visitors on myspace
WETENSCHAP EN RELIGIE | POSITIEF ATHEÏSME <>

WETENSCHAP EN RELIGIE

image7313

ALBERT EINSTEIN


                 






Gedurende de laatste eeuw, en een deel van de voorgaande, heerste de wijdverbreide mening dat er een onverzoenlijk conflict bestond tussen kennis en geloof. Onder ontwikkelde geesten overheerste de mening dat het tijd werd dat geloof steeds meer door kennis moest worden vervangen; geloof dat zelf niet op kennis berustte was bijgeloof, en moest als zodanig weerlegd worden. In overeenstemming met deze voorstelling van zaken, was de enige functie van onderwijs de weg te bereiden voor denken en weten, en de school, als uitstekend orgaan voor de opleiding van het volk, moest exclusief dat doel dienen.

   Dit rationele standpunt zal zelden of nooit in een dergelijke grove vorm uitgedrukt worden; want ieder verstandig mens zou direct zien hoe eenzijdig een dergelijke positiebepaling is. Maar het is een goed ding om een thesis open en bloot voor te stellen, als men duidelijkheid over haar aard wil krijgen.


Het is waar dat overtuigingen het best gesteund kunnen worden door ondervinding en helder denken


   Het is waar dat overtuigingen het best gesteund kunnen worden door ondervinding en helder denken. Op dit punt moeten we het zonder voorbehoud eens zijn met de extreme rationalist. Het zwakke punt aan deze opstelling is echter, dat die overtuigingen die noodzakelijk en bepalend zijn voor ons gedrag en oordeel, niet uitsluitend langs deze solide wetenschappelijke weg gevonden kunnen worden.

   Want de wetenschappelijke methode kan ons verder niets leren dan hoe feiten onderling gerelateerd zijn, en hoe ze elkaar beïnvloeden. Het streven naar zulke objectieve kennis behoort tot het hoogste waartoe de mens in staat is, en u zult mij er zeker niet van verdenken de prestaties en de heroïsche inspanningen van de mens op dit terrein te willen kleineren. Toch is het evengoed duidelijk dat kennis van wat is, nog niet direct de deur opent tot wat hoort te zijn. Men kan de helderste en meest volledige kennis hebben van wat is, en toch niet in staat zijn daarvan af te leiden wat het doel van ons menselijk streven dient te zijn. Objectieve kennis voorziet ons van krachtige middelen voor het bereiken van bepaalde doelen, maar het ultieme doel zelf en het verlangen dat te bereiken moet uit een andere bron komen. En het staat buiten kijf dat ons bestaan en onze bezigheden alleen betekenis krijgen door het stellen van zulk een doel en van de daarmee overeenstemmende waarden. De kennis van waarheid als zodanig is prachtig, maar die kennis is zo weinig in staat ons als gids te dienen, dat ze zelfs de rechtvaardiging en de waarde van het streven naar diezelfde kennis van waarheid, niet kan aantonen. Hier moeten we de grenzen onder ogen zien van alleen een puur rationele voorstelling van ons bestaan. 

   Maar we moeten niet aannemen dat intelligent denken geen rol kan spelen in het bepalen van het doel, en van ethische beoordelingen. Wanneer iemand zich realiseert dat voor het bereiken van een doel bepaalde middelen nuttig zouden zijn, wordt het middel daardoor zelf een doel. Intelligentie maakt ons de onderlinge samenhang van middelen en doel duidelijk. Maar het denken alleen kan ons niet de diepere zin aantonen van ultieme en fundamentele doelen. Het duidelijk maken van deze fundamentele doelen en inschattingen, en het verankeren daarvan in het emotionele leven van het individu, lijkt mij precies de belangrijkste functie te zijn die religie in het sociale leven van de mens moet vervullen.

   En als men zich afvraagt waar het gezag van zulke fundamentele doelen van afgeleid kan worden, aangezien dat niet door de rede alleen bepaald wordt en gerechtvaardigd kan worden, is er maar één antwoord. Dat bestaat in een gezonde samenleving in de vorm van krachtige tradities, die het gedrag, het streven en het oordeel van het individu beïnvloeden; dat bestaat als het ware als iets levends, zonder noodzaak voor rechtvaardiging van zijn bestaan. Dat berust niet op bewijsvoering, maar op openbaring, door het medium van hoogstaande persoonlijkheden. Men moet niet proberen het te rechtvaardigen, maar liever om haar aard eenvoudig en helder aan te voelen. 

   De hoogste principes voor ons streven en oordeel worden ons gewezen in de joods-christelijke religieuze overlevering. Het is een zeer hoog doel, wat we met onze zwakke krachten slechts onvoldoende kunnen bereiken, maar het geeft een solide grondslag aan onze aspiraties en waardebepalingen. Als we dat doel uit zijn religieuze vorm tillen en het enkel aan de zuiver menselijke kant bekijken, kan men het wellicht in deze vorm definiëren: vrije en verantwoordelijke ontwikkeling van het individu, zodat hij zijn gaven graag en vrijelijk in dienst van de mensheid kan stellen.

   Hierin is geen plaats voor de vergoddelijking van een natie, of een klasse, laat staan van een individu. Zijn we niet allemaal kinderen van één vader, zoals het in de religieuze taal gezegd wordt? Het is zelfs zo, dat zelfs de vergoddelijking van de mensheid, als een abstracte totaliteit, niet in de geest van dat ideaal zou zijn. Alleen aan het individu werd een ziel gegeven. En de hoogste bestemming voor een individu is te dienen in plaats van te heersen, of zichzelf op enig andere wijze op de voorgrond te stellen.

   Als men eerder naar de substantie dan naar de vorm kijkt, dan kan men deze woorden ook zien als een uitdrukking van het fundamentele democratische standpunt. De ware democraat kan zijn natie net zo min aanbidden als de mens die religieus is dit kan, in onze betekenis van het begrip.Maar wat is dan, in dit geheel, de functie van opvoeding en van de school? Zij moeten de jonge mens helpen in een zodanige geest op te groeien dat deze fundamentele waarden voor hem zijn als de lucht die hij inademt. Onderwijs alleen kan dit niet doen. 

   Als we deze principes duidelijk voor ogen houden, en ze vergelijken met het leven en de geest van deze tijd, dan wordt pijnlijk duidelijk dat de beschaafde mensheid vandaag in groot gevaar verkeert. In de totalitaire staten zijn het de leiders zelf die daadwerkelijk streven naar de vernietiging van die geest van menslievendheid. In minder bedreigde delen zijn het nationalisme en onverdraagzaamheid, maar ook de onderdrukking van het individu door economische middelen, die deze meest kostbare traditie dreigen te verstikken. Een bewustwording van hoe groot dit gevaar is, verspreidt zich echter onder weldenkende mensen, en er wordt naarstig gezocht naar middelen om dit gevaar te bestrijden – middelen op het terrein van nationale en internationale politiek, van wetgeving, of van organisatie in het algemeen. Zulke inspanningen zijn ongetwijfeld hard nodig. Maar de antieken wisten iets wat wij schijnen te zijn vergeten. Alle middelen blijven maar een onbeholpen instrument, als er niet een levende geest achter staat. Maar als het verlangen om het doel te bereiken sterk genoeg in ons leeft, dan zullen we geen kracht tekort komen om de middelen te vinden waarmee we ons doel kunnen bereiken, en om die in daden om te zetten.

II 

   Het is niet moeilijk om het eens te worden over wat we onder wetenschap verstaan. Wetenschap is de eeuwenoude inspanning om door systematisch denken de waarneembare fenomenen van deze wereld in een zo grondig mogelijk onderling verband te brengen. In klare taal is het de poging om het bestaan achteraf te reconstrueren door een proces van beeldvorming. Maar wanneer ik me zelf afvraag wat religie is, kan ik niet zo gemakkelijk een antwoord bedenken. En zelfs na het vinden van een antwoord dat me op dat moment bevredigt, blijf ik er nog steeds van overtuigd dat ik nooit en te nimmer, zelfs maar in geringe mate, de gedachten van allen die zich daar serieus mee bezig hebben gehouden, kan samenvatten.

   Om mee te beginnen dan, in plaats van te vragen wat religie is, geef ik er de voorkeur aan te vragen wat de aspiraties karakteriseert van een persoon die op mij de indruk wekt religieus te zijn: een persoon die religieus verlicht is schijnt mij diegene te zijn die zichzelf, naar beste kunnen, bevrijd heeft van de belemmeringen van zelfzuchtige verlangens en die geheel in beslag genomen wordt door gedachten, gevoelens en aspiraties waaraan hij zich vastklampt vanwege hun bovenpersoonlijke waarde. Het lijkt mij dat het de invloed van deze bovenpersoonlijke betekenis is die belangrijk is, en de mate van overtuiging aangaande zijn overheersende belangrijkheid, ongeacht of getracht wordt die betekenis te verenigen met enig goddelijk Wezen, want anders zou het niet mogelijk zijn om Boeddha of Spinoza als religieuze persoonlijkheden aan te merken. 

   Dus, een religieuze persoon is vroom in die zin dat hij geen twijfel heeft over de betekenis en verhevenheid van die bovenpersoonlijke objecten en doelen die noch een rationele basis vereisen, noch deze mogelijk maken. Ze bestaan met dezelfde noodzakelijkheid en vanzelfsprekendheid als hij zelf. In dit opzicht is religie de eeuwenoude inspanning van de mensheid om duidelijk en volledig bewust te worden van deze waarden en doelen, en doorlopend bezig te zijn om hun uitwerking te versterken en uit te breiden. Wanneer men in deze termen over religie en wetenschap denkt, dan lijkt een conflict tussen deze twee onmogelijk. Want wetenschap kan alleen dat vaststellen wat er is, niet wat er zou moeten zijn, en buiten haar domein blijven allerlei beoordelingen van waarden noodzakelijk. Religie, aan de andere kant, bemoeit zich alleen met de evaluatie van menselijk denken en doen: ze is niet gerechtigd over feiten en relaties tussen feiten te spreken. Volgens deze interpretatie moeten alle welbekende conflicten tussen religie en wetenschap in het verleden toegeschreven worden aan een misvatting over de beschreven situatie.

   Een conflict ontstaat bijvoorbeeld wanneer een religieuze gemeenschap volhoudt dat alle verklaringen die in de Bijbel worden weergegeven op absolute waarheid berusten. Dit betekent een inbreuk van de kant van religie op het terrein van de wetenschap; dit is waar de strijd van de Kerk tegen de doctrines van Gallilei en Darwin thuis hoort. Aan de andere kant hebben vertegenwoordigers van de wetenschap vaak geprobeerd op basis van wetenschappelijke methoden tot fundamentele beoordeling van waarden en doelen te komen, en zichzelf daarmee in oppositie tot religie gesteld. Deze conflicten zijn allen ontstaan uit fatale vergissingen.

   Welnu, hoewel het rijk van religie en dat van wetenschap duidelijk van elkaar gescheiden zijn, bestaan er niettemin een sterke wederkerige relatie en onderlinge afhankelijkheid tussen hen beiden. Hoewel religie datgene mag zijn dat het doel bepaalt, heeft het niettemin van de wetenschap in de meest wijde zin geleerd, welke middelen kunnen bijdragen tot het bereiken van dat door haar gestelde doel. Maar wetenschap kan alleen gecreëerd worden door diegenen die geheel bezield zijn van het streven naar waarheid en begrip. De bron van deze gevoelens echter, ontspringt op het terrein van religie. Hiertoe behoort ook het geloof in de mogelijkheid dat de regels die gelden voor de wereld van het bestaan rationeel zijn, dat wil zeggen, vatbaar voor rede. Ik kan mij geen oprechte wetenschapper voorstellen zonder dat diepe geloof. De situatie kan in een voorbeeld uitgedrukt worden: wetenschap zonder religie is kreupel, religie zonder wetenschap is blind.

   Hoewel ik hierboven gesteld heb dat een legitiem conflict tussen religie en wetenschap in werkelijkheid niet kan bestaan, moet ik niettemin deze bewering nog eenmaal op een essentieel punt kwalificeren, met betrekking tot de eigenlijke inhoud van historische religies. Deze kwalificatie heeft te maken met het concept van God. Tijdens de jongste periode in de spirituele evolutie van de mens heeft de menselijke fantasie goden gecreëerd naar zijn eigen beeld, die door de uitwerking van hun wil verondersteld werden de fenomenen van deze wereld te bepalen, of in ieder geval te beïnvloeden. De mens trachtte de gezindheid van deze goden ten eigen gunste te veranderen door middel van magie en gebed. Het idee van God in de huidige religies is een sublimatie van dat oude concept van de goden. Zijn antropomorfische aard wordt bijvoorbeeld aangetoond door het feit dat de mens het Goddelijke Wezen aanroept in gebed en smeekt om vervulling van zijn wensen. 

   Het is wel zeker dat niemand kan ontkennen dat het idee van het bestaan van een almachtige, rechtvaardige, en liefdadige persoonlijke god in staat moet zijn de mens troost, hulp en bijstand te verlenen; bovendien is dit idee, dank zij haar eenvoud, ook toegankelijk voor de minst ontwikkelde geesten. Maar aan de andere kant zijn er beslissende zwakheden verbonden aan dit idee op zich, zwakheden die pijnlijk voelbaar zijn geweest sinds het begin van de geschiedenis. Dat wil zeggen, als dit wezen almachtig is, dan moet iedere gebeurtenis, inclusief iedere menselijke actie, iedere menselijke gedachte, en ieder menselijk gevoelen en streven, ook Zijn werk zijn; hoe is het mogelijk er over te denken de mens verantwoordelijk te stellen voor zijn daden en gedachten in het gezicht van een dergelijk almachtig Wezen? Door te bestraffen en te belonen zou Hij tot zekere hoogte zichzelf beoordelen. En hoe kan dit gecombineerd worden met de goedheid en rechtvaardigheid die aan Hem toegeschreven wordt? 

   De belangrijkste bron van de huidige conflicten tussen de invloedssferen van religie en wetenschap ligt in dit concept van een persoonlijke god. Het doel van wetenschap is algemene regels vast te stellen voor de bepaling van het wederzijdse verband tussen objecten en gebeurtenissen in tijd en ruimte. Voor deze regels, of natuurwetten, is absolute algemene geldigheid vereist – niet bewezen. Het is hoofdzakelijk een programma, en het vertrouwen in de mogelijke correctheid is slechts gebaseerd op gedeeltelijke successen. Maar men zal nauwelijks iemand kunnen vinden die deze gedeeltelijke successen zal ontkennen, en ze aan menselijke zelfmisleiding zal toeschrijven. Het feit dat we op basis van deze wetten in staat zijn het tijdelijke gedrag van fenomenen op bepaalde gebieden met grote precisie en zekerheid te voorspellen is diep verankerd in het bewustzijn van de moderne mens, zelfs als hij maar weinig van de inhoud van deze wetten begrepen heeft. Hij hoeft alleen maar in aanmerking te nemen dat de baan van de planeten in ons zonnestelsel van tevoren met grote nauwkeurigheid berekend kan worden op basis van een beperkt aantal eenvoudige wetten. Op een soortgelijke manier, hoewel niet met dezelfde precisie, is het mogelijk van tevoren de werkingswijze te berekenen van een elektromotor, een transmissiesysteem of van radio apparatuur, zelfs als we met nieuwe ontwikkelingen te maken hebben. 

   Toegegeven moet worden, dat als het aantal factoren dat een rol speelt in een fenomenologisch complex te groot is, de wetenschappelijke methode in de meeste gevallen tekort schiet. Men hoeft alleen maar te denken aan het weer, in welk geval voorspelling voor een aantal dagen vooruit onmogelijk is. Niettemin betwijfelt niemand dat we hier geconfronteerd worden met een causaal verband waarvan de causale componenten in hoofdzaak aan ons bekend zijn. Gebeurtenissen op dit terrein vallen buiten het bereik van nauwkeurige voorspelling vanwege de verscheidenheid van operatieve factoren, niet wegens enig gebrek aan orde in de natuur. 

   Tot de regelmatigheden die op het terrein van levende dingen gelden, zijn we veel minder diep doorgedrongen, maar niettemin diep genoeg om op zijn minst de regel van vaststaande noodzakelijkheid aan te voelen. Men hoeft alleen maar te denken aan de systematische volgorde in erfelijkheid, en aan de uitwerking van vergif, zoals alcohol op het gedrag van organische wezens. Wat we hier missen is begrip van de verbanden in het grote geheel, maar niet kennis van de regels zelf.

   Hoe meer een mens bezield raakt door de ordelijke regelmaat van alle gebeurtenissen, hoe fermer zijn overtuiging wordt dat er geen ruimte bestaat voor oorzaken van andere aard, naast deze ordelijke regelmaat. Voor hem is de macht van menselijke wil als onafhankelijke oorzaak van natuurlijke gebeurtenissen onbestaanbaar, evenmin als de macht van een goddelijke wil bestaat. Toegegeven, het doctrine van een persoonlijke god die natuurlijke gebeurtenissen verstoort, kan door de wetenschap nooit volledig weerlegd worden, want dit doctrine kan zich altijd verschuilen in die gebieden waarin wetenschappelijke kennis tot dusver nog niet kon doordringen.

   Maar ik ben er van overtuigd dat zulk gedrag door de vertegenwoordigers van religie niet alleen onwaardig zou zijn, maar ook fataal. Want een doctrine dat niet in staat blijkt zich in vol daglicht staande te houden, maar alleen in duisternis, zal noodzakelerwijze zijn effect op de mensheid verliezen, met onberekenbare schade aan de menselijke vooruitgang. In hun strijd voor het ethische goed, moeten de voorgangers van religie de moed tonen de doctrine van een persoonlijke God op te geven, dat wil zeggen die bron van vrees en hoop opgeven die in het verleden zoveel macht in de handen van priesters heeft geplaatst. In hun arbeid moeten zij zichzelf voorzien van die krachten die in staat zijn het Goede, het Ware en de Schoonheid in de mensheid zelf te cultiveren. Dit is zeer zeker een veel moeilijker, maar ook een onvergelijkbaar waardiger taak. (Deze gedachte wordt overtuigend gepresenteerd in Herbert Samuel’s boek Belief and Action.) Nadat religieuze voorgangers het hierin aangegeven veredelingsproces voltooid hebben, zullen ze zeker met vreugde erkennen dat ware religie op een hoger plan getild wordt, en meer diepgaand kan worden door wetenschappelijke kennis. 

   Als het één van de doeleinden van religie is de mensheid zo ver mogelijk te bevrijden van de ketenen van egocentrische verslavingen, verlangens en angsten, kan wetenschap religie nog in een ander opzicht daarbij helpen. Hoewel het waar is dat het doel van wetenschap het ontdekken van regels is die de onderlinge samenhang en de voorspelling van feiten mogelijk maken, is dit niet haar enige doel. Ze probeert ook de gevonden verbanden te reduceren tot het kleinst mogelijke aantal onderling onafhankelijke conceptuele elementen. Het is in dit streven naar de rationele unificatie van het veelvoud dat zij haar grootste successen boekt, zelfs hoewel het precies dit streven is waardoor ze het grootste risico loopt aan illusies ten prooi te vallen. Maar wie de intense voldoening geproefd heeft van succesvolle vorderingen op dit terrein, wordt geraakt door een diepe eerbied voor de rationaliteit die zich manifesteert in het bestaan. Door dit begrijpen verwerft hij een vergaande bevrijding van de beperkingen die persoonlijke hoop en verlangens met zich brengen, en bereikt daarmee een bescheiden opstelling ten opzichte van de grandeur van rede die in het bestaan belichaamd wordt, en die in zijn diepste vorm ontoegankelijk voor de mens is. Het is echter deze mentaliteit die mij als religieus voorkomt, in de beste betekenis van het woord. En zo schijnt het mij dat wetenschap niet alleen religieuze opwellingen zuivert van de verontreiniging door zijn antropomorfisme, maar ook bijdraagt aan een religieuze vergeestelijking van ons begrip van het leven. 

   Hoe verder de spirituele evolutie van de mens vordert, hoe zekerder het mij schijnt dat de weg naar echte religiositeit niet ligt in de vrees voor het leven, of de vrees voor de dood, en blind vertrouwen, maar in het streven naar rationele kennis. In die zin geloof ik dat de priester een leraar moet worden als hij recht wil doen aan zijn verheven educatieve missie.

_____


Bron: http://www.sacred-texts.com/aor/einstein/einsci.htm#SCIENCE


twitter-icon-64

OVERIGE ARTIKELEN/SITE MAP


Alle vertalingen van artikelen © Peter van Montfoort