wordt gehouden. Als iedere niet-religieuze humanistische organisatie haar beleid zou uitdragen als “atheïstisch-humanistisch” of “humanistisch-atheïstisch”, zouden ze al een grote stap doen om gewetensvrijheid te bevorderen, en niet alleen voor atheïsten.


15E9.jpg

   Het is zelfs zo, dat hoewel atheïsten slechts een marginale minderheid vormen, atheïsme paradoxaal genoeg als een univerele waarde gezien kan worden omdat ieder persoon atheïst is met betrekking tot de goden van anderen. Met de verdediging van de gewetensvrijheid van atheïsten wordt die vrijheid voor iedereen verdedigd.

   Hoewel die terughoudendheid om zichzelf als atheïst te identificeren ongezond is, blijft de beslissing om dit wel of niet te doen niettemin een kwestie van persoonlijke keus. Op gelijke wijze is de beslissing om de term “atheïstisch” wel of niet in de naam of beleidspunten van een organisatie op te nemen, duidelijk afhankelijk van de wil van de leden.

   Sommige humanistische zegslieden gaan echter nog een stapje verder dan alleen zich stilzwijgend neer te leggen bij atheofobie:  in feite dragen zij actief bij aan het stigmatiseren van atheïsme door religieuze anti-atheïstische teksten aan te passen aan een seculiere context, en die in hun eigen woorden te herhalen. Terwijl het toch duidelijk is dat het een van de eerste taken van een seculiere humanistische activist is om atheofobie te bestrijden. Het tegengestelde te doen is verraad plegen aan de eigen principes van de humanist.


WAT IS ATHEOFOBIE?

   Atheofobie is een zeer populair vooroordeel, wijd verspreid onder zowel religieus gelovigen als ongelovigen. Daar deze term een neologisme is en de voorgaande definitie zeer oppervlakkig, is een meer gedetailleerde definitie gewenst:   

- het vooroordeel, gewoonlijk gehouden door religieuze personen, dat geloof in een hogere (in casu bovennatuurlijke) macht noodzakelijk is voor de moraal en dat atheïsten daarom immoreel en/of amoreel moeten zijn.

- het vooroordeel, gewoonlijk zelfs onder ongelovigen heersend, dat atheïsme, of het publiekelijk uitspreken of bevorderen van atheïstische standpunten een intolerante ideologie is die de vrijheid van religie en geweten bedreigt.

   Om zelfs nog nauwkeuriger te zijn, kan atheofobie gedefinieerd worden als:

- 1) het geloof dat atheïsten moreel inferieur zijn aan religieus gelovigen;

- 2) het geloof dat atheïsme noodzakelijkerwijze tot moreeel verval leidt;

- 3) het idee dat atheïsme, vooral atheïstisch activisme, noodzakelijkerwijze tot extreme onderdrukking van religie leidt, tot vervolging van religieus gelovigen en zelfs tot totalitarisme;

- 4) vrees of schaamte om als atheïst geïdentificeerd te worden.

   Atheofobie is al een heel oud, wijdverspeid en ongegrond vooroordeel. Het varieert van het banale – zoals het vage idee dat het bezoeken van religieuze diensten iemand op een of andere wijze tot een beter persoon maakt – tot het extreme, bijvoorbeeld hatelijke beschuldigingen van morele inferieuriteit gericht aan atheïsten, die uitmonden in haatzaaien. Het is slechts redelijk dat voor atheofobie dezelfde sociale afkeur moet gelden als voor racisme (antisemitisme, blanke suprematie, etc.), vrouwenhaat, homofobie en andere vooroordelen. Helaas is meestal het tegengestelde waar: sociale normen versterken atheofobie vaak.


ATHEOFOBIE ONDER ONGELOVIGEN

   Dit vooroordeel is zelfs onder ongelovigen wijdverspreid. Het neemt dan de vormen 3) of 4) aan, in de betekenis zoals hierboven weergegeven. Atheofobie onder degenen die in feite zelf atheïst zijn, kan gedefinieerd worden als zich eigen gemaakte atheofobie. Deze wordt al helemaal hypocriet als ze zichzelf manifesteert als vijandigheid ten opzichte van openlijke, zich niet schamende atheïsten. Een dergelijke antipathie is een dekmantel voor het gebrek aan moed om de religieuze sociale druk te weerstaan.


ATHEOFOBISCHE PROPAGANDA EN VRIJHEID VAN MENINGSUITING

   Het herkennen van de bevooroordelende aard van atheofobie wil nog niet zeggen dat die daarom ook onder legale restrictie moet staan. De vrijheid van meningsuiting is een essentieel mensenrecht dat atheïsten na aan het hart ligt. Niettemin, als uitdrukkingen van haat tegen religieuze groeperingen wettelijk verboden zijn, dan kan er ook geen rechtvaardiging bestaan voor het uitdrukking geven aan hatelijke atheofobische beweringen. Ik zou op het belang willen wijzen van een duidelijk onderscheid tussen de volgende twee acties:

- 1) een groep personen aanvallen vanwege hun geloof of gebrek daaraan (hetgeen in het uiterste geval beschouwd kan worden als haatzaaien) en,

- 2) het becritiseren van geloven of ongeloven als zodanig, ongeacht door wie die worden aangehangen. (Zonder een dergelijke vrijheid van meningsuiting, wordt een open en eerlijk debat onmogelijk.)

___________________________________________________________________________________________________________


(1) Plato, CONTRA ATHEOS OR TENTH BOOK OF THE DIALOGUE ON LAWS, Tayler LEWIS, New York, 1845. 


(2) Minois, Georges, HISTOIRE DE L'ATHÉISME, Fayard, 1998. 


(3) Jonannes Paulus II, "CHRISTIAN RESPONSE TO MODERN ATHEISM", General Audience, 14th April 1999. 


(4) Bayle, Pierre, PENSÉES SUR L'ATHÉISME, Paris, 2004. 


(5) Voltaire, THE STORY OF JOHNNY; OR, THE ATHEIST AND THE SAGE, 1775. (De geciteerde tekst heb ik enigszins aangepast om nauwkeuriger overeen te komen met het originele Frans.) Zie ook zijn opmerkingen over het onderwerp atheïsme in zijn TREATISE ON TOLERANCE, ON THE OCCASION OF THE DEATH OF JEAN CALAS, 1763, waarin Voltaire atheïsme associeert met verdorvenheid en stelt dat “het beter is [...] afhankelijk te zijn van alle mogelijke bijgeloven, zolang die niet moorddadig zijn, dan om zonder religie te leven.

(6) Jefferson, Thomas LETTER TO THOMAS LAW, 13th June 1814

(7) d'Holbach, Paul-Henri, LA CONTAGION SACRÉE, 1768, Éditions coda 2006.

(8). Neuhaus, Richard John, "CAN ATHEISTS BE GOOD CITIZENS?" in First Things, Aug./Sept. 1991


(9). Zie bijvoorbeeld het interview met Charles Taylor als weergegeven op de website van de Templeton Foundation, of de analyse van Marie-Michelle Poisson in haar artikel “Malaises avec Charles Taylor” in nr. 10 van Cité laīque, humanistisch journaal van de MLQ.

• De constituties van zeven van de Verenigde Staten bevatten officiële religieuze bepalingen die in effect atheïsten kunnen uitsluiten van een publiek ambt, en in sommige gevallen van het getuigen in een rechtszaak of het zitting nemen in een jury, hoewel daar in de praktijk niet meer de hand aan wordt gehouden sinds het begin van de 19de eeuw. 



Bron: http://livre-athee.com/14_eng/14_%20eng_atheophobia.htm. 


twitter-icon-64



OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort