visitors on myspace
DE MYTHE VAN DE ZIEL | POSITIEF ATHEÏSME <>

DE MYTHE VAN DE ZIEL

image7313

CLARENCE DARROW







Is geloof in onsterfelijkheid noodzakelijk, of zelfs gewenst?

Er bestaat geen sterker voorbeeld van de lichtgelovigheid van de mens, dan het wijdverbreide geloof in onsterfelijkheid. Dit idee omvat niet alleen het geloof dat de dood niet het einde betekent van wat we het leven noemen, maar ook dat de persoonlijke identiteit met inbegrip van het geheugen voorbij het graf zal blijven bestaan. Het gemiddelde individu is zo vastbesloten zich aan dit geloof vast te klampen, dat hij gewoonlijk weigert over dit onderwerp te lezen of na te denken, om te voorkomen dat dit twijfel over zijn gekoesterde droom zou kunnen veroorzaken. Van diegenen die een kans wagen om naar deze bijdrage te kijken, zullen velen dit doen met het vaste voornemen zich niet te laten overtuigen, en zich niets aan te trekken van de veelvoudige argumenten die hun vertrouwen zouden verzwakken. Ik weet dat dit zo is, want ik ken de tegenzin waarmee ik zelf lange tijd dit onderwerp benaderde, en mijn ferme vastberadenheid de hoop niet op te geven. Daardoor zal de mythe steeds in de weg blijven staan van een verstandige aanvaarding van de feiten.


   Zelfs velen van hen die beweren te geloven in onsterfelijkheid, houden zichzelf en anderen nog steeds voor dat geen van beide zijden van de kwestie afhankelijk is van bewijs. Wat zullen deze hoopvollen zich precies voorstellen dat het woord ‘bewijs’ inhoudt? Het bewijs tegen het voortleven van het persoonlijk bewustzijn is net zo sterk als het bewijs voor zwaartekracht, en veel meer voor de hand liggend. Het is net zo overtuigend en onaanvechtbaar als het bewijs voor de vernietiging van hout of kolen door vuur. Als het niet zeker is dat de dood het einde betekent van persoonlijke identiteit en geheugen, dan is niets dat de mens voor waar accepteert afhankelijk van bewijs.

De geloven van ons ras en haar individuen zijn overblijfselen uit het verleden

   De geloven van ons ras en haar individuen zijn overblijfselen uit het verleden. Zonder nauwgezet onderzoek kan niemand beginnen te begrijpen hoeveel van de door de mens gekoesterde opvattingen nergens op steunen. De gemeenschappelijke ervaring van de mensheid zou ze duidelijk moeten maken hoe makkelijk het is te geloven in dat wat men wil accepteren. Ervaren psychologen weten maar al te goed dat als ze iemand ergens van willen overtuigen, ze er eerst voor moeten zorgen dat hij dat wenst te geloven. Er wordt  zoveel hoop, zoveel vurige verlangens, zoveel begeerte  opgewekt door het doctrine van onsterfelijkheid dat het haast onmogelijk wordt om het feit te aanvaarden dat men sterfelijk is.  Maar toch, ondanks al hun vurige wensen, zijn miljoenen mensen vervuld van een angst en twijfel die ze niet kunnen onderdrukken. Is het dan niet beter om de vraag rechtstreeks onder ogen te zien, en om na te gaan of we hier niet een waanidee koesteren?

   Het is gebruikelijk om van een ‘geloven in onsterfelijkheid’ te spreken. Laten we dan eerst eens kijken wat we onder dat woord ‘geloven’ verstaan. Als ik in Chicago rond de middag een trein naar New York neem, dan geloof ik dat ik die stad de volgende ochtend zal bereiken. Ik geloof dat omdat ik al eerder naar New York ben geweest, ik over die stad gelezen heb, ik veel mensen gekend heb die daar geweest zijn, en omdat hun verhalen overeen komen met de feiten zoals ik die ken. Ik heb zelfs de dienstregeling bestudeerd en weet precies langs welke weg ik daar zal komen en hoe lang de reis zal duren. In andere woorden, als ik op de trein stap, geloof ik dat ik in New York terecht kom omdat ik reden heb dat te geloven.


   Als ik, in plaats daarvan, naar Timboektoe of een ander punt op de aardbol zou willen gaan waar ik nog nooit geweest was, en waarvan ik alleen maar gehoord had, weet ik nog steeds iets over geografie, en als ik dat niet wist zou ik nog steeds iets kunnen vinden over de plaats waar ik naar toe zou willen gaan. Uit een encyclopedie en andere bronnen van informatie, zou ik een redelijke indruk kunnen verkrijgen over de locatie en het karakter van de stad of het land, het soort mensen dat er woont, en bijna alles dat ik zou willen weten inclusief de benodigde transportmiddelen en hoe lang het zou nemen om daar te komen en weer terug te keren. Ik ben er al van overtuigd dat de aarde rond is, en ik weet hoe groot die is. Ik weet de omvang van haar wateren en haar land. Ik ken de namen van haar landen. Ik ben me er volledig van bewust dat er veel plaatsen op haar oppervlak zijn waar ik nog nooit geweest ben. Ik kan voor mijzelf vaststellen of zulke plaatsen werkelijk bestaan en hoe ik daar moet komen, en wat ik zal gaan doen wanneer ik daar aankom.


   Maar als ze me vertellen dat ik volgende week op reis ga naar Nergensland; dat ik mijn lichaam niet mee zal nemen; dat ik daar voor eeuwig zal blijven: kan ik dan enig feit over mijn reis vaststellen – de manier waarop ik zal gaan, de tijdsduur van mijn reis, het land dat ik zal bereiken, zijn plaats in de ruimte, de manier waarop ik daar zal wonen – of iets dat tot een rationeel begrip zou leiden dat ik die reis inderdaad ga maken? Heb ik ooit iemand gekend die deze reis gemaakt heeft en teruggekeerd is? Als ik dit werkelijk moet geloven, moet ik proberen inlichtingen te krijgen over deze belangrijke feiten.


   Maar mensen aarzelen om vragen te stellen over het leven na de dood. Ze vragen niet, omdat ze weten dat uit de eeuwigdurende duisternis van de eindloze ruimte alleen stilte komt. Als mensen echt zouden geloven in een wondermooi, gelukkig, glorieus land dat op hen wacht als ze sterven; als ze zouden geloven dat hun vrienden daar op hen wachten om met ze herenigd te worden; als ze zouden geloven dat ze alle pijn en lijden achter zich zouden laten: waarom zouden ze dan nog weken, maanden, ja zelfs jaren van pijn en kwelling doorstaan terwijl een kanker zich door de vitale organen van hun lichaam vreet? Waarom vecht iemand voor zijn leven? Omdat hij in werkelijkheid niet gelooft, maar slechts hoopt. Iedereen weet dat er geen echt bewijs bestaat voor zo’n conditie van volmaakt geluk; dus wordt ons verteld niet om bewijs te zoeken. We moeten dat in goed vertrouwen geloven. Maar ieder weldenkende persoon weet dat vertrouwen alleen uit  geloven kan ontstaan. Geloven betekent een geestesgesteldheid die een bepaald idee wil accepteren. Die geestesgesteldheid kan alleen door bewijs bereikt worden. Toegegeven, dit bewijs hoeft soms niet meer te zijn dan de niet onderbouwde bewering van je grootmoeder; die mag totaal onvoldoende zijn voor redelijke mensen; maar, goed of slecht, het moet genoeg zijn voor de gelover, anders kan hij niet geloven.

  

   Op welk bewijs steunt dan de vraag om in onsterfelijkheid te geloven? Er bestaat geen bewijs voor. Men wordt gezegd vertrouwen te hebben, en ongetwijfeld werkt dit zolang men blindelings gelooft in wat men wordt verteld.  Maar als er geen bewijs bestaat waarop we een positief geloof in onsterfelijkheid kunnen baseren, laten we dan de andere kant van de zaak eens bekijken. Misschien kan bewijs worden gevonden waarop de positieve overtuiging gegrond wordt dat onsterfelijkheid een waanidee is.

   Het geloof in onsterfelijkheid komt in twee verschillende vormen voor. Aan de ene kant bestaat er een geloof in de onsterfelijkheid van de ‘ziel’. Dit wordt soms uitgelegd als het blijvend voortbestaan van de identiteit, het bewustzijn, en de herinneringen van het individu na de dood. Aan de andere kant hebben veel religieuze stromingen een geloof in ‘de wederopstanding van het lichaam’ geformuleerd – hetgeen weer iets heel anders is. Het is noodzakelijk beide vormen van geloof een voor een te onderzoeken.


   Het denkbeeld van een voortgezet leven na de dood is al erg oud. Het vond ongetwijfeld zijn oorsprong in de begintijd van ons ras. Gezien de beperkte kennis die de primitieve mens bezat, was dat niet onredelijk. Zijn dode kennissen en familie bezochten hem in dromen en visioenen, en bleven in zijn gevoel en verbeelding aanwezig totdat ze werden vergeten. Daarom riep het levenloze lichaam niet zozeer de kwestie van vergankelijkheid op, maar eerder die van dualisme. Men dacht dat de mens een tweevoudig wezen was, bestaande uit een lichaam en een ziel als twee aparte eenheden, en dat als die mens stierf, zijn ziel vrij kwam van het lichaam om een zelfstandig leven te gaan leiden. Daarom werden voedsel en drinken op zijn graf geplaatst, voor gebruik tijdens de lange reis naar het onbekende. Dit geloof in de tweevoudigheid van de mens overleeft  tot de dag van vandaag in aangepaste vorm. Maar de primitieve mens kon zich geen voorstelling vormen van het leven als een begin en eind hebbende. Hierin stond hij gelijk met de rest van de dieren. Tegenwoordig weet iedereen met een normale intelligentie hoe het leven begint, en de beschouwing van het begin van het leven leidt tot onvermijdelijke conclusies over hoe het leven eindigt. Als de mens een ziel bezit, moet die erin geslopen zijn ergens tijdens de periode van zwangerschap en groei.


   Al de hogere vormen van dierlijk leven ontstaan uit een enkele cel. Voordat een individueel leven zijn ontwikkeling kan beginnen, moet de cel bevrucht worden door vereniging met een andere cel; de cel deelt en vermenigvuldigt zich totdat die de vorm en het patroon van zijn soort heeft aangenomen. Op een bepaald gereguleerd moment komt het wezen in de wereld te voorschijn. Gedurende de termijn van zijn leven worden miljoenen cellen in zijn lichaam geboren, sterven af, en worden weer vervangen totdat, door hoge leeftijd, ziekte of enig andere catastrofe, de cellen uiteen vallen en het individuele leven wordt beëindigd.


   Het ligt voor de hand dat als een cel niet onder de juiste condities bevrucht zou zijn geweest, het wezen niet geleefd zou hebben. Het is ongegrond te stellen dat de oorspronkelijke cel een ziel heeft. Op een bepaalde manier heeft die cel leven; maar zelfs dat is onzeker, en het voortbestaan van dat leven is afhankelijk van vereniging met een andere cel van het juiste soort. De menselijke moeder is draagster van waarschijnlijk tienduizend cellen van de ene soort, en de menselijke vader van ontelbare miljarden cellen van de andere soort. Slechts een heel klein gedeelte van deze cellen resulteren in menselijk leven. Als de onbevruchte cellen van de vrouw en de ongebruikte cellen van de man menselijke wezens zouden zijn met een ziel, dan is de wereldbevolking oneindig veel groter dan iemand ooit zou kunnen dromen. Natuurlijk kan zo’n  idee, van onsterfelijkheid van kiemcellen, het verlangen van het individu om de dood te overleven, niet bevredigen.


   Als datgene dat ‘ziel’ genoemd word apart van het lichaam bestaat, wanneer, waar en hoe werd die ziel dan in de menselijke structuur geplaatst? Het individu begon met de vereniging van twee cellen die geen van beiden een ziel bezaten. Hoe konden deze twee zielloze cellen een ziel produceren? De  beantwoording van deze vraag moeten aan de onderzoekers van de metafysica, van het bovennatuurlijke,  overlaten. Als zij het antwoord gevonden hebben, hoop ik dat ze het mij willen vertellen, want dit zou ik werkelijk graag willen weten.


   Zoals we weten kan een baby leven en zich volledig ontwikkelen in de baarmoeder, om daarna toch tengevolge van shock bij de geboorte, schijnbaar levenloos ter wereld te komen. Vroeger werden zulke baby’s prompt begraven. Tegenwoordig weten we dat in veel van dergelijke gevallen, wanneer de lichamelijke structuur compleet is, het lichaam weer aan het werk te krijgen is door kunstmatige beademing of elektroshock.  Daarna doorloopt het net als elk ander menselijk lichaam zijn toegewezen levensduur. We weten ook dat in veel gevallen van verdrinking, of wanneer enige andere calamiteit het virtuele leven vernietigd schijnt te hebben zonder het lichaam hopeloos aangetast te hebben, kunstmatige middelen het weer opnieuw in beweging kunnen brengen, zodat het zijn termijn van bestaan kan volbrengen totdat de finale catastrofe komt. Moeten we nu geloven dat ergens rond het schijnbaar dode kind en ergens in de nabijheid van de verdronken mens een afgescheiden ziel zweeft die wacht op het commando van de beademingsapparatuur om terug te keren in het lichaam? Ook dit moeten we aan de metafysica overlaten.


   Het begin van een leven levert geen bewijs op voor het begin van een ziel. Te stellen dat datgene in het menselijk wezen dat we ‘leven’ noemen de ziel zelf is, is ongegrond omdat aangenomen wordt dat het juist de ziel is die ons menselijke wezens onderscheidt van alle andere levensvormen.  Er is leven in alle dieren en planten, en minstens potentieel leven in anorganische materie. Dit potentiële leven is niet meer dan gebonden energie en materie – de grote voorraadkamer waaruit alle  vormen van leven te voorschijn komen en voortdurend aangevuld worden. Het is onmogelijk een scheidslijn te trekken tussen anorganische materie en de lagere vormen van plantenleven,  en net zo onmogelijk om dat te doen tussen plantenleven en dierlijk leven, of tussen andere vormen van dierlijk leven en wat wij mensen zo graag de hoogste vorm noemen.  Als het ding dat wij ‘leven’ noemen zelf de ziel is, dan hebben koeien zielen; en, bij dezelfde redenatie, moeten we zielen toekennen aan alle vormen van leven, en ook aan anorganische materie.


   Het leven zelf is zeer reëel, in vergelijking met de ziel. Ieder mens weet dat zijn leven een begin had. Kan men zich een organisme voorstellen dat wel een begin heeft, maar geen einde? En als ik niet bestond in het oneindige verleden, waarom zou ik dan, of kan ik dan, bestaan in de oneindige toekomst? ‘Maar’, zeggen sommigen dan, ‘je bewustzijn, je geheugen kan bestaan zelfs na je dood. Dat is wat we bedoelen met je ziel.’ Laten we dat punt eens nader onderzoeken. 


baarmoeder

   Aan de maanden die ik in mijn moeders baarmoeder doorbracht heb ik geen herinnering. Ik kan me de dag van mijn geboorte niet herinneren, noch het moment dat ik mijn ogen voor het eerst opende voor het licht van de zon. Ik kan me de tijd niet herinneren toen ik nog een zuigeling was, of toen ik voor het eerst over de vloer begon te kruipen, of toen mij geleerd werd om te lopen, of ook maar iets voordat ik vijf of zes jaar oud was. Toch waren al deze gebeurtenissen belangrijk, mooi en vreemd in een nieuw leven. Wat ik mijn ‘bewustzijn’ noem, voor gebrek aan een beter woord of een beter begrip , ontwikkelde zich gelijktijdig met mijn opgroeien en de overstelpende ervaringen die ik bij iedere wending tegenkwam. Ik heb een vage herinnering aan de begrafenis van een jonge soldaat die tegen het einde van de Burgeroorlog neergeschoten was. Hij werd begraven bij het schoolgebouw toen ik zeven jaar was. Maar aan de moord op Abraham Lincoln heb ik geen herinnering, hoewel ik toen acht jaar oud geweest moet zijn. Ik moet er destijds van geweten hebben, want mijn familie en gemeenschap verafgoodden Lincoln, en heel Amerika rouwde om zijn dood.  Waarom herinner ik me de dode jonge soldaat die een jaar eerder begraven werd? Misschien omdat ik hem goed kende. Misschien omdat zijn familie nauw bij mijn kinderleven betrokken was. Mogelijk omdat het mijn eerste kennis van de dood betekende. Hoe dan ook, het maakte zo’n diepe indruk dat ik het mij nu nog herinner.


   ‘Oh, ja,’ zeggen de gelovers in de ziel, ‘Wat je daar zegt bevestigt onze eigen overtuiging. Je bestond zeer zeker toen deze vroege ervaringen plaats vonden. Je was je ervan bewust toentertijd, zelfs hoewel je je dit nu niet beseft. Waarom kan dan, op dezelfde manier,  je bewustzijn niet voortbestaan na je dood, zelfs als je dat feit niet beseft?’


   Integendeel, mijn vervagende herinneringen aan de gebeurtenissen die mijn vroege levensjaren vulden, leiden mij tot een tegengestelde conclusie. Voor zover het deze incidenten betreft, zijn de geest en het bewustzijn van de jongen al dood. Zelfs nu, leef ik wel helemaal? Ik ben eenenzeventig jaren oud. Vaak slaag ik er niet in me de namen te herinneren van diegenen die ik goed gekend heb. Veel gebeurtenissen maken niet meer die blijvende indruk die ze eens op mij maakten. Ik weet dat het nog maar enkele jaren zal duren, zelfs als mijn lichaam het verval overleeft, dat nog maar weinig belangrijke zaken zelfs maar enige indruk op mijn geest zullen maken. Ik weet hoe het met ouderen gaat. Ik weet dat  fysiek leven langer kan voortbestaan dan een volledig functionerende geest. Ik weet dat als ik tot extreem hoge leeftijd zal leven, mijn geest zal falen. Ik zal automatisch eten en drinken en naar bed gaan. Het geheugen – hetgeen alles is dat mij met het verleden verbindt – zal dan al dood zijn. Alles dat zal resteren is een vegetatief bestaan; ik zal zitten dutten in een hoek bij de kachel, en mijn lichaam zal nog op een bepaalde wijze functioneren hoewel het ego praktisch al dood is. Ik weet zeker dat als ik zal sterven aan wat ‘hoge leeftijd’ wordt genoemd, mijn bewustzijn dan geleidelijk weg zal glijden met mijn falende gevoelens! Ik zal me niet sterker bewust zijn van de naderende finale ontbinding dan een stervende boom dat is. 


   Ik weet dat er zo nu en dan, en met grote tussenpozen, mensen bestaan die hun volledige geestelijke vermogens tot op een rijpe leeftijd in stand houden. Ik ben me er van bewust dat deze gevallen uiterst zeldzaam zijn. We hoeven ons niet op bijgeloof te beroepen om de toevalligheden die in het leven voorkomen, te verklaren. Er kunnen mensen bestaan die in een aantoonbare mate hun bewustzijn en mentale activiteiten langere tijd behouden dan de gewone sterveling. Toch weet ieder nadenkend mens dat het een bijna universele regel is dat het lichaam met leeftijd vervalt, en dat degenen die een lang leven leiden geleidelijk hun intellectuele vaardigheden verliezen totdat zij een periode van seniliteit en verlies van bewustzijn bereiken.


   In primitieve tijden, voordat mensen iets over het menselijk lichaam wisten of over het universum waarvan het deel uitmaakt , was het niet ongewoon om in geesten en de dualiteit van de mens te geloven. Om te beginnen was de hemelse geografie toen veel eenvoudiger. Net boven de aarde was het firmament waarin de sterren  gevat waren, en boven het firmament zweefde de hemel. Die plaats was makkelijk bereikbaar, en in dromen zag men de engelen op een ladder op en neergaan. Maar nu hebben we een iets betere conceptie van ruimte en het oneindige universum waarvan wij maar zo’n klein deel uit maken. Onze grote telescopen onthullen talloze werelden en planetaire stelsels die het onze in vergelijking tot onbeduidendheid reduceren. We hebben alle redenen om te geloven dat buiten ons zicht eindeloze ruimte bestaat, gevuld met nog meer planeten, zo oneindig in grootte en aantal dat onze hersens zich geen voorstelling van hun omvang kunnen vormen. Is er enige reden om te denken dat in dit universum, met zijn oneindig grote aantal werelden, geen leven zou bestaan dat belangrijker is dan het onze? Is het mogelijk dat de inwoners van deze aarde voor speciale gunsten speciaal uitverkoren zijn en begiftigd met zielen en onsterfelijk leven? Is het nog redelijk te veronderstellen dat speciale consideratie wordt verleend aan de menselijke atomen die voortdurend gaan en komen op deze planeet?


   Als de mens een ziel heeft die blijft bestaan na de dood, die naar een hemel van de gezegenden gaat of naar een hel van de verdoemden, waar zijn deze plaatsen dan? Dat is niet zo makkelijk meer voor te stellen als het eens was. Hoe maakt de ziel zijn reis? Wat treft de onsterfelijke mens aan wanneer hij daar aankomt, en hoe zal hij leven als hij het einde van de eindeloze ruimte bereikt? We weten dat een atmosfeer zal ontbreken; dat er geen licht zal zijn, geen warmte – slechts de oneindige uitgestrektheid van duisternis en frigiditeit.

   Als er al een toekomstige plaats bestaat als woonplaats voor de geesten van de doden, waar is die plaats dan? Goedgelovige mensen hebben afbeeldingen en mentale voorstellingen gemaakt van de verblijfplaats van de doden. De Openbaringen van Johannes gaat nogal uitgebreid in op dat ver verwijderde oord, maar het is overduidelijk dat Johannes een psychopaat was, en zijn geval zou tegenwoordig duidelijk herkend worden. We moeten toegeven dat het beeld dat Johannes geeft niet erg aantrekkelijk is voor intelligente mensen. Toch stellen goedgelovige mensen zich vol vertrouwen een land voor waar gezinnen worden herenigd, en vrienden en buren opnieuw samenkomen. In deze gezellige kleine plaats, vormgegeven naar ervaringen uit het leven op deze aarde, zullen lang gescheiden echtgenoten opnieuw verenigd worden. Ook ouders en kinderen, grootouders en kleinkinderen, zullen weer als families samenkomen in dit land van de gezegenden en de doden.


   Deze voorstellingen werden al vroeg in de menselijke geschiedenis vormgegeven; in feite hebben we pas in de afgelopen jaren zicht gekregen op, en kennis verworven over de immensiteit van de ruimte, en de onmogelijk van zo’n door goedgelovigen voorgesteld oord daarin. We weten nu dat de aarde met ontzagwekkende snelheid om zijn as draait. Deze beweging veroorzaakt een complete omwenteling in vierentwintig uur. We weten dus dat geen plek op aarde van seconde tot seconde dezelfde plek in relatie tot de ons omringende ruimte inneemt. Als iemand die omstreeks middernacht sterft een ziel heeft die hemelwaarts gaat, gaat die in tegengestelde richting van die van iemand die omstreeks het midden van de dag sterft, en de kans dat zij elkaar weer tegen komen wordt dan steeds kleiner naarmate de tijd verstrijkt. Behalve deze omwenteling om haar eigen as, beweegt de aarde zich met een onvoorstelbare snelheid in een baan om de zon, die op bepaalde tijden ongeveer drieënnegentig miljoen mijlen ver is. Deze reis wordt in een jaar afgelegd. In zijn baan om de zon bedraagt de snelheid meer dan duizend mijl per minuut. Deze verbijsterende constante snelheid zou ongetwijfeld de verwarring vergroten van twee stervelingen die proberen dezelfde plaats in de ruimte te bereiken, zelfs als zij over een ziel zouden beschikken. De atmosfeer, zelfs in zijn meest afgezwakte vorm, reikt niet verder dan ongeveer vijfhonderd mijl vanaf de aarde, en in slechts een klein deel van die ruimte is leven zoals wij dat kennen mogelijk. Bovendien, als de aarde een gegeven plaats in de ruimte verlaat, draagt deze zijn atmosfeer met zich mee. Bovenop de beweging van de aarde om haar as, en de onvoorstelbare snelheid in haar baan om de zon, draait ons hele zonnestelsel om de Poolster, ongetwijfeld vergezeld van veel meer van dergelijke systemen als het onze; niemand kan zeggen hoe snel het gaat en hoe ver, in wat een eindeloze ruimte schijnt te zijn. En deze samenstellingen op hun beurt roteren om een ander centraal in de ver verwijderde Melkweg, en niemand weet hoeveel andere blijkbaar centrale punten ergens ver weg tussen de sterren  en werelden en zonnen middelpunten kunnen zijn waar omheen de aarde en alle andere stelsels rond draaien. Welk middel van voortbeweging zou aan stervelingen gegund worden om hun rustplaats te bereiken, en welke onvoorstelbare gids zou al die individuele geesten die allemaal in verschillende richtingen reizen, in alle uren van de dag en nacht, in alle jaargetijden en alle eeuwen, naar dat gezegende toevluchtsoord begeleiden? Al deze voorstellingen tarten de wildste verbeelding, en stellen ondenkbare dromen in de plaats van echte geloven.


   Er zijn ook mensen die hun hoop op een toekomstig leven vestigen op de wederopstanding van het lichaam. Dit is uitsluitend een religieus doctrine. We kunnen gerust aannemen dat maar weinig intelligente personen die voor de hand liggende feiten onder ogen durven zien, aanhangers van zo’n geloof zullen zijn. Toch wordt ons in alle ernst voorgehouden dat Elias lichamelijk naar de hemel gedragen werd in een zegekar van vuur, en dat Jezus uit de dood herrees en naar de hemel opsteeg. Het Nieuwe Testament staat vol passages die dit doctrine ondersteunen. Paulus verkondigt dit dogma steeds weer. In 1 Korintiërs 15, vers 12-14 staat: ‘Maar wanneer nu over Christus wordt verkondigd dat hij uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van u dan zeggen dat de doden niet zullen opstaan? Als de doden niet opstaan, is ook Christus niet opgewekt; en als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos.’


   Er was nog maar weinig bekend over de mens, de aarde of het universum tweeduizend jaar geleden in Palestina. Destijds geloofde men nog dat de wereld maar vierduizend jaar oud was, dat het leven opnieuw begonnen was na de zondvloed die tweeduizend jaar eerder zou hebben plaatsgevonden, en dat de gehele aarde binnenkort vernietigd zou worden. Tegenwoordig is met redelijke zekerheid vastgesteld dat de mens al een miljoen jaren op de aarde voorkomt. Gedurende die lange periode is de wereld vaak veranderd; ze verandert ieder moment. Minstens drie of vier ijstijden zijn over de continenten getrokken, de dood voor zich uit drijvende, menselijke wezens in de zee verdrinkend of diep in de aarde begravend. Dieren hebben mensen en andere dieren gegeten. Ieder dood lichaam, of het nu door vuur verteerd is of in de aarde begraven, is tot zijn elementen opgelost zodat de materie en energie waaruit de mens ooit bestond, voedsel werden voor dieren en planten en andere mensen. Zoals de grote bioloog Fabre heeft gezegd: ‘Op het banket van het leven is ieder op zijn beurt gast of gerecht.’ Op deze wijze is het lichaam van ieder nu levend mens gedeeltelijk gemaakt van de lichamen van degenen die al eeuwen dood zijn.


   Toch wordt ons nog gevraagd te geloven in de wederopstanding van het lichaam. Door welke toverkunst worden dan de individuele lichamen waaruit de volgende generaties reeds gevormd werden, daarvan weer afgescheiden en tot hun oorspronkelijke identiteit hersteld? En als ik weer opsta, welke vorm van mij zal dan van het graf terug geroepen worden, terug van de dieren en planten en lichamen van andere mensen die dit lichaam erven dat ik nu het mijne noem? Mijn lichaam is steeds weer opnieuw over gemaakt, stukje bij beetje als de tijd verstrijkt, en zal dit blijven doen tot aan het einde. Het is zo langzaam veranderd dat iedere nieuwe cel in het levende deel ingepast werd, en zal dit blijven doen tot aan het fatale einde. Zal het het kind in de moeders baarmoeder zijn, of het vervallen lichaam van de oude man dat terug gebracht wordt? De gedachte alleen al aan zo’n wederopstanding tart alle rede, negeert de feiten, en laat in plaats daarvan blind geloof, wilde dromen, hopeloze verwachtingen en laffe vrees over de menselijke geest regeren.


   Sommigen van hen die beweren te geloven in de onsterfelijkheid van de mens – of het nu zijn ziel of zijn lichaam is – zoeken hun troost bij het moderne wetenschappelijke doctrine van de onverwoestbaarheid van materie en energie. Zij zeggen dat dit doctrine slechts in wetenschappelijke taal bevestigt wat zij altijd al geloofden. Dit is echter een pure drogredenering. Het is waarschijnlijk waar dat geen materie of kracht ooit vernietigd kon worden, en dit ook nooit kan plaatsvinden. Maar het is net zo goed waar dat er geen enkel verband bestaat tussen het idee dat persoonlijk bewustzijn en geheugen na de dood voortduren, en de wetenschappelijke theorie dat materie en energie nooit verloren gaan. Want de wetenschappelijke theorie  steunt op de gevolgtrekking dat alle vormen van materie en energie constant veranderen, in een eindeloze cyclus van nieuwe combinaties. Wat kan het dan nog voor mogelijk nut hebben om een bewustzijn te hebben dat onsterfelijk is, maar dat vanaf het moment van de dood uiteen gaat in nieuwe combinaties, zodat geen twee delen van de oorspronkelijke identiteit ooit nog verenigd zullen worden?


   Deze natuurlijke processen van verandering, die bij het menselijke wezen zich manifesteren in de vorm van groei, ziekte, seniliteit, dood en ontbinding, zijn in essentie hetzelfde als het proces waarbij een brok kool desintegreert tijdens zijn verbranding. Men kan een brok kool tijdens zijn verbranding in de haard waarnemen totdat er niets dan as van overgebleven is. Een deel van de kool verdwijnt door de schoorsteen in de vorm van rook; een gedeelte straalt in de vorm van warmte door het huis; de rest ligt in de asla. Zo gaat het ook met het menselijke leven. In alle verschijningsvormen van leven is de natuur bezig met combineren, afbreken en opnieuw combineren van haar voorraad energie en materie tot nieuwe vormen. Datgene dat we ‘leven’ noemen is niets meer dan een conditie van evenwicht dat het een korte spanne tijd uithoudt tussen twee tegengestelde neigingen van de natuur - die van opbouw, en die van afbraak. Bij oudere leeftijd heeft het afbraakproces al de overhand gekregen, en wanneer de dood tussenbeide komt, wordt het evenwicht definitief vernietigd door de totale beëindiging van het opbouwproces, zodat niets dan totale desintegratie overblijft. De energie die daarmee vrij komt kan in gras of bomen of dierlijk leven omgevormd worden; of ze kan latent aanwezig blijven totdat ze opnieuw in de smeltkroes van de natuur gevangen wordt. Maar wat er ook gebeurt, de mens – de U en de ik – net zoals het brok kool dat verbrand werd, zijn voorbij – onherroepelijk uiteen verspreid. En geen kracht in de wereld kan de delen meer tot eenheid herenigen.


   Het denkbeeld dat de mens een heel apart wezen is, als onderscheiden van de rest van de natuur, is uit de gevoelens van de mens geboren, uit zijn liefde en haat, uit zijn hoop en vrees, en uit de vroegste voorstellingen van onontwikkelde geesten. De jij en de ik zoals die aan onze vrienden bekend zijn bestaan niet uit een onstoffelijk iets dat ‘ziel’ genoemd wordt en niet verwekt kan worden. We begrijpen heel goed wat we bedoelen als we over deze jij en ik spreken; en het is net zo duidelijk dat het hele weefsel waaruit onze persoonlijkheid is opgemaakt wordt vernietigd, verstrooid, en onherstelbaar uiteen valt door wat wij de ‘dood’ noemen.


   Zou er eigenlijk iemand bestaan die echt in een toekomstig leven gelooft? Dit geloof houdt niet alleen het voortbestaan van activiteit in, maar is verder opgerekt en uitvergroot om een toekomst te verbeelden die oneindig veel beter is dan het bestaan op aarde. In dit verre oord zullen ziel noch lichaam door moeilijkheden geteisterd worden. De eeuwigheid zal een eeuwigheid van gelukzaligheid zijn. De hemel  zal een oord van verrukking zijn door de hereniging met hen die ons voor gingen. Dit doctrine is door de jaren heen zo nadrukkelijk verkondigd dat mannen en vrouwen met een sterk geloof op hun sterfbed lang gestorven familie en vrienden menen te zien, die gekomen zijn om ze naar hun hemelse huis te leiden.


   Toont dit gedrag van de diep gelovige aan dat hij echt gelooft dat de dood een blijde verlossing is? Waarom proberen mannen en vrouwen die een kwelling op aarde ondergaan, hun dagen van doodstrijd dan te verlengen? Waarom geven slachtoffers van kanker, die maanden- of zelfs jarenlang levend verteerd worden, er de voorkeur aan die pijn nog liever te verdragen dan naar zo’n zalig oord te gaan? Toont dit gedrag van de diep gelovige aan dat hij echt gelooft dat de dood een blijde verlossing is? Waarom proberen mannen en vrouwen die aan martelingen op aarde lijden hun dagen van kwelling voort te zetten? Het enige antwoord dat op een dergelijke vraag gegeven wordt, is dat de getroffenen voor hun leven vechten omdat het hun plicht is vast te houden aan dit sterfelijk leven, ongeacht wat de pijn of de verwachte vreugde in de hemel is. Dat antwoord is niet waar. De getroffenen hangen aan dit leven omdat zij aan hun geloof twijfelen, en dat wat zij hebben niet willen prijs geven, hoe verschrikkelijk het ook is.


   Degenen die weigeren het idee van onsterfelijkheid op te geven beweren dat de natuur nooit een verlangen creëert zonder te voorzien in de middelen tot bevrediging daarvan. Tegelijkertijd houden zij vol dat alle mensen, van de meest onontwikkelde tot de hoogst geciviliseerde, verlangen naar een volgend leven. In feite creëert de natuur vele verlangens die ze niet bevredigt; de meeste wensen van de mens worden nooit vervuld. Maar de natuur creëert geen emotie die een toekomstig leven eist. Het enige verlangen dat het individu koestert is om in leven te blijven – hetgeen iets heel anders is. Deze aandrang vindt men in ieder dier, in iedere plant. Het is eenvoudig de stuwkracht van een levende structuur; of, zoals Schopenhauer het zegt, ‘de wil om te leven.’ Waar we naar verlangen is de voortzetting van onze huidige staat van bestaan, niet een onzekere reïncarnatie in een mysterieuze wereld waar we niets van af weten. Het idee van een volgend leven is pas gecreëerd nadat men er van overtuigd raakte dat dit leven eindig is.


                                                                                                                         ARTHUR SCHOPENHAUER

schopenhauer

   Ik ben me er goed van bewust dat er mensen bestaan die hun hoop op een toekomstig leven baseren op wat zij beweren dat bewijzen zijn, die het onderzoek naar spiritualisme oplevert. Voor zover het mijn vooroordeel over dit doctrine betreft, is mijn wens hierin niet te geloven, niet sterker dan die betreffende andere theorieën over een toekomstig leven. Ik heb voor vele jaren naar bewijzen gezocht dat de mens nog leeft nadat al onze zintuigen aantonen dat hij dood is. Voor ruim vijftig jaar, tot aan ongeveer tien jaar terug, heb ik enige aandacht aan spiritualisme geschonken. Ik heb de meeste van de belangrijke boeken van wetenschappers gelezen: Alfred Russell Wallace, Crooks, Oliver Lodge, en de boeken van veel andere mensen met kennis en integriteit, die geloofden dat zij hun dode vrienden gevonden hadden die naar hen teruggekeerd waren. Evenzo heb ik jarenlang onderzocht wat bekend staat als spirituele fenomenen. Ik ben er van overtuigd geraakt dat als een intelligent mens, met gezond verstand, het spiritualisme grondig onderzoekt, hij geen bewijs zal vinden om zijn geloof te ondersteunen. Tenminste negen op de tien fenomenen kunnen als pure fraude en bedriegerij terzijde gezet worden. Het bewijs komt hoofdzakelijk van media die achterlijk zijn, en wier trucs extreem onbeholpen zijn. Misschien één op tien fenomenen is niet het resultaat van fraude, maar het bewijs is totaal onvoldoende om de oorzaak van het fenomeen te verklaren. Het is mogelijk dat er fenomenen bestaan die niemand kan verklaren. Ik heb vaak zogenaamde manifestaties van terug gekeerde geesten meegemaakt die ik niet kon verklaren, maar die slaagden er geen van alle in mij te overtuigen van een communicatie met onstoffelijke geesten. Hieruit volgt niet automatisch dat omdat de manifestaties vreemd en onwerkelijk zijn, en momenteel onverklaarbaar, dat deze fenomenen aantonen dat het leven doorgaat na de dood. In het kader van deze manifestaties is het bewijs van wetenschappers niet meer waard dan dat van andere mensen. Waarschijnlijk is het zelfs veel minder waard. De waarheid is dat echte wetenschappers, op terreinen buiten hun specialisme, meer hulpeloos zijn in het bespeuren van bedrog en trucs. Het is evenzo waar dat de meeste wetenschappers, zoals Sir Oliver Lodge, pas laat in het leven tot hun overtuiging gekomen zijn, en onder grote stress, hetgeen ertoe neigt het helder denken te verstoren in dat denkraam dat daardoor wordt aangesproken. 


   Sir Oliver Lodge verloor zijn zoon in de Eerste Wereldoorlog. Dit was een zwaar verlies voor deze eminente geleerde. Als men de grootsheid van Lodge in aanmerking neemt, en de helderheid waarmee hij iedere wetenschappelijke theorie behandelt, en daarna zijn boek “Raymond” leest, waarin hij vertelt over zijn ontmoetingen met zijn geliefde zoon, dan is het niet moeilijk in te zien dat zijn geest door dit verlies uit balans is geraakt, en hij in de duisternis zoekt naar datgene wat hij zo graag zou willen vinden. 

   

   Is het mogelijk dat enige vorm van bewijs het bestaan van een individu na zijn ontbinding zou kunnen aantonen? Veronderstel eens dat een goede fee, bedroefd om mijn ongeloof, tot mij zou komen met het aanbod om alle bewijs te produceren dat ik mij maar wens, om me er van te overtuigen dat ik mijn geliefden na hun dood zou weerzien; veronderstel dat ik deze fee zou vertellen dat mijn vader al twintig jaar dood is; dat ik zijn levenloze lichaam naar het crematorium gevolgd ben, waar hij tot as gereduceerd werd; dat ik zou wensen dat hij als een levend wezen naar mij terug gebracht zou worden, en dat hij een jaar in mijn huis zou verblijven, en dat ik niet bedrogen zou worden. Neem eens aan dat , nadat dit jaar voorbij was gegaan, ik mijn buren en vrienden zou vertellen dat mijn vader bij mij in huis gewoond had, hoewel hij al meer dan twintig jaar dood was; veronderstel dat zij volkomen geloofden in mijn integriteit en beoordelingsvermogen; zou ik zelfs dan nog ook maar één persoon kunnen overtuigen dat mijn bewering waar was? Zouden zij terecht mijn bewering in twijfel trekken? Wat is tenslotte het meest redelijk, dat de dode tot leven terugkeerde, of dat ik mijn verstand verloren had? Al mijn vrienden zouden zeggen: ‘Arme kerel, wat erg dat hij zijn verstand verloren heeft.’ Tegenover de universele ervaring van de mensheid en de natuur, zou de dementie of krankzinnigheid van één mens, of van duizend mensen, volkomen ontoereikend zijn. De gekkenhuizen van de wereld zijn gevuld met mensen die deze dromen en visioenen hebben, die voor hen realiteit zijn maar die niemand anders gelooft, omdat ze totaal in tegenspraak zijn met welbekende feiten.


   Iedereen erkent de hopeloosheid van het vinden van enig bewijs dat het individu zou voortbestaan na het graf. In laatste instantie wordt ons gezegd dat het beter is in het doctrine te geloven, zelfs als het niet waar is. We worden er van verzekerd dat zonder dit geloof, het leven uit eenzaamheid en wanhoop zal bestaan. Hoe dit ook moge zijn, het feit blijft bestaan dat veel conclusies uit de logica niet tot vreugde stemmen; maar toch, zolang als mensen denken en voelen, zullen sommigen van hen hun capaciteiten zo goed mogelijk gebruiken. Want als we dingen moeten gaan geloven die niet waar zijn, wie moet dan onze overtuiging bepalen? Is het vertrouwd om het aan enig mens of enige organisatie over te laten de vergissingen te kiezen die we moeten accepteren? De hele geschiedenis van de wereld heeft die vraag in niet mis te verstane woorden beantwoord.


   En tenslotte, is het geloof in onsterfelijkheid noodzakelijk, of zelfs maar gewenst voor de mensheid? Miljoenen mannen en vrouwen hebben dat geloof niet; ze gaan door met hun dagelijkse beslommeringen en ervaren vreugde en verdriet zonder de verlokking van een onsterfelijk leven. De dingen die het geluk van het individu beïnvloeden zijn de zaken van alledag. Ze zijn het gezelschap van vrienden, de ontspanning en de overwegingen. Ze zijn misverstanden en onheuse oordelen, valse vrienden en schulden, armoede en ziekte. Ze zijn ons plezier in levende metgezellen, en ons verdriet over degenen die sterven. Wat onze overtuiging ook is, we leven hoofdzakelijk in het heden – in het hier en nu. Degenen die er van overtuigd zijn dat de mens sterfelijk is worden nooit door metafysische problemen geplaagd. Aan het einde van de dagelijkse arbeid zijn we blij ons bewustzijn tijdelijk in de slaap te verliezen; en intellectueel tenminste, verlangen we naar de lange rust van de spanningen en stormen die altijd inherent aan het dagelijks bestaan zijn.


   Wanneer we de korte duur van het leven volledig onderkennen, zijn vluchtige vreugden en onvermijdbare pijn; wanneer we het feit accepteren dat alle mannen en vrouwen een onvermijdelijk einde tegemoet gaan: dan hoort het bewust zijn daarvan ons vriendelijker en verdraagzamer ten opzichte van anderen te maken. Dit gevoel hoort ervoor te zorgen dat we onze beste krachten wijden aan het helpen van onze medereizigers op deze weg, om het pad helderder en gemakkelijker te maken als we verder reizen. Het moet een nauwere verwantschap brengen, en een diepere sympathie voor de medereizigers, waarmee we een gezamenlijk leven leiden en een gezamenlijke dood sterven.

_____


Bron: http://www.positiveatheism.org/hist/darrow0.htm


twitter-icon-64

OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP

Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort