visitors on myspace
HEEFT RELIGIE NUTTIG AAN DE BESCHAVING BIJGEDRAGEN? | POSITIEF ATHEÏSME <>

HEEFT RELIGIE NUTTIG AAN DE BESCHAVING BIJGEDRAGEN?  

image7313

BERTRAND RUSSELL








Mijn eigen kijk op religie is die van Lucretius. Ik beschouw het als een uit vrees geboren kwaal, en als bron van onnoemelijk leed voor het menselijk ras. Ik kan echter niet ontkennen dat het iets heeft bijgedragen aan de beschaving. Het heeft in vroegere tijden bijgedragen aan het vaststellen van de kalender, en was er oorzaak van dat Egyptische priesters zo nauwkeurig het verloop van zons- en maansverduisteringen gingen vastleggen, dat ze als gevolg daarvan na verloop van tijd deze zelfs konden voorspellen. Die twee diensten ben ik bereid te erkennen, maar van anderen weet ik niet.

imgres


   Het woord religie wordt tegenwoordig nogal losjes gebruikt. Sommigen, onder invloed van extreem protestantisme, gebruiken het woord om iedere serieuze persoonlijke overtuiging over moraliteit, of over de aard van het universum, aan te geven. Deze toepassing van het woord is in het geheel niet historisch. Religie is in de eerste plaats een sociaal fenomeen. Kerken mogen dan wel hun oorsprong danken aan voorgangers met sterke individuele overtuigingen, maar deze voorgangers hebben maar zelden veel invloed gehad op de kerken die ze stichtten, terwijl daarentegen kerken een enorme invloed hebben gehad op de gemeenschappen waarin ze floreerden. Neem het geval dat het meest interessant is voor leden van de westerse beschaving: de leer van Christus zoals die verschijnt in de evangeliën, heeft maar bitter weinig te maken met de ethiek van de christenen. Het meest belangrijke van het christendom, vanuit een sociaal en historisch gezichtspunt, is niet Christus maar de kerk, en als we het christendom als sociaal motief moeten beoordelen, moeten we ons materiaal niet in de evangeliën zoeken. Christus verkondigde dat men zijn goederen aan de armen moest geven, dat men niet moest vechten, dat men niet naar de kerk moest gaan, en dat men overspel niet moest bestraffen. Noch de katholieken, noch de protestanten hebben sterke neiging vertoond de leer in een van die opzichten te volgen. Toegegeven, de Franciscanes hebben getracht het doctrine van apostolische verzaking van persoonlijk eigendom te propageren, maar de Paus veroordeelde hen, en hun doctrine werd ketters verklaard. Of, om iets anders te noemen, kijk eens naar een tekst als “Oordeel niet, opdat ge niet beoordeeld zult worden,” en vraag u af hoeveel invloed deze tekst heeft gehad op de Inquisitie of de Ku Klux Klan.

   Wat voor het Christendom geldt, geldt evengoed voor het Bhoeddisme. Bhoedda was beminnelijk en rationeel; op zijn sterfbed lachte hij zijn volgelingen uit omdat ze dachten dat hij onsterfelijk was. Maar het Bhoeddistische priesterdom – zoals het bijvoorbeeld in Tibet bestaat – is altijd in hoge mate obscurantisch, tiranniek en uiterst wreed geweest.

En net als iedere andere bevoorrechte kaste, gebruiken zij die macht dan ten eigen voordeel

   Dit verschil tussen de kerk en haar stichter is niet toevallig. Zodra een absolute waarheid verondersteld wordt in iemands uitspraken vervat te zijn, vormt zich een groep experts om die uitspraken te interpreteren, en verwerven deze experts onvermijdelijk macht, aangezien ze de sleutel tot de waarheid bezitten. En net als iedere andere bevoorrechte kaste, gebruiken zij die macht dan ten eigen voordeel. Maar in één opzicht zijn zij nog erger dan iedere andere bevoorrechte kaste, omdat het hun taak is een onveranderlijke waarheid te verklaren, een waarheid die slechts eenmaal in volmaakte perfectie geopenbaard werd, zodat ze noodgedwongen alle intellectuele en morele vooruitgang sindsdien moeten weerspreken. Vroeger weersprak de kerk Galileo en Darwin; tegenwoordig weerspreekt ze Freud. En tijdens haar periode van grootste macht ging ze nog verder in haar oppositie tegen het intellectuele leven. Paus Gregorius de Grote schreef aan zekere bisschop een brief die begon met: “Een bericht heeft ons bereikt dat we niet zonder blozen kunnen noemen, dat gij grammatica onderricht aan bepaalde vrienden.” De bisschop werd door de pauselijke authoriteiten gedwongen van deze verwerpelijke inspanningen af te zien, en het Latinisme herstelde zich daarna niet eerder dan in de Renaissance. Religie is niet alleen in intellectuele zin schadelijk, maar ook in morele zin. Hiermee bedoel ik dat het ethische codes propageert die niet bevorderlijk zijn voor het menselijk geluk.


   Toen een paar jaar geleden een volksstemming in Duitsland werd gehouden over de vraag of aan afgezette koningshuizen het gebruik van hun privè bezittingen nog gegund moest worden, gaven de kerken in Duitsland een officieele verklaring uit dat het tegen de leer van het christendom zou zijn ze die af te nemen. Zoals een ieder weet stelden de kerken zich, zo lang zij durfden, te weer tegen de afschaffing van slavernij, en op een paar goedgekozen uitzonderingen na, bestrijdt ze ook nu nog steeds iedere bevordering van economische rechtvaardigheid. De Paus heeft het socialisme officieel veroordeeld.


CHRISTENDOM EN SEKSUALITEIT

   Het slechtste kenmerk van christelijke religie is echter haar opstelling ten opzichte van seksualiteit – een opstelling zo morbide en zo onnatuurlijk dat die alleen begrepen kan worden in het licht van de verzieking van de beschaafde wereld ten tijde van het verval van het Romeinse rijk. Soms horen we praatjes die moeten aantonen dat het christendom de positie van vrouwen verbeterd heeft. Dit is een van de grofste verdraaiingen van de geschiedenis die men mogelijk kan maken. Vrouwen kunnen geen aanvaardbare positie in een gemeenschap genieten waarin het van het grootste belang wordt geacht dat zij een zeer rigide morele code niet overtreden. Monniken hebben de vrouw altijd primair als verleidster gezien; zij werd vooral gezien als inspiratie voor onzuivere lusten. De leer van de kerk was, en is nog steeds, dat maagdelijkheid het beste is, maar dat voor diegenen voor wie dat onmogelijk is, trouwen wordt toegestaan.


   “Het is beter te trouwen dan te branden,” zoals Paulus het stelde. Door het huwelijk onontbindbaar te maken, en door alle kennis over de ars amandi (red: “De kunst der vrijage”, van Ovidius) in de ban te doen, deed de kerk wat ze maar kon om zeker te maken dat de enige vorm van seksualiteit die ze toestaat zo weinig mogelijk plezier en veel pijn oplevert. Het verzet tegen geboortebeperking heeft in feite hetzelfde motief: als een vrouw ieder jaar een kind krijgt totdat ze van uitputting sterft, is het nauwelijks denkbaar dat ze enig plezier aan haar huwelijk beleeft; daarom moet geboortebeperking ontmoedigd te worden.


   Het concept van zonde, dat onlosmakelijk met de christelijke ethiek is verbonden, is buitengewoon schadelijk daar dit aan mensen een uitlaat voor hun sadisme verschaft die ze als legitiem, zelfs als nobel ervaren. Neem bijvoorbeeld de kwestie van de preventie van syfilis. Het is bekend dat door het nemen van tijdige voorzorgsmaatregelen, het risco op besmetting verwaarloosbaar klein kan worden gemaakt. Christenen maken echter bezwaar tegen de verspreiding van kennis hierover, omdat zij vinden dat het terecht is dat zondaars bestraft worden. Dat vinden zij zelfs zo terecht dat zij er geen bezwaar tegen hebben dat die bestraffing wordt uitgebreid tot de vrouwen en kinderen van de zondaars. Er zijn nu vele duizenden kinderen in de wereld die lijden aan aangeboren syphilis, kinderen die nooit geboren hadden hoeven te worden als dit verlangen van christenen om zondaren te zien worden bestraft niet had bestaan. Ik zie niet in hoe doctrines die tot zulke diabolische wreedheid aanleiding geven, beschouwd kunnen worden als goed voor onze moraal.

 

   Het is niet alleen de opstelling van christenen ten opzichte van seksueel gedrag, maar ook die ten opzichte van kennis over seksuele onderwerpen, die gevaarlijk is voor het menselijk welzijn. Iedereen die de moeite heeft genomen deze kwestie met een onbevooroordeelde geest te bestuderen, weet dat de kunstmatige onwetendheid over seks die orthodoxe christenen proberen bij jongeren in stand te houden, zeer gevaarlijk is voor hun mentale en fysieke gezondheid. Bij diegenen die hun kennis vergaren door middel van “schuine” praatjes, zoals de meeste kinderen dat doen, veroorzaakt dit het idee dat seks op zichzelf onfatsoenlijk en belachelijk is. Ik vind niet dat er enige rechtvaardiging bestaat voor het idee dat kennis ooit ongewenst kan zijn. Ik zou geen belemmeringen willen plaatsen tegen de verwerving van kennis door iemand van welke leeftijd dan ook. Maar juist in het geval van seksuele kennis bestaan zwaargewichtiger argumenten ten faveure dan het geval is voor de meeste andere kennis. Het is voor de onwetende veel minder waarschijnlijk verstandig te handelen dan voor de welingelichte, en het is absurd om jonge mensen schuldgevoelens aan te praten omdat ze een natuurlijke nieuwsgierigheid naar een belangrijke zaak aan de dag leggen.


   Iedere jongen is in treinen geïnteresseerd. Stel u voor dat we hem zouden zeggen dat interesse in treinen slecht is; stel dat we zijn ogen zouden bedekken wanneer hij in een trein of op een station was; stel dat we niet zouden toestaan dat het woord “trein” in zijn aanwezigheid zou worden uitgesproken, en een ondoordringbaar mysterie in stand zouden houden over de manier waarop hij van de ene naar de andere plaats wordt getransporteerd. Het resultaat zou niet zijn dat hij niet meer geïnteresseerd zou zijn in treinen; integendeel, hij zou meer dan ooit geïnteresseerd zijn, maar met een morbide schuldgevoel, omdat hem was voorgehouden dat die interesse onfatsoenlijk was. Iedere aktief intelligente jongen zou op deze manier in meer of mindere mate neurasthenisch kunnen worden. Dit is precies wat in het geval van seks wordt gedaan; maar aangezien seks veel interessanter is dan treinen, zijn de resultaten erger. Bijna iedere volwassene in een christelijke gemeenschap is min of meer mentaal verziekt als gevolg van een taboe op sexuele kennis in zijn of haar jeugd. En het gevoel van zonde dat op deze manier kunstmatig werd ingeplant is een van de oorzaken van wreedheid, verlegenheid en stupiditeit in het latere leven. Er bestaat geen enkele rationele reden voor het onwetend houden van een kind over iets dat het graag wil weten, of dit nu is over seks of over iets anders. En we zullen nooit een mentaal gezonde bevolking krijgen totdat dit feit geaccepteerd wordt in de vroege opvoeding, hetgeen onmogelijk is zolang de kerken het opvoedingsbeleid nog kunnen bepalen.

 

   Nog afgezien van de bezwaren tegen deze betrekkelijke details, is duidelijk dat de fundamentele doctrines van het christendom grote pervertering van de ethiek vereisen voordat die geaccepteerd kunnen worden. De wereld, zo wordt ons verteld, werd geschapen door een God die zowel goed is als almachtig. Voordat hij de wereld schiep, kon hij dus alle pijn en ellende voorzien die deze zou gaan bevatten; daarom is hij daar verantwoordelijk voor. Te beweren dat het leed in de wereld aan zonde te wijten is, is zinloos. In de eerste plaats is het niet waar; het wordt niet door zonde veroorzaakt dat rivieren buiten hun oevers treden, of vulkanen uitbarsten. Maar zelfs als het waar zou zijn, maakt dat geen verschil. Als ik een kind zou verwekken waarvan ik wist dat het zou uitgroeien tot een moorddadige maniak, zou ik voor zijn misdaden verantwoordelijk zijn. Als God van tevoren wist van de zonden waaraan de mens zich schuldig zou maken, was hij duidelijk verantwoordelijk voor deze zonden toen hij besloot de mens te scheppen. Het gebruikelijke christelijke argument is dat het lijden in de wereld een boetedoening is voor de zonde, en het daarom goed is. Dit argument is natuurlijk slechts een rechtvaardiging voor sadisme; maar het is in ieder geval een zeer zwak argument. Ik zou iedere christen willen uitnodigen om met me mee te komen naar de kinderafdeling van een ziekenhuis, om daar de kwellingen te zien die kinderen ondergaan, en dan vol te blijven houden dat deze kinderen zo moreel losgeslagen zijn dat ze dat lijden verdienen. Om zichzelf zo ver te kunnen brengen dat te kunnen zeggen, moet de mens wel alle gevoelens van barmhartigheid en compassie in zichzelf vernietigen. Hij moet, kortom, zichzelf net zo wreed maken als de God waarin hij gelooft. Geen mens die gelooft dat al het lijden in deze wereld voor ons bestwil is, kan zijn ethische normen onaangetast houden, daar hij altijd excuses moet blijven verzinnen voor alle leed en ellende.


DE BEZWAREN TEGEN RELIGIE

   Er bestaan twee soorten bezwaren tegen religie – intellectuele en morele. Het intellectuele bezwaar is dat er geen reden bestaat om in de waarheid van enige religie te geloven; het morele bezwaar is dat religieuze denkbeelden uit een tijd stammen waarin de mens wreder was dan nu, en daarom er toe neigen onmenselijkheden voort te zetten die door de huidige ethiek worden afgewezen. 

   Om het intellectuele bezwaar eerst te nemen: in deze praktische tijden bestaat de neiging er van uit te gaan dat het niet veel uitmaakt of een religieuze leer waar is of niet, aangezien de belangrijkste kwestie is of die nuttig is. Eén kwestie kan echter niet goed beoordeeld worden zonder de ander. Als we in de christelijke religie geloven, zal onze opvatting van wat goed is, verschillen van die van mensen die daarin niet geloven. Daarom zal voor christenen het effect van het christendom goed lijken, terwijl dat voor ongelovigen slecht lijkt. Bovendien, het concept dat men een bepaalde stelling moet geloven, onafhankelijk van de vraag of daar enig bewijs voor bestaat, is een concept dat vijandigheid ten opzichte van bewijs produceert en er veroorzaak van is dat we onze geest afsluiten voor ieder feit dat niet met ons vooroordeel overeenkomt.


   Een bepaalde mate van wetenschappelijke integriteit is een heel belangrijke kwaliteit, en die kan nauwelijks bestaan in iemand die zich verbeeldt dat er dingen zijn die hij verplicht moet geloven. Daarom kunnen we niet echt bepalen of religie goed doet zonder de vraag te onderzoeken of religie waar is. Voor christenen, moslims en joden, is het bestaan van God de meest fundamentele kwestie betreffende de waarheid van hun religie. In de dagen dat religie nog oppermachtig was, had het woord “God” nog een perfect definitieve betekenis; maar als resultaat van de aanvallen van rationalisten is het woord steeds verder verbleekt, zodanig dat moeilijk vast te stellen is wat mensen bedoelen als ze stellen dat ze in God geloven. Laten we bijvoorbeeld de definitie van Matthew Arnold eens nemen: “Een macht buiten onszelf die zorgt voor rechtschapenheid”. Misschien kunnen we dit nog vager maken en onszelf afvragen of er enig bewijs bestaat voor een bepaald doel van dit universum, afgezien van de doelen van de wezens die op het oppervlak van deze planeet leven.


   Het gebruikelijke argument van religieuze mensen over dit onderwerp luidt ongeveer als volgt: “Mijn vrienden en ik zijn mensen van verbazingwekkende intelligentie en deugd. Het is nauwelijks voorstelbaar dat zoveel intelligentie en deugd toevallig ontstaan zijn. Er moet daarom iemand bestaan die minstens net zo intelligent en deugdzaam is als wij, die de kosmische raderen in beweging heeft gebracht met het doel Ons voort te brengen.” Het spijt me te moeten zeggen dat ik dit argument niet zo indrukwekkend vind als degenen die het gebruiken dat vinden. Het universum is groot; toch, als we Eddington moeten geloven, bestaan er nergens anders in het universum wezens net zo intelligent als mensen. Als je echter de totale hoeveelheid materie in het universum vergelijkt met de hoeveelheid waaruit de lichamen van intelligente wezens zijn gevormd, dan zie je dat het laatste een oneindig kleine fractie van het totaal vormt. Bijgevolg, zelfs als het enorm onwaarschijnlijk is dat de wetten van het toeval een tot intelligentie in staat zijnd organisme produceren uit een willekeurige selektie van atomen, is het niettemin waarschijnlijk dat er in het universum dat hele kleine aantal van zulke organismen bestaan die we er in feite vinden.


   En dan nog, gezien als climax van zo’n enorm proces, lijkt het me dat we toch niet voldoende wonderbaarlijk zijn. Natuurlijk ben ik me er van bewust dat veel godheden veel wonderbaarlijker zijn dan ik, en dat ik niet in staat ben verdiensten die de mijne zo ver overschrijden naar waarde te beoordelen. Niettemin, zelfs als we daar rekening mee houden, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat een Almachtige die een eeuwigheid tot zijn beschikking had, wel met iets beters op de proppen had kunnen komen. En dan moeten we bovendien nog overwegen dat dit maar een momentopname is. De aarde zal niet altijd bewoonbaar blijven; het menselijk ras zal uitsterven, en als het kosmisch proces zich daarna moet rechtvaardigen, zal het dat op een andere plek moeten doen dan op het oppervlak van deze aarde. En zelfs als dat zou gebeuren, moet er vroeger of later toch een eind aan komen. De tweede wet van de thermodynamica laat geen ruimte voor twijfel over het feit dat het universum een aflopende zaak is, zodat er tenslotte niets meer van enig belang, waar dan ook mogelijk is. Natuurlijk hebben we de mogelijkheid om te zeggen dat God dan het uurwerk opnieuw zal opwinden; maar als we dat zeggen, kunnen we die bewering alleen op geloof baseren, niet op de geringste flard van wetenschappelijk bewijs. Voor zover het wetenschappelijk bewijs reikt, heeft het universum in een traag tempo het nogal meelijwekkend resultaat van deze aarde bereikt, en zal het in hetzelfde trage tempo doorgaan tot een conditie van universele dood. Als dit als bewijs voor een bepaald doel moet gelden, kan ik alleen maar zeggen dat dit doel mij niet aanspreekt. Ik zie daarom geen reden om in enig soort God te geloven, hoe vaag en hoe beperkt dan ook. De oude metafysische argumenten laat ik terzijde, aangezien religieuze apologeten die ook overboord hebben gezet. 


DE ZIEL EN ONSTERFELIJKHEID

   De christelijke nadruk op het bestaan van de individuele ziel heeft enorme invloed gehad op de ethiek van christelijke gemeenschappen. Het is een doctrine dat fundamenteel verwant is aan dat van de Stoïcijnen, ontstaan net als het hunne in gemeenschappen die geen politieke hoop meer konden koesteren. De natuurlijke impuls van een krachtig persoon van fatsoenlijk karakter is om te proberen goed te doen, maar als hij verstoken is van alle politieke macht en van elke gelegenheid om invloed op gebeurtenissen uit te oefenen, zal hij van zijn natuurlijke koers worden afgedwongen en besluiten dat het het belangrijkste is om goed te zijn. Dit is wat er met de vroegste christenen is gebeurd; het leidde tot een conceptie van persoonlijke heiligheid als iets dat volkomen los stond van goed doen, daar heiligheid iets moest zijn dat bereikt kon worden door mensen die onmachtig tot daden waren. Sociale deugd werd daardoor uitgesloten uit de christelijke moraal. 

Zelfs nu nog vinden conventionele christenen een overspelig persoon slechter dan een politicus die steekpenningen aanneemt, hoewel de laatste waarschijnlijk duizend maal meer schade aanricht. De Middeleeuwse conceptie van deugd, verbeeld in hun prenten, was iets dat krachteloos, teer en sentimenteel was. De meest deugdzame mens was de mens die zich uit de wereld terugtrok; de enige actieve mensen die als heiligen werden beschouwd waren diegenen die de levens van hun onderdanen verspilden in het bestrijden van de Turken, zoals St. Louis. De kerk zou nooit een mens als heilige beschouwen omdat hij het financiële stelsel hervormde, of het strafrecht, of het gerechtelijk systeem. Zulke simpele bijdragen aan het menselijk welzijn vindt ze niet belangrijk. Ik geloof niet dat er ook maar een heilige in de hele kalender bestaat van wie de heiligverklaring te danken is aan werken tot publiek nut. Met deze scheiding tussen de sociale en de morele persoon ging een toenemende scheiding tussen ziel en lichaam gepaard, die is blijven overleven in de christelijke metafysica en in systemen die van Descartes zijn afgeleid. Men zou kunnen zeggen, in globale zin, dat het lichaam het sociale en publieke deel van de mens vertegenwoordigt, terwijl zijn ziel zijn privė deel vertegenwoordigt. Door de ziel te benadrukken heeft de christelijke ethiek zichzelf compleet individualistisch gemaakt. Ik denk dat duidelijk is dat het netto resultaat van alle eeuwen christendom is dat het de mens egoïstischer gemaakt heeft, meer in zichzelf besloten, dan de natuur hem gemaakt heeft; want de impulsen die op natuurlijke wijze de mens buiten de muren van zijn ego brengen, zijn die van seks, ouderschap en patriottisme of kudde-instinct. Voor wat seks betreft deed de kerk al het mogelijke om dat te kleineren en neer te halen; familieliefde werd door Christus zelf en het grootste deel van zijn volgelingen gekleineerd; en voor patriottisme was geen plaats onder de onderworpen volken van het Romeinse rijk. De polemiek tegen het gezin in de Evangeliën is een zaak die onderbelicht is gebleven. De kerk behandelt de moeder van Christus met eerbied, maar hij zelf toonde weinig van die houding. “Vrouw, wat heb Ik met u te doen? ” (Johannes 2:4) is zijn manier om tegen haar te spreken. Hij zegt ook dat hij gekomen is om een man tegen zijn vader op te zetten, een dochter tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder, en dat diegenen die meer van hun vader en moeder houden dan van hem, hem niet waard zijn. (Mattheus 10:35-37) Dit alles betekent de verbreking van familiebanden ten gunste van een credo – een houding die veel te maken heeft gehad met de onverdraagzaamheid die in de wereld kwam met de verspreiding van het christendom.


   Dit individualisme culmineerde in de doctrine van de onsterfelijkheid van de individuele ziel, die in het hiernamaals eindeloze gelukzaligheid of eindeloze ellende ten deel zou vallen naar gelang van omstandigheden. De omstandigheden waarvan dit grootse verschil afhankelijk was waren nogal curieus. Als men bijvoorbeeld stierf onmiddellijk nadat een priester water over men had gesprenkeld terwijl hij bepaalde woorden uitsprak, erfde men eeuwige gelukzaligheid; terwijl daarentegen, als men na een lang en deugdzaam leven bij toeval door de bliksem getroffen werd terwijl men slechte taal uitriep omdat zijn veter gebroken was, erfde men eeuwige verdoemenis. Ik zeg niet dat de moderne protestant dit gelooft, noch zelfs misschien de moderne katholiek die niet voldoende geschoold is in theologie; maar ik zeg dat dit de orthodoxe doctrine is waarin heilig geloofd werd tot recente tijden. De Spanjaarden in Mexico en Peru waren gewoon Indiaanse zuigelingen te dopen en ze onmiddellijk daarna de hersens in te slaan: op deze manier verzekerden ze dat deze zuigelingen direct naar de hemel gingen. Geen orthodoxe christen kan een logische reden aanvoeren om die handeling te veroordelen, hoewel ze dat tegenwoordig wel allen doen. Op talloze manieren heeft de doctrine van persoonlijke onsterfelijkheid in zijn christelijke vorm een desastreus effect op de moraal gehad, en de metafysische scheiding tussen ziel en lichaam heeft een desastreus effect gehad op de filosofie.


BRONNEN VAN ONVERDRAAGZAAMHEID

   De onverdraagzaamheid die zich over de wereld verspreidde met de opkomst van het christendom is een van haar meest curieuze karakteristieken, een gevolg, denk ik, van het joodse geloof in rechtschapenheid en de exclusieve werkelijkheid van de joodse God. Ik weet niet hoe de joden tot deze eigenaardigheden kwamen. Die moeten tot ontwikkeling zijn gekomen gedurende hun gevangenschap, als reactie op pogingen de joden te absorberen in vreemde bevolkingen. Wat of ook het geval geweest mag zijn, de joden, en in het bijzonder hun profeten, ontwikkelden een nadruk op persoonlijke rechtschapenheid, en op het idee dat het verdorven was enige andere religie te tolereren. Deze twee denkbeelden hebben een buitengewoon desastreus effect gehad op de occidentale geschiedenis. De kerk tilde zwaar aan de vervolging van christenen door de Romeinse staat vóór de tijd van Constantijn. Deze vervolging was echter miniem en incidenteel, en was  geheel van politieke aard. Door de tijden heen, vanaf de tijd van Constantijn tot aan het einde van de zeventiende eeuw, werden christenen veel heftiger vervolgd door andere christenen dan ooit het geval was geweest onder de Romeinse keizers. Vóór de opkomst van het christendom was deze neiging tot vervolging onbekend in de antieke wereld, behalve onder de joden. Als men bijvoorbeeld Herodotus leest, vindt men een mild en tolerant verslag over de gewoontes van de buitenlandse naties die hij bezocht. Gezegd dient te worden dat hij soms geschokt was over een bijzonder barbaarse gewoonte, maar in het algemeen stond hij open voor buitenlandse goden en buitenlandse gewoontes. Hij was er niet op gebrand te bewijzen dat volken die Zeus bij enig andere naam noemen eeuwigdurende bestraffing zouden lijden en gedood dienden te worden, teneinde hun bestraffing zo vroeg mogelijk te laten beginnen. Die houding was gereserveerd voor christenen. Het is waar dat de moderne christen minder doortastend is, maar dat is niet te danken aan het christendom; dat is te danken aan generaties van vrijdenkers die, vanaf de Renaissance tot nu aan toe, christen beschaamd hebben doen worden over veel van hun traditionele overtuigingen. Het is amusant om de moderne christen te horen vertellen hoe zachtaardig en rationeel het christendom werkelijk is, terwijl ze het feit te negeren dat al die zachtaardigheid en rationaliteit te danken is aan leerstellingen van mensen die in hun eigen tijd vervolgd werden door alle orthodoxe christenen.


   Tegenwoordig gelooft niemand nog dat de wereld in 4004 vC werd geschapen; maar nog niet zo lang geleden werd scepticisme op dit punt een verschrikkelijke misdaad bevonden. Mijn over-over grootvader kwam tot de conclusie dat de wereld ouder moest zijn dan de orthodoxie geloofde, op grond van de waarneming van de dikte van de lavalaag op de hellingen van de vulkaan Etna, en publiceerde die mening in een boek. Voor dit misdrijf verbrak het graafschap al haar banden met hem, en werd hij verbannen uit de society. Als hij een man van lagere komaf zou zijn geweest, zou zijn bestraffing ongetwijfeld veel strenger zijn geweest. Het is geen verdienste van de orthodoxie dat ze nu niet alle absurditeiten meer geloven die 150 jaar geleden nog geloofd werden. De stapsgewijze ontkrachting van de christelijke doctrines werd bereikt tegen alle christelijke verzet in, en is uitsluitend te danken aan de bestrijding daarvan door vrijdenkers.


DE DOCTRINE VAN DE VRIJE WIL

   De houding van christenen ten opzichte van natuurwetten is altijd op curieuze wijze weifelachtig en onzeker geweest. Aan de ene kant was daar de doctrine van de vrije wil, waar de meerderheid van christenen in geloofden; en deze doctrine vereiste dat daden - van menselijke wezens tenminste - niet aan de natuurwetten onderworpen zouden zijn. Aan de andere kant was er, vooral in de achttiende en negentiende eeuw, een geloof in God als wetgever, en werden de natuurwetten als een van de belangrijkste bewijzen voor het bestaan van een schepper beschouwd. Bezwaren tegen de invloed van wetten op de vrije wil begonnen recentelijk zwaarder te wegen dan het geloof dat de natuurwetten het bestaan van een schepper bewijzen. Materialisten gebruikten de natuurwetten om aan te tonen, of probeerden daarmee aan te tonen, dat de bewegingen van menselijke lichamen mechanisch worden bepaald, en dat als gevolg daarvan, alles wat we zeggen en iedere verandering van positie die we aannemen buiten het bereik van een vrije wil valt. Als dat het geval is, zou alles dat voor onze ongebonden wil overblijft, van weinig waarde zijn. Als, wanneer een mens een gedicht schrijft of een moord pleegt, de bij die daden betrokken lichamelijke bewegingen uitsluitend het gevolg zouden zijn van natuurlijke oorzaken, zou het absurd zijn om een standbeeld voor hem op te richten in het ene geval, en hem op te hangen in het andere geval. Er zou in bepaalde metafysische systemen een gebied van zuivere gedachten kunnen overblijven waarin de wil vrij zou zijn; maar aangezien dat alleen naar anderen gecommuniceerd kunnen worden door middel van lichamelijke bewegingen, zou het domein van vrijheid nooit onderwerp van communicatie kunnen zijn, en nooit enig sociaal belang kunnen hebben.


   Maar dan nog, evolutie heeft aanzienlijke invloed gehad op die christenen die het idee hebben geaccepteerd. Zij zien in dat het niet zinnig is beweringen over mensen te maken, die totaal anders zijn dan die over andere levensvormen. Daarom, teneinde de vrije wil van de mens veilig te stellen, verwerpen ze iedere poging om het gedrag van levende materie in termen van fysieke en chemische wetten te verklaren. De bewering van Descartes, die stelt dat alle lagere levensvormen automata zijn, wordt niet langer gesteund door liberale theologen. De doctrine van continuiteit dwingt ze nog een stap verder te gaan, en vol te houden dat zelfs wat levenloze materie genoemd wordt niet rigide in zijn gedrag gestuurd wordt door onveranderlijke wetten. Zij schijnen het feit over het hoofd te zien dat, als men de heerschappij van deze wetten afschaft, men dan ook de mogelijkheid van wonderen afschaft, daar wonderen daden van God zijn die wetten overtreden waaraan normale fenomenen zijn gebonden. Ik kan mij echter de moderne liberale theoloog voorstellen die met een pose van diepgang beweert dat de gehele schepping wonderbaarlijk is, zodat hij zich niet langer hoeft vast te klampen aan bepaalde gebeurtenissen als speciaal bewijs voor goddelijke ingrepen.


   Onder invloed van deze reactie tegen de natuurwetten, hebben sommige christelijke apologeten de laatste doctrinen over het atoom aangegrepen, die schijnen aan te tonen dat de natuurwetten waarin we tot nu toe geloofden, alleen maar ongeveer en in het algemeen van toepassing zijn voor grote aantallen atomen, terwijl het individuele elektron zich willekeurig gedraagt. Zelf geloof ik dat dit een tijdelijk stadium is, en dat natuurkundigen te zijner tijd wetten zullen ontdekken waaraan het gedrag van kleine deeltjes voldoet, hoewel die wetten aanzienlijk kunnen verschillen van die van de traditionele natuurkunde. Wat het geval ook moge zijn, moeten we opmerken dat de moderne doctrines over kleine deeltjes geen invloed hebben op zaken van enig praktisch belang. Zichtbare bewegingen, alle bewegingen zelfs die voor iemand van enig belang zijn, hebben betrekking op zulke grote aantallen atomen, dat ze ruimschoots binnen het bereik van de oude wetten vallen. Om een gedicht te schrijven of een moord te plegen (terug grijpend op ons oude voorbeeld), is het noodzakelijk een aanzienlijke hoeveelheid inkt of lood te bewegen. De elektronen waaruit de inkt is samengesteld kunnen dan wel vrijelijk ronddansen in hun balzaal, maar de balzaal in het geheel beweegt volgens de oude natuurkundige wetten, en alleen dit is van belang voor de dichter en zijn uitgever. De moderne doctrines hebben daarom geen invloed op die problemen van menselijk belang waarmee de theoloog zich bezighoudt.


   Dat laat de vrije-wil-kwestie precies waar die altijd was. Wat er ook over gedacht moge worden als zaak van ultieme metafysica, het blijft duidelijk dat in de praktijk niemand er in gelooft. Iedereen heeft altijd gelooft dat het mogelijk is het karakter te vormen; iedereen heeft altijd geweten dat opium en alcohol een bepaald effect op gedrag zullen hebben. De apostel van de vrije wil houdt vol dat de mens door wilskracht dronkenschap kan vermijden, maar houdt niet vol dat een dronken man “British Constitution” net zo duidelijk kan uitspreken als wanneer hij nuchter is. En iedereen die ooit met kinderen te maken heeft gehad weet dat een geschikt dieet beter werkt om ze deugdzaam te maken dan de meest welbespraakte preek in de wereld. Het enige effect dat de vrije-wil doctrine in de praktijk heeft is mensen er van te weerhouden zulke voor de hand liggende kennis tot aan haar rationele conclusie te volgen. Wanneer iemand iets doet waaraan wij ons ergeren denken we al gauw dat hij slecht is, maar moeten we het feit onder ogen zien dat zijn ergerniswekkend gedrag resultaat kan zijn van voorafgaande oorzaken, die als we ze diep genoeg volgen, ons voorbij het moment van zijn geboorte kunnen leiden en daarmee naar gebeurtenissen waarvoor hij zelfs in onze wildste verbeelding niet verantwoordelijk kan worden gehouden.


   Niemand behandelt zijn auto even dwaas als hij zijn medemens behandelt. Als de auto niet wil starten, schrijft hij dat ergerlijke gedrag niet aan zonde toe; hij zegt niet, “Jij bent een verdorven auto, en je krijgt geen benzine meer totdat je het weer doet.” Hij probeert uit te vinden wat er verkeerd is, en dat recht te zetten. Een analoge methode om mensen te behandelen wordt echter gezien als tegenstrijdig aan onze heilige religie. En dat geldt zelfs ook in de behandeling van onze kleine kinderen. Veel kinderen hebben slechte gewoontes die door bestraffingen worden bestendigd, maar waarschijnlijk vanzelf zouden verdwijnen als we er geen aandacht aan besteden. Niettemin beschouwen opvoeders, de zeldzame uitzonderingen daargelaten, het als correct bestraffingen op te leggen, hoewel ze daarmee veroorzaking van geestelijke schade riskeren. Wanneer geestelijke schade veroorzaakt is, wordt dat in rechtbanken aangevoerd als bewijs voor de schadelijkheid van die gewoonte, niet van de bestraffing. (Ik refereer hier aan een recente vervolging voor obsceniteit in New York State.)


   Hervormingen in het onderwijs zijn hoofdzakelijk voortgekomen als resultaat van de bestudering van zwakzinnigen, omdat zij niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor hun falen en daarom meer wetenschappelijk werden behandeld dan normale kinderen. Nog tot vrij recent was men van mening dat als een jongen zijn les niet kon leren, de juiste remedie een aantal slagen met het rietje op zijn zitvlak was. (Red: In de tijd van de auteur was dit nog gebruikelijk op Engelse scholen voor voortgezet onderwijs.) Deze opvatting is nu bijna uitgestorven in de behandeling van kinderen, maar overleeft nog in de strafwet. Het is vanzelfsprekend dat mensen met criminele aanleg hiervan moeten worden weerhouden, maar dat geldt ook voor de man die zich verbeeldt een weerwolf te zijn en anderen wil bijten, hoewel niemand hem als moreel daarvoor verantwoordelijk beschouwt. Iemand die aan de pest lijdt is moet geïsoleerd worden totdat hij genezen is, hoewel niemand hem verdorven vindt. Hetzelfde moet gedaan worden met iemand die aan een neiging tot vervalsing lijdt; maar er hoort in het ene geval geen idee van grotere schuld te zijn dan in het andere. Dit vereist niets meer dan een gezond verstand, hoewel het een vorm van gezond verstand is waartegen de christelijke moraal en de metafysica zich keren.


   Om de morele invloed van een instituut op een gemeenschap te kunnen beoordelen, moeten we de doelstelling van dat instituut in aanmerking nemen, en de manier waarop het instituut de uitwerking van die doelstelling in de gemeenschap bereikt. Soms is die doelstelling heel voor de hand liggend, soms is die meer verborgen. Een alpinistenclub bijvoorbeeld, belichaamt de drang tot avontuur, en een wetenschappelijke vereniging belichaamt de dorst naar kennis. Het gezin als instituut heeft zorgverlening en ouderschap tot doel; een voetbalclub of politieke partij geeft vorm aan de neiging tot competitie; maar de twee grootste sociale instituten – namelijk kerk en staat – zijn veel complexer in hun psychologische motivatie. De primaire doelstelling van de staat is natuurlijk beveiliging tegen zowel interne als externe bedreigingen. Dit vindt haar oorsprong in de neiging van kinderen om bijeen te kruipen wanneer ze bang worden, en naar een volwassene uit te zien die ze een gevoel van veiligheid kan bieden. De kerk is van complexere oorsprong. De belangrijkste bron van religie is ongetwijfeld angst; dit kan nog steeds waargenomen worden, daar alles dat mensen verontrust er toe neigt om hun gedachten naar een God te leiden. Oorlog, pestilentie en schipbreuk leiden mensen ertoe religieus te worden. Naast angst heeft religie nog een andere sterke aantrekkingskracht; ze appelleert aan onze menselijke eigenwaarde. Als het christendom waar is, zijn mensen niet zulke beklagenswaardige onderkruipsels als ze lijken te zijn; de Schepper van het universum is in ze geïnteresseerd en neemt de moeite verheugd over ze te zijn wanneer ze zich goed gedragen, en is teleurgesteld wanneer ze zich misdragen. Dat is een groot compliment. Wijzelf zouden er niet aan denken om een mierennest te gaan bestuderen om te zien welke van die mieren hun mierenplicht vervullen, en we zouden er zeker niet over peinzen om die individuele mieren die zich misdragen er uit te pikken om ze in het kampvuur te gooien. Als God dat voor ons doet, is dat een compliment voor onze importantie; en het is zelfs een nog plezieriger compliment als hij de goeden onder ons beloont met eeuwigdurend geluk in de hemel. En dan is er nog het betrekkelijk moderne denkbeeld dat kosmische evolutie geheel bedoeld is om die resultaten te produceren die wij goed noemen – dat wil zeggen die resultaten die ons bevallen. Ook hier weer is het flatterend te veronderstellen dat het universum bestuurd wordt door een Wezen dat onze voorkeuren en vooroordelen met ons deelt.


HET IDEE VAN RECHTSCHAPENHEID

   De derde psychologische impuls die aan religie ten grondslag ligt is die welke tot de conceptie van rechtschapenheid leidde. Ik ben mij er van bewust dat veel vrijdenkers dit idee met veel respect behandelen, en stellen dat het gehandhaafd moet blijven, ondanks de teruggang van dogmatische religie. Op dit punt kan ik het niet met hen eens zijn. Een psychologische analyse van het idee van rechtschapenheid lijkt mij aan te tonen dat het wortelt in ongewenste passies en niet gesteund dient te worden door de imprimatur van de rede. Rechtschapenheid en onrechtschapenheid moeten in onderling verband worden bekeken; het is onmogelijk nadruk op het een te leggen zonder nadruk op het ander. Wel, wat is “onrechtschapenheid” in de praktijk? In de praktijk is dit het soort gedrag waar de meeste mensen een hekel aan hebben. Door het onrechtschapenheid te noemen, en door het ontwerpen van een ingewikkeld systeem van ethiek rondom dit idee, rechtvaardigt de massa zichzelf in het bestraffen van gedragingen waar ze zelf een hekel aan heeft, terwijl ze tegelijkertijd, aangezien de massa per definitie rechtschapen is, haar eigen zelfrespect versterkt, precies op het moment waarop ze toegeeft aan haar neiging tot wreedheid. Dit is de psychologie van het lynchen, en van de andere manieren waarop criminelen worden bestraft. Daarom is de conceptie van rechtschapenheid in essentie de verschaffing van een uitlaat voor sadisme, door wreedheid als gerechtigheid te vermommen. Maar, zal men zeggen, de weergave van rechtschapenheid die je hier geeft is totaal niet van toepassing op de Hebreeuwse profeten, die tenslotte zoals je zelf zegt, het idee hebben uitgevonden. Hier schuilt een kern van waarheid in: als de Hebreeuwse profeten het over rechtschapenheid hadden, bedoelden zij iets dat door henzelf en Jahweh werd goedgekeurd. Dezelfde houding wordt in de Handelingen der Apostelen tot uitdrukking gebracht, waarin de apostelen een uitspraak inluidden met de woorden: ‘Want het is de wil van de heilige geest, ook die van ons, jullie geen grotere last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen.’ Op dit soort persoonlijke meningen over Gods voorkeuren en overtuigingen kan men een instituut echter niet baseren. Dit is altijd het probleem geweest waar het protestantisme mee worstelde: een nieuwe profeet kon altijd beweren dat zijn openbaring authentieker was dan die van zijn voorgangers, en er bestond niets in de protestantse leer dat kon aantonen dat die bewering onwaar kon zijn. Als gevolg daarvan splitste het protestantisme zich op in ontelbare sekten die elkaar verzwakten; en het is redelijk te veronderstellen dat over honderd jaar het rooms-katholicisme de enige effectieve vertegenwoordiging van het christelijk geloof zal zijn. In de RK kerk is ruimte voor de inspiraties die profeten ondervonden; maar wordt ook erkend dat fenomenen die op ware goddelijke openbaringen lijken, door de duivel geïnspireerd kunnen zijn, en dat het de taak van de kerk is om het onderscheid te maken, net zoals het de taak van de kunstkenner is een authentieke Leonardo te onderscheiden van een vervalsing. Op deze manier worden openbaringen tegelijkertijd geïnstitutionaliseerd. Rechtschapenheid is wat de kerk goedkeurt, onrechtschapenheid is wat ze afkeurt. Op deze manier is het effectieve deel van de conceptie van rechtschapenheid een rechtvaardiging voor massa antipathie.


   Het lijkt er daarom op dat vrees, zelfgenoegzaamheid en haat de drie menselijke impulsen zijn die door religie worden belichaamd. Het doel van religie, zo zou men kunnen zeggen, is aan deze passies respectabiliteit te verlenen, vooropgesteld dat ze in bepaalde banen worden geleid. Omdat deze passies in het algemeen menselijk leed veroorzaken is religie een kwade kracht, aangezien het mensen toestaat zich onbelemmerd in deze passies uit te leven, terwijl ze zich als er een straf op stond, ten minste in bepaalde mate zouden beheersen. 


   Op dit punt kan ik mij een tegenwerping voorstellen, waarschijnlijk niet opgeworpen door de meeste orthodoxe gelovigen, maar niettemin nader onderzoek waardig. Haat en vrees, zo kan gesteld worden, zijn in essentie menselijke karakteristieken; de mens heeft die altijd gevoeld en zal die altijd blijven voelen. Het beste dat je daarmee kunt doen, zo zal men zeggen, is die in bepaalde banen leiden waarin ze minder schadelijk zijn dan als ze op andere manieren tot uitdrukking worden gebracht. Een christelijke theoloog zou kunnen zeggen dat de manier waarop de kerk deze impulsen kanaliseert analoog is aan haar behandeling van seksuele aandrang, die ze deplorabel vindt. Ze tracht wellustigheid onschadelijk te maken door die binnen de grenzen van het huwelijk te beperken. Dus, zo kan men zeggen, als de mensheid onvermijdelijk haat moet voelen, is het beter die haat te richten tegen diegenen die echt schadelijk zijn, en dat is precies wat de kerk doet met haar conceptie van rechtschapenheid.


   Op deze stellingname zijn twee antwoorden mogelijk – de een betrekkelijk oppervlakkig, en een ander dat de kern raakt. Het oppervlakkige antwoord is dat de  conceptie van rechtschapenheid van de kerk niet de best mogelijke is; het fundamentele antwoord is dat deze haat en angst met onze huidige psychologische kennis en onze huidige industriële techniek geheel uit het menselijk leven geëlimineerd kunnen worden.


   Om het eerste punt eerst te nemen: de conceptie van rechtschapenheid van de kerk is op diverse manieren sociaal ongewenst – in de allereerste plaats door zijn geringschatting van intelligentie en wetenschap. Dit gebrek is een nalatenschap van de Evangeliëen. Christus zegt ons als kleine kinderen te worden, maar kleine kinderen kunnen de hogere wiskunde niet begrijpen, of de principes van monetair beleid, of de moderne methoden van ziekte bestrijding. Zulke kennis te verwerven maakt geen deel uit van onze plichten, volgens de kerk. De kerk houdt niet langer vol dat kennnis op zichzelf zondig is, hoewel ze dit in haar hoogtijdagen wel deed; maar de verwerving van kennis, hoewel niet zondig, is gevaarlijk daar dit tot hoogmoed leidt, en daardoor van het ter discussie stellen van het christelijk dogma. Neem als voorbeeld twee mannen, waarvan de een de gele koorts heeft uitgebannen in een groot gebied in de tropen, maar die tijdens zijn werk vluchtige relaties met vrouwen heeft gehad, waarmee hij niet getrouwd was; terwijl de ander lui en onbekwaam was, ieder jaar een kind verwekte totdat zijn vrouw stierf van uitputting en zo weinig zorg aan zijn kinderen besteedde dat de helft daarvan stierf aan vermijdbare kwalen, maar die zich nooit aan buitenechtelijke relaties had bezondigd. Iedere oprechte christen moet volhouden dat de tweede man deugdzamer was dan de eerste. Zo’n opstelling is natuurlijk bijgelovig en uiterst onredelijk. Toch zijn dingen als dit onvermijdelijk zo lang aan de vermijding van zonde meer belang wordt gehecht dan aan positieve verdiensten, en zo lang als het belang van kennis als hulp voor een nuttig leven niet erkend wordt.


   Het tweede en meer fundamentele bezwaar tegen de toepassing van vrees en haat zoals de kerk die preekt, is dat deze emoties haast geheel uit de menselijke natuur uitgebannen kunnen worden door pedagogische, economische en politieke hervormingen. De pedagogische hervormingen moeten de basis vormen, daar de mensen die haat en vrees voelen, die emoties respecteren en willen bestendigen, hoewel dat respect en die wens waarschijnlijk onbewust zijn bij de gewone christen. Een opvoeding gericht op het uitbannen van vrees is in het geheel niet moeilijk te verwerkelijken. Al dat daarvoor nodig is, is het kind met zachtheid te behandelen, het in een omgeving te plaatsen waarin initiatief zonder ongelukkige gevolgen mogelijk is, en het te beschermen tegen contact met volwassenen die irrationele angsten hebben voor het donker, voor muizen, of voor sociale omwentelingen. Een kind moet ook niet blootgesteld worden aan strenge bestraffingen, aan bedreigingen, of aan ernstige en buitensporige berispingen. Om een kind van haat te vrijwaren is een wat ingewikkelder zaak. Situaties die jalouzie kunnen opwekken moeten zorgvuldig vermeden worden door middel van scrupuleuze en exacte gerechtigheid voor alle verschillende kinderen. Een kind moet de warme genegenheid voelen van tenminste sommige van de volwassenen waar het mee te maken krijgt, en moet niet belemmerd worden in zijn of haar natuurlijke activiteiten en onderzoekingsdrift, behalve wanneer daardoor risico voor leven en gezondheid ontstaat. Vooral moet er geen taboe heersen op seksuele kennis, of op gesprekken over zaken die door conventionele mensen als onbehoorlijk worden beschouwd. Als deze simpele regels vanaf het begin worden nageleefd, zal het kind onbevreesd en vriendelijk zijn.


   Een jong persoon die op deze wijze opgevoed is, zal echter bij het bereiken van de volwassen leeftijd zichzelf of haarzelf in een wereld vol onrechtvaardigheid, vol wreedheid, vol vermijdbare ellende gestort zien. De onrechtvaardigheid, de wreedheid en de ellende die in de moderne wereld bestaan zijn een erfenis van het verleden, en de uiteindelijke oorzaak hiervan is economisch, aangezien een strijd op leven en dood voor de middelen van bestaan vroeger onvermijdelijk was. In onze tijd is dit niet onvermijdelijk. Met onze huidige industriële techniek kunnen we, als we dat willen, voorzien in een dragelijk bestaan voor iedereen. We zouden er ook voor kunnen zorgen dat de wereldbevolking constant blijft als we daarin niet gehinderd zouden worden door de politieke macht van de kerken die oorlogen, pestilentie en hongersnood prefereren boven contraceptie. De kennis waarmee we universeel geluk kunnen bereiken bestaat; het grootste obstakel tegen de toepassing daarvan is de verspreiding van religie. Religie verhindert een rationele opvoeding van onze kinderen; religie verhindert ons de fundamentele oorzaken van oorlogen uit te bannen; religie verhindert ons de ethiek van wetenschappelijk samenwerken te onderwijzen in plaats van de oude wrede doctrines van zonde en boete. Mogelijkerwijze staat de mensheid op de drempel van een gouden era; maar als dat zo is zal het noodzakelijk zijn de draak te verslaan die de toegang verspert, en die draak is religie. 

_____


Bron:http://www.positiveatheism.org/hist/russell2.htm


twitter-icon-64

OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP




Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort