visitors on myspace
WAAROM IK GEEN CHRISTEN BEN | POSITIEF ATHEÏSME <>

WAAROM IK GEEN CHRISTEN BEN

image7313

BERTRAND RUSSELL








Zoals uw voorzitter al heeft gezegd, is het onderwerp waarover ik vanavond wil spreken, 'Waarom ik geen christen ben'. Wellicht is het aan te bevelen om eerst proberen te bepalen wat men bedoelt met de term christen. Tegenwoordig wordt deze term door veel mensen op een zeer losse manier gebruikt. Sommige mensen bedoelen er niets meer mee dan een persoon die probeert een goed leven te leiden. Ik veronderstel dat er volgens dat begrip christenen zouden zijn in alle sekten en overtuigingen; maar ik denk niet dat dit de juiste betekenis is van dit woord, al was het alleen maar omdat dit zou suggereren dat alle mensen die geen christen zijn, alle Boeddhisten, Confucianisten, Moslims, enz., niet zouden proberen een goed leven te leiden.

DE DOOP VAN JEZUS

   Ik bedoel dus met een christen niet een persoon die volgens zijn inzichten probeert fatsoenlijk te leven. Ik denk dat men eerst een bepaalde mate van definitief geloof moet hebben voordat men het recht heeft zichzelf christen te noemen. Het woord heeft tegenwoordig niet de krachtige betekenis meer die het in de tijden van St. Augustinus en St. Thomas van Aquino had. Als toen iemand zei dat hij christen was, dan was bekend wat hij bedoelde. Dan accepteerde hij een hele verzameling van geloofsbelijdenissen die met grote precisie opgesteld waren, en in iedere enkele lettergreep van die belijdenissen geloofde hij dan met de volle kracht van zijn overtuiging.


WAT IS EEN CHRISTEN?

   Tegenwoordig is dat niet meer helemaal zo. We moeten een beetje vager zijn in onze definitie van het christen zijn. Ik denk echter, dat twee verschillende zaken heel essentieel zijn voor iemand die zich christen noemt. Het eerste is er een van dogmatische aard, namelijk dat hij in God en onsterfelijkheid moet geloven. Als hij niet in deze twee zaken gelooft, denk ik niet dat hij zichzelf echt christen mag noemen. Verder, zoals de naam al aangeeft, moet hij enig soort van geloof in Christus hebben. De Mohammedanen bijvoorbeeld, geloven ook in God en onsterfelijkheid, en toch zullen zij zichzelf geen christenen noemen. Ik denk dat hij op zijn allerminst moet geloven dat Christus, zo dan niet goddelijk, dan toch tenminste de beste en wijste mens is geweest. Als hij zelfs dat niet gelooft, denk ik niet dat hij het recht heeft om zichzelf christen te noemen. En dan is er natuurlijk nog een andere betekenis, zoals men die vindt in Whitakers Almanack en in geografie-boeken, waarin gezegd wordt dat de bevolking van de wereld verdeeld is in Christenen, Mohammedanen, Boeddhisten, fetisj vereerders, enzovoort; maar in die zin zijn we dan allemaal christenen. Die geografie-boeken tellen ons allemaal mee, maar dat is in zuivere geografische betekenis, en deze kunnen we mijns inziens hier negeren. Daarom neem ik aan dat wanneer ik u vertel dat ik geen christen ben, ik u twee dingen moet uitleggen: ten eerste, waarom ik niet in God en onsterfelijkheid geloof; en ten tweede, waarom ik niet denk dat Christus de beste en wijste mens was, hoewel ik hem wel een grote mate van morele goedheid wil toekennen.


   Ware het niet voor succesvolle inspanningen van ongelovigen in het verleden, dan zou ik nu een dergelijk rekbare definitie van het christendom niet kunnen aannemen. Als eerder gezegd, in vroegere tijden had het woord een veel krachtiger betekenis. Om een voorbeeld te noemen, het geloof in de hel. Geloof in een eeuwigdurend hellevuur was altijd een essentieel onderdeel van christelijk geloof tot aan betrekkelijk recente tijden toe. Zoals u weet hield het in dit land op een essentieel onderdeel te zijn door een besluit van de Privy Council, en namen de Aartsbisschop van Canterbury en de Aartsbisschop van York vervolgens afstand van dit besluit; maar in dit land wordt onze religie bepaald door een Act of Parliament, en daarom kon de Privy Council de bezwaren van Hunne Genades nietig verklaren en was de hel daarna niet noodzakelijk meer voor christenen. Daarom zal ik niet volhouden dat een christen nog steeds in de hel moet geloven.


HET BESTAAN VAN GOD

   Nu komen we toe aan de kwestie van het bestaan van God; het is een grote en serieuze kwestie, en als ik zou proberen deze op afdoende wijze te behandelen zou ik u allen tot St. Juttemis hier moeten houden, dus moet u mij verontschuldigen als ik dit op een nogal summiere wijze doe. U weet natuurlijk dat de katholieke kerk het als dogma heeft vastgelegd dat het bestaan van God bewezen kan worden zonder verdere redenering. Dit is een nogal curieus dogma, maar het is een van haar dogma's. Ze moest het wel invoeren omdat de vrijzinnigen vroeger de gewoonte hadden aangenomen om te zeggen dat er weliswaar argumenten bestonden die volgens zuivere rede tegen het bestaan van God in gingen, maar dat zij natuurlijk uit innerlijke geloofsovertuiging toch wel wisten dat God bestond. Die argumenten en redenen werden dan ook nog eens uitvoerig uiteengezet, en de katholieke kerk begreep dat zij hier snel een einde aan moest maken. Daarom bepaalde zij dat het bestaan van God zonder verdere redenering bewezen kan worden, en legde vast wat zij als argumenten beschouwden om dit te bewijzen. Er zijn er uiteraard een aantal, maar ik zal er slechts enkele van behandelen.


HET EERSTE OORZAAK ARGUMENT

   Misschien het eenvoudigste, en daarom gemakkelijkste te begrijpen, is het argument van de Eerste Oorzaak. Daarbij wordt gesteld dat alles wat we in deze wereld zien een oorzaak heeft, en als men de keten van oorzaken verder en verder terug gaat volgen, men uiteindelijk bij een eerste oorzaak aankomt, en aan die eerste oorzaak geeft men dan de naam God. 

   Ik veronderstel dat dit argument tegenwoordig niet zo zwaar meer weegt omdat, in de eerste plaats, oorzaak niet meer helemaal is wat het geweest is. Filosofen en wetenschappers hebben zich bezig gehouden met oorzaak, en het begrip heeft niet meer de vitaliteit die het had; maar los daarvan, kan men zien dat het argument dat er een eerste oorzaak moet zijn er een is zonder enige geldigheid. 

Mijn vader leerde mij dat de vraag, wie maakte mij, niet beantwoord kan worden omdat ze onmiddellijk de volgende vraag oproept, wie maakte God?

   Ik kan hier vermelden dat toen ik een jonge man was, en deze kwesties serieus in mijn geweten overwoog, ik nog lange tijd het argument van eerste oorzaak accepteerde, totdat ik op achttienjarige leeftijd op zekere dag de autobiografie van John Stuart Mill las, en daarin deze zinsnede vond: 'Mijn vader leerde mij dat de vraag, wie maakte mij, niet beantwoord kan worden omdat ze onmiddellijk de volgende vraag oproept, wie maakte God?'

   Deze zeer eenvoudige zin toonde mij, en daar ben ik ben nog steeds van overtuigd, de drogreden in het argument van de Eerste Oorzaak. Als alles een oorzaak moet hebben, dan moet ook God een oorzaak hebben. En als iets zonder oorzaak kan bestaan, dan kan dat net zo goed de wereld zijn als God, zodat er geen enkele geldigheid in dit argument kan zijn. Het is precies van hetzelfde kaliber als het Hindoe standpunt, dat de wereld op een olifant rust, en de olifant op een schildpad; en als ze dan vroegen: 'En die schildpad dan?' de Hindoe dan zei: 'Laten we het over iets anders hebben.' Dit argument is echt niets beter.


   Er bestaat geen enkele reden waarom de wereld niet heeft kunnen ontstaan zonder oorzaak; noch, aan de andere kant, bestaat er enige reden waarom de wereld niet altijd zou hebben bestaan. Er is geen reden om te veronderstellen dat de wereld een begin moet hebben gehad. De gedachte dat dingen een begin moeten hebben is te wijten aan de ontoereikendheid van onze verbeelding. Daarom hoef ik wellicht geen tijd meer te verknoeien over het argument van Eerste Oorzaak.


HET NATUURWET ARGUMENT

   Dan bestaat er nog het zeer gangbare argument van de natuurwetten. Dit was een favoriet argument gedurende de hele achttiende eeuw, vooral onder invloed van Sir Isaäc Newton en zijn kosmogonie. Men zag planeten in hun baan rond de zon gaan volgens de wet van de zwaartekracht, en men dacht dat God deze planeten bevolen had om op deze specifieke manier te bewegen, en dat ze dit daarom zo deden. Dat was natuurlijk een makkelijke en simpele uitleg die de moeite bespaarde om verder te zoeken naar een verklaring voor de wet van de zwaartekracht.

   Tegenwoordig kunnen we de wet van de zwaartekracht op een nogal gecompliceerde, door Einstein geïntroduceerde wijze, uitleggen. Ik stel voor om u niet een lezing te geven over de wet van de zwaartekracht, zoals Einstein die interpreteert, omdat ook dat weer zoveel tijd kost; in ieder geval hebben we de natuurwetten niet meer zoals we die hadden in het systeem van Newton, waarin om redenen die niemand begreep, de natuur zich op uniforme wijze zou gedragen. We weten nu dat een groot aantal dingen die we aan natuurwetten toeschreven in werkelijkheid menselijke conventies zijn.


   U weet dat zelfs in de verste regionen van ons sterrenstelsel er nog steeds drie voet in een yard gaan. Dat is natuurlijk een zeer opmerkelijk feit, maar men kan het nauwelijks een natuurwet noemen. En een groot aantal zaken die men altijd als natuurwetten beschouwd had, zijn van dezelfde soort. Aan de andere kant, als men dieper ingaat op wat nu bekend is over het gedrag van atomen, vindt men dat ze veel minder aan wetten onderworpen zijn dan men altijd dacht, en dat de wetten waarop men uitkwam statistische gemiddelden zijn van precies dezelfde soort als uit toeval te voorschijn zouden zijn gekomen.


   Zoals u allen weet is er een wet die zegt dat als men met dobbelstenen gooit, men slechts dubbel zes krijgt in ongeveer een op de zesendertig keer, en we beschouwen dat niet als bewijs dat het vallen van dobbelstenen bepaald wordt volgens plan; integendeel, als de dubbele zessen iedere keer zouden opkomen, zouden we eerder aan opzet denken. Veel natuurwetten zijn van die soort. Ze zijn statistische gemiddelden die verschijnen volgens de wet van het toeval, en dat maakt de hele zaak van de natuurwetten veel minder indrukwekkend dan ze vroeger was. 


   Helemaal los van het gegeven dat datgene wat vandaag de stand van wetenschap vertegenwoordigt, morgen al veranderd kan zijn, is het hele idee dat natuurwetten ook een wetgever moeten inhouden, ontstaan door natuurwetten met menselijke wetten te verwarren. Menselijke wetten zijn bevelen die een bepaald gedrag voorschrijven, een gedrag dat men kan navolgen of nalaten; maar natuurwetten zijn een beschrijving van hoe de dingen zich in feite al gedragen, en slechts een beschrijving van feitelijk gedrag zijnde, kan men niet beargumenteren dat er iemand moet zijn die ze opgedragen heeft om dat te doen, omdat zelfs de veronderstelling dat er zo iemand zou zijn direct de vraag opwerpt, waarom God dan alleen natuurwetten uitvaardigde, en geen andere?

   Als men zegt dat hij dat gewoon voor zijn eigen plezier deed, en zonder enige reden, vindt men dat er dingen zijn die niet aan wetten onderhevig zijn, zodat de keten van natuurwetten weer onderbroken wordt. Als men zegt, zoals veel orthodoxe theologen doen, dat voor al de wetten die God uitvaardigde er een reden was waarom hij juist deze wetten uitvaardigde en andere niet, en de de reden zijnde dat hij natuurlijk het beste universum wilde scheppen, hoewel dat moeilijk te geloven valt als men het zo ziet. En als er een reden was voor de wetten die God gaf, dan was ook God onderworpen aan een wet, en dan is er geen voordeel te bereiken door God als tussenpersoon te introduceren. Men heeft dan een wet buiten en voorafgaande aan de goddelijke decreten, en God voldoet dan niet aan de doelstelling omdat hij dan niet de uiteindelijke wetgever is. In het kort gezegd heeft dit hele argument uitgaande van natuurwetten al lang niet meer de overtuigingskracht die het vroeger had.


   Ik reis verder door de tijd met mijn overzicht van deze argumenten. De argumenten die gebruikt worden voor het bestaan van God veranderen van aard als tijd verstrijkt. Vroeger waren het onbetwiste intellectuele argumenten die vorm gaven aan bepaalde heel definitieve drogredenen. Als we aan de moderne tijd toe komen, worden ze intellectueel minder respectabel, en steeds meer gekunsteld door een soort van moraliserende vaagheden.


HET ARGUMENT VAN PLANMATIGHEID

   De volgende stap in dit proces brengt ons op het argument van planmatigheid. Het argument van planmatigheid kent u allemaal; alles in de wereld zou zo gemaakt zijn dat wij in staat zijn in die wereld te leven, en als de wereld ook maar een heel klein beetje anders zou zijn, zouden wij er niet in kunnen leven. Dat is het argument van planmatigheid. Soms neemt het een vreemde vorm aan; er wordt bijvoorbeeld soms beweerd dat konijnen witte staarten hebben om het schieten ervan te vergemakkelijken. Ik weet niet hoe konijnen over deze toepassing denken. Het is een moeiteloos te parodiëren argument.

 

  U kent allen de opmerking van Voltaire dat duidelijk is dat de neus zodanig is ontworpen dat er een bril op past. Dit soort parodieën zijn er niet eens zo ver naast als het in de achttiende eeuw geleken moet hebben, omdat we sinds de tijd van Darwin veel beter begrijpen hoe levende wezens aan hun omgeving aangepast zijn. Het is niet zo dat hun omgeving geschikt voor hen werd gemaakt, zij werden geleidelijk aan geschikt gemaakt voor hun omgeving, en dat is het principe van aanpassing. Bewijs voor planmatigheid bestaat niet.


   Als men dit argument van planmatigheid goed beschouwt, is het hoogst verbazingwekkend dat mensen kunnen geloven dat deze wereld, met alle dingen daarin, dus met al zijn gebreken, het beste moet zijn dat almachtigheid en alwetendheid heeft kunnen produceren over een periode van miljoenen VOLTAIRE                                  jaren. Dat kan ik echt niet geloven. Denkt u werkelijk, dat als almachtigheid en alwetendheid uw deel zouden zijn en u miljoenen jaren kreeg om uw wereld te perfectioneren, u niets beters zou kunnen produceren dan de Ku Klux Klan, de fascisten, en Mr. Winston Churchill? 

   Ik raak echt niet onder de indruk van mensen die zeggen: Kijk naar mij: Ik ben een zodanig prachtige schepping dat er wel planmatigheid in het universum moet zijn. Ik ben niet erg onder de indruk van de pracht van deze mensen.


   Bovendien, als men de normale wetenschappelijke wetten accepteert, moet men veronderstellen dat menselijk leven en leven in het algemeen, op deze planeet te zijner tijd zullen uitsterven; het is maar een flits, een interval; het is een stadium in het verval van het zonnestelsel; in een bepaald stadium van verval krijgt men de soort condities en temperaturen enzovoort, die geschikt zijn voor protoplasma, en dan is er leven voor korte tijd in het leven van het zonnestelsel. Op de maan ziet u de conditie waarnaar de aarde op weg is, iets doods, kouds en levenloos.

   Men zegt dat dit gezichtspunt deprimerend is, en mensen zeggen soms dat als zij dat zouden geloven, ze niet verder zouden kunnen leven. Geloof het niet; het is allemaal nonsens. Niemand maakt zich echt zorgen over wat er gaat gebeuren over miljoenen jaren van nu. Zelfs als ze denken dat ze zich er zoveel zorgen over maken, bedriegen ze alleen zichzelf maar. Ze maken zich zorgen over iets veel wereldser, of misschien is het een slechte spijsvertering; maar niemand wordt serieus ongelukkig gemaakt door de gedachte aan iets dat de wereld gaat overkomen over miljoenen en miljoenen jaren vanaf nu.


   Daarom, hoewel het natuurlijk een somber vooruitzicht is te veronderstellen dat het leven zal uitsterven, tenminste, ik denk dat we dat wel kunnen zeggen, hoewel als ik soms de dingen overweeg die mensen met hun leven doen, ik daar ook wel troost in vind, is het toch niet zo dat dit het leven miserabel maakt. Het bevordert slechts dat men de aandacht op andere zaken gaat richten.


HET MORELE ARGUMENT VOOR GODDELIJKHEID

   Nu komen we toe aan een volgend stadium van wat ik de intellectuele aftakeling noem die de theïsten toegestaan hebben in hun argumentaties, en bespreken we wat de morele argumenten voor het bestaan van God genoemd worden. U weet natuurlijk allemaal dat er vroeger drie intellectuele argumenten voor het bestaan van God bestonden, die alle drie door Immanuël Kant weg geredeneerd werden in de 'Kritiek van de zuivere rede'; maar zodra hij deze argumenten opgeruimd had, vond hij weer een nieuwe uit, een moreel argument, en daar was hij compleet van overtuigd. Hij was net als zoveel mensen; in intellectuele zaken was hij wel sceptisch, maar in zaken van moraal geloofde hij nog onvoorwaardelijk in de stelregels die hij op zijn moeders knie ingeprent had gekregen. Dit illustreert wat de psycho-analisten zo benadrukken, dat vroege associaties een immens veel sterkere greep op ons hebben dan latere.

KANT

   Kant, zoals ik zei, vond een nieuw moreel argument uit voor het bestaan van God, en dat was, in verschillende vormen extreem populair gedurende de negentiende eeuw. Het had allerlei vormen. Een vorm is te zeggen dat er geen verschil tussen goed en kwaad zou bestaan als God niet bestond. Voor het moment ben ik even niet geïnteresseerd of er verschil bestaat tussen goed en kwaad, of dat dit er niet is; dat is een ander vraagstuk. Het punt waarin ik geïnteresseerd ben is dat wanneer men volledig overtuigd is van een verschil tussen goed en kwaad, men dan voor de vraag komt te staan: is dat verschil aan Gods toestemming te danken of niet?


   Als het te danken is aan Gods goedkeuring, dan bestaat er voor God geen verschil tussen goed en kwaad, en dan heeft de verklaring dat God goed is geen enkele waarde meer. Als men gaat zeggen, zoals de theologen doen, dat God goed is, dan moet men toegeven dat goed en kwaad een betekenis hebben die onafhankelijk van Gods toestemming is, omdat Gods toestemmingen goed zijn en niet slecht, onafhankelijk van het enkele feit dat hij ze verleend heeft.

   Als men dat gaat zeggen, moet men ook toegeven dat het niet alleen door God is dat goed en kwaad kwamen te bestaan, maar is het logisch dat zij in essentie voorafgegaan zijn aan God. Als men wil, kan men natuurlijk zeggen dat er een superieure godheid was die opdracht gaf aan de God die deze wereld schiep, of men zou de bewering van de agnostici kunnen steunen, een bewering waarvan ik vaak denk dat die zeer geloofwaardig is, dat de wereld die wij kennen eigenlijk door de Duivel werd gemaakt toen God even niet oplette. Daar zou veel waarheid in kunnen zijn, en ik ga het niet tegenspreken. 


HET ARGUMENT VAN HET HERSTELLEN VAN ONRECHT

   Dan bestaat er nog een zeer curieuze vorm van moreel argument, te weten: men zegt dat het bestaan van God noodzakelijk is om rechtvaardigheid in deze wereld te brengen. In het deel van het universum dat wij kennen bestaat veel onrecht, en vaak moeten de goeden lijden, en vaak genieten de kwaden voorspoed, en het is moeilijk te zeggen welke van de twee het meest ergernis wekkende is; maar als er rechtvaardigheid in het hele universum moet zijn, moet men veronderstellen dat er een toekomstig leven bestaat om de balans van het leven hier op aarde weer goed te maken. En moet men dus zeggen dat er een God moet zijn, en dat hel en hemel moeten bestaan, zodat er over het geheel gezien toch weer rechtvaardigheid ontstaat. 


   Dit is een zeer vreemd argument. Als men deze zaak vanuit een wetenschappelijk standpunt bekijkt, zou men zeggen: Tenslotte ken ik alleen deze wereld. Ik weet niets over de rest van het universum, maar voor zover we kunnen oordelen op basis van waarschijnlijkheden, is het zeer waarschijnlijk dat deze wereld er een goed voorbeeld van is, en als er hier onrecht bestaat, zal dat overal elders ook wel zo zijn.


   Stelt u zich voor dat u een krat sinaasappels zou openen, en u ziet dat de hele bovenste laag bedorven is, dan gaat u toch ook niet beweren: De onderste moeten nu wel goed zijn, om het evenwicht te herstellen. U zou zeggen: Waarschijnlijk is de hele partij bedorven, en dat is precies wat een wetenschapper zou beweren over het universum. Hij zou zeggen: Hier in deze wereld treffen we veel onrecht aan, en aangezien dit zo is hebben we goede reden aan te nemen dat de wereld niet door rechtvaardigheid geleid wordt; en als dat zo is leidt dit tot een argument tegen goddelijkheid, en niet er voor. Natuurlijk weet ik dat de intellectuele argumenten waarover ik hier tot u spreek niet datgene is dat mensen beweegt. Wat de mensen beweegt om in God te geloven is helemaal geen intellectueel argument. De meeste mensen geloven in God omdat ze dat van kind af aan geleerd is, en dat is de hoofdzakelijke reden.


   En bovendien denk ik dat de volgende meest krachtige reden de behoefte aan veiligheid is, een soort gevoel dat er een grote broer bestaat die op ons past. Dit speelt een zeer nadrukkelijke rol in de menselijke wens om in God te geloven.


HET KARAKTER VAN CHRISTUS

   Nu wil ik graag een paar woorden wijden aan een onderwerp waarvan ik vaak denk dat het onvoldoende is behandeld door de rationalisten, en dat is de vraag of Christus de beste en wijste mens was. 

   Algemeen wordt aangenomen dat dit zo is en dat we het daarover eens moeten zijn. Ik denk dat niet. Ik denk dat er veel punten zijn waarover ik het meer met Christus eens ben dan veel belijdende christenen dat zijn. Ik denk niet dat ik Hem helemaal zou volgen, maar ik kan veel verder met hem gaan dan de meeste belijdende christenen doen. U zult zich herinneren dat hij zei, "Weersta het kwaad niet, maar wie u op de rechter wang slaat, keer hem de andere wang toe". Dit is trouwens niet een nieuwe leerstelling of een nieuw principe. Het werd gebruikt door Lao Tse en Boeddha ongeveer 500 of 600 jaar voor Christus, maar het is niet een principe dat christenen accepteren.

Ik twijfel er niet aan dat bijvoorbeeld de huidige Prime Minister een oprechte christen is, maar ik zou geen van u willen adviseren hem op enige wang te slaan. Ik denk dat u dan ontdekt dat hij dacht dat dit alleen in overdrachtelijke zin bedoeld was.


   Dan is er nog een punt dat ik als excellent beschouw. U herinnert zich dat Christus zei, "Oordeel niet, opdat u niet beoordeeld zult worden". Ik denk niet dat u dit principe populair is in de gerechtshoven van christelijke landen. Ik heb in mijn tijd een aantal rechters gekend die serieuze christenen waren, en geen van allen had het idee dat hetgeen zij deden tegen de christelijke beginselen in ging. En ook zei Christus, "Geef aan degene die daarom vraagt, en wendt u niet af van degene die van u wil lenen". Dat is een zeer goed principe. Uw voorzitter heeft u er aan herinnerd dat we hier niet zijn om politiek te bespreken, maar ik kan er niets aan doen dat ik opgemerkt heb dat de laatste algemene verkiezing uitgevochten werd over de kwestie van hoe wenselijk het was zich af te wenden van diegene, die van u wilde lenen, zodat we wel moeten aannemen dat de liberalen en de conservatieven in dit land bestaan uit mensen die het niet eens zijn met de leer van Christus, want zij zeker hebben zich nadrukkelijk afgewend van dat idee.


   Ook is er nog een andere stelling van Christus waarvan ik denk ze veel waarheid bevat, maar ik zie niet dat deze erg populair is onder sommige van onze christelijke vrienden. Hij zegt, "Als gij volmaakt wilt zijn, ga dan heen en verkoop dat wat ge bezit, en geef aan de armen". Dit is een zeer excellente stelregel, maar zoals ik zeg, niet vaak nagevolgd. Ik vind dat al deze stelregels goed zijn, hoewel een beetje moeilijk na te leven. Ik beken dat ik ze zelf niet naleef; maar dan, tenslotte ligt dat niet in mijn karakter, en is het voor mij niet hetzelfde als voor een christen.


GEBREKEN IN DE LEERSTELLINGEN VAN CHRISTUS

   Nadat ik de uitmuntendheid van voorgaande stelregels heb erkend, kom ik toch op bepaalde punten waarvan ik niet geloof dat ze hetzij de meest voortreffelijke wijsheid, dan wel de grandioze goedheid van Christus, zoals die in de Evangeliën voorgesteld worden, bevestigen; en hierbij moet ik wel zeggen dat we ons afzijdig houden van de historische kwestie.


   Historisch gezien is het zeer twijfelachtig of Christus ooit bestaan heeft, en als Hij bestaan zou hebben, weten we helemaal niets over Hem, zodat ik me niet bemoei met de historische kwestie, die zeer moeilijk is. Ik bemoei me met de Christus zoals hij verschijnt in de Evangeliën, en als ik de evangelische teksten letterlijk neem, dan vind ik daarin dingen die mij niet erg wijs lijken.

   Eén ding is bijvoorbeeld dat hij zeker meende te weten dat zijn tweede komst in wolken van glorie zou plaatsvinden voor de dood van alle mensen die toen leefden. Er bestaan een groot aantal teksten die dit bewijzen. Hij zegt bijvoorbeeld, "Gij zult niet heengegaan zijn over de steden van Israel tot de Zoon der mensheid gekomen is." En ook nog: "Sommigen die hier staan zullen de dood niet aanschouwen tot de Zoon der mensheid Zijn koninkrijk in gaat." En zo zijn er tal van plaatsen waarin het heel duidelijk is dat Hij geloofde dat Zijn tweede komst zou plaatsvinden tijdens het leven van velen die toen leefden.


   Dat was het geloof van zijn vroege volgelingen, en het was de basis van veel van Zijn morele leer. Wanneer Hij zei, "Heb geen zorgen over de dag van morgen" en dat soort dingen, was dat hoofdzakelijk omdat Hij dacht dat Zijn tweede komst al snel zou komen, en dat alledaagse en gewone zaken er dan niet meer toe deden. Zelf heb ik ook christenen gekend die dachten dat de tweede komst op handen was. Ik kende een dominee die zijn gemeente de stuipen op het lijf joeg door ze te vertellen dat de tweede komst nu zeer nabij was, maar ze werden weer gerustgesteld toen ze hem bomen in zijn tuin zagen planten. De vroege christenen geloofden het echt, en zij zagen er van af om bomen in hun tuinen te planten, omdat zij van Christus de overtuiging accepteerden dat Zijn tweede komst nabij was. In dit opzicht was Hij duidelijk niet zo wijs als sommige anderen geweest zijn, en al helemaal niet superieur wijs.


HET MORELE PROBLEEM

   We komen nu tot de morele kwesties. Naar mijn mening bestaat er een serieus gebrek in het morele karakter van Christus, en dat is dat hij geloofde in een hel. Naar mijn mening kan een persoon die diepgaand humaan is niet geloven in eeuwigdurende bestraffing. Van Christus, als afgeschilderd in de evangeliën, is zeker dat Hij geloofde in eeuwigdurende bestraffing, en men vindt daar herhaaldelijk blijken van wraakzuchtige woede tegen mensen die niet geloofden in zijn preken. Een houding die niet ongewoon is voor predikers, maar die wat afbreuk doet aan zijn superieure uitmuntendheid.

   U vindt deze houding bijvoorbeeld niet bij Socrates. Hij stond zeer laconiek en hoffelijk tegenover de mensen die niet naar hem wilden luisteren; en naar mijn mening is dat meer achtenswaardig voor een wijs mens, dan een houding van verontwaardiging. U herinnert zich waarschijnlijk wat Socrates zei toen hij stervende was, en het soort dingen dat hij in het algemeen zei tegen mensen die het niet met hem eens waren.


   In de evangeliën zult u vinden dat Christus zei, "Gij serpenten, gij addergebroed, hoe kunt ge verdoemenis der hel ontkomen". Dat werd tegen mensen gezegd die zijn preken niet goed vonden. Ik denk dat dit niet helemaal de juiste toon is, en zo zijn er nog een aantal verwijzingen naar de hel. En er is natuurlijk de bekende tekst over zonden tegen de Heilige Geest, "Wie van u zal spreken tegen de Heilige Geest, hem zal het niet vergeven worden, noch in deze wereld, noch in de volgende." Deze tekst heeft een ongehoorde hoeveelheid misère in de wereld teweeg gebracht, omdat allerlei mensen zich verbeeldden dat zij een zonde tegen de Heilige Geest hadden begaan, en zij dachten dat dit hen nooit zou worden vergeven, noch in deze wereld, noch in de volgende.


   Ik denk echt niet dat een persoon met enige mate van vriendelijkheid in zijn karakter, dit soort angsten en terreur in de wereld zou willen brengen. En Christus zei ook nog, "De Zoon der mensheid zal Zijn engelen afvaardigen, en zij zullen alle dingen verzamelen uit Zijn koninkrijk die zondig zijn, en die onrechtvaardig zijn, en ze in een oven van vuur storten; en er zal geween en gekners der tanden zijn." En Hij gaat door over geween en gekners der tanden. Het komt steeds terug in het ene vers na het andere, en het is voor de lezer overduidelijk dat er een zekere mate van leedvermaak moet zijn in het overpeinzen van geween en gekners der tanden, anders zou het niet zo vaak voorkomen.

   En verder zult u zich allen de schapen en geiten herinneren; hoe Hij bij terugkeer op aarde de schapen zal scheiden van de geiten, en hoe Hij tegen de geiten zal zeggen, "Ga heen van Mij, gij vervloekten, in het eeuwigdurende vuur." En dan zegt Hij ook nog, "Als uw hand tegen u zondigt, kap hem af, het is beter voor u het leven verminkt in te gaan, dan met twee handen de hel te betreden, in het vuur dat nooit gedoofd zal worden, waar de worm niet sterft en het vuur niet gedoofd zal worden." Ook dit herhaalt hij steeds weer.


   Ik moet zeggen dat ik deze hele doctrine van hellevuur als bestraffing van zonde, een doctrine van wreedheid vind. Het is een doctrine dat wreedheid in de wereld gebracht heeft, en dat de wereld generaties lang wrede martelingen bracht; en de Christus van de evangeliën, als men Hem mag voorstellen zoals zijn biografen Hem weergeven, moet hiervoor zeker gedeeltelijk verantwoordelijk worden geacht.


   Het curieuze feit bestaat, dat hoe meer intens de religie van enige periode beleefd werd, en hoe meer uitgesproken het dogmatische geloof was, hoe groter de wreedheden en slechter de omstandigheden waren. In de zogenoemde tijdperken van geloof, toen mensen echt nog in de volle omvang van christelijke religie geloofden, was er de Inquisitie met al zijn martelingen; werden miljoenen van ongelukkige vrouwen als heksen verbrand; en werd iedere wreedheid tegen tal van mensen begaan in naam van religie. Als u de wereld goed beschouwt ziet u dat iedere kleine stap voorwaarts in menselijke gevoelens, iedere verbetering in het strafrecht, iedere stap naar vermindering van oorlog, iedere poging tot verbetering van het lot van kleurlingen, of zelfs vermindering van slavernij, ieder morele vooruitgang die ooit in de wereld plaatsvond, consequent tegengewerkt werd door de georganiseerde kerken van de wereld. Ik zeg zeer nadrukkelijk dat christelijke religie, zoals die in kerken georganiseerd is, altijd de grootste vijand van morele vooruitgang in de wereld geweest is, en nog steeds is.


HOE KERKEN VOORUITGANG VERTRAAGD HEBBEN

   Misschien denkt u wel dat ik te ver ga als ik zeg dat dit nog steeds het geval is, maar ik denk van niet. Neem een feit. U moet me verontschuldigen dat ik het noem. Het is geen aangenaam feit, maar kerken dwingen iemand om feiten te noemen die niet aangenaam zijn. Veronderstel dat in de huidige wereld waarin wij leven een onervaren meisje trouwt met een syfilitische man. In dat geval zegt de katholieke kerk, 'Dit is een onverbrekelijk sacrament. Jullie moeten levenslang samen blijven.' En er mogen door deze vrouw dan zelfs geen maatregelen worden genomen om te voorkomen dat ze syfilitische kinderen baart. Dat is wat de katholieke kerk zegt. Ik zeg dat dit een duivelse wreedheid is, en niemand waarvan de natuurlijke sympathieën niet door dogma's misvormd zijn, of wiens morele natuur niet volkomen ongevoelig voor het leed van anderen is, kan volhouden dat het gerechtvaardigd is om deze condities te laten voortbestaan.


   Dit is nog maar één voorbeeld. Er bestaat een groot aantal manieren waarmee de kerk tegenwoordig, door vast te houden aan wat het zelf moraal noemt, aan allerlei mensen onverdiend en onnodig leed toebrengt. En natuurlijk, zoals we allen weten, is ze voor het grootste deel nog steeds een tegenstander van vooruitgang, en verbetering van die maatregelen die vermindering van het lijden in de wereld beogen. En dit alles omdat zij voor wat zij moraal noemen, gekozen hebben voor een bepaald eng stelsel van gedragsregels, dat niets met menselijk geluk te maken heeft; en als men zegt dat dit of dat gedaan hoort te worden omdat dit het menselijke geluk vergroot, vinden zij dat dit er helemaal niets mee te maken heeft. 

   Wat heeft menselijk geluk met moraal te maken? Het doel van moraal is niet om mensen gelukkig te maken.


VREES, DE BASIS VAN RELIGIE

   Religie, naar mijn mening, is in de eerste plaats en hoofdzakelijk gebaseerd op angst. Gedeeltelijk is het de vrees voor het onbekende, en gedeeltelijk, zoals ik eerder opmerkte, op de wens een soort grote broer te hebben die ons terzijde staat in problemen en geschillen. Vrees staat aan de basis van de hele zaak, vrees voor het mysterieuze, vrees verslagen te worden, vrees voor de dood. Vrees veroorzaakt wreedheid, en daarom is het geen wonder dat religie en wreedheid altijd hand in hand zijn gegaan. Dat is omdat vrees de basis vormt voor beiden. In deze wereld beginnen we nu dingen enigszins te begrijpen, en ze een beetje te beheersen met behulp van een wetenschap, die haar ontwikkeling stap voor stap heeft moeten bevechten tegen de christelijke religie in, tegen de kerken, en tegen de oppositie van al de oude voorschriften. 


   Wetenschap kan ons helpen de lafhartige vrees te overwinnen waarin de mensheid zoveel generaties geleefd heeft. Wetenschap kan ons leren, en ik denk dat onze eigen harten ons kunnen leren, niet langer rond te zoeken naar denkbeeldige steun, niet langer bondgenoten in de hemel uit te vinden, maar in plaats daarvan onze eigen inspanningen hier beneden te beschouwen, hoe ze deze wereld geschikt kunnen maken als een plaats om in te leven, in plaats van het oord dat de kerken er in al deze eeuwen van gemaakt hebben. 


WAT WE MOETEN DOEN

   We moeten op onze eigen benen staan en de wereld frank en vrij beschouwen, haar goede dingen, haar slechte dingen, haar schoonheden en haar lelijkheid; de wereld zien zoals ze is en er niet bang voor zijn. Verover de wereld door intelligentie en niet door slaafse onderworpenheid als gevolg van vrees. De hele voorstelling van een God is een voorstelling ontstaan uit oude oriëntaalse tirannieën. Het is een voorstelling die vrije mensen onwaardig is. Als men hoort hoe mensen zichzelf in kerken omlaaghalen en zeggen dat ze miserabele zondaars zijn, en al de rest die daar bij hoort, is dat verachtelijk en onwaardig voor zelfbewuste menselijke wezens. We horen op te staan en de wereld eerlijk in het gezicht kijken. We horen naar vermogen het beste van de wereld te maken, en als ze niet zo goed is als we zouden wensen, dan is ze tenslotte altijd nog beter dan wat die anderen er van gemaakt hebben in al die eeuwen.

   Een goede wereld vereist kennis, mildheid, en moed; wat ze niet nodig heeft is een spijtige hunkering naar het verleden, of een belemmering van de vrije intelligentie door middel van woorden die lang geleden door onwetende mensen werden geuit. Ze vereist een onbevreesde levensopvatting en een vrije intelligentie. Ze vereist hoop voor de toekomst, niet een terugblik op een al lang dood verleden, een verleden waarvan we weten dat het ver overtroffen gaat worden door de toekomst die ons intellect kan scheppen.

_____


Bron: http://users.drew.edu/~jlenz/whynot.html

twitter-icon-64


OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP



Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort